<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2024:494</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-10T12:45:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2024-05-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/01410</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2024:1146" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1146</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:494">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:494</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-30T13:38:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2024:494 Parket bij de Hoge Raad , 28-05-2024 / 22/01410</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2024:494:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Profijtontneming. Middel klaagt over niet in mindering brengen van toegewezen vorderingen BP op betalingsverplichting. Bespreking artikel 36e lid 9 Sr (verrekeningsbepaling) en hoofdelijkheid toegewezen schuld. Ambtshalve opmerking redelijke termijn in cassatie. Middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging bespreden uitspraak en terugwijzing van de zaak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2024:494:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Nummer22/01410 P</title>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	28 mei 2024</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.C. Aben</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [betrokkene ] ,</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,</para>
      <para>hierna: de betrokkene.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 13 april 2022 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag van € 39.170,34. Ter ontneming hiervan is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.</para>
    <para />
    <para>2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. </para>
    <para />
    <para>3. Het gaat in deze zaak om het in mindering brengen van twee in rechte toegekende vorderingen van de energieleverancier op het voordeel uit de opzettelijke teelt van hennep.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De strafzaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Bij onherroepelijk arrest d.d. 11 april 2018 van het gerechtshof Den Haag is onder 1 bewezen verklaard dat de betrokkene in de periode van 1 maart 2013 tot en met 12 december 2013 (in een pand aan de [a-straat 1] ) te [plaats] samen met een of meer anderen opzettelijk hennep heeft geteeld. Bij dat arrest is onder 4 bewezen verklaard dat de betrokkene in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 10 februari 2014 (in een pand aan de [b-straat 1] ) te [plaats] samen met een of meer anderen opzettelijk hennep heeft geteeld. Bewezen verklaard onder 2 respectievelijk 5 is telkens de diefstal in vereniging van elektriciteit die in die twee panden, gedurende de genoemde periodes is weggenomen. De vorderingen van Stedin Netbeheer B.V. tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de betrokkene onder 2 respectievelijk 5 bewezen verklaarde zijn telkens hoofdelijk toegewezen tot bedragen van € 5.438,71, en € 3.407,58. Voor dezelfde bedragen zijn tevens schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Omtrent de berekening van het voordeel heeft het hof het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">Op grond van het onherroepelijke arrest in de strafzaak stelt het hof vast dat de betrokkene is veroordeeld voor het telen van hennep in een pand aan de [a-straat ] en in een pand aan de [b-straat ] . Het hof is van oordeel dat de betrokkene door middel van of uit de baten van deze strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Overeenkomstig de rechtbank hanteert het hof als uitgangspunt het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij betreffende de [a-straat ] met bijlagen (hierna: ontnemingsrapport [a-straat ] ), en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij betreffende de [b-straat ] met bijlagen (hierna: ontnemingsrapport [b-straat ] ). Deze rapportages zijn mede gebaseerd op het BOOM-rapport van 1 november 2010. Het hof neemt de berekeningen uit deze ontnemingsrapportages over en maakt de conclusies tot de zijne, tenzij in dit arrest ander wordt vermeld.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [a-straat ] </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">Gelet op hetgeen in het pand werd aangetroffen dat wijst op in ieder geval een eerdere oogst en de bewezenverklaarde periode in het arrest van de strafzaak acht het hof het aannemelijk dat er drie oogsten zijn geweest. Daarbij neemt het hof voorts in aanmerking dat [betrokkene 1] op 29 mei 2018 heeft verklaard dat er daadwerkelijk drie oogsten zijn gerealiseerd. Het hof ziet geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de stelling namens de betrokkene dat sprake is geweest van twee oogsten onvoldoende onderbouwd is en niet aannemelijk is geworden. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gebleken is dat er 17 assimilatielampen aanwezig waren. Op basis daarvan wordt uitgegaan van 255 planten. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt in kilogram: </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">255 planten x 28,2 gram = 7,191 kilogram.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">7,191 kilogram x € 3.280,- = € 23.586,48 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De in mindering te brengen kosten per oogst zijn:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Afschrijvingskosten per oogst: 255 planten 		€      200,-- </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hennepstekken per oogst 255 x € 2,85 			€      726,75 </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Variabele kosten per oogst 255 x € 3/33 		€      849,15 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Daarnaast acht het hof overeenkomstig de raadsman ter zitting in eerste aanleg heeft aangevoerd aannemelijk dat de volgende kosten zijn gemaakt per oogst: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kosten knippers per oogst: 255 x € 2,- 			€      510,--</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Personeelskosten per oogst 3 x € 100,- 			€      300,--</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Totaal kosten per oogst:  				€   2.585,90</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Berekening voor 3 oogsten: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Totaal opbrengst (3 x € 23.586,48) 			€ 70.759,44</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Totaal kosten (3 x € 2.585,90) 				</emphasis>
        <emphasis role="underline italic">€   7.757,70  -</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Totaal verkregen voordeel 				€ 63.001,74</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op dit bedrag worden voorts nog in mindering gebracht: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De kosten van de huur van de woning 			€   8.000,--</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De betaalde elektriciteitskosten 			€      200,75</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof is van oordeel dat de in de strafzaak toegewezen vordering van de benadeelde partij Stedin Netbeheer BV niet in mindering dient te worden gebracht, nu niet is gebleken dat deze vordering reeds is voldaan.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof stelt het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor deze kwekerij dus vast op (€ 63.001,74 - € 8.200,75 =) € 54.800,99.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Overeenkomstig de rechtbank is het hof van oordeel dat aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen indicatie valt te ontlenen voor een verdeelsleutel van de opbrengst. De betrokkene heeft zelf geen enkel inzicht willen geven in de verdeelsleutel van de winst uit de kwekerij. Dat de betrokkene zelf geen enkel voordeel heeft genoten, acht het hof niet aannemelijk geworden. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit het dossier volgt dat de betrokkene en [betrokkene 1] zijn veroordeeld voor het feitencomplex aan de [a-straat ] . Het hof acht niet aannemelijk geworden dat daarnaast andere personen een deel van de winst hebben ontvangen. Nu geen andere verdeelsleutel aannemelijk is geworden, zal het hof het voordeel in twee gelijke delen verdelen tussen betrokkene en [betrokkene 1] . </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op grond van het voorgaande stelt het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene ten gevolge van de hennepkwekerij aan de [a-straat ] vast op een bedrag van (€ 54.800,99 / 2 =) € 27.400,50.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [b-straat ] </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gelet op hetgeen in dit pand werd aangetroffen dat wijst op in ieder geval één eerdere oogst en de bewezenverklaarde periode in het arrest van de strafzaak acht het hof het aannemelijk dat hier ten minste één eerdere oogst is geweest. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In deze hennepkwekerij zijn 452 hennepplanten aangetroffen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt in kilogram: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">452 x 28,2 gram = 12,746 kilogram</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De totale bruto opbrengst per ruimte per oogst bedraagt: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">12,746 kilogram x € 3.280,- = € 41.806,88</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De in mindering te brengen kosten per oogst zijn:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Afschrijvingskosten: 452 planten 			€       300,-- </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hennepstekken: 452 planten x € 2,85 			€   1.288,20 </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Variabele kosten: 452 planten € 3,33 			€   1.505,16 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Daarnaast acht het hof overeenkomstig hetgeen de raadsman ter zitting in eerste aanleg heeft aangevoerd aannemelijk dat de volgende kosten zijn gemaakt: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Huur woning 						€   2.200,-- </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kosten knippers 452 x € 2,- = 				€       904,-- </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Personeelskosten: 3 x € 100,- 				€       300,-- </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op grond van het voorgaande acht het hof aannemelijk dat in totaal een bedrag van € 6.497,36 aan kosten zijn gemaakt. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof is van oordeel dat ook de in de strafzaak toegewezen vordering van de benadeelde partij Stedin Netbeheer BV die ziet op deze kwekerij, niet in mindering dient te worden gebracht, nu niet is gebleken dat deze vordering is voldaan. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof is voorts van oordeel dat - anders dan door de verdediging bepleit - de in de strafzaak toegewezen vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (feit 6) evenmin in mindering dient te worden gebracht. Immers is niet aannemelijk geworden dat dit kosten betreffen die de betrokkene ten behoeve van de betreffende hennepoogst heeft moeten maken. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor deze kwekerij betreft aldus (€ 41.806,88 - € 6.497,36 =) € 35.309,52. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ook ten aanzien van deze hennepkwekerij acht het hof het niet aannemelijk dat de betrokkene geen enkel voordeel heeft genoten. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn veroordeeld voor dit feitencomplex. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat daarnaast andere personen een deel van de winst hebben ontvangen. Nu geen andere verdeelsleutel aannemelijk is geworden, zal het hof het voordeel in drie gelijke delen verdelen. Het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk vermogen voor deze hennepkwekerij wordt derhalve geschat op (€ 35.309,52 / 3 =) € 11.769,84.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op grond van het voorgaande stelt het hof het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op (€ 27.400,50 + € 11.769,84 =) € 39.170,34</emphasis>.”</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het middel en de toelichting daarop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het middel komt op tegen het oordeel dat de in de strafzaak toegewezen vorderingen van de benadeelde partij Stedin Netbeheer B.V. niet in mindering dienen te worden gebracht, op de grond dat niet is gebleken dat deze vorderingen reeds zijn voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bespreking van het middel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het gaat thans om hennepteelt (feiten 1 en 4) en diefstal van elektriciteit (feiten 2 en 5) gedurende de bewezen verklaarde periodes van (feit 1 en 2, [a-straat 1] te [plaats] ) “<emphasis role="italic">1 maart 2013 tot en met 12 december 2013</emphasis>” en van (feit 4 en 5, [b-straat 1] te [plaats] ) “<emphasis role="italic">1 augustus 2013 tot en met 10 februari 2014</emphasis>”. De feiten 1 en 2, respectievelijk 4 en 5 hangen samen. In het bestreden arrest ligt besloten dat de diefstal van elektriciteit als bedoeld onder 2, respectievelijk 5 betrekking heeft op hennepteelt als bedoeld onder 1, respectievelijk 4.<footnote-ref linkend="_418d1cc6-7b1a-416f-8ea7-8c93897fdcf2" /> De vraag waarvoor het hof zich gesteld zag luidt: dient op het voordeel uit hennepteelt (feiten 1 en 4) de in rechte toegekende vordering van de partij die door de feiten 2 en 5 is benadeeld, in mindering te worden gebracht?</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Het beoordelingskader: de verrekeningsbepaling</title>
    <para />
    <para>8. Op deze vraag ziet het volgende wettelijke voorschrift. Van 1 juli 2011 tot 1 januari 2014 luidde artikel 36e lid 8 Sr:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">"Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht."</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Met ingang van 1 januari 2014 is deze ‘verrekeningsbepaling’ gewijzigd. Op het voordeelbedrag wordt de som van de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht, doch thans voor zover die vorderingen “<emphasis role="italic">zijn voldaan</emphasis>”.<footnote-ref linkend="_e1c5eb37-c9a9-48a6-a690-ecb3fd306703" /> Deze wetswijziging heeft betrekking op regels van het sanctierecht, zodat op grond van artikel 1 lid 2 Sr bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene meest gunstige bepaling moet worden toegepast.<footnote-ref linkend="_53b41b9d-f1ba-48ee-9c8e-e961ab406b06" /> De meest gunstige bepaling betreft in dit geval de vóór 1 januari 2014 geldende bepaling.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De toepassing van het voorgaande beoordelingskader op de voorliggende zaak</title>
