<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2024:1101</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-11T10:20:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2024-10-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/02169</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:1101">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:1101</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-24T10:15:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2024:1101 Parket bij de Hoge Raad , 22-10-2024 / 22/02169</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2024:1101:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Jaddoe. Middel 1) UOS-klacht m.b.t. betrouwbaarheid herkenning verdachte op camerabeelden door twee verbalisanten. Middel 2) klacht over strafmotivering. M3) klacht over inzendtermijn. Middelen 1 en 2 falen, middel 3 slaagt. Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatiefase. Conclusie strekt ertoe de duur van de opgelegde gevangenisstraf te verminderen naar de gebruikelijke maatstaf en het cassatieberoep voor het overige te verwerpen (art. 81 RO). Samenhang met 22/02170P en 22/02007 (Peek).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2024:1101:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Nummer22/02169 </title>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	22 oktober 2024</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.C. Aben</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,</para>
      <para>hierna: de verdachte</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. De verdachte is – na een integrale vrijspraak in eerste aanleg – bij arrest van 1 juni 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens <emphasis role="italic">“diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd</emphasis>” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest. </para>
    <para />
    <para>2. Er bestaat samenhang met de zaken 22/02170 P en 22/02007 (peek). In de met deze strafzaak samenhangende ontnemingszaak (de genoemde zaak 22/02170 P) zal ik vandaag ook concluderen.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De middelen </title>
    <para />
    <para>3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. F.S. Baardman en M.J. Lamers, beiden advocaat in Utrecht, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld. </para>
    <para />
    <para>4. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de herkenning van de verdachte op de camerabeelden onbetrouwbaar is. Het tweede middel komt op tegen de strafmotivering. Het derde middel klaagt over een overschrijding van de redelijke termijn.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inzake het eerste middel: de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen </title>
    <para />
    <para>5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“zij in de periode van 07 maart 2018 tot en met 12 maart 2018 te [plaats ] tezamen en in vereniging met een of meer anderen meermalen geldbedragen, die aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorden, te weten aan [aangever] heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) die weg te nemen goederen onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van pinpassen tot het gebruik waartoe zij, verdachte (n) niet gerechtigd was/waren.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 18 maart 2018 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2018081764-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (genummerde bladzijden 6 t/m 11, incl. bijlage 1): </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">als de op 18 maart 2018 afgelegde verklaring van </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">
          [aangever]
        </emphasis>
        <emphasis role="italic">, geboren op [geboortedatum] 1929: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik doe aangifte van diefstal middels babbeltruc waarbij 2 bankpassen werden weggenomen en daarmee werd 15.005,- euro opgenomen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik ben houder van twee rekeningen bij de ABN AMRO te weten [001] en [002] . </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik woon alleen aan de [a-straat 1] te [plaats ] en ik ben 89 jaar oud. Ik loop met een rollator. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 7 maart 2018 omstreeks 11.00 stonden er 2 voor mij onbekende vrouwen aan mijn deur. Ik liet de vrouwen mijn woning binnen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De vrouwen vertelden mij dat ze van de thuiszorg waren en mij geprobeerd hadden te bellen. De vrouwen vertelden mij dat ze hadden gezien dat ik gevallen was en ze kwamen kijken of alles in orde was. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik zal de vrouwen in mijn verdere verklaring dader 1 en dader 2 noemen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dader 1 liep met mij de woonkamer in en ging met mij op de bank zitten. Dader 1 sloeg haar arm om mij heen en noemde mij lieverd. Ik zag dader 2 niet meer en vroeg aan dader 1 waar dader 2 gebleven was. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dader 1 vertelde mij dat dader 2 op het toilet was omdat zij blaasontsteking had. Ongeveer een kwartier later kwam dader 2 de woonkamer in en zei iets tegen dader 1. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ineens stond dader 1 op en verlieten zij beiden haastig mijn woning. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik vermoedde niets en heb geen actie ondernomen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik was er van overtuigd dat de twee vrouwen van thuiszorg waren.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De volgende dag werd ik gebeld door een persoon die zich bekend maakte als medewerker van de ABN Amro. De persoon aan de telefoon vertelde mij dat ik nieuwe bankpassen zou krijgen en dat ze mijn pincode nodig hadden. Doordat ik in de veronderstelling was dat ik daadwerkelijk een medewerker van de ABN AMRO aan de telefoon had, heb ik de pincode van mijn lopende rekening en van mijn spaarpas gegeven. Op 13 maart werd ik gebeld door een medewerker van de ABN AMRO. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De medewerker van de ABN AMRO vertelde mij dat ze het vreemd vond dat er zoveel geld van mijn spaarrekening was opgenomen en dat ik langs moest komen bij de bank. Ik ben toen in mijn linnenkast gaan kijken in mijn slaapkamer waar mijn bankpassen liggen. Ik zag dat mijn bankpassen weggenomen waren. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 15 maart ontving ik mijn afschriften van de ABN AMRO en zag ik allerlei bedragen die opgenomen waren. Ik heb die bedragen niet zelf opgenomen noch iemand daar toestemming voor gegeven. Ik ben diezelfde dag met mijn kleindochter en schoondochter naar de ABN AMRO gegaan. Daar vertelde men mij dat er een totaalbedrag van 15.005,- was opgenomen zonder mijn toestemming. Mocht ten onrechte en valselijk gebruik gemaakt worden van het ontvreemde, dan geef ik bij deze geen toestemming voor wederrechtelijk gebruik. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 november 2018 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2018081764-21. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (genummerde bladzijden 18 t/m 20): </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">als relaas van de opsporingsambtenaar </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">
          [verbalisant 1]
        </emphasis>
        <emphasis role="italic">: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik stelde een onderzoek in naar het beschikbare beeldmateriaal van de geldopnames, die zijn gedaan van de rekeningen van het slachtoffer [aangever] , in de periode van 8 maart 2018 tot en met 12 maart 2018 door drie vrouwelijke verdachten. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij de Abn Amro bank werden de beelden gevorderd aan de hand van het overzicht van geldopnames, die door de bank werd geregistreerd. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij een aantal van deze opnames waren camera's aanwezig en werd hiervan het beeld vastgelegd van de betreffende personen, die de opnames hebben gedaan. Ik deed onderzoek naar deze verdachten, het signalement en samenstelling. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 8 maart 2018 omstreeks 13.21 uur, vonden er twee geldopnames plaats aan de [b-straat 1] te [plaats ] , met iedere weggenomen pas, [pas 1] en [pas 2] , werd ieder € 500,- opgenomen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik zag dat op 8 maart 2018 om 13.20 uur, twee vrouwen in beeld verschijnen waarvan één vrouw bij de pinautomaat gaat staan en de andere vrouw staat op enige afstand achter deze vrouw. Ik zag dat de vrouw die achter de pinnende vrouw staat, een vrouw betreft met een lichte huidskleur, stevig postuur en gekleed in een legergroen, gewatteerd kort jack, hieronder een lange zwarte trui of vest, donkere broer, zwarte halfhoge schoenen of laarsjes, zwarte handschoenen, en een witte sjaal met hierop een patroon van zwarte blokjes en strepen en een gebreide, zwart-wit gestreepte muts met zwarte pompon. In dit verdere proces-verbaal wordt zij verdachte 1 genoemd. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik zag dat de vrouw die direct als eerste pinde, een vrouw betreft met een lichte huidskleur, gekleed in een zwart winterjack met lichtkleurige bontkraag, zwarte broek, een strak gebreide, lichtkleurige muts met hierop een bloemapplicatie en donkere sportschoenen met hierop een lichte streep. In dit verdere proces-verbaal wordt zij verdachte 2 genoemd. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik zag dat beide vrouwen hun sjaal over het onderste gedeelte van het gezicht hielden en ik zag dat verdachte 2 meerdere malen de sjaal voor haar gezicht duwde. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik zag dat 8 maart 2018 om 13.21 uur een wissel plaatsvindt tussen beide vrouwen, verdachte 2 loopt bij de pinautomaat vandaan, waarna verdachte 1 naar de pinautomaat loopt en hier handelingen verricht. Ik zag dat op 8 maart 2018 om 13.22 uur beide vrouwen uit het beeld lopen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 9 maart 2018 omstreeks 00:12 uur, vonden er twee geldopnames plaats aan de [c-staat 1] te [plaats ] , met iedere weggenomen pas, [pas 1] en [pas 2] , werd ieder € 500,- opgenomen. Ik zag dat op 9 maart 2018 om 00.12 uur, drie vrouwen in beeld verschijnen, ik herken hierbij direct verdachte 1 en verdachte 2. Ik zie dat verdachte 1 op dezelfde manier is gekleed echter draagt zij nu een zwarte halflange, gewatteerde jas met bontkraag en heeft zij een bruine/lichte schoudertas, die zij schuin over haar jas draagt. Ik zag dat verdachte 3 met haar rug naar de pinautomaten staat en de gehele tijd om zich heen kijkt, terwijl verdachte 1 en verdachte 2 bij de pinautomaten handelingen verrichten. Ik zag dat op 00.13 uur verdachte 3 aan verdachte 1 en verdachte 2 een 'high five’ gaf, waarna zij allen kort daarna uit het beeld lopen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 10 maart 2018 omstreeks 00.30 uur, vonden er twee geldopnames plaats aan het [d-straat 1] te [plaats ] , met iedere weggenomen pas, [pas 1] en [pas 2] , werd ieder € 500,- opgenomen. Ik zag dat op 10 maart 2018 om 00.30 uur, verdachte 1 en verdachte 2 in beeld lopen en ieder direct naar een geldautomaat lopen en beiden hier, handelingen verrichten. Ik zag dat zij in dezelfde kleding zijn gekleed als op 9 maart 2018. Ik zag dat op zaterdag 10 maart om 00.31 uur, beide uit het beeld lopen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 11 maart 2018 omstreeks 11.00 uur, vonden er twee geldopnames plaats aan de [e-straat 1] te [plaats ] , met iedere weggenomen pas, [pas 1] en [pas 2] , werd ieder € 500,- opgenomen. Ik zag dat op 11 maart 2018 om 10.59 uur, verdachte 1, verdachte 2 en verdachte 3 in beeld lopen en loopt verdachte 2 direct naar de geldautomaat en hier handelingen gaat verrichten. Ik zag dat verdachte 1 dezelfde kleding draagt en een zwarte paraplu uitgeklapt vasthoudt, verdachte 2 dezelfde kleding en muts draagt en verdachte 3 is gekleed in een lichtkleurige joggingspak. Ik zag dat bij verdachte 1 de sjaal lager gedragen wordt en een groot deel van haar gezicht zichtbaar is. Ik herken direct verdachte 1 als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] . Ik herken haar aan de vorm van haar gezicht, ogen, oogopslag, neus en postuur. Ik zag dat verdachte 2 alle handelingen bij de geldautomaat verricht en dat alle verdachten op 11 maart 2018 om 11.01 uur uit het beeld weglopen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 12 maart 2018 omstreeks 00.23 uur, vonden er drie geldopnames plaats aan de [c-staat 1] te [plaats ] , met iedere weggenomen pas werd ieder € 500,- opgenomen, met [pas 1] direct € 500,- en met [pas 2] om 00.23 uur een bedrag van € 100,- en om 00.24 uur een bedrag van € 400,-. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik zag dat op 12 maart 2018 omstreeks 00.23 uur, verdachte 1, verdachte 2 en verdachte 3 in beeld lopen en gaan verdachte 1 en verdachte 2 direct naar de twee aanwezige geldautomaten en plegen hier handelingen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 12 maart 2018 om 00.23 uur, lopen verdachte 1 en verdachte 2 bij de geldautomaat weg en gaat direct verdachte 1 naar de geldautomaat waar eerder verdachte 2 stond. Ik zag dat de verdachte 1 met een hand haar sjaal voor haar gezicht houdt en dat verdachte 2 bij haar komt staan en beide naar de geldautomaat kijken. Kort hierna, zag ik dat verdachte 2 en verdachte 3 uit het beeld wegloopt en dat verdachte 1 beide achterna loopt. Ik zag dat alle verdachten bij alle handelingen trachten hun gezicht te bedekken door de sjaal over de onderste helft van het gezicht te dragen en hun mutsen tot net boven de ogen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zij handelen grotendeels in de dezelfde samenstelling op een zelfde wijze en zijn op dezelfde wijze gekleed en herkenbaar als dezelfde verdachten, die de geldopnames doen van de bankrekening van het slachtoffer, waarbij ik verdachte 1 kan aanmerken als verdachte [verdachte] . </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 november 2018 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL1700-20180817 6 4-18. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (genummerde bladzijden 28 en 29, incl. fotobijlage): </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">als relaas van de opsporingsambtenaren </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">
          [verbalisant 1] en [verbalisant 2]</emphasis>
        <emphasis role="italic">: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 6 november 2018 hoorden wij verdachte [verdachte] , [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] . Wij herkenden de verdachte direct als de verdachte die op het beeldmateriaal is afgedeeld als de vrouw, die meerdere pin opnames doet vanaf de bankrekening van het Slachtoffer [hof: [aangever] ]. Het betreft de vrouw, voorzien van de wollen, gestreepte muts met zwarte pompon, witte sjaal en zwart jack. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wij herkenden [verdachte] duidelijk aan haar ogen en oogopslag, vorm van haar gezicht en neus. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik, eerste verbalisant, herkende met name de verdachte op de afbeelding, waarbij er een pin opname op 11 maart 2018, wordt gedaan aan de [e-straat 1] te [plaats ] . Op dit beeld is een groot gedeelte van het gezicht zichtbaar en herken ik haar aan de vorm van haar gezicht en haar oogopslag. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik, tweede verbalisant, herkende met name de verdachte op de afbeelding, waarbij er een pin opname op 10 maart 2018, wordt gedaan aan het [d-straat 1] te [plaats ] . Op dit beeld is een groot gedeelte van het gezicht zichtbaar en herken ik haar aan de vorm van haar neus, haar neusgaten, ogen en oogopslag. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 november 2018 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL.1700-20180817 64-23. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (genummerde bladzijden 30 t/m 34, incl. fotobladen): </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">als relaas van de opsporingsambtenaar </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">
          [verbalisant 3]
        </emphasis>
        <emphasis role="italic">: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 6 november 2018 ontving ik van politieambtenaar [verbalisant 1] een drietal foto's. Deze foto's zijn als bijlage toegevoegd aan dit proces-verbaal. Ik herkende op foto 1, 2 en 3 de vrouw met de witte muts en zwarte sjaal als [medeverdachte] . Ik ken [medeverdachte] ambtshalve. Ik heb haar op 27 augustus 2018 buiten heterdaad aangehouden voor twee zaken. Zij was in deze twee zaken verdacht van het pinnen met gesloten pinpassen, deze waren gestolen door middel van babbeltrucs. Ik heb haar over deze twee zaken in de daaropvolgende dagen in totaal drie keer verhoord. Op foto 2 herken ik haar aan de vorm van haar neus en neusgaten. In samenhang met de wenkbrauwen, bolle wangen en gehele oogopslag herken ik deze vrouw als [medeverdachte] . Daarnaast valt mij op foto 1 de vorm van de ogen op, deze zijn enigszins smal en amandelvormig. In samenhang met de donkere kleur van de ogen, herken ik hierin de ogen [medeverdachte] . Zie foto 4 voor de foto van de ID staat die ik van [medeverdachte] heb gemaakt op 27 augustus 2018. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Persoonsgegevens : [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] . </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 januari 2019 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2018081764-36. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (genummerde bladzijde 51): </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">als relaas van de opsporingsambtenaar </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">
          [verbalisant 1]
        </emphasis>
        <emphasis role="italic">: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik stelde een onderzoek in naar het beschikbare beeldmateriaal van de geldopnames, die door de bank werd geregistreerd. Bij een aantal van deze geldopnames waren camera’s aanwezig en werd hiervan het beeld vastgelegