<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2024:211</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-16T12:45:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2024-03-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/00483</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2024:593" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:593</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:211">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:211</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-18T17:08:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2024:211 Parket bij de Hoge Raad , 19-03-2024 / 22/00483</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2024:211:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Veroordeling wegens ‘rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs’ (art. 9.2 WVW94). Het hof heeft overwogen dat twee onherroepelijke veroordelingen in juli 2021 de verdachte er niet van hebben weerhouden om opnieuw met een ongeldig verklaard rijbewijs een personenauto te besturen. Daarin komt tot uitdrukking dat het hof in het bijzonder gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande die eerdere veroordelingen zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk strafbaar feit. Die veroordelingen waren echter nog niet onherroepelijk ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft. Daarom is de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2024:211:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para />
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>22/00483 </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	19 maart 2024</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>CONCLUSIE</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>E.J. Hofstee</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>In de zaak</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      [verdachte] ,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,</para>
    <para>hierna: de verdachte</para>
  </parablock>
  <para />
  <paragroup>
    <para>
      <emphasis role="underline">Inleiding</emphasis>
    </para>
    <para>1. De verdachte is bij arrest van 9 februari 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens ‘rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs’<footnote-ref linkend="_587a3eb1-bd02-4674-9705-f84eb796123d" /> veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf voor de duur van 28 uren, bij niet behoorlijke verrichting te vervangen door 14 dagen hechtenis.</para>
    <para>2. Namens de verdachte heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend, waarin één middel van cassatie wordt voorgesteld.</para>
    <para />
  </paragroup>
  <paragroup>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. In het middel wordt, bezien in samenhang met de toelichting daarop, geklaagd over de strafmotivering. Het gaat om de overweging van het hof dat uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 december 2021 betreffende de verdachte blijkt dat de verdachte in juli 2021 tweemaal onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten als het feit in de onderhavige zaak en dat deze veroordelingen de verdachte er niet van hebben weerhouden om opnieuw met een ongeldig verklaard rijbewijs een personenauto te besturen. Aangevoerd wordt dat deze motivering onbegrijpelijk is, nu het bewezenverklaarde feit is begaan vóór de data van de veroordelingen in juli 2021.</para>
    <para>
      <emphasis role="italic">                                                                                                                                                    De bewezenverklaring</emphasis>
    </para>
    <para>4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:</para>
    <parablock>
      <para>“hij op 7 november 2020 te Almelo terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Zeven Bosjes, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.”</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">                                                                                                                                               De strafmotivering </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:</para>
    <para>“<emphasis role="bold">Oplegging van straf en/of maatregel</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[…]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt dat de verdachte een auto heeft bestuurd ondanks dat hij daartoe op dat moment niet bevoegd was, omdat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Dergelijke beslissingen van het CBR hebben tot doel de verkeersveiligheid te bevorderen. De verdachte, die van de ongeldigverklaring op de hoogte was, heeft zich hier niets van aangetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft bij de strafoplegging tevens gelet op de inhoud van het uittreksel justitiële documentatie van 21 december 2021, waaruit blijkt dat verdachte in juli 2021 tweemaal onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten als de onderhavige. De opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van in totaal 6 weken zijn reeds ten uitvoer gelegd. Deze veroordelingen hebben verdachte niet weerhouden om opnieuw met een ongeldig verklaard rijbewijs een personenauto te besturen. Dit weegt het hof sterk in het nadeel van verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal, gelet op artikel 63 Sr, aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen in combinatie met een taakstraf. Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden is. Voorts zal het hof aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 28 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 14 dagen hechtenis.”</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">                                                                                                                                              Het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 december 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 december 2021 dat betrekking heeft op het justitieel verleden van de verdachte. Onder de kop “Volledig afgedane zaken betreffende misdrijven” staan onder meer de volgende vonnissen waarnaar het hof (kennelijk) in zijn strafmotivering verwijst:</para>
    <parablock>
      <para>- het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 9 juli 2021 in de zaak met het parketnummer 96-230100-20 (te vinden op p. 3 van het uittreksel), inhoudende een veroordeling wegens overtreding van art. 9, tweede lid, WVW94, begaan op 26 juli 2020 te Enschede, tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Het vonnis is onherroepelijk geworden op 24 juli 2021. De gevangenisstraf is tenuitvoergelegd in de periode van 8 oktober 2021 tot en met 29 oktober 2021;</para>