    <para />
    <para>10. Voor zover het gaat om een in rechte toegekende vordering die geheel of ten dele strekt tot vergoeding van schade die het gevolg is van delicten die zijn begaan vóór 1 januari 2014, betekent het voorgaande dat aan de voorgeschreven verrekening van een in rechte toegekende vordering met het voordeelbedrag in zoverre niet de eis mag worden gesteld dat de betreffende vordering (reeds) is voldaan. Voor zover de bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgehad vóór 1 januari 2014, heeft het hof dit miskend door telkens te overwegen dat de vordering van Stedin Netbeheer B.V. “<emphasis role="italic">niet in mindering dient te worden gebracht, nu niet is gebleken dat deze vordering is voldaan</emphasis>.” In zoverre is het middel terecht voorgesteld. </para>
    <para />
    <para>11. Naar mijn inzicht moet zulks leiden tot vernietiging. Ik meen bovendien dat de Hoge Raad de zaak niet zelf kan afdoen en dat er aanleiding is voor terugwijzing ervan. De toepassing van de hier besproken ‘verrekeningsbepaling’ is namelijk niet onproblematisch en vergt nader onderzoek (waarvoor in cassatie geen ruimte is).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Terugwijzing nodig? De ‘preciseringen’ van de verrekeningsbepaling (van thans artikel 36e lid 9 Sr)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Het voorschrift om het bedrag van de vordering van de benadeelde derde in mindering te brengen op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, is door de Hoge Raad in zijn rechtspraak ‘gepreciseerd’ (beperkt).<footnote-ref linkend="_d20b67c4-2920-49bc-a842-af0290f9798d" /> De verrekening van de vordering van de benadeelde derde is naast de eis van ‘toekenning in rechte’ en – met ingang van 1 januari 2014 voor wat betreft delicten van op of na die datum bovendien – de eis dat ‘de vordering is voldaan’ onderworpen aan de volgende cumulatieve voorwaarden (hierna ‘preciseringen’ genoemd): </para>
    <parablock>
      <para>(1) 	de toekenning (van de vordering) in rechte is <emphasis role="italic">onherroepelijk</emphasis>,<footnote-ref linkend="_dba9abf3-0ebe-4c90-a4bc-07cf41a371eb" /></para>
      <para>(2) 	de vordering van de benadeelde partij strekt tot vergoeding van schade die het gevolg is van het delict waarop de ontnemingsvordering (mede) is gegrond, en </para>
      <para>(3) 	het verband tussen het voordeel en de schade: voor verrekening is slechts beschikbaar dat deel van het totale voordeelbedrag waartegenover een daarmee corresponderend nadeel staat.<footnote-ref linkend="_82ec3c10-61c4-41b7-a82e-2148d1ebbddd" /> Immateriële schade,<footnote-ref linkend="_fcc421f1-a1b6-404f-8875-5641f65e5ec8" /> letselschade, herstelkosten<footnote-ref linkend="_79e70a7d-4708-47e4-8ed3-e35c7d7de2e1" /> en dergelijke komen dus op grond van de derde precisering niet in aanmerking voor verrekening. Tegenover dergelijke schade staat immers geen spiegelbeeldig voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepassing van deze preciseringen</title>
    <para />
    <para>13. In cassatie staat niet ter discussie dat aan de eerste precisering is voldaan. Vast staat dat de vorderingen van de benadeelde partij (bij arrest in de strafzaak) onherroepelijk zijn toegekend. </para>
    <para>De tweede precisiering kan in deze zaak nog wel tot hoofdbrekens leiden, aangezien de voordeelberekening uitwijst dat het hof de maatregel heeft opgelegd ter ontneming van voordeel uit hennepteelt (feiten 1 en 4), terwijl de vorderingen van de benadeelde partij strekken tot de vergoeding van schade door diefstal van elektriciteit (feiten 2 en 5). Niettemin valt in zaken als deze goed te verdedigen dat de schade van de benadeelde partij niet uitsluitend is veroorzaakt door diefstal van elektriciteit (feiten 2 en 5), maar dat de schade evenzeer voortvloeit uit de hennepteelt waartoe het energieverbruik strekte (feiten 1 en 4). In zoverre kan in cassatie reeds worden aangenomen dat ook aan de tweede precisering is voldaan. Een andersluidende opvatting kan overigens meebrengen dat – vanwege ‘dubbeltelling’ – tekort wordt gedaan aan de ratio van de ontnemingsmaatregel.<footnote-ref linkend="_09d21d61-a4ac-40d4-b76f-17ba405b7daf" /></para>
    <para />
