<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2024:1269</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-04T12:45:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2024-11-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/02523</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2025:174" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:174</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:1269">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:1269</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-26T16:34:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2024:1269 Parket bij de Hoge Raad , 26-11-2024 / 22/02523</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2024:1269:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Onderzoek ‘13Rolwolk’. Middel 1 bevat falende motiveringsklachten over de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 (oplichting, art. 326 Sr) en over de verwerping van een UOS omtrent het bewijs van deze feiten. Middel 2 bevat falende motiveringsklacht over de bewezenverklaring van feit 4 (verduistering, art. 321 Sr), meer in het bijzonder over het bewijs van wederrechtelijke toe-eigening van een voertuig. Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 22/02758, 22/02704, 22/02703, 22/02706, 22/02705, 22/02739 en 22/02608.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2024:1269:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Nummer22/02523 </title>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	26 november 2024</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.C. Aben</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,</para>
      <para>hierna: de verdachte</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. De verdachte is bij arrest van 7 juli 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens (1) “<emphasis role="italic">medeplegen van oplichting</emphasis>”, (2) en (5) (telkens) “<emphasis role="italic">oplichting</emphasis>” en (4) “<emphasis role="italic">verduistering</emphasis>” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Het hof heeft hierbij tevens beslissingen genomen over het in beslag genomen geld, en beslist op de vorderingen van benadeelde partijen.</para>
    <para />
    <para>2. Er bestaat samenhang met de zaken 22/02758, 22/02704, 22/02703, 22/02706, 22/02705, 22/02739 en 22/02608. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.</para>
    <para />
    <para>3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel komt op tegen het bewijs van het onder 1 en 2 ten laste gelegde (te weten: oplichtingen van CS Factoring en CreditPay). Het tweede middel bestrijdt het bewijs van het onder 4 ten laste gelegde (te weten: de verduistering van een BMW).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De zaak en de bewezenverklaringen</title>
    <para />
    <para>4. Het hof heeft de zaak tegen de verdachte als volgt kernachtig samengevat: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de oplichting van CS Factoring en de oplichting van CreditPay door aan die bedrijven nepfacturen te verkopen. Daarnaast heeft hij een BMW verduisterd, die eerder door zijn [bedrijf 1] was geleased en heeft hij Santander opgelicht door voor de aanvraag van een persoonlijke lening een valse salarisspecificatie en een vervalst bankafschrift over te leggen. Van deze reeks frauduleuze handelingen van de verdachte - en wat betreft feit 1 in samenwerking met zijn medeverdachten - zijn verschillende bedrijven het slachtoffer geworden.</emphasis>”<footnote-ref linkend="_3f1263d5-e492-4340-9053-0becb4ad68dc" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Het hof heeft van het ten laste gelegde (voor zover in hoger beroep aan de orde) bewezen verklaard<footnote-ref linkend="_7444b5cd-a160-4995-a6f8-01284bc84ebd" /> dat:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">1. hij in de periode van 14 oktober 2016 tot en met 24 november 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, CS Factoring B.V. heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen tot een totaal van ongeveer 121.192 euro, </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">hebbende hij, verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	namens het bedrijf [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] BV) contact gelegd met CS Factoring B.V. en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	namens [bedrijf 1] BV een overeenkomst met CS Factoring B.V. afgesloten waarbij werd overeengekomen dat CS Factoring B.V. facturen van [bedrijf 1] BV gericht aan klanten van [bedrijf 1] BV aankoopt en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	als debiteuren [bedrijf 2] BV en/of [bedrijf 3] BV aangeleverd en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	formulieren "Verklaring tot opdracht betalingsadres" aan CS Factoring B.V. die (mede) (valselijk) ondertekend waren door [betrokkene 1] (namens [bedrijf 2] BV) en door [betrokkene 2] (namens [bedrijf 3] BV) gestuurd naar CS Factoring B.V. en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	4 facturen van [bedrijf 2] BV (ter waarde van ongeveer 69.104 euro) en 2 facturen van [bedrijf 3] BV (ter waarde van ongeveer 52.088 euro) verkocht aan CS Factoring B.V., zulks terwijl hij, verdachte en zijn mededaders telkens geen goederen hebben geleverd aan [bedrijf 2] BV en [bedrijf 3] BV en geen facturen aan [bedrijf 2] BV en [bedrijf 3] BV hebben gestuurd, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">waardoor CS Factoring B.V. telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgiften; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. hij in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 15 december 2016 in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, CreditPay BV. heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen tot een totaal van 115.590 euro, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">hebbende hij, verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – telkens listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	namens het bedrijf [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] BV) contact gelegd met CeditPay BV en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	namens [bedrijf 1] BV een overeenkomst met CreditPay BV afgesloten waarbij werd overeengekomen dat CreditPay BV facturen van [bedrijf 1] BV gericht aan klanten van [bedrijf 1] BV aankoopt, in elk geval overneemt en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	als debiteuren [bedrijf 2] BV en [bedrijf 3] BV en [bedrijf 4] BV aangeleverd, en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	3 facturen van [bedrijf 2] BV en een factuur van [bedrijf 3] BV en 2 facturen van [bedrijf 4] BV verkocht aan CreditPay BV, zulks terwijl [bedrijf 1] B.V. en/of hij, verdachte telkens geen goederen heeft/hebben geleverd aan [bedrijf 2] BV en [bedrijf 3] BV en [bedrijf 4] BV en geen facturen aan [bedrijf 2] BV en [bedrijf 3] BV en [bedrijf 4] BV heeft/hebben gestuurd; </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">waardoor CreditPay BV telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgiften van geldbedragen ten behoeve van de aankoop van die facturen; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">4. hij in de periode van 16 november 2016 tot en met 27 maart 2017 in Nederland, opzettelijk een auto (een BMW M 550d) toebehorende aan een ander, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten had geleased, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">5. hij in de periode van 4 november 2016 tot en met 9 november 2016 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels Santander Consumer Finance Benelux B.V. heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten het verstrekken van een persoonlijke lening, hebbende hij verdachte, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	een persoonlijke lening van 25.000 euro bij Santander Consumer Finance Benelux B.V. aangevraagd en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	een kredietovereenkomst ondertekend en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 	aan Santander Consumer Finance Benelux B.V, een valse salarisspecificatie en een vervalst bankafschrift van de Rabobank toegezonden of gemaild</emphasis>.”