<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2024:1372</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-12T00:02:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2024-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/02398</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2025:355" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:355</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:1372">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:1372</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-06T14:09:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2024:1372 Parket bij de Hoge Raad , 17-12-2024 / 23/02398</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2024:1372:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Falende middelen over 1) de bewezenverklaring van feit 4, 2) het niet in het openbaar uitspreken van de bestreden beslissing, 3) de overschrijding inzendtermijn in cassatie. Conclusie sterkt tot verwerping van het cassatieberoep (art. 81 lid 1 RO).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2024:1372:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Nummer23/02398 </title>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	17 december 2024</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.C. Aben</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,</para>
      <para>hierna: de verdachte</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het cassatieberoep</title>
    <para />
    <para>1. De verdachte is bij arrest van 16 juni 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens onder meer 4. <emphasis role="italic">“om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”,</emphasis> veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van voorarrest.</para>
    <para />
    <para>2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De middelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 4. Het tweede middel klaagt dat de bestreden beslissing niet in het openbaar is uitgesproken. Het derde middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bewezenverklaring</title>
    <para />
    <para>4. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezen verklaard dat hij:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“op 11 maart 2014, in de gemeente [plaats] om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken van MDMA en/of MDA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, in elk geval van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde MDMA en MDA en N-ethyl MDA (=MDEA) en amfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	een stempel voor de productie van pillen zonder logo en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	een stempel voor de productie van pillen met logo "kroontje" en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	documentatie met betrekking, tot (een) tabletteer-/pillenmachine(s), </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bewijsvoering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Deze bewezenverklaring steunt – met weglating van voetnoten en voor zover relevant – op de volgende bewijsvoering, waarbij gebruik is gemaakt van de zogenoemde Promis-werkwijze: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“De beslissing dat het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 6 bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust, op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna bedoelde bewijsmiddelen en overwegingen in onderling verband en samenhang beschouwd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Met betrekking tot feit 4 en 6 voorts: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 11 maart 2014 werd de woning aan het [a-straat 1] te [plaats] doorzocht. Dit betreft de woning van de vriendin van verdachte, [betrokkene 1] . In deze woning werd (…) gevonden (…) twee pillenstempels: een zonder logo en een met logo “kroontje”. Ook werd in de woning een uitdraai van een internetpagina aangetroffen met informatie over mixers en pillenmachines. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verdachte heeft verklaard dat (…) de pillenstempels en de uitdraai van de internetpagina van hem waren. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…) Eveneens heeft hij voorwerpen (de pillenstempels en de uitdraai van de internetpagina) voorhanden gehad waarvan verdachte wist dat die bestemd zijn voor de productie van synthetische drugs. (…)”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Een nadere omschrijving van het eerste middel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het middel strekt, blijkens de toelichting daarop, ten betoge dat uit de bewijsoverwegingen van het hof <emphasis role="italic">“weliswaar (kan) worden afgeleid dat [de verdachte] wist dat hij voorwerpen voorhanden heeft gehad die bestemd zijn tot het plegen van een delict als bedoeld in art. 10 lid 4 Opiumwet, maar niet zonder meer dat hij deze voorwerpen ook voorhanden heeft gehad om een dergelijk delict voor te bereiden of te bevorderen”.</emphasis> Het hof heeft, zo betoogt de steller van het middel, immers niets vastgesteld omtrent het uiteindelijke doel dat de verdachte met het voorhanden hebben van deze voorwerpen voor ogen had en omtrent de vraag of hij daarbij een criminele intentie had. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bespreking van het eerste middel </title>
    <para />
    <para>7. Op de voet van artikel 10a lid 1 sub 3, juncto artikel 10 lid 4, juncto artikel 2 onder B (telkens) Opiumwet is, voor zover thans relevant, strafbaar degene die voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het opzettelijk bereiden, bewerken en/of verwerken van een (verdovend) middel van lijst I en hij die voorwerpen voorhanden heeft om dit opzettelijk bereiden, bewerken en/of verwerken voor te bereiden of te bevorderen. Het gaat dus om (1) het voorhanden hebben van voorwerpen (2) die zijn bestemd tot het opzettelijk bereiden, bewerken en/of verwerken van een middel van lijst I, en (3) dit om het opzettelijk bereiden, bewerken en/of verwerken van dit middel voor te bereiden of te bevorderen. Aan elk van deze bestanddelen zijn psychische componenten verbonden. Wat betreft bestanddeel (2) eist de wet bijvoorbeeld dat de verdachte van die bestemming op de hoogte is (althans ernstige reden heeft om die bestemming te vermoeden). Wat betreft bestanddeel (1) laat een volstrekt <emphasis role="italic">on</emphasis>bewust ‘voorhanden hebben’ zich niet goed denken. Thans is relevant dat voor de onder (3) bedoelde <emphasis role="italic">bedoeling</emphasis> (namelijk ‘om’ voor te bereiden of te bevorderen) opzet is vereist, met inbegrip van de mogelijkheid van voorwaardelijk opzet.<footnote-ref linkend="_d6ee253e-54b6-401c-b4fe-a4279310beb2" /></para>
    <para />
    <para>8. Toegesneden op (de bewezenverklaring in) het voorliggende geval is voor strafbaarheid (dus) noodzakelijk dat de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaardt dat hij de productie van synthetische harddrugs voorbereidt of bevordert door voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij dienen als voorloper van die synthetische harddrugs. </para>
    <para />
    <para>9. Het hof heeft vastgesteld dat in de woning van de vriendin van de verdachte twee pillenstempels zijn aangetroffen – één met, en één zonder logo – en een uitdraai van een internetpagina met informatie over mixers en pillenmachines, en dat de verdachte heeft verklaard dat deze voorwerpen van hem zijn. Het hof heeft daarop geoordeeld dat <emphasis role="italic">“hij voorwerpen (de pillenstempels en de uitdraai van de internetpagina) voorhanden (heeft) gehad waarvan verdachte wist dat die bestemd zijn voor de productie van synthetische drugs”.</emphasis> Dit oordeel wordt in cassatie niet ter discussie gesteld, zodat daarvan in het vervolg kan worden uitgegaan. </para>
    <para />
    <para>10. Ik acht het niet onbegrijpelijk dat het hof – onder de geschetste omstandigheden – in het verlengde daarvan (kennelijk) heeft aangenomen dat de verdachte deze voorwerpen voorhanden heeft gehad met het doel om de productie van synthetische drugs voor te bereiden en/of te bevorderen. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdediging niets heeft aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat de verdachte de voorwerpen met een ander doel voorhanden heeft gehad. </para>
    <para />
    <para>11. Het eerste middel is dan ook tevergeefs voorgesteld.  </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het tweede middel</title>
    <para />
    <para>12. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de bestreden beslissing niet op een openbare terechtzitting heeft uitgesproken, nu – zo blijkt uit de toelichting op het middel – het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 juni 2023 waarop het bestreden arrest is uitgesproken zich niet bij de stukken bevindt. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat dit niet is gebeurd, aldus de steller van het middel.</para>
    <para />
    <para>13. De steller van het middel heeft conform artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden op 24 mei 2024 tijdig het proces-verbaal van de terechtzitting bij de rolraadsheer opgevraagd. Op 21 juni 2024 is namens het hof medegedeeld dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 juni 2023 kennelijk in het ongerede is geraakt.</para>
    <para />