      <para>- het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 19 juli 2021 in de zaak met het parketnummer 96-233152-20 (te vinden op p. 4 van het uittreksel), inhoudende een veroordeling wegens overtreding van art. 9, tweede lid, WVW94, begaan op 24 augustus 2020 te Apeldoorn, tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Het vonnis is onherroepelijk geworden op 3 augustus 2021. De gevangenisstraf is tenuitvoergelegd in de periode van 29 oktober 2021 tot en met 19 november 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">                                                                                                                                               Het juridisch kader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.<footnote-ref linkend="_6c2ae9fb-e18d-4366-a609-670335a2bab7" /> Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd – al dan niet soortgelijk – feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit – bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan – dient de veroordeling ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.<footnote-ref linkend="_e3ca621c-f45c-403a-baf2-2b4229f24fd8" /> Indien de rechter in verband met de strafoplegging melding maakt van een niet tenlastegelegd feit mag ervan worden uitgegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. Dit kan anders zijn indien uit de strafmotivering blijkt dat de vermelding van een niet tenlastegelegd feit niet tot strafverzwaring aanleiding heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat die vermelding is opgenomen naar aanleiding van hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de justitiële documentatie, is aangevoerd.<footnote-ref linkend="_9885760a-7c49-4e68-a1ff-248aa28bef24" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">                                                                                                                                             De bespreking van het middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. Uit de hiervoor in randnummer 5 aangehaalde strafmotivering komt tot uitdrukking dat het hof – met verwijzing naar het genoemde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 december 2021 – bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte in juli 2021 tweemaal onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten als het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feit, en dat deze veroordelingen de verdachte er niet van hebben weerhouden om het onderhavige feit te plegen. Gelet op het hierboven vooropgestelde juridisch kader is de overweging van het hof onbegrijpelijk, nu uit de inhoud van dat uittreksel blijkt dat de veroordelingen waarnaar het hof verwijst onherroepelijk zijn geworden op 24 juli 2021 respectievelijk 3 augustus 2021, terwijl het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feit reeds (ruim) daarvóór is begaan, te weten op 7 november 2020. De strafoplegging is in dat opzicht ontoereikend gemotiveerd.<footnote-ref linkend="_0b43466f-1399-4d39-9af9-845e34fb1660" /></para>
    <para>9. De strafmotivering kan mijns inziens niet zó worden gelezen, dat het bij de verwijzing naar de twee veroordelingen in juli 2021 gaat om een overweging die in het geheel van de strafmotivering van ondergeschikt belang is.<footnote-ref linkend="_ef49ae5b-0388-4d8b-907a-5312f3e6934a" /> Het hof weegt deze veroordelingen (en de daarbij opgelegde onvoorwaardelijke en inmiddels tenuitvoergelegde gevangenisstraffen) namelijk “sterk in het nadeel van verdachte”. Naar ik meen voert het eveneens te ver de overweging, gelet op de gekozen bewoordingen en de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 december 2021, waarin verschillende zaken voorkomen die net als het bewezenverklaarde feit betrekking hebben op het overtreden van art. 9, tweede lid, WVW94, (welwillend) te lezen als een verwijzing naar andere onherroepelijke veroordelingen. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 december 2021 blijkt dat de verdachte reeds vóór de pleegdatum van het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feit meermalen onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van art. 9, tweede lid, WVW94, waarbij ik attendeer op de vonnissen in de zaken met de parketnummers 96-020252-16, 96-082299-15 en 96-058897-15, die onherroepelijk zijn geworden op respectievelijk 27 oktober 2017, 23 mei 2016 en 2 mei 2016.</para>
    <para>10. Dat laatste roept de vraag op of de verdachte belang heeft bij cassatie. Dat punt wordt in de schriftuur niet aangeroerd. Met aarzeling ben ik geneigd die vraag niettemin bevestigend te beantwoorden, nu het hof in zijn strafmotivering zo heel specifiek de twee onherroepelijke veroordelingen in juli  2021 aanhaalt en die andere onherroepelijke veroordelingen geheel ongenoemd laat.  </para>
    <para />
  </paragroup>
  <paragroup>
    <para>
      <emphasis role="underline">Slotsom</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para>11. Mitsdien slaagt het middel naar het mij voorkomt.  </para>
      <para>12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
      <para>13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
    <para />
  </paragroup>
  <footnote id="_587a3eb1-bd02-4674-9705-f84eb796123d" label="1">
    <para> 	De kwalificatie luidt: “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c2ae9fb-e18d-4366-a609-670335a2bab7" label="2">
    <para> 	Vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968 (rov. 2.4); HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/400 (rov. 2.4.1), m.nt. Reijntjes; HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:566, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2021/156 (rov. 2.4.1). Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in art. 78b Sr, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e3ca621c-f45c-403a-baf2-2b4229f24fd8" label="3">
    <para> 	HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/400 (rov. 2.4.2), m.nt. Reijntjes; HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:566,<emphasis role="italic"> NJ </emphasis>2021/156  (rov. 2.4.2).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9885760a-7c49-4e68-a1ff-248aa28bef24" label="4">
    <para> 	HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/400 (rov. 2.4.3), m.nt. Reijntjes; HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:566,<emphasis role="italic"> NJ </emphasis>2021/156  (rov. 2.4.3).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0b43466f-1399-4d39-9af9-845e34fb1660" label="5">
    <para> 	Vgl. bijv. HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1262.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef49ae5b-0388-4d8b-907a-5312f3e6934a" label="6">
    <para> 	Vgl. in die zin HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1889 (rov. 4.3).</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>