</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het eerste middel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het middel bevat motiveringsklachten over (a) de bewezenverklaring van de feiten onder 1 en 2, en over (b) de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt omtrent het bewijs van diezelfde feiten. Naar de kern genomen betwisten beide deelklachten het oordeel over (i) het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, (ii) het opzet op het aannemen van een valse hoedanigheid, op listige kunstgrepen en op een samenweefsel van verdichtsels, en over (iii) verdachte’s wetenschap van het malafide karakter van de (door hem en zijn mededaders verrichte) handelingen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het bewijsverweer dat ter terechtzitting in hoger beroep is voorgedragen</title>
    <para />
    <para>7. Op de terechtzitting van 8 juni 2022 heeft de verdachte blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal desgevraagd het volgende verklaard: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">Ik ben onschuldig. Er is misbruik gemaakt van mijn goedheid. Ik heb moeite met spreken in het openbaar. Toen de zaak bij de rechtbank speelde, stond ik onder zware spanning en was ik niet in staat om voor de rechtbank te verschijnen. Ook werd ik bedreigd. Iemand heeft een klinker door mijn ruit gegooid, toen ik met mijn zoontje op de bank zat. Ik ben ook een paar keer gebeld. Dit speelt gelukkig nu niet meer. </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik heb [medeverdachte 1] ontmoet op een beurs voor groothandel. Ik maakte meubels voor de horeca. Wij raakten in gesprek en ik heb hem verteld wat ik deed en mijn kaartje gegeven. Anderhalve week later kwam hij naar de zaak om te kijken. Hij vroeg naar mijn BV en eenmanszaak. [medeverdachte 1] gaf een week later aan dat hij de BV van mij wilde kopen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren daar ook bij. De afspraak was dat ik de BV zou verkopen voor een bedrag van € 2.500,00 en dat zij mijn schuld van € 20.000,00 zouden overnemen. Daarnaast moest ik drie weken blijven werken voor de BV. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik heb de BV verkocht aan [medeverdachte 1] , maar de opdrachten kwamen van [medeverdachte 3] . In het vervolggesprek is toen aan de orde gekomen dat er een afspraak moest worden gemaakt met CS Factoring. [medeverdachte 3] of [betrokkene 3] heeft CS Factoring gebeld. Ik had niet eerder van een factoringbedrijf gehoord. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">CS Factoring is bij mij op de zaak geweest. Het gesprek ging over de verpanding van facturen. Ik heb CS Factoring verteld wat ik deed. Ik kan mij niet herinneren wat er nog meer is besproken. Ik was destijds ervan overtuigd dat het niet meer mijn bedrijf was. Ik wist niet dat je de eigenaar van een onderneming blijft, zolang de aandelen van het bedrijf niet zijn overgedragen. Ook wist ik niets van de valse facturen. [bedrijf 2] en [bedrijf 3] B.V. kende ik niet. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">In opdracht van [medeverdachte 3] heb ik de naam van het bedrijf gewijzigd. Ik hoefde hiervoor alleen een handtekening te zetten onder de stukken. Het was mij niet bekend dat er een accountantsverklaring moest worden afgegeven. Ik ben hier niet in thuis. De bankafschriften zijn niet door mij aangeleverd. Ik heb geen feitelijke handelingen verricht, maar alleen een handtekening gezet onder de overeenkomst. Wel heb ik CS Factoring (telefonisch) gesproken. Ik heb geen betrokkenheid gehad bij het beheren van de bankrekening van [bedrijf 1] . </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bedrag van € 10.000,00 dat is overgemaakt van [bedrijf 1] naar mijn privérekening heb ik contant aan [medeverdachte 1] gegeven omdat er snel geld moest worden betaald. Het (deels) contant betalen hoorde er in mijn optiek gewoon bij. Pas toen ik een telefoontje ontving van CS Factoring dat er iets mis was met de factuur, kreeg ik het vermoeden dat er geen goederen werden geleverd. Het [telefoonnummer] is van mij. Het door u genoemde chatbericht is een bericht tussen [medeverdachte 2] en mij. Het ging om een aanvraag die via de infomail binnen kwam. Ik kreeg de opdracht om in te loggen op de website, een e-mail over een offerte van CS Factoring eruit te halen en deze door te sturen. U, voorzitter, houdt mij een aantal chatberichten voor. Ik weet niet waar deze over gaan. Ik heb steeds gehandeld in opdracht van [medeverdachte 1] . Dit was zowel bij CreditPay als bij CS Factoring. Ik kan mij niet herinneren dat ik telefonisch contact heb gehad met iemand van CreditPay. Zij zijn wel bij ons op de zaak geweest en ik ben een keer bij ze langs geweest om een overeenkomst te ondertekenen namens [medeverdachte 1] . Ik ben niet betrokken bij het indienen van de valse facturen.</emphasis>” </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Ter terechtzitting van het hof van 13 juni 2022 heeft de raadsvrouw in haar pleidooi (blijkens de pleitnotities die zij aldaar volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft voorgedragen) het bewijs van het medeplegen, van het oogmerk en van de wederrechtelijkheid van de feiten onder 1 en 2 betwist. Daarbij heeft de raadsvrouw als het meest kernachtig naar voren gebracht: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">Cliënt wilde op een legale manier van de BV af en had geen criminele insteek bij de werkzaamheden die hij voor [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] verrichtte, ook was hij zich niet bewust van de kwade intenties van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Cliënt heeft verklaard dat [medeverdachte 3] degene was die afspraken maakte met factoringmaatschappijen (cliënt wist toen nog niet wat factoring was). [medeverdachte 3] had uitgelegd wat cliënt moest zeggen. Cliënt is onder andere langsgegaan bij CS factoring en Creditpay. Wanneer deze bedrijven spullen wilde hebben zoals bankafschriften leverde [medeverdachte 3] of [medeverdachte 1] deze aan. Cliënt heeft dat niet gedaan. Cliënt wist pas dat het niet goed zat toen hij belletjes kreeg van CS factoring.</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…).</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Cliënt heeft weliswaar handelingen verricht, zoals contacten leggen en het tekenen van overeenkomsten, maar heeft nooit spullen aangeleverd, zoals bankafschriften (bladzijde 5968). Cliënt dacht dat het ging om het voorfinancieren van facturen en was zich er niet van bewust dat het ging om vervalste facturen van niet bestaande klanten.</emphasis>”<footnote-ref linkend="_d0cf3d58-1741-4c29-9720-9bc8d46112fa" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Hieraan heeft de raadsvrouw in haar dupliek toegevoegd: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">Mijn cliënt zegt dat hij gebruikt is. Hij is te goed van vertrouwen: Hij heeft altijd op een eerlijke manier zaken gedaan. Hij was blij met het bedrag dat door [medeverdachte 1] werd aangeboden. [medeverdachte 2] heeft bij de rechtbank verklaard dat zij zouden stoppen met [bedrijf 5] en door zouden gaan met het bedrijf van [verdachte] . [verdachte] zag kans om van zijn BV af te komen. Het is vervolgens anders gelopen. Hij is als katvanger gebruikt.</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De bewijsoverwegingen van de feiten 1 en 2</title>
