<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2024:423</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-26T00:01:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2024-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/00460</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2024:940" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:940</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:423">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:423</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-16T14:30:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2024:423 Parket bij de Hoge Raad , 16-04-2024 / 22/00460</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2024:423:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Middel 1: gedwongen schuld ex art. 317 Sr nu schuld al bestond? Of schuld al bestond is vraag van feitelijke aard en kan niet voor het eerst in cassatie naar voren worden gebracht. Middel 2: oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling? HR Dreigbrief-arrest. Middel 3: bewezenverklaring medeplegen? Oordeel hof niet onbegrijpelijk gelet op bewijsmiddelen. Alle middelen falen. Ambtshalve opmerking overschrijding redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang 23/00308.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2024:423:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Nummer22/00460 </title>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	16 april 2024</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.C. Aben</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte],</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. De verdachte is bij arrest van 2 februari 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens ‘afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ en ‘poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek als bedoeld in artikel 27 lid 1 Sr en een proeftijd van twee jaren.<footnote-ref linkend="_84817aca-347f-4421-8afb-fd5cdc6442e4" /> Ook is aan de verdachte een bijzondere voorwaarde en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald. </para>
    <para />
    <para>2. Er bestaat samenhang met de zaak 23/00308. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.</para>
    <para />
    <para>3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. </para>
    <para />
    <para>4. Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte de aangever ‘heeft gedwongen tot het aangaan van een schuld’. Het tweede middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte ‘heeft gehandeld met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen’. Het derde middel keert zich tegen het oordeel dat ‘medeplegen’ is bewezen.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bewezenverklaring en de bewijsvoering</title>
    <para />
    <para>5. De bewezenverklaring is als volgt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“1. hij, op </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of omstreeks</emphasis>
        <emphasis role="italic"> 28 augustus 2019, te [plaats], </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans in Nederland</emphasis>
        <emphasis role="italic">, tezamen en in vereniging met </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">een ander of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> anderen, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans alleen</emphasis>
        <emphasis role="italic">, met het oogmerk om zich </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">en/of(een) ander(en)</emphasis>
        <emphasis role="italic"> wederrechtelijk te bevoordelen [slachtoffer 1] met geweld en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> bedreiging met geweld heeft/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">hebben</emphasis>
        <emphasis role="italic"> gedwongen tot het aangaan van een schuld (te weten van in totaal ongeveer 270.000 euro), </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)</emphasis>
        <emphasis role="italic">, welk geweld en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededaders </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- zich naar een woning (gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats]), waar [slachtoffer 1] (via SMS) naartoe werd gelokt, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">heeft</emphasis>
        <emphasis role="italic">/hebben begeven en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens in de woning die [slachtoffer 1] met de vuist in zijn gezicht </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">heeft</emphasis>
        <emphasis role="italic">/hebben </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">geslagen en/of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> gestompt en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens in de woning die [slachtoffer 1] </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">heeft</emphasis>
        <emphasis role="italic">/hebben gedwongen te gaan zitten en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens tegen die [slachtoffer 1] </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">heeft</emphasis>
        <emphasis role="italic">/hebben gezegd “Je moet betalen”, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> strekking en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens die [slachtoffer 1] en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> [slachtoffer 2] </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">heeft</emphasis>
        <emphasis role="italic">/hebben gedwongen </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">zijn</emphasis>
        <emphasis role="italic">/hun telefoons af te staan en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens die [slachtoffer 1] meermalen, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans eenmaal (met de vuist)</emphasis>
        <emphasis role="italic"> tegen het gezicht, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans het lichaam</emphasis>
        <emphasis role="italic">, hebben geslagen </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">en/of gestompt</emphasis>
        <emphasis role="italic"> en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens die [slachtoffer 1] </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">heeft</emphasis>
        <emphasis role="italic">/hebben gedwongen een schuldbekentenis van 270.000 euro, althans een geldbedrag, te ondertekenen en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens tegen die [slachtoffer 1] </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">heeft</emphasis>
        <emphasis role="italic">/hebben gezegd dat als hij, [slachtoffer 1], informatie zou verstrekken aan derden, die schade zou berokkenen aan [verdachte], hij/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">zij</emphasis>
        <emphasis role="italic"> zich verplicht voelt om de nodige maatregelen te nemen, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> strekking en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens die [slachtoffer 1] (opnieuw) meermalen, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans eenmaal (met de vuist)</emphasis>
        <emphasis role="italic"> tegen het gezicht, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans het lichaam</emphasis>
        <emphasis role="italic">, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">heeft</emphasis>
        <emphasis role="italic">/hebben geslagen </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">en/of gestompt</emphasis>
        <emphasis role="italic"> en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens tegen die [slachtoffer 1] </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">heeft</emphasis>
        <emphasis role="italic">/hebben gezegd dat </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">hij</emphasis>
        <emphasis role="italic">/zij weten waar zijn, [slachtoffer 1], dochter woont en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of dat hij</emphasis>
        <emphasis role="italic">/zij die dochter zullen opzoeken, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. hij, op </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of omstreeks</emphasis>
        <emphasis role="italic"> 28 augustus 2019, te [plaats], </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans in Nederland</emphasis>
        <emphasis role="italic">, ter uitvoering van het door hem, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">verdachte</emphasis>
        <emphasis role="italic">, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">een ander of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> anderen, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans alleen</emphasis>
        <emphasis role="italic">, met het oogmerk om zich e</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">n/of (een) ander(en)</emphasis>
        <emphasis role="italic"> wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (te weten ongeveer 270.000 euro), </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)</emphasis>
        <emphasis role="italic">, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- zich met zijn mededaders naar een woning (gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats]), waar [slachtoffer 1] (via SMS) naartoe werd gelokt, heeft begeven en verdachte en/of zijn mededaders/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens in de woning die [slachtoffer 1] met de vuist in zijn gezicht hebben </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">geslagen en/of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> gestompt en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens in de woning die [slachtoffer 1] gedwongen te gaan zitten en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd “Je moet betalen”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> strekking en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens die [slachtoffer 1] en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> [slachtoffer 2] hebben gedwongen </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">zijn</emphasis>
        <emphasis role="italic">/hun telefoons af te staan en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> - vervolgens die [slachtoffer 1] meermalen, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans eenmaal (met de vuist)</emphasis>
        <emphasis role="italic"> tegen het gezicht, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans het lichaam</emphasis>
        <emphasis role="italic">, hebben geslagen </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">en/of gestompt</emphasis>
        <emphasis role="italic"> en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens die [slachtoffer 1] hebben gedwongen een schuldbekentenis van 270.000 euro, althans een geldbedrag, te ondertekenen en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat als hij, [slachtoffer 1], informatie zou verstrekken aan derden, die schade zou berokkenen aan [verdachte], hij/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">zij</emphasis>
        <emphasis role="italic"> zich verplicht voelt om de nodige maatregelen te nemen, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> strekking en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens tegen die [slachtoffer 1] opnieuw meermalen, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans eenmaal (met de vuist)</emphasis>
        <emphasis role="italic"> tegen het gezicht, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans het lichaam</emphasis>
        <emphasis role="italic">, hebben </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">geslagen en/of</emphasis>
        <emphasis role="italic"> gestompt en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- vervolgens tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">hij</emphasis>
        <emphasis role="italic">/zij weten waar zijn, [slachtoffer 1], dochter woont en/</emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">of dat hij</emphasis>
        <emphasis role="italic">/zij die dochter zullen opzoeken, </emphasis>
        <emphasis role="italic strike-through">althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking</emphasis>
        <emphasis role="italic">, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De bewijsoverwegingen van het hof luiden als volgt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="underline italic">Oordeel van het hof</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 28 augustus 2019 heeft aangever aangifte gedaan van afpersing. In zijn aangifte verklaart aangever dat hij een SMS-bevestiging kreeg voor een afspraak met iemand in [plaats]. Aangever ging samen met zijn schoonzoon [slachtoffer 2] naar de afspraak. Eenmaal daar aangekomen liep aangever met zijn schoonzoon en een man de woning in. Daar stond verdachte met twee andere mannen in de kamer. Aangever en schoonzoon moesten gaan zitten en aangever kreeg een stomp in zijn gezicht. Zij moesten hun telefoons inleveren. Aangever verklaart tussen de tien a vijftien klappen te hebben gehad. Verder verklaart hij dat hij een schuldbekentenis moest ondertekenen, waarin stond dat aangever € 270.000,- schuldig was aan verdachte. Op het moment dat aangever weigerde om de schuldbekentenis te tekenen, kreeg hij nog een paar klappen. Aangever verklaart dat verdachte ook heeft gedreigd dat hij wist waar de dochter van aangever woonde en dat hij haar wel zou opzoeken. Aangever besloot te tekenen. Op de schuldbekentenis stond dat aangever, op 28 augustus 2019, zou moeten betalen. Aangever heeft aangegeven dat niet voor elkaar te krijgen. De deadline is vervolgens opgeschoven naar 29 augustus 2019 om 12:00 uur. Voorts verklaart aangever dat verdachte de leiding had. Dit was te zien aan de houding van verdachte en dat verdachte zou hebben gezegd ‘Sla hem maar een paar keer nog’. De andere mannen waren er om aangever te dwingen de schuldbekentenis te tekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Getuige [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op 28 augustus 2019 samen met aangever naar een afspraak ging die plaats zou vinden in een pand gelegen aan de [a-straat 1], te [plaats]. Toen zij in de woning kwamen, zag getuige verdachte in de woning staan met twee andere mannen. De man die buiten bij de woning stond, kwam ook naar binnen. Aangever zou een vuistslag en meerdere klappen in zijn gezicht hebben gekregen. Er werd geschreeuwd met: ‘je moet betalen’ en aangever kreeg opnieuw klappen in zijn gezicht van één van de drie andere mannen. De telefoons moesten worden ingeleverd. Verdachte haalde een schuldbekentenis tevoorschijn die aangever moest tekenen, waarin stond dat aangever een bedrag van € 270.000,- schuldig was. Verdachte wilde het geld per direct, maar aangever wist uitstel te krijgen tot 29 augustus 2019. Indien niet werd betaald, zou verdachte aangever weer opzoeken, waarbij hij meedeelde dat hij wist waar zijn dochter woonde.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In het dossier bevindt zich een afschrift van de schuldbekentenis waarin - kort gezegd - staat dat aangever een bedrag van € 270.000 schuldig is aan verdachte, dat aangever het bedrag uiterlijk 28 augustus 2019 aan verdachte moet betalen, en bij het verstrekken van informatie aan derden, die schade berokkent aan verdachte, zal verdachte benodigde maatregelen treffen. Tevens zou aangever dan een bedrag van € 100.000 per gebeurtenis verschuldigd zijn.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij aangever op 28 augustus 2019 naar een woning in [plaats], heeft laten komen door aangever een uitnodiging via een SMS-bericht te sturen onder een valse naam. Verdachte heeft verklaard dat hij ter fysieke bescherming en als incasseur [medeverdachte] heeft meegenomen en dat [medeverdachte] bij volledige incasso een bedrag van € 70.000 zou krijgen. Verdachte had van tevoren een schuldbekentenis opgesteld om discussies te voorkomen. Aangever zou de schuldbekentenis van € 270.000 moeten tekenen. Verdachte zou dan zijn geld hebben. Verdachte verklaart dat aangever klappen heeft gehad van [medeverdachte]. Verdachte ontkent dat hij aangever heeft geslagen en dat hij de leiding had. Hij wilde enkel zijn geld.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof acht bewezen dat verdachte aangever onder een valse naam naar de [a-straat 1], te [plaats] heeft laten komen. Tijdens deze afspraak is aangever meerdere malen geslagen en gestompt om aangever onder druk te zetten en te dwingen tot het ondertekenen van een schuldbekentenis en het laten betalen van € 270.000,-. De verklaringen van aangever en de getuige zijn gedetailleerd en komen met elkaar overeen (en ook met wat er in de schuldbekentenis staat opgenomen).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Anders dat de raadsman betoogt, acht het hof bewezen dat verdachte uit was op wederrechtelijke bevoordeling. Hij had de schuldbekentenis van tevoren opgesteld en meegenomen om aangever, onder dreigende omstandigheden en onder toepassing van geweld door anderen die op zijn verzoek aanwezig waren, te laten tekenen. De ondertekening van de schuldbekentenis door aangever is niet vrijwillig gegaan en daarbij is er geweld toegepast op aangever en zijn er dreigende uitingen gemaakt, waarna aangever zich gedwongen zag de schuldbekentenis te ondertekenen. Verder heeft het hof uit de bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte opzet had op het toegepaste geweld. Dat blijkt uit zowel de verklaringen die aangever en zijn schoonzoon bij de politie hebben afgelegd als die zij als getuige bij de rechtbank hebben afgelegd. Verdachte heeft [medeverdachte] ingeschakeld om aangever desnoods met toepassing van geweld de schuldbekentenis te laten ondertekenen, zodat aangever onder dwang en dreiging een bedrag van € 270.000,- aan verdachte zou betalen. Daarbij komt dat de betaaldatum is aangepast naar de volgende dag, om aangever in de gelegenheid te stellen om de door verdachte geëiste € 270.000,- te betalen, bij gebreke waarvan verdachte heeft gedreigd aangever en zijn dochter te zullen opzoeken.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In de woning is er geweld toegepast op aangever, waarbij het hof ervan uitgaat dat dat onderdeel was van het plan van verdachte. Dit blijkt niet alleen uit het feit dat aangever vrijwel meteen na binnenkomst werd geslagen, maar ook uit het inschakelen van [medeverdachte] als incasseur voor een bedrag van € 70.000,- als het door verdachte beoogde doel werd bereikt, een bedrag dat bovenmatig ver uitstijgt boven het gebruikelijke incassotarief. Verdachte moest hoe dan ook zijn geld hebben. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder ook niet dat verdachte zich ter plaatse heeft gedistantieerd van het toegepaste geweld op aangever. Het hof acht dan ook bewezen dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] voor het op aangever toegepaste geweld.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit de omstandigheid dat verdachte aangever onder valse voorwendselen naar [plaats] heeft gelokt, uit het toegepaste geweld, uit de afgedwongen ondertekening van de schuldbekentenis en het respijt dat verdachte aangever gaf voor daadwerkelijke betaling, volgt zonneklaar dat verdachte ook het oogmerk had op de wederrechtelijke bevoordeling tot een bedrag van € 270.000,-. De stelling van verdachte dat hij die intentie niet zou hebben gehad, volgt het hof daarom niet.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gelet op de bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in vereniging, aangever, met geweld en bedreiging met geweld, heeft afgedwongen om een schuldbekentenis te ondertekenen, en heeft geprobeerd om aangever te dwingen tot het betalen van € 270.000,-.</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen bestaan uit:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">proces-verbaal van aangifte</emphasis>
        <emphasis role="italic"> (als bijlage op </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">pagina 23 e.v.</emphasis>
        <emphasis role="italic"> van het proces-verbaal), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als </emphasis>
        <emphasis role="bold underline italic">verklaring van [slachtoffer 1]</emphasis>
