<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2024:29</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-27T12:49:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2024-01-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/04830</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2024:225" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:225</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:29">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:29</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-10T12:10:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2024:29 Parket bij de Hoge Raad , 09-01-2024 / 21/04830</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2024:29:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Witwassen van gelden uit oplichting door Stichting Genealogie Nederland zulks door het aanbieden van 'unieke familiekronieken' die in werkelijkheid geen inzicht gaven in afstamming, maar slechts van overeenkomsten in achternamen. Ontvankelijkheidsverweer vanwege onzorgvuldige bewaring van inbeslaggenomen digitale administratie. Bewijsklachten over witwassen. Conclusie strekt tot verwerping.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2024:29:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Nummer21/04830 </title>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	9 januari 2024</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.C. Aben</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] B.V.,</para>
      <para>gevestigd te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>hierna: de verdachte</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. De verdachte is bij arrest van 18 november 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens "<emphasis role="italic">medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd</emphasis>", veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 5.000,-, met een proeftijd van twee jaren.</para>
    <para />
    <para>2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    <para />
    <para>3. Voor een inleiding in deze zaak verwijs ik naar mijn conclusie van heden in de hiermee samenhangende zaak tegen een medebestuurder van de verdachte, [medeverdachte 1] (21/04835), die in cassatie wordt bijgestaan door dezelfde raadsman als de verdachte.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het eerste middel</title>
    <para />
    <para>4. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. </para>
    <para />
    <para>5. Het verweer, alsook ‘s hofs verwerping van het verweer en het daartegen voorgestelde middel zijn identiek aan het eerste middel in de genoemde zaak tegen [medeverdachte 1] . Voor een weergave van een en ander verwijs ik naar mijn conclusie in die zaak. Dat geldt ook voor mijn bespreking van het middel. Het middel faalt op de daarin genoemde gronden. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het tweede middel</title>
    <para />
    <para>6. Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring en klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is van ‘overdragen’ en ‘omzetten’ van de geldbedragen.</para>
    <para />
    <para>7. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">zij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005, te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, en elders in Nederland, </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">tezamen en in vereniging met  anderen, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- door tussenkomst van [A] en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- in verband met de verkoop van familiekronieken </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">op en/of via bankrekening [001] geldbedragen heeft overgedragen en omgezet, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">terwijl zij wist dat bovenomschreven geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf</emphasis>.” </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte geldbedragen heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en evenmin waaruit het ‘overdragen’ en ‘omzetten’ heeft bestaan, terwijl ook niet zonder meer duidelijk is op welke wijze de verdachte dit op en/of via bankrekening [001] heeft gepleegd.<footnote-ref linkend="_115f8c00-6536-4c8d-abcc-f82e018b721d" /> De enkele omstandigheid dat geldbedragen naar een bankrekening van een rechtspersoon zijn overgemaakt is onvoldoende om daaruit te kunnen afleiden dat de verdachte die bedragen heeft overgedragen en/of omgezet, aldus de steller van het middel.</para>
    <para />
    <para>9. Hierover het volgende. Uit de bewijsvoering komt naar voren dat de met de mailingbrief aangeschreven personen die belangstelling hadden voor het in die brief aangeboden product (de familiekroniek) geld overmaakten naar [A] ( [A] ), waarachter [betrokkene 1] schuilging. Op 15, 16 19, 20 en 21 september 2005 zijn van deze rekening geldbedragen van in totaal € 85.500,- afgeschreven ten behoeve van de verdachte.<footnote-ref linkend="_e1716a58-6aca-4600-a1cd-071a022ff822" /> De medeverdachte [medeverdachte 2] kon beschikken over de bankrekening van [A] en kon dus <emphasis role="italic">de facto</emphasis> geldbedragen overmaken dan wel opnemen vanaf deze rekening.<footnote-ref linkend="_6426a57f-e520-4893-b076-9ed8f874c932" /></para>
    <para />
    <para>10. De in het middel verwoorde klacht gaat eraan voorbij dat het hof het <emphasis role="italic">medeplegen</emphasis> van witwassen bewezen heeft verklaard. Voor deze bewezenverklaring is dus niet vereist dat de verdachte de geldbedragen <emphasis role="italic">zelf</emphasis> heeft overgedragen en/of omgezet, dat kan ook – met haar medeweten, in de zin van voorwaardelijk opzet – zijn verricht door haar mededaders. Het overmaken van gelden naar girorekening [001] van de verdachte (door medeverdachte [medeverdachte 2] namens [A] ) heeft het hof kunnen aanmerken als ‘overdragen’, terwijl de verwisseling van de vordering van [A] op de ABN AMRO-bank voor een girale vordering van de verdachte op ING door het hof als een ‘omzetting’ kon worden beschouwd. </para>
    <para />
    <para>11. Ook het tweede middel faalt. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Slotsom</title>
    <para />
    <para>12. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.</para>
    <para />
    <para>13. Ambtshalve wijs ik erop dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, omdat de Hoge Raad niet voor 22 november 2023 uitspraak doet. Gelet op de hoogte en aard van de opgelegde straf kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen. </para>
    <para />
    <para>14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_115f8c00-6536-4c8d-abcc-f82e018b721d" label="1">
    <para> Kennelijk abusievelijk maakt de steller van het middel in de toelichting melding van het gironummer van [C] , waar het gironummer van de verdachte ( [001] ) wordt bedoeld.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1716a58-6aca-4600-a1cd-071a022ff822" label="2">
    <para> Zie de bewijsmiddelen 35 t/m 39, waarin de verdachte [verdachte] wordt genoemd met gironummer [001] .</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6426a57f-e520-4893-b076-9ed8f874c932" label="3">
    <para> Zie bewijsmiddel 34.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>