    <para />
    <para>10. Het hof heeft aan de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 de volgende nadere bewijsmotivering ten grondslag gelegd:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="bold underline italic">Bewijsoverwegingen ten aanzien van de oplichting van CS Factoring en CreditPay (feiten 1 en 2) </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Deze strafzaak komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is onder de naam ‘13Rolwolk’. De verdachten zijn onder meer [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte, hierna ter bevordering van de leesbaarheid ook aangeduid bij hun achternamen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit het dossier volgt dat de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] – zoals het hof ook in de arresten in de strafzaken tegen hen heeft vastgesteld en zoals door hen in hun strafzaken ook niet is betwist – betrokken waren bij het bedrijf [bedrijf 5] B.V. (hierna: [bedrijf 5] ). In mei en juni 2016 hebben de beide medeverdachten zich schuldig gemaakt aan de oplichting van het factoringbedrijf Bibby Financial Services B.V. (hierna: Bibby), door aan dit bedrijf nepfacturen te verkopen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In het najaar van 2016 zijn de bedrijven CS Factoring B.V. (hierna: CS Factoring) en CreditPay B.V. (hierna: CreditPay) op een vergelijkbare wijze opgelicht. Ook aan deze bedrijven werden nepfacturen verkocht. Bij de oplichting van CS Factoring is, naast de medeverdachte [medeverdachte 1] en (opnieuw) de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , ook [verdachte] als verdachte in beeld gekomen. Bij de oplichting van CreditPay kwam [verdachte] als enige verdachte in beeld.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Het standpunt van de verdediging </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld, zakelijk weergegeven, dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van de oplichting van CS Factoring en CreditPay. [verdachte] is via de medeverdachten onbewust betrokken geraakt bij de oplichtingspraktijken van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . [verdachte] heeft zijn onderneming [bedrijf 6] B.V. voor een bedrag van € 2.500,00 aan [medeverdachte 1] verkocht, waarbij was overeenkomen dat [verdachte] nog een periode voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zou gaan werken. Op hun verzoek heeft [verdachte] de bedrijven CS Factoring en CreditPay benaderd; hij was zich daarbij niet bewust van de kwade intenties van de medeverdachten. Pas toen hij op 24 november 2016 werd gebeld door CS Factoring kreeg hij door dat het niet goed zat. [verdachte] heeft dan ook zowel bij de oplichting van CS Factoring als bij die van CreditPay niet het oogmerk gehad om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Bovendien was zijn rol te beperkt en van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van medeplegen. [verdachte] dient van beide feiten te worden vrijgesproken.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Het standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Het oordeel van het hof </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">i) 	[verdachte] was in de ten laste gelegde periode van de oplichting van CS Factoring en CreditPay de enig aandeelhouder en de bestuurder van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ).</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">ii) 	[medeverdachte 3] heeft, met een informatievraag, het eerste contact gelegd met CS Factoring. Naar aanleiding hiervan heeft vervolgens op 14 oktober 2016 een overleg plaatsgehad tussen [verdachte] , [medeverdachte 3] en een vertegenwoordiger van CS Factoring over het afsluiten van een factoringsovereenkomst. Medio oktober heeft een eerste telefonisch contact plaatsgehad tussen [verdachte] en een medewerker van CreditPay. Op 20 oktober 2016 hebben zij vervolgens tijdens een ontmoeting in het kantoorpand van [bedrijf 1] verder gesproken over de mogelijkheid om zaken met elkaar te doen. Deze gesprekken hebben ertoe geleid dat op 14 oktober 2016 een factoringsovereenkomst is gesloten tussen [bedrijf 1] en CS Factoring en op 9 november 2016 tussen CreditPay en [bedrijf 1] . [verdachte] heeft de beide overeenkomsten namens [bedrijf 1] ondertekend.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">iii) 	In de periode van 21 oktober tot en met 16 november 2016 heeft [bedrijf 1] aan CS Factoring facturen op naam van de bedrijven [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) en [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) verkocht. In de periode van 15 tot en met 29 november 2016 heeft [bedrijf 1] aan CreditPay facturen op naam van [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ) verkocht. Bij het aanleveren van de facturen werd gebruik gemaakt van speciaal aangemaakte websites, e-mailadressen en een telefoonnummer (van de contactpersoon van [bedrijf 3] ) waarmee de indruk werd gewekt dat de facturen daadwerkelijk voor deze bedrijven waren bestemd en deze bedrijven ook akkoord waren met deze facturen; bij navraag door CS Factoring werd ook via deze e-mailadressen een bevestiging van de factuur gegeven. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">iv) 	De door [bedrijf 1] verkochte facturen waren evenwel nepfacturen: [bedrijf 1] heeft aan [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] nooit goederen geleverd en heeft dus ook nooit facturen aan deze bedrijven gestuurd. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">v) 	CS Factoring heeft voor de koop van de nepfacturen een bedrag van in totaal ongeveer € 121.192,00 uitgekeerd aan [bedrijf 1] . CreditPay heeft voor de koop van de nepfacturen een bedrag van in totaal ongeveer € 143.852,00 uitgekeerd aan [bedrijf 1] .</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op basis van deze feiten en omstandigheden en de overige in het dossier opgenomen bewijsmiddelen kan over de rol van [verdachte] worden vastgesteld dat hij degene is die de besprekingen met CS Factoring en CreditPay heeft gevoerd over de mogelijkheid om met [bedrijf 1] zaken te doen. Deze besprekingen hebben er vervolgens daadwerkelijk in geresulteerd dat [verdachte] , namens [bedrijf 1] , factoringsovereenkomsten heeft gesloten met de beide bedrijven. Op basis van deze overeenkomsten zijn vervolgens de facturen van de bedrijven [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en (in het geval van CreditPay ook nog) [bedrijf 4] geleverd en door de beide opgelichte bedrijven aan [bedrijf 1] uitbetaald. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Aldus heeft [verdachte] ter zake van de oplichting van CS Factoring handelingen verricht die cruciaal zijn geweest voor de oplichting van dit bedrijf en die van zodanig gewicht zijn geweest dat zij de kwalificatie medeplegen rechtvaardigen. Daarbij is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Zoals ook in de arresten tegen deze medeverdachten is vastgesteld heeft de rol van [medeverdachte 3] erin bestaan dat hij het eerste contact met CS Factoring heeft gelegd en vervolgens samen met [verdachte] het verdere overleg met CS Factoring heeft gevoerd. Ook bij de verdere oplichtingshandelingen is [medeverdachte 3] betrokken geweest, getuige zijn actieve en inhoudelijke bijdrages in de verschillende appconversaties die in de bewijsmiddelenbijlage zijn weergegeven. [medeverdachte 2] heeft zijn kennis over factoring overgedragen aan [verdachte] . Hij is vervolgens betrokken gebleven bij de uitvoering van de oplichting van CS Factoring, door de bij deze oplichting gebruikte websites te controleren, door informatie voor op de websites aan te leveren en door een domeinnaam, e-mailadressen en bijbehorende wachtwoorden aan de medeverdachten te verstrekken. De rol van [medeverdachte 1] ten slotte heeft in de kern erin bestaan dat hij een van de deelnemers was aan de groepsapp die werd gebruikt om te overleggen over het op poten zetten van de oplichting van CS Factoring. Verder was [medeverdachte 1] degene die valse documenten aanleverde die werden gebruikt om CS Factoring op te lichten. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het dossier bevat ter zake van de oplichting van CreditPay geen informatie over de betrokkenheid van andere personen dan [verdachte] zelf. [verdachte] zal wat dit bedrijf betreft dan ook worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dat [verdachte] , zoals door de verdediging is betoogd, de gesprekken met CS Factoring en CreditPay heeft gevoerd zonder dat hij wist van de bedoeling om deze bedrijven op te lichten, acht het hof niet aannemelijk geworden. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat de oplichting van CS Factoring betreft geldt dat het niet geloofwaardig is dat [verdachte] , zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesteld, enkel op grond van instructies van [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en zonder enige kennis van zaken in staat zou zijn geweest om dit bedrijf om de tuin te leiden. [verdachte] heeft met een vertegenwoordiger van CS Factoring (een fysiek) overleg gehad; blijkbaar heeft dit bedrijf – een professioneel factoringsbedrijf dat de nodige informatie zal hebben ingewonnen alvorens dit bereid was om forse betalingen te doen – (mede) op basis van de door [verdachte] verstrekte informatie besloten om met [bedrijf 1] zaken te doen. Daarbij wist [verdachte] dat [bedrijf 1] geen goederen leverde aan bedrijven, waarmee hij dus ook moet hebben geweten dat de facturen die door [bedrijf 1] aan CS Factoring werden verkocht nepfacturen waren die dienden om het bedrijf op te lichten. Ook overigens heeft [verdachte] zijn stelling ter terechtzitting in hoger beroep dat hij een willoos werktuig in handen van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] was en dat alle voor de oplichting noodzakelijke informatie en stukken door deze personen aan hem werden aangeleverd en dat hij die vervolgens zonder er over na te denken aan CS Factoring en CreditPay verstrekte, niet nader onderbouwd. Nu ook overigens het dossier voor de juistheid van deze stelling geen enkel aanknopingspunt biedt, legt het hof deze stelling als onaannemelijk terzijde. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat de oplichting van CreditPay betreft geldt – ook op dit punt – dat het dossier voor betrokkenheid van [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] in het algemeen al geen aanknopingspunt bevat, zodat ook de stelling van [verdachte] dat hij enkel instructies van beiden opvolgde reeds om die reden al niet aannemelijk is geworden. Daarnaast geldt hetgeen in de voorgaande zinnen is overwogen ten aanzien van CS Factoring evenzeer ten aanzien van CreditPay.</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De toelichting op het eerste middel (feiten 1 en 2)</title>
    <para />
    <para>11. In de toelichting op het middel zet de steller ervan uiteen dat het bewijsoordeel van het hof steunt op drie argumenten, te weten: </para>
    <parablock>
      <para>(1) 	onaannemelijk is dat een professioneel factoringsbedrijf zich heeft laten oplichten (mede) naar aanleiding van een gesprek met iemand zonder kennis van zaken; </para>
      <para>(2) 	de verdachte wist dat [bedrijf 1] geen goederen leverde aan de gefactureerde bedrijven (en derhalve dat de facturen nep waren); </para>
      <para>(3) 	de verdachte heeft geen onderbouwing gegeven en het dossier bevat geen aanknopingspunten voor verdachte’s stellingen dat hij een willoos werktuig in handen van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] was, dat alle voor de oplichting noodzakelijke stukken door deze personen aan hem werden aangeleverd en dat hij die vervolgens zonder erover na te denken aan CS Factoring verstrekte. </para>
      <para>Wat betreft feit 2 (CreditPay) komt daar als argument nog bij dat het dossier (naar ’s hofs oordeel) geen steun geeft voor de betrokkenheid van anderen, zodat het standpunt van de verdachte dat anderen dit feit hebben gepleegd en dat hij geen kennis had van het malafide karakter van de overeenkomst onaannemelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. In de toelichting op het middel bespreekt de steller ervan deze argumenten en voert zij aan dat de betreffende argumenten c.q. feiten en omstandigheden, <emphasis role="italic">niet</emphasis> uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Dat de verdachte (bijvoorbeeld) <emphasis role="italic">wist </emphasis>dat [bedrijf 1] geen goederen aan de gefactureerde bedrijven had geleverd, volgt niet uit de bewijsmiddelen. Daarbij komt dat de bewijsmiddelen niet tot nauwelijks gegevens bevatten die het door de verdachte geschetste scenario uitsluiten c.q. die de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdachte begrijpelijk doen worden. De bewijsmiddelen bevatten voor het overgrote deel beschrijvingen van feitelijke handelingen (het voeren van gesprekken en ondertekenen van contracten) die de verdachte niet ontkent en die nou juist overeenstemmen met het standpunt van de verdachte, aldus de steller van het middel. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bespreking van het eerste middel</title>
    <para />
    <para>13. Het middel bevat twee subklachten over de motivering van het bewijs van het oogmerk en het opzet van de verdachte aangaande de onder 1 en 2 ten laste gelegde oplichtingen. Daartoe wordt een beroep gedaan op (a) 	het verzuim van de motiveringsverplichting van artikel 359 lid 3, eerste volzin, Sv, en (b) het verzuim van de motiveringsverplichting van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv. </para>
    <para />
    <para>14. Het gaat hierbij specifiek om de klacht dat het hof voorbij is gegaan aan een alternatieve lezing omtrent de toedracht van de oplichtingen. Die lezing houdt in dat de verdachte niet wist dat de facturen die aan de factoringsbedrijven werden verkocht niet correspondeerden met de daarop weergegeven werkelijkheid. De genoemde twee motiveringsverplichtingen worden – volgens de steller van het middel – geschonden </para>
    <parablock>
      <para>(a) 	doordat de bewijsmiddelen het scenario waarin de verdachte geen kennis had van het malafide karakter van de door hem verrichte handelingen openlaten, en </para>
      <para>(b) 	doordat het hof het betreffende uitdrukkelijk onderbouwde standpunt op ontoereikende gronden heeft gepasseerd. </para>
      <para>De subklachten lenen zich m.i. voor een gezamenlijke bespreking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15. In essentie gaan beide klachten over de wijze waarop het hof is omgegaan met een bewijsverweer waarbij de verdachte het hem ten laste gelegde bestrijdt met een beroep op een lezing van de gebeurtenissen die – indien waarheidsgetrouw – niet strookt met een bewezenverklaring, maar die verenigbaar is met (minstens enkele van) de bewijsmiddelen, zulks doordat voor de inhoud daarvan een ‘alternatieve’ – d.w.z. onschuldige – verklaring wordt gegeven. Zo’n lezing wordt hierna ook wel ‘een alternatief scenario’ genoemd. Met een dergelijk bewijsverweer worden niet de inhoud en de betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen, maar wordt de redengevendheid ervan ter discussie gesteld. </para>
    <para />