        <emphasis role="italic">:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 22 augustus 2019 werd ik gebeld door enen [naam]. Hij zei dat hij een projectje voor me had. Ik kreeg een sms-berichtje. Daarin stond een afspraakbevestiging om op woensdag 28 augustus 2019 om 11:00 uur op de [a-straat 1] in [plaats] te zijn. Ik heb mijn schoonzoon gevraagd om met me mee te gaan. Toen we daar aankwamen ging de deur al open. Ik liep met die man en mijn schoonzoon de kamer in. Ik zag in de kamer dat [verdachte] daar stond en twee andere mannen. Er stond een tafel en mijn schoonzoon werd direct aan tafel gezet. Ik werd in de woonkamer meteen op mijn gezicht gestompt. Ik moest gaan zitten aan tafel tegenover mijn schoonzoon. Wij moesten vrijwel meteen onze telefoon inleveren. Ik denk dat ik tussen de 10 en 15 klappen heb gehad van die oudere man. [verdachte] had een formulier bij zich waar hij een schuldbekentenis op had getypt, die ik moest ondertekenen. Hij had daarin geschreven dat ik hem 270.000 euro schuldig was. Hij had er ook bijgeschreven dat ik informatie zou verstrekken aan derden, die schade zou berokkenen aan [verdachte] hij zich verplicht voelde om de nodige maatregelen te nemen. Ik weigerde dan ook om te tekenen, maar ik kreeg toen nog een paar klappen. Ik hoorde dat [verdachte] dreigde dat hij wist waar mijn dochter woonde en dat hij die wel zou gaan opzoeken. Na nog meer klappen ben ik gezwicht en heb ik getekend. Er stond alleen op de schuldbekentenis dat ik vandaag, 28 augustus 2019, zou moeten betalen. Ik heb [verdachte] ervan weten te overtuigen dat het mij niet lukte om dat diezelfde dag nog voor elkaar te krijgen. Daarom heeft hij de deadline opgeschoven tot donderdag 29 augustus 2019 om 12:00 uur. Ik zag dat [verdachte] duidelijk de leiding had. Ik heb hem horen zeggen voordat ik getekend had; ‘Sla hem maar een paar keer nog’, en ik zag aan zijn houding, gedrag en woorden dat hij degene was die bepaalde wat er gebeurde en dat die andere mannen er alleen waren om mij te dwingen dat document te tekenen. Als [verdachte] zei dat ik moest tekenen en het gebeurde niet, dan kreeg ik klappen van die mannen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">proces-verbaal van verhoor getuige</emphasis>
        <emphasis role="italic"> (als bijlage op </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">pagina 28 e.v.</emphasis>
        <emphasis role="italic"> van het proces-verbaal), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als </emphasis>
        <emphasis role="bold underline italic">verklaring van [slachtoffer 2]</emphasis>
        <emphasis role="italic">:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op woensdag 28 augustus 2019 ben ik samen met mijn schoonvader naar de [a-straat 1] in [plaats] gegaan. Mijn schoonvader en ik mochten vervolgens gaan zitten aan een tafel. Toen kwamen er ineens nog drie personen binnenlopen. Nadat deze drie mannen binnen kwamen lopen, zag ik dat mijn schoonvader vervolgens een vuistslag in zijn gezicht kreeg van persoon 3. Na deze vuistslag kreeg hij nog drie klappen met de vlakke hand van persoon 3. Persoon 1 begon vervolgens te schreeuwen: ‘Je moet betalen”. Mijn schoonvader kreeg vervolgens opnieuw drie klappen in zijn gezicht met de vlakke hand van persoon 3. Wij moesten onze telefoons geven. Op een gegeven moment haalde [verdachte] een soort van schuldbekentenis tevoorschijn, in deze schuldbekentenis stond dat mijn schoonvader een bedrag van 270.000 euro schuldig is. [verdachte] wilde dat mijn schoonvader deze schuldbekentenis ging ondertekenen. Eerst wilde [verdachte] dit geld per direct hebben, mijn schoonvader heeft het echter weten te rekken tot donderdagmiddag 29 augustus 2019 om 12:00 uur. [verdachte] heeft nog gezegd dat als er op donderdagmiddag 29 augustus 2019 om 12:00 uur niet betaald was, dat hij mijn schoonvader nog een keer zou opzoeken en dat hij ook wist waar zijn dochter woonde.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. De als bijlage op </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">pagina 41</emphasis>
        <emphasis role="italic"> van het proces-verbaal gevoegde schriftelijke bescheiden, inhoudende foto van de schuldbekentenis, waarvan een kopie als </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">bijlage 1 </emphasis>
        <emphasis role="italic">aan deze aanvulling is gehecht.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte </emphasis>
        <emphasis role="bold underline italic">proces-verbaal van de terechtzitting</emphasis>
        <emphasis role="italic"> van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, op 19 januari 2021, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - </emphasis>
        <emphasis role="bold underline italic">als verklaring van [verdachte]</emphasis>
        <emphasis role="italic">:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">U, voorzitter, houdt mij voor dat ik mij als iemand anders heb voorgedaan bij de totstandkoming van de afspraak met [slachtoffer 1]. Dat klopt. Ik heb op voorhand een schuldbekentenis opgemaakt. Ik ben toen naar de afspraak gegaan met een aantal mannen. Toen [slachtoffer 1] met zijn schoonzoon ([slachtoffer 2]) binnenkwam, liet ik hem de schuldbekentenis zien. Hij zei al gauw dat hij niet zou betalen. [medeverdachte] zat links naast mij en die gaf [slachtoffer 1] gelijk een paar klappen. Nadat er was getekend, konden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weggaan. [medeverdachte] zou € 70.000 voor zijn aandeel krijgen.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het eerste middel en de toelichting daarop</title>
    <para />
    <para>8. Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het hof ‘dat de verdachte de aangever heeft gedwongen tot het aangaan van een schuld’, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. </para>