    <para>14. Thans aandacht voor de derde precisering, de eis dat de schade van de benadeelde partij correspondeert met voordeel waarop de ontnemingsmaatregel het oog heeft. Hieromtrent heeft het hof vastgesteld dat de diefstal van elektriciteit als bedoeld onder feiten 2 en 5 betrekking heeft op de hennepteelt als bedoeld onder de feiten 1, respectievelijk 4. Daarin ligt m.i. besloten dat het door hennepteelt gegenereerde voordeel – op de voet van artikel 36e lid 5, tweede volzin, Sr – <emphasis role="italic">mede</emphasis> heeft bestaan uit de besparing van energiekosten die gepaard ging met de diefstal van elektriciteit. Noch het arrest in de strafzaak, noch het bestreden arrest maakt echter duidelijk hoe de vorderingen van Stedin Netbeheer B.V. precies zijn opgebouwd. Strekken zij in volle omvang tot vergoeding van (onbetaald) energieverbruik ten behoeve van de bewezen verklaarde hennepteelt, of ook tot de vergoeding van andere kosten, zoals herstelkosten (waartegenover voor de betrokkene géén corresponderend voordeel stond)? Als gevolg hiervan kan de Hoge Raad niet op basis van enkel ’s hofs vaststellingen beoordelen welk gedeelte van de vorderingen van de benadeelde partij voor verrekening in aanmerking komt.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Nóg een complicatie: de hoofdelijkheid van de toegewezen schuld</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>15. Ten slotte wijs ik erop dat het hof het voordeel uit de onder 1 en 4 bewezen verklaarde hennepteelt pondspondsgewijs heeft verdeeld tussen twee, respectievelijk drie daders, te weten de betrokkene en [betrokkene 1] , respectievelijk de betrokkene, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . De vorderingen van de benadeelde partij zijn (in de strafzaak) daarentegen <emphasis role="italic">hoofdelijk</emphasis> toegewezen. Of er aanleiding is om slechts een evenredig gedeelte van de schuld aan Stedin Netbeheer B.V. op de voet van artikel 36e lid 8 (oud) Sr in mindering te brengen op het aan de betrokkene toegerekende voordeel,<footnote-ref linkend="_e5a765d5-5edd-4ec7-ba9b-b5d256da5cda" /> is m.i. in eerste instantie aan de ontnemingsrechter.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Slotsom I</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>16. Kortom, het middel is terecht voorgesteld. Zulks dient te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak én (om meer redenen) tot terugwijzing van de zaak.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>17. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 15 april 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden. De rechter naar wie de zaak wordt verwezen kan hiermee bij het bepalen van de betalingsverplichting rekening houden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Slotsom II</title>
    <para />
    <para>18. Het middel slaagt.</para>
    <para />
    <para>19. Anders dan hetgeen ik onder 17 heb opgemerkt, heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. </para>
    <para />
    <para>20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_418d1cc6-7b1a-416f-8ea7-8c93897fdcf2" label="1">
    <para> Het hof merkt bijvoorbeeld op dat de onder feit 5 bedoelde diefstal van elektriciteit “<emphasis role="italic">ziet op</emphasis>” de kwekerij die is bedoeld in feit 4. Er is geen reden om te twijfelen aan een soortgelijk verband tussen de hennepkwekerij in het pand aan de [a-straat ] (feit 1) en de aldaar in diezelfde periode weggenomen elektriciteit (feit 2).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1c5eb37-c9a9-48a6-a690-ecb3fd306703" label="2">
    <para> Deze bepaling is gewijzigd bij wet van 26 juni 2013 (<emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2013, 278). Deze wet is op 1 januari 2014 in werking getreden (<emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2013, 336). Deze nieuwe bepaling, die vanaf 1 januari 2014 tot 1 januari 2015 was opgenomen in artikel 36e lid 8 Sr en met ingang van 1 januari 2015 is opgenomen in artikel 36e lid 9 Sr, luidt als volgt: <emphasis role="italic">"Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in art. 36f </emphasis><emphasis role="underline italic">voor zover die zijn voldaan</emphasis><emphasis role="italic">, in mindering gebracht</emphasis>." Zie hierover HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2496, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2017/401, rov. 2.3.1-2.3.2. </para>
    <para>Aan deze bepaling is dus ook de verplichting tot het in mindering brengen van het bedrag van een maatregel ex art. 36f Sr toegevoegd. Dat is in de voorliggende zaak eveneens van toepassing, maar dit behoeft thans – náást het in mindering brengen van de in rechte toegekende vordering van de benadeelde partij – geen afzonderlijke bespreking. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_53b41b9d-f1ba-48ee-9c8e-e961ab406b06" label="3">
    <para> HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2496: <emphasis role="italic">"2.3.3.	De in de strafzaak ten laste van de betrokkene bewezen verklaarde oplichting, meermalen gepleegd, is begaan in de periode van 19 januari 2012 tot en met 28 november 2012. De wet van 26 juni 2013 bevat geen overgangsbepaling. Art. 36e, (thans) negende lid, Sr houdt een wijziging van wetgeving in ten aanzien van de toepasselijke regels van sanctierecht. In een dergelijk geval dient op grond van art. 1, tweede lid, Sr bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene meest gunstige bepaling te worden toegepast.” </emphasis></para>
    <para>Met betrekking tot de toepassing van artikel 1 lid 2 Sr heeft de Hoge Raad in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2020/409, meer in het algemeen het volgende overwogen: “<emphasis role="italic">Vooropgesteld dient te worden dat voor regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang - en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten - moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt, alsmede dat eventueel door de wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 15 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en - voor zover van toepassing - artikel 49 lid 1 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Indien dat laatste niet het geval is, zal de rechter deze bepalingen buiten toepassing moeten laten (...)</emphasis>.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d20b67c4-2920-49bc-a842-af0290f9798d" label="4">
    <para> HR 11 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5438, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2000/590 m.nt. De Hullu: “<emphasis role="italic">De regeling van art. 36e, zesde lid, Sr beoogt te voorkomen dat iemand hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel meermalen zou moeten terugbetalen, zij het aan verschillende (rechts)personen. Dit brengt mee dat bij de toepassing van die regeling slechts in aanmerking komt de in rechte onherroepelijk toegekende vordering van een (rechts)persoon strekkende tot vergoeding van diens schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voorzover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de veroordeelde staat</emphasis>.” Zie voorts HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997ZC9559, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1998/90; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3269; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2496, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/401, rov. 2.3.4; HR 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:900, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2019/257; HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:127, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2020/261.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dba9abf3-0ebe-4c90-a4bc-07cf41a371eb" label="5">
    <para> Indien de vordering van de benadeelde partij ten tijde van de bestreden uitspraak nog niet onherroepelijk is toegekend, is de ontnemingsrechter <emphasis role="italic">niet</emphasis> op grond van de verrekeningsbepaling <emphasis role="italic">verplicht</emphasis>, maar staat het hem wél vrij om de som die aan de benadeelde partij is verschuldigd in mindering te brengen op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Zie HR 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:900, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2019/257; HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1518.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_82ec3c10-61c4-41b7-a82e-2148d1ebbddd" label="6">
    <para> Voor precisering 2 is steun te vinden in de wetsgeschiedenis. Zie voorts M.J. Borgers, <emphasis role="italic">De ontnemingsmaatregel</emphasis> (diss. Tilburg), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2001, p. 370. Borgers was 23 jaar geleden van precisering 2 wél en van precisering 3 géén voorstander. Hij wijst erop dat ook vergoeding van bijvoorbeeld immateriële schade die het gevolg is van het delict waarop de maatregel is gegrond in effect de ontneming van voordeel teweegbrengt. Mijn ambtgenoot Machielse besprak deze problematiek voorafgaande aan HR 23 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2607, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2004/256. Zie ook: B.F. Keulen, <emphasis role="italic">Crimineel vermogen en strafrecht. Een commentaar op de ontnemingswetgeving,</emphasis> Deventer: Gouda Quint 1999, p. 99 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fcc421f1-a1b6-404f-8875-5641f65e5ec8" label="7">
    <para> HR 11 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5438, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2000/590 m.nt. De Hullu.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_79e70a7d-4708-47e4-8ed3-e35c7d7de2e1" label="8">