    <para>16. Over dergelijke ‘redengevendheidsverweren’ heeft de Hoge Raad overwogen dat wanneer de rechter hieraan voorbijgaat en tot een bewezenverklaring komt, hij in beginsel het aangedragen alternatieve scenario zal moeten weerleggen. Dat kan de rechter doen door opneming van bewijsmiddelen of door vermelding, al dan niet in een nadere bewijsmotivering, van aan bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die het alternatieve scenario uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. Een alternatief scenario kan in voorkomende gevallen ook worden weerlegd door te overwegen dat en waarom dit scenario als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld dan wel dat en waarom dit scenario (anderszins) niet aannemelijk is geworden. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin het alternatieve scenario zo onwaarschijnlijk is, dat het geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.<footnote-ref linkend="_9ad7ab98-9e1b-4ca1-98e5-19f68ff12b88" /></para>
    <para />
    <para>17. Het hof heeft in de onder randnummer 10 weergegeven nadere bewijsmotivering uitdrukkelijk aandacht besteed aan het bewijsverweer en aan de vraag of de verdachte wist dat de facturen die aan de factoringsbedrijven werden verkocht en waarmee deze bedrijven werden opgelicht, valselijk waren opgemaakt, zulks doordat de gefactureerde goederen in werkelijkheid niet waren geleverd. Het hof heeft uiteengezet dat en waarom het door de verdachte aangedragen alternatieve scenario als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld en het onaannemelijk is dat de verdachte van de valsheid van die facturen niet eerder op de hoogte was dan toen hem dat in een telefoongesprek met CS Factoring werd meegedeeld. </para>
    <para />
    <para>18. De steller van het middel acht dit oordeel onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd. Dit standpunt deel ik echter niet. Om dat toe te lichten is het van belang om de inhoud van enkele bewijsmiddelen langs te lopen. </para>
    <para />
    <para>19. Bewijsmiddel 1 (verklaring verdachte), bewijsmiddel 3 (verklaring verdachte), bewijsmiddel 4 (verklaring [medeverdachte 2] ), bewijsmiddel 5 (verklaring [medeverdachte 2] ), bewijsmiddel 6 (verklaring [medeverdachte 3] ) en bewijsmiddel 8 (navraag Kamer van Koophandel) wijzen uit dat de verdachte de eigenaar was van [bedrijf 6] B.V. / [bedrijf 1] B.V. (een groothandel in meubels)<footnote-ref linkend="_d166f5cc-20f9-4595-aaeb-9ba78e9c680e" /> en dat hij (als enige) achter deze vennootschap schuilging. Omstreeks 10 oktober 2016 besloot de enig aandeelhouder van [bedrijf 6] B.V. (dat moet dus de verdachte zijn) tot wijziging van de naam van die bv in [bedrijf 1] B.V.<footnote-ref linkend="_110be8b1-88a2-415e-895e-7830e36491be" /></para>
    <para />
    <para>20. Eerst feit 1. Op 14 oktober 2016 ondertekende de verdachte namens [bedrijf 1] B.V. ten kantore van CS Factoring een factoringsovereenkomst met CS Factoring, waarin onder meer is vastgelegd dat [bedrijf 1] aan CS Factoring (toekomstige) handelsvorderingen verkoopt die aan afnemers van [bedrijf 1] dienen te worden gefactureerd.<footnote-ref linkend="_bfa250b5-e4d6-4d3d-a75b-b047701b6c2e" /> De verdachte heeft de vertegenwoordiger van CS Factoring meegedeeld dat hij met [bedrijf 1] B.V. producten had geleverd aan [bedrijf 2] BV.<footnote-ref linkend="_960a6204-92c5-410c-b082-e4be52a47675" /> De verdachte ondertekende een overeenkomst van 21 oktober 2016 ‘Verklaring tot opdracht betalingsadres’ met betrekking tot [bedrijf 2] BV. Datzelfde deed de verdachte op 9 november 2016 met betrekking tot [bedrijf 3] B.V. De door CS Factoring betaalde facturen op naam van [bedrijf 1] B.V. (aan [bedrijf 2] BV respectievelijk [bedrijf 3] BV) werden door CS Factoring ontvangen in de periode van 21 oktober 2016 tot en met 16 november 2016.<footnote-ref linkend="_845416d5-5817-46eb-93f8-6fc051fb597d" /> Kort daarna stuurde de verdachte een e-mail waarin hij aangaf contact te hebben gehad met [betrokkene 1] (van [bedrijf 2] BV) en dat hij ( [betrokkene 1] / [bedrijf 2] BV) meteen zou betalen. In werkelijkheid had [bedrijf 2] BV <emphasis role="italic">nooit</emphasis> zaken gedaan met de verdachte c.q. [bedrijf 1] B.V.. Datzelfde geldt voor [bedrijf 3] BV.</para>
    <para />
    <para>21. Thans feit 2. Op 9 november 2016 ondertekende de verdachte ten kantore van CreditPay een factoringsovereenkomst met CreditPay, waarin onder meer is vastgelegd dat [bedrijf 1] nader te specificeren toekomstige vorderingen op schuldenaren aan CreditPay verkoopt.<footnote-ref linkend="_5a86bb0b-ff35-4a90-a38a-738544f14198" /> Daarna heeft de verdachte telefonisch contact onderhouden met een medewerkster van CreditPay.<footnote-ref linkend="_e52e086f-991b-47b8-9976-173ed7c0f6f8" /> De door CreditPay betaalde facturen op naam van [bedrijf 1] B.V. werden door CreditPay ontvangen in de periode van 15 november 2016 tot en met 29 november 2016.<footnote-ref linkend="_53815c72-25e2-4082-ad0c-a9ff8edba64f" /> Ook met [bedrijf 4] BV, waaraan twee van de zes aan CreditPay verkochte facturen waren gericht, heeft [bedrijf 1] B.V. nooit zaken gedaan.<footnote-ref linkend="_b53f28cf-0f6b-4480-8b48-5372856a4967" /></para>
    <para />
    <para>22. Ook bij het leggen van contacten en de onderhandelingen met CS Factoring en CreditPay voorafgaande aan de ondertekening van de factoringsovereenkomsten was de verdachte in persoon betrokken, in de hoedanigheid van directeur/eigenaar van [bedrijf 1] B.V.<footnote-ref linkend="_8b6a7d06-4da2-470a-87a2-b2bab9af87aa" /> De verdachte heeft de vertegenwoordiger van CreditPay ontvangen in ‘zijn’ (een) showroom voor teakhouten meubelen en deze vertegenwoordiger daarin rondgeleid. </para>
    <para />
    <para>23. In het onder randnummer 7 weergegeven alternatieve scenario van de verdachte moest hij na de verkoop van zijn bedrijf van de nieuwe eigenaar(s) nog enkele (“<emphasis role="italic">drie</emphasis>”) weken in dat bedrijf werkzaam zijn. Alle hierboven genoemde verrichtingen namens [bedrijf 1] B.V. zou de verdachte in zijn lezing hebben gedaan zonder te weten dat de verkochte facturen een onjuist beeld gaven van de werkelijkheid. Van belang is om op te merken dat de ‘valsheid’ (onwaarheid) van die facturen verder reikt dan alleen de omstandigheid dat de daarin vermelde producten in werkelijkheid niet werden geleverd. Onbetwist is bovendien dat [bedrijf 1] B.V. met de gefactureerde bedrijven ( [bedrijf 2] BV, [bedrijf 3] BV en [bedrijf 4] BV) überhaupt nooit zaken heeft gedaan. </para>
    <para />
    <para>24. De feiten en omstandigheden waarvan de bewijsmiddelen blijk geven, laten zich om die reden niet goed rijmen met het door de verdachte aangedragen alternatieve scenario. Ik wijs daarbij in het bijzonder op (i) de mededeling van de verdachte dat hij (onder de vlag van [bedrijf 1] B.V.) zaken had gedaan met [bedrijf 2] BV, (ii) de door de verdachte ondertekende ‘Verklaring tot opdracht betalingsadres’ met betrekking tot [bedrijf 2] en met betrekking tot [bedrijf 3] BV, en (iii) de mededeling dat hij, verdachte, contact had gehad met de heer [betrokkene 1] (van [bedrijf 2] BV) en dat hij ( [betrokkene 1] ) “<emphasis role="italic">meteen zou betalen</emphasis>”. Ten slotte wijs ik erop dat in de lezing van de verdachte wordt verondersteld dat het mogelijk is dat hij niets heeft gemerkt van de productleveringen die aan de facturen van [bedrijf 1] B.V. ten grondslag zouden liggen. In de bewijsmiddelen ligt m.i. besloten dat zulks zo kort na de (vermeende) overdracht van het bedrijf, een eenmanszaak waarin hij nog steeds werkzaam was, zeer onwaarschijnlijk is.</para>
    <para />
    <para>25. Vanwege het voorgaande heeft het hof kunnen oordelen dat de lezing van de verdachte een zeer onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de feiten en omstandigheden waarvan de bewijsmiddelen blijk geven. Zodoende heeft het hof aan de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de gevolgtrekking kunnen verbinden dat de verdachte wel degelijk wist dat alle facturen die aan de factoringsbedrijven werden verkocht de werkelijkheid niet weerspiegelden en dus vals waren. Daarmee ligt in ’s hofs vaststellingen besloten dat de verdachte – welbewust – een essentiële bijdrage heeft geleverd aan de oplichting van de factoringsbedrijven waarop het onder 1 en 2 ten laste gelegde betrekking heeft. </para>
    <para />
    <para>26. Hierop stuiten alle klachten van het eerste middel af. Het middel is tevergeefs voorgesteld.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het tweede middel (feit 4)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>27. Het middel bevat een motiveringsklacht over het bewijs van de verduistering van een BMW, meer specifiek over het bewijs van de wederrechtelijke toe-eigening van de wagen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De bewijsmotivering van het hof </title>
    <para />
    <para>28. Zoals gezegd is onder 4 bewezen verklaard dat “<emphasis role="italic">hij in de periode van 16 november 2016 tot en met 27 maart 2017 in Nederland, opzettelijk een auto (een BMW M 550d) toebehorende aan een ander, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten had geleased, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend</emphasis>”.</para>
    <para />
    <para>29. Het hof heeft hieraan de volgende bewijsoverwegingen ten grondslag gelegd: </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>“Bewijsoverwegingen ten aanzien van de verduistering van de BMW (feit 4) </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Het standpunt van de verdediging </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld, zakelijk weergegeven, dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat hij geen opzet heeft gehad op de verduistering van de BMW. Hij heeft weliswaar de BMW opgehaald maar deze vervolgens overgedragen aan [medeverdachte 1] . Hij heeft de auto, anders dan door de getuige [betrokkene 4] verklaard, niet aan de getuige uitgeleend. De verklaring van getuige [betrokkene 4] is volstrekt onaannemelijk. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Het standpunt van het Openbaar Ministerie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Het oordeel van het hof </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">i) 	Tussen [bedrijf 1] en Alphera Financial Services (hierna: Alphera) is op 16 november 2016 een leaseovereenkomst gesloten voor een BMW met [kenteken]. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">ii) 	De verdachte heeft de leaseovereenkomst namens [bedrijf 1] getekend. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">iii) 	De BMW is opgehaald door de verdachte. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">iv) 	De verschuldigde leasebedragen zijn niet, althans niet volledig voldaan. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">v) 	De BMW is door [verdachte] uitgeleend aan [betrokkene 4], die de BMW - met medeweten van [verdachte] - heeft meegenomen naar Turkije.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">vi) 	De BMW is in Turkije in beslag genomen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor een bewezenverklaring van het verduisteren van een voertuig kan niet worden volstaan met de enkele vaststelling dat de auto niet (op tijd) is teruggebracht omdat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte, zonder daartoe gerechtigd te zijn, als heer en meester over het voertuig (heeft) beschikt. Dit is anders indien uit andere, uit de bewijsmiddelen blijkende, omstandigheden moet worden afgeleid dat er sprake is van wederrechtelijke toe-eigening. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof stelt vast dat de verdachte de verschuldigde leasebedragen niet (meer) voldeed en ondanks verschillende pogingen van het leasebedrijf niet bereikbaar was. Daarnaast heeft hij het gebruik van de BMW toegestaan aan [betrokkene 4], die de BMW met medeweten van de verdachte heeft meegenomen naar Turkije. De verdachte heeft ontkend dat hij de BMW aan [betrokkene 4] heeft uitgeleend. Deze enkele kale ontkenning overtuigt het hof echter niet gelet op de inhoudelijke en gedetailleerde verklaring van [betrokkene 4] over de gang van zaken en het feit dat de BMW in Turkije in beslag is genomen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zich als heer en meester is gaan gedragen over de BMW, op grond waarvan verduistering kan worden bewezen</emphasis>.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>30. Als bewijsmiddelen heeft het hof in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="bold italic">1. De verklaring die de [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep op 8 juni 2022 heeft afgelegd. </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Deze verklaring houdt in, voor zover van belang: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik heb de auto opgehaald. Ik moest een handtekening zetten. Ik zie nu dat het mijn handtekening is. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">2. De verklaring die de [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep op 13 juni 2022 heeft afgelegd. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Deze verklaring houdt in, voor zover van belang: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De handtekening op pagina 0005694 is mijn handtekening. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">3. Een schriftelijk bescheid inhoudende een leaseovereenkomst van Alphera Financial Services (pagina 0005690) </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dit bescheid houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Leaseovereenkomst tussen Alphera Financial Services en [bedrijf 1] B.V</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Deze overeenkomst geldt voor de BMW Touring xDrive </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Prijs Euro 59950,00 </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Pagina 0005694 voorzien van handtekening van [verdachte] . </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">4. Een proces-verbaal van aangifte van 31 maart 2017. in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (pagina 005682 e.v.). </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als aangifte van [aangever] namens Alphera Financial Service. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het feit vond plaats op de locatie genoemd bij plaats delict (Zevenaar), tussen 27 maart 2017 en maandag 27 maart 2017. Op 16 november 2016 werd een leasecontract afgesloten tussen Alphera en [bedrijf 1] . [verdachte] heeft het contract ondertekend. Het betreft een BMW M 550d, voorzien van [kenteken]. De overeenkomst ging in op 16 november 2016 voor de duur van 60 maanden. Gedurende die maanden diende euro 949,39 te worden betaald. In totaal is voor de [kenteken] nog euro 69.448,69 verschuldigd. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Alphera Financial Service heeft diverse keren aangemaand om de achterstand in de betalingen aan te zuiveren of de geleasede auto in te leveren. Er is getracht zowel per email als telefonisch contact te krijgen. De BMW is niet meer waargenomen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">5. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (pagina 005734 e.v.) </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten of een van hen: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [bedrijf 7] B.V. heeft gegevens verstrekt. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Factuur 161291 </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Datum: 14 november 2016 </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verkocht aan: [bedrijf 1] B.V. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Merk: BMW </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Type: [kenteken] </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bedrag: Euro 59.950,00 betaald per bank via Alphera. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De auto is afgehaald door </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kopie rijbewijs: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voornamen: [verdachte] </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Naam: [verdachte] </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geboortedatum: [geboortedatum] 1970 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">6. Een proces-verbaal van bevindingen van 30 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (pagina 007495 e.v.) </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 26 september 2017 heb ik gesproken met [betrokkene 5], werkzaam voor de BMW Group. Hij deelde mij mede: Ik ben werkzaam bij de BMW Group. Wij weten via het leasebedrijf Alphera dat de BMW met [kenteken] is geleased aan [bedrijf 1] B.V. Bij het RDW staat dit bedrijf als kentekenhouder genoemd. BMW Group is eigenaar van de BMW. Door Alphera is aangifte gedaan. Wij hebben bericht ontvangen dat de BMW in Turkije is aangetroffen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">7. Een proces-verbaal van verhoor van 29 november 201 7, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (pagina 007502 e.v.). </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [betrokkene 4]:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik heb van [verdachte] de BMW met [kenteken] geleend en heb met hem de papieren ingevuld om de auto mee te kunnen nemen naar Turkije. Ik had met [verdachte] afgesproken dat ik de auto een paar maanden mocht lenen en dan terug zou komen. Dan zou ik de auto weer aan [verdachte] geven. Het was een vriendendienst omdat hij bij mij in het krijt stond. Ik ben met de BMW naar Turkije gegaan. De auto bleek gestolen en is in beslag genomen.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De toelichting op het tweede middel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>31. In de toelichting op het middel wordt – onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad – betoogd dat in de bewijsvoering ten aanzien van de BMW een daad die kan worden gekwalificeerd als ‘als heer en meester beschikken’ ontbreekt, en dat het hof ook overigens te weinig gegevens heeft vastgesteld voor de beoordeling van de vraag of de verdachte de BMW heeft verduisterd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Het beoordelingskader: toe-eigening</title>
    <para />
    <para>32. De tenlastelegging is toegesneden op de strafbepaling van artikel 321 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘zich wederrechtelijk toe-eigenen’ is gebruikt in de betekenis die in die bepaling aan dit begrip toekomt. Artikel 321 Sr luidt als volgt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">Hij die opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeëigent, wordt, als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde categorie.</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>33. Centraal staat thans de betekenis van het begrip ‘toe-eigening’. Naar vaste rechtspraak ‘eigent’ een persoon zich een goed ‘toe’ indien hij zonder daartoe gerechtigd te zijn als ‘heer en meester’ beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort.<footnote-ref linkend="_e07f94f6-d7d7-4fe6-a3fa-ab5bc5dc3a87" /> Het gaat om het verrichten van een gedraging die blijk geeft van het besluit om over een goed de exclusieve feitelijke heerschappij te gaan uitoefenen.<footnote-ref linkend="_6939e83e-eadf-4d71-bdc5-778d92a21c9c" /></para>
    <para />
    <para>34. Zoals Hofstee terecht opmerkt, ontbreekt bij verduistering, anders dan bij diefstal, een daad van wegnemen die als objectieve maatstaf kan gelden.<footnote-ref linkend="_768ba081-39e0-4cc4-9cd8-795e00415e7d" /> De verdachte heeft het goed immers rechtmatig onder zich, waardoor de wil tot toe-eigening eventueel uit de omstandigheden van het geval moet worden afgeleid. Als die intentie niet in de verklaring van de verdachte zelf tot uitdrukking komt, dan zal uit de feiten en omstandigheden (met name zijn gedrag) moeten kunnen worden opgemaakt dat de verdachte met een wil tot toe-eigening als ‘heer en meester’ over het goed is gaan beschikken. Dat doet zich voor bij gedragingen die typisch zijn voor, en alleen rechtmatig kunnen worden verricht door degene aan wie het goed daadwerkelijk toebehoort, aldus Frielink.<footnote-ref linkend="_444e29db-e04d-4000-8a1a-6828c7deb032" /> Illustratief is het – zonder toestemming van de onwetende rechthebbende<footnote-ref linkend="_bd4ac949-cc23-4acb-9158-964ef84988b9" /> – vervreemden (verkopen), uitlenen, schenken (aan een ander), verbergen of vernietigen van het goed.<footnote-ref linkend="_7258cdec-b4cc-4c16-9dc0-dc6d1434affc" /> Een factor van betekenis is (dus) of de verdachte door zijn handelen heeft bewerkstelligd dat de teruggave van het goed onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt.<footnote-ref linkend="_f9a29ebd-af0d-4b71-b573-82e08cce180f" /> Anderzijds levert de enkele omstandigheid dat de verdachte een goed tijdelijk ter beschikking heeft gekregen en dat goed niet of niet tijdig terugbrengt, op zichzelf nog geen wederrechtelijke toe-eigening op.<footnote-ref linkend="_1ab1a63f-42fe-46bb-9c12-d7d7d56ddea0" /></para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bespreking van het tweede middel</title>
    <para />
    <para>35. Omtrent de geleasede BMW heeft het hof het volgende vastgesteld:</para>
    <parablock>
      <para>- 	de verdachte heeft met ingang van 16 november 2016 een BMW geleased voor een periode van zestig maanden;</para>
      <para>- 	de verdachte voldeed (binnen enkele maanden) de verschuldigde leasebedragen (al) niet (meer); </para>
      <para>- 	ondanks verschillende pogingen van het leasebedrijf was de verdachte niet bereikbaar via de mail of de telefoon;</para>
      <para>- 	de verdachte heeft de BMW uitgeleend aan een andere persoon;</para>
      <para>- 	die andere persoon heeft de BMW met medeweten van de verdachte meegenomen naar Turkije, onder de afspraak dat deze andere persoon de BMW een paar maanden mocht lenen en daarna weer terug zou komen;</para>
      <para>- 	de BMW is aldaar in beslag genomen omdat die als gestolen gesignaleerd stond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>36. Onder de door het hof vastgestelde omstandigheden acht ik ’s hofs oordeel dat de verdachte als heer en meester over de BMW heeft beschikt, niet onbegrijpelijk. Hoewel daarover niet met zoveel woorden wordt geklaagd, merk ik ten overvloede op dat ’s hofs oordeel ook niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de betekenis van het begrip ‘zich toe-eigenen’. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hof omtrent het gebruik van de BMW méér heeft vastgesteld dan alleen dat de verdachte de verschuldigde leasebedragen niet (meer) heeft betaald en de verdachte de auto (in strijd met de afspraak) niet heeft terugbezorgd. Het hof heeft immers tevens vastgesteld (i) dat de verdachte zich onbereikbaar heeft gehouden voor de leasemaatschappij, en (ii) dat hij de auto heeft uitgeleend aan een derde van wie hij wist dat hij met het voertuig zou vertrekken naar Turkije, ook al zou dat volgens de afspraak ‘slechts’ enkele maanden betreffen. Zodoende heeft de verdachte de teruggave van de BMW op z’n minst aanmerkelijk bemoeilijkt.</para>
    <para />