    <para />
    <para>9. Aan het middel wordt ten grondslag gelegd dat de aangever op de pleegdatum <emphasis role="italic">niet</emphasis> door de verdachte werd gedwongen om een verbintenis met hem aan te gaan omdat die verbintenis al bestond. De ontmoeting was erop gericht dat de verbintenis door de aangever zou worden nagekomen.</para>
    <para />
    <para>10. In dat kader wijst de steller van het middel op het vonnis van de handelskamer van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 17 augustus 2022 waarbij de verdachte als eiser en de aangever als gedaagde tegenover elkaar stonden en waarin de rechtbank heeft bevestigd dat de aangever verplicht is tot betaling van een geldsom aan de verdachte. De geldsom bedraagt € 130.053,40, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente tot aan de dag van betaling.<footnote-ref linkend="_a6fc435c-3498-470d-a5ed-cc0115b77331" /></para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De beoordeling van het eerste middel: gedwongen tot het aangaan van een schuld?</title>
    <para />
    <para>11. In cassatie wordt de stelling betrokken dat de schuld<footnote-ref linkend="_4e34809f-0821-415f-b083-6fdb3f6cf35a" /> waarvan de schuldbekentenis blijk geeft “<emphasis role="italic">al bestond</emphasis>” en dat de aangever dus niet is gedwongen tot het “<emphasis role="italic">aangaan</emphasis>” van die schuld. In deze stelling ligt besloten dat de ‘onder dwang vastgelegde’ schuld identiek is aan een schuld die voortvloeit uit een (verbintenisscheppende) overeenkomst die de aangever en de verdachte voorafgaande aan het ondertekenen van de schuldbekentenis reeds hadden gesloten. Of de door de aangever ‘onder dwang vastgelegde’ schuld werkelijk identiek is aan een mogelijk reeds bestaande schuld betreft een vraag van feitelijke aard. </para>
    <para />
    <para>12. In de bewijsmotivering besteedt het hof geen aandacht aan de vraag of de aangever de verdachte voorafgaande aan het delict reeds een groot geldbedrag verschuldigd was. Zodoende moet worden aangenomen dat het hof heeft geoordeeld dat de verdediging een bewijsverweer van de strekking dat de schuld al bestond en dus niet is ‘aangegaan’, ter terechtzitting <emphasis role="italic">niet</emphasis> heeft gevoerd. Tegen dit oordeel wordt in cassatie niet opgekomen, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Het eerste middel mist daarmee feitelijke grondslag. Omtrent een ‘al bestaande’ schuld die identiek is aan de schuld waarvan de schuldbekentenis getuigt, heeft het hof niets vastgesteld. Een dergelijke kwestie kan niet voor het eerst in cassatie naar voren worden gebracht.</para>
    <para />
    <para>13. De uitspraak van de handelskamer van de rechtbank Midden-Nederland van 17 augustus 2022 kan de verdachte in dit verband niet baten, reeds omdat in cassatie geen beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden die niet ter terechtzitting aan het hof zijn voorgelegd. </para>
    <para />
    <para>14. Het middel faalt.</para>
    <para />
    <para>15. Buiten de orde van de cassatieprocedure om merk ik op dat in het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland niet de steun kan worden gevonden die de steller van het middel daaraan meent te kunnen ontlenen. De rechtbank oordeelde dat de aangever de verdachte slechts minder dan de helft van het nominale bedrag van de afgedwongen schuldbekentenis verschuldigd is, namelijk € 130.053,40. Voor hetgeen dat bedrag te boven gaat (tot aan € 270.000) was dus – naar het oordeel van de rechtbank – sowieso geen basis. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het tweede middel en de toelichting daarop</title>
    <para />
    <para>16. Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het hof ‘dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen’, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.</para>
    <para />
    <para>17. Door de steller van het middel wordt verwezen naar HR 9 februari 1971 (het dreigbrief-arrest)<footnote-ref linkend="_bf25d2c5-1881-464a-9096-53f1632812b3" /> en de in <emphasis role="italic">NJ</emphasis> gepubliceerde annotatie van Bronkhorst. De steller van het middel beroept zich op die annotatie en stelt dat de wijze waarop de verdachte heeft aangedrongen op nakoming van de gemaakte afspraken weliswaar onbehoorlijk is geweest, maar dat het de vraag is of alleen op basis daarvan gesproken mag worden van (poging tot) afpersing. Afpersing als bedoeld in artikel 317 Sr heeft een ander karakter dan misdrijven waarbij geweld en bedreiging met geweld strafbaar zijn gesteld (hetzelfde geldt voor dwang ex artikel 284 Sr) en is onmiskenbaar een vermogensdelict, aldus de steller van het middel. </para>
    <para />
    <para>18. Gelet hierop wordt door de steller van het middel geconcludeerd dat, nu de verdachte in de onderhavige zaak recht op het geld had, het kenmerkende aspect van een vermogensdelict ontbreekt en er een geweldsdelict of een delict dat gericht is tegen de persoonlijke vrijheid van een ander overblijft. Het oordeel van het hof geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk nu de strafbaarstelling van afpersing in de kern slechts ziet (althans in de ogen van de verdachte zou moeten zien) op het ‘op een onheuse wijze bemachtigen van een voordeel waarop de dader geen recht heeft’, terwijl de verdachte in dit geval wel aanspraak kon maken op nakoming van een eerder gemaakte afspraak.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De beoordeling van het tweede middel</title>
    <para />
    <para>19. In het dreigbrief-arrest oordeelde de Hoge Raad dat de verdachte had gehandeld met ‘het oogmerk om zich (of een ander) wederrechtelijk te bevoordelen’ <emphasis role="italic">“nu hetgeen req. tot het behalen van die beoogde bevoordeling heeft verricht van zodanige aard is en op zodanige wijze is geschied, dat daaruit door het Hof kon worden afgeleid, dat req. moet hebben beseft, dat hij (ook indien hij de voormelde mening </emphasis>[dat hij recht had op dat geld, D.A.]<emphasis role="italic"> toegedaan zou zijn geweest) de grenzen van het maatschappelijk betamelijke daarmede verre overschreed.</emphasis>” Ik verwijs bovendien naar de woorden van mijn voormalig ambtgenoot Kist, in zijn aan dit arrest voorafgaande conclusie: “<emphasis role="italic">ook het nastreven van voordelen waarop de dader recht meende te hebben kan door de gebruikte middelen wederrechtelijk worden</emphasis>”. De toelichting op het middel geeft mij geen aanleiding voor een hiervan afwijkende opvatting.</para>
    <para />
    <para>20. In deze zaak heeft het hof, zoals blijkt uit de eerder geciteerde bewijsoverwegingen, geoordeeld dat:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Anders dat de raadsman betoogt, acht het hof bewezen dat verdachte uit was op wederrechtelijke bevoordeling. Hij had de schuldbekentenis van tevoren opgesteld en meegenomen om aangever, onder dreigende omstandigheden en onder toepassing van geweld dóór anderen die op zijn verzoek aanwezig waren, te laten tekenen. De ondertekening van de schuldbekentenis door aangever is niet vrijwillig gegaan en daarbij is er geweld toegepast op aangever en zijn er dreigende uitingen gemaakt, waarna aangever zich gedwongen zag de schuldbekentenis te ondertekenen. Verder heeft het hof uit de bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte opzet had op het toegepaste geweld. Dat blijkt uit zowel de verklaringen die aangever en zijn schoonzoon bij de politie hebben afgelegd als die zij als getuige bij de rechtbank hebben afgelegd. Verdachte heeft [medeverdachte] ingeschakeld om aangever desnoods met toepassing van geweld de schuldbekentenis te laten ondertekenen, zodat aangever onder dwang en dreiging een bedrag van € 270.000,- aan verdachte zou betalen. Daarbij komt dat de betaaldatum is aangepast naar de volgende dag, om aangever in de gelegenheid te stellen om de door verdachte geëiste € 270.000,- te betalen, bij gebreke waarvan verdachte heeft gedreigd aangever en zijn dochter te zullen opzoeken.” </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>21. Het hof oordeelde verder ook dat:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Uit de omstandigheid dat verdachte aangever onder valse voorwendselen naar [plaats] heeft gelokt, uit het toegepaste geweld, uit de afgedwongen ondertekening van de schuldbekentenis en het respijt dat verdachte aangever gaf voor daadwerkelijke betaling, zonneklaar volgt dat verdachte ook het oogmerk had op de wederrechtelijke bevoordeling tot een bedrag van € 270.000,-.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>22. Het hof geeft hiermee kennelijk uiting aan het oordeel dat de verdachte moet hebben beseft dat hij, ook indien hij van mening was dat hij recht had op de betaling van € 270.000,-, de grenzen van het maatschappelijk betamelijke verre overschreed.  Het oordeel van het hof ‘dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen’ geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.</para>
    <para />
    <para>23. Het middel is tevergeefs voorgesteld.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het derde middel en de toelichting daarop</title>
    <para />
    <para>24. Het derde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen niet zonder meer begrijpelijk is. </para>
    <para />
    <para>25. De steller van het middel licht dit toe door te wijzen op het feit dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld of aan de bedreiging met geweld. Het feit dat de verdachte daarbij aanwezig is geweest en zich niet uitdrukkelijk heeft gedistantieerd, is onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken. </para>
    <para />
    <para>26. De door het hof genoemde omstandigheden dwingen tevens niet tot de conclusie dat het geweld dat door de medeverdachte werd uitgeoefend, onderdeel was van het plan van de verdachte. Uit de bewijsmiddelen kan immers worden afgeleid dat de verdachte plotseling werd geconfronteerd met het gewelddadige en intimiderende handelen van de medeverdachte en dat hij daarop niet meteen en adequaat heeft gereageerd. De verdachte bleef hangen in het oorspronkelijke plan dat erop gericht was om enige druk op de aangever uit te oefenen teneinde hem te laten betalen en een schuldbekentenis te laten ondertekenen. De bijdrage van de verdachte is derhalve niet van voldoende gewicht geweest om van medeplegen te kunnen spreken, aldus de steller van het middel. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De beoordeling van het derde middel</title>
    <para />
    <para>27. Het hof heeft in deze zaak ten aanzien van de nauwe en bewuste samenwerking het volgende overwogen (ik herhaal):</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">In de woning is er geweld toegepast op aangever, waarbij het hof ervan uitgaat dat dat onderdeel was van het plan van verdachte. Dit blijkt niet alleen uit het feit dat aangever vrijwel meteen na binnenkomst werd geslagen, maar ook uit het inschakelen van [medeverdachte] als incasseur voor een bedrag van € 70.000,- als het door verdachte beoogde doel werd bereikt, een bedrag dat bovenmatig ver uitstijgt boven het gebruikelijke incassotarief. Verdachte moest hoe dan ook zijn geld hebben. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder ook niet dat verdachte zich ter plaatse heeft gedistantieerd van het toegepaste geweld op aangever. Het hof acht dan ook bewezen dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] voor het op aangever toegepaste geweld</emphasis>.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>28. Bovendien volgt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen:</para>
    <parablock>
      <para>- de verdachte heeft (onder een valse naam) per telefoon een afspraak met de aangever gemaakt en op voorhand een schuldbekentenis opgesteld;</para>
      <para>- de verdachte heeft een incasseur ingehuurd om bij die afspraak aanwezig te zijn;</para>
      <para>- de verdachte heeft die incasseur ingeschakeld voor een bedrag (te weten: € 70.000,-) dat ver uitstijgt boven het gebruikelijke incassotarief;</para>
      <para>- de verdachte heeft zich ter plaatse niet (op enig moment) gedistantieerd van het (door de incasseur) toegepaste geweld op de aangever;</para>
      <para>- de aangever heeft verklaard dat hij de verdachte “<emphasis role="italic">Sla hem maar een paar keer nog</emphasis>” heeft horen zeggen en dat, zoals ook onderschreven door de getuigenverklaring van [slachtoffer 2], er meermaals geweld werd toegepast als de verdachte zei dat de aangever moest tekenen en dat vervolgens niet gebeurde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>29. Gelet op het voorgaande heeft het hof op toereikende gronden geoordeeld dat de verdachte en de incasseur bij de toepassing van (bedreiging met) geweld en de – op het aangaan van een schuld gerichte – uitoefening van dwang zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt dat zulks kort gezegd als ‘medeplegen van (poging tot) afpersing’ kan worden aangemerkt. </para>
    <para />
    <para>30. Het middel faalt.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Ambtshalve opmerking overschrijding redelijke termijn in cassatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>31. Ambtshalve merk ik op namens de verdachte cassatie is ingesteld op 11 februari 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Slotsom</title>
    <para />
    <para>32. Alle middelen falen en kunnen met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.</para>
    <para />
    <para>33. Anders dan hetgeen ik onder 31 heb opgemerkt, heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
    <para />
    <para>34. Deze conclusie strekt tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_84817aca-347f-4421-8afb-fd5cdc6442e4" label="1">
    <para> Het hof heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd omdat het tot een andere strafoplegging is gekomen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6fc435c-3498-470d-a5ed-cc0115b77331" label="2">
    <para> Zie ECLI:NL:RBMNE:2022:3100. Eiser is werkzaam in de vastgoedsector en raakte op de hoogte van de voorgenomen verkoop van een pand, het project, en vond in gedaagde een investeerder die het project wilde kopen met als doel winst te maken bij de verkoop daarvan. De rechtbank heeft in deze zaak voor recht verklaard dat eiser en gedaagde zijn overeengekomen dat eiser moest bewerkstelligen dat gedaagde het project kon verwerven en dat eiser als vergoeding daarvoor een derde deel van de nettowinst van het project zou ontvangen na de verkoop van het project aan een derde.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e34809f-0821-415f-b083-6fdb3f6cf35a" label="3">
    <para> ‘Schuld’ in de zin van artikel 317 Sr moet worden opgevat als een verplichting, een verbintenis in vermogensrechtelijke zin, zo merkt de steller van het middel terecht op. Zie HR 30 januari 1928, ECLI:NL:HR:1928:276, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1928, p. 292 (onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis). Zie ook A.J. van der Velden &amp; D.N. de Jonge, in: <emphasis role="italic">T&amp;Cr Strafrecht</emphasis>, art. 317 Sr, aant. 13 onder b (online, actueel tot en met 1 augustus 2023).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf25d2c5-1881-464a-9096-53f1632812b3" label="4">
    <para> HR 9 februari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4227, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1972/1 m.nt. Bronkhorst, met conclusie van mr. F.C. Kist.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>