    <para> HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3254.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_09d21d61-a4ac-40d4-b76f-17ba405b7daf" label="9">
    <para> Voor een uitvoerige toelichting van deze stelling verwijs ik naar mijn conclusie van 31 augustus 2010, vóór HR 22 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5162. In die zaak overwoog de Hoge Raad (dienovereenkomstig): “<emphasis role="italic">2.7. De door de Rechtbank onherroepelijk toegekende vordering aan de benadeelde partij </emphasis>[de energieleverancier, D.A.]<emphasis role="italic"> heeft deels betrekking op de locatie </emphasis>[alwaar een hennepkwekerij was aangetroffen en waar buiten de meter om elektriciteit was weggenomen, D.A.]<emphasis role="italic">. De berekening van een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel </emphasis>[uit hennepteelt, D.A.]<emphasis role="italic"> ziet op diezelfde locatie. Zulks in aanmerking genomen en gelet op het bepaalde in art. 36e, zesde lid, Sr had het Hof er blijk van moeten geven te hebben onderzocht of die in rechte toegekende vordering al dan niet gedeeltelijk – te weten waar het de energiekosten betreft – in mindering diende te worden gebracht op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</emphasis>” </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e5a765d5-5edd-4ec7-ba9b-b5d256da5cda" label="10">
    <para> Vgl. HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3021, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2008/420 (m.nt. Borgers onder <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2008/421): “<emphasis role="italic">4.4.1. Op de voet van art. 36e, zesde lid, Sr is de rechter bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat verplicht aan benadeelde derden onherroepelijk in rechte toegekende vorderingen in mindering te brengen. In de (...) uitspraak in de hoofdzaak heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij (...) jegens de betrokkene toegewezen, in dier voege dat de betrokkene tezamen met zijn beide mededaders voor deze prestatie hoofdelijk is verbonden. 4.4.2. Het Hof heeft bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel enerzijds ermee rekening gehouden dat de opbrengst uit het desbetreffende strafbare feit pondspondsgewijs tussen de drie mededaders is verdeeld en, anderzijds, een bedrag van € 2.042,01, zijnde het derde gedeelte van de schuld aan (...), in mindering gebracht. Dat oordeel berust hierop dat, indien de betrokkene aan de benadeelde partij de gehele vordering heeft voldaan, ieder van de beide hoofdelijk verbonden mededaders voor een derde gedeelte verplicht is in de schuld bij te dragen. 4.4.3. 's Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste uitleg van art. 36e, zesde lid, Sr, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.</emphasis>"</para>
    <para>Zie tevens HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR0400, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2012/98: “<emphasis role="italic">2.3. Ingevolge art. 36e, zesde lid, Sr wordt bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan een benadeelde derde in rechte toegekende vordering in mindering gebracht. 2.4. In het geval dat de betrokkene hoofdelijk veroordeeld is tot betaling van het aan een benadeelde derde toekomende bedrag, is de rechter niet verplicht dat gehele bedrag op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen. Indien de betrokkene aan de benadeelde derde de gehele vordering heeft voldaan, zijn de andere hoofdelijk verbonden schuldenaren immers verplicht, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, in de schuld bij te dragen (vgl. HR 7 december 2004, LJN AR3021, NJ 2008/420). Voor zover het middel uitgaat van een andere opvatting, faalt het</emphasis>.”</para>
    <para>HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:8, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/92 m.nt. Reijntjes: “<emphasis role="italic">Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de onder 3.3 weergegeven wijziging van het voorschrift van thans art. 36e, negende lid, Sr – mede gelet op de door de wetgever beoogde bescherming van de belangen van de benadeelde – met zich brengt dat, ook indien sprake is van hoofdelijke verbondenheid in de verplichting tot vergoeding van schade, het volledige bedrag van de vordering van de benadeelde derde of het ten behoeve van het slachtoffer aan de Staat te betalen bedrag in mindering moet worden gebracht op de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Die opvatting vindt evenwel geen steun in de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis.</emphasis>”</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>