    <para>37. Het middel faalt.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Slotsom</title>
    <para />
    <para>38. De middelen falen en kunnen naar mijn inzicht worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.</para>
    <para />
    <para>39. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM wordt overschreden. Dit dient tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf te leiden.</para>
    <para />
    <para>40. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.</para>
    <para />
    <para>41. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde vrijheidsbenemende straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_3f1263d5-e492-4340-9053-0becb4ad68dc" label="1">
    <para> Arrest, p. 11 (strafmaatoverwegingen).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7444b5cd-a160-4995-a6f8-01284bc84ebd" label="2">
    <para> Voor de volledigheid geef ik ook de bewezenverklaring onder 5 weer, hoewel die in cassatie niet aan de orde is gesteld.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d0cf3d58-1741-4c29-9720-9bc8d46112fa" label="3">
    <para> Pleitaantekeningen d.d. 13 juni 2022, derde en vierde (ongenummerde) bladzijde. Het tweede deel van het citaat heeft betrekking op feit 1. Voor wat betreft feit 2 volgt op de vijfde bladzijde van de pleitaantekeningen in essentie een herhaling van het ten aanzien van feit 1 ingenomen standpunt.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9ad7ab98-9e1b-4ca1-98e5-19f68ff12b88" label="4">
    <para> HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2023/101; HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2010/314.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d166f5cc-20f9-4595-aaeb-9ba78e9c680e" label="5">
    <para> Zie bewijsmiddel 18 (verklaring [betrokkene 6] van CreditPay). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_110be8b1-88a2-415e-895e-7830e36491be" label="6">
    <para> Zie bewijsmiddel 16 (proces-verbaal van bevindingen); zie tevens bewijsmiddel 3 (verklaring verdachte).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bfa250b5-e4d6-4d3d-a75b-b047701b6c2e" label="7">
    <para> Zie bewijsmiddel 7 (verklaring [betrokkene 7], CS Factoring B.V.).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_960a6204-92c5-410c-b082-e4be52a47675" label="8">
    <para> Zie bewijsmiddel 7 (verklaring [betrokkene 7], CS Factoring B.V.).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_845416d5-5817-46eb-93f8-6fc051fb597d" label="9">
    <para> Zie bewijsmiddel 7 (verklaring [betrokkene 7], CS Factoring B.V.).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5a86bb0b-ff35-4a90-a38a-738544f14198" label="10">
    <para> Zie bewijsmiddel 18 (verklaring [betrokkene 6], CreditPay B.V.), en bewijsmiddel 17 (verklaring verdachte).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e52e086f-991b-47b8-9976-173ed7c0f6f8" label="11">
    <para> Zie bewijsmiddel 18 (verklaring [betrokkene 6], CreditPay B.V.).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_53815c72-25e2-4082-ad0c-a9ff8edba64f" label="12">
    <para> Zie bewijsmiddel 18 (verklaring [betrokkene 6], CreditPay B.V.).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b53f28cf-0f6b-4480-8b48-5372856a4967" label="13">
    <para> Zie bewijsmiddel 19 (verklaring [betrokkene 8], [bedrijf 4] B.V.).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8b6a7d06-4da2-470a-87a2-b2bab9af87aa" label="14">
    <para> Zie bewijsmiddelen 7 en 18, bewijsmiddel 1 en 2 (verklaringen verdachte) en bewijsmiddel 17 (verklaring verdachte).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e07f94f6-d7d7-4fe6-a3fa-ab5bc5dc3a87" label="15">
    <para> HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1990/256; HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8306, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2005/471; HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4091; HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9110, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2010/411; HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620; HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:32, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2014/187 m.nt. Keijzer; HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:859, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2014/473; HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1771; HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2076, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2016/424; HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2638, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2017/415; HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1259, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2021/315; HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:853. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6939e83e-eadf-4d71-bdc5-778d92a21c9c" label="16">
    <para> J.M. van Bemmelen &amp; W.F.C. van Hattum, <emphasis role="italic">Hand- en leerboek van het Nederlandse strafrecht (II)</emphasis>, Den Haag/Arnhem: Martinus Nijhof 1954, p. 280. Zie ook Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), <emphasis role="italic">Het Wetboek van Stafrecht</emphasis>, art. 321 Sr, aant. 1.1. (bewerkt door E.J. Hofstee; bijgewerkt tot 9 oktober 2019).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_768ba081-39e0-4cc4-9cd8-795e00415e7d" label="17">
    <para> Voor een meer doorwrochte exegese verwijs ik graag naar de beschouwingen van Hofstee in zijn conclusie van 2 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:171, vóór HR 6 april 2021: ECLI:NL:HR:2021:492 (HR: 81 RO), en zijn conclusie van 18 april 2023, ECLI:NL:PHR:2023:416, vóór HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:853 (cassatie).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_444e29db-e04d-4000-8a1a-6828c7deb032" label="18">
    <para> Conclusie van 13 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:370. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bd4ac949-cc23-4acb-9158-964ef84988b9" label="19">
    <para> Het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ heeft in de opvatting van de Hoge Raad hier in ieder geval de betekenis van ‘zonder daartoe gerechtigd te zijn’, hetgeen doorgaans kan worden aangenomen wanneer zonder toestemming van de rechthebbende dan wel in strijd met (de aard van) het recht wordt gehandeld.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7258cdec-b4cc-4c16-9dc0-dc6d1434affc" label="20">
    <para> Zie ook Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), <emphasis role="italic">Het Wetboek van Stafrecht</emphasis>, art. 321 Sr, aant. 1.2. (bewerkt door E.J. Hofstee; bijgewerkt tot 9 oktober 2019). Zie de conclusie van Vegter vóór HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:121.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f9a29ebd-af0d-4b71-b573-82e08cce180f" label="21">
    <para> HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620: “<emphasis role="italic">Van een zodanig beschikken kan - afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval - onder meer sprake zijn indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt.</emphasis>”; HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:859, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2014/473.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1ab1a63f-42fe-46bb-9c12-d7d7d56ddea0" label="22">
    <para> HR 23 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3888, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2007/84; HR 24 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5189, en HR 30 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1771.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>