    <para>14. Zonder dat proces-verbaal kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de uitspraak van het hof in het openbaar is geschied, terwijl dat op de voet van artikel 362 lid 1 Sv (jo. artikel 415 lid 1 Sv) wel is vereist.<footnote-ref linkend="_ffc122be-6eab-4431-969e-bc15d1ef151f" /> Het middel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad kan dit verzuim herstellen door te doen wat het hof had behoren te doen en het arrest alsnog ter openbare terechtzitting uit te spreken.<footnote-ref linkend="_cea17756-ab71-4093-bc36-d9cfe0bb58e0" /> Het middel behoeft daarom niet tot cassatie leiden. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het derde middel</title>
    <para />
    <para>15. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.</para>
    <para />
    <para>16. Namens de verdachte is op 21 juni 2023 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 1 maart 2024 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim één week overschreden.<footnote-ref linkend="_6b784d61-92de-4194-a97f-f869be9529ed" /> Het middel klaagt daarover terecht.</para>
    <para />
    <para>17. Ik meen evenwel dat de Hoge Raad hieraan geen rechtsgevolg hoeft te verbinden nu er m.i. voldoende tijd resteert voor compensatie door een (bijzonder) voortvarende behandeling van het cassatieberoep.<footnote-ref linkend="_415f447f-487a-4e3d-8199-27971c6f9ef6" /></para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Slotsom</title>
    <para />
    <para>18. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging. </para>
    <para />
    <para>19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
    <para />
    <para>20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_d6ee253e-54b6-401c-b4fe-a4279310beb2" label="1">
    <para> De hier gestelde ondergrens van ‘voorwaardelijk opzet’ is op het eerste gezicht verwarrend omdat een ‘bedoeling’ (in de wet tot uitdrukking gebracht in het woordje ‘om<emphasis role="italic">’</emphasis> (een feit van artikel 10 Ow voor te bereiden of te bevorderen)) doorgaans ‘oogmerk’ vergt. Dit betreft een wettelijk begrip waarvan de vervulling hogere eisen stelt dan aan die van ‘voorwaardelijk opzet’. Die ogenschijnlijke tegenstrijdigheid komt echter te vervallen indien in aanmerking wordt genomen dat het hier mogelijk niet gaat om de <emphasis role="italic">eigen</emphasis> bedoeling van de verdachte, maar om hetgeen <emphasis role="italic">anderen</emphasis> dan de verdachte voor ogen staat, gevoegd bij de wetenschap van de verdachte – mogelijk in voorwaardelijke zin – dat hij aan de verwezenlijking van dat oogmerk van <emphasis role="italic">anderen</emphasis> een bijdrage levert. Waar het eventueel in belangrijke mate gaat om de intenties van anderen dan de verdachte zelf, is voor de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen niet vereist dat de verdachte vooraf op de hoogte is van alle details van het voorgenomen synthetiseren van drugs, zoals de precieze aard van het beoogde middel van lijst I, de kenmerken van het productieproces en de bijdrage die de voorhanden stof daarin vervult. In die zin kan een globaal opzet voldoende zijn en is kennis van de toegepaste scheikunde niet nodig.</para>
    <para>Vgl. in dit verband mijn conclusie van 23 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:650, vóór HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:977 (art. 81 RO). Zie daarnaast bijv. de conclusie van Knigge van 3 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1378, onder randnummers 4.8 en 4.9, vóór HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2757, en vgl. T. Blom, <emphasis role="italic">Tekst &amp; Commentaar Strafrecht</emphasis>, art. 10a Opiumwet, aant. 9 (online bijgewerkt t/m 1 oktober 2024).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ffc122be-6eab-4431-969e-bc15d1ef151f" label="2">
    <para> Weliswaar bevat het arrest aan het slot de zinsnede <emphasis role="italic">“(…) op 16 juni 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken”</emphasis>, maar een arrest wordt – volgens de gebruikelijke gang van zaken – opgemaakt voordat het wordt uitgesproken en de opgenomen zinsnede verschaft dus niet de gewenste zekerheid. Vgl. bijv. de conclusies van Harteveld van 5 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:712 (randnummer 3.3.), en van Paridaens van 3 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:798 (randnummer 13). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cea17756-ab71-4093-bc36-d9cfe0bb58e0" label="3">
    <para> Vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7799,<emphasis role="italic"> NJ</emphasis> 2010/610, m.nt. Buruma, rov. 2.3. Zie nadien HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1341, rov. 2.3; HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1422, rov. 2.3; en HR 5 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1513.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b784d61-92de-4194-a97f-f869be9529ed" label="4">
    <para> HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_415f447f-487a-4e3d-8199-27971c6f9ef6" label="5">
    <para> HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.5.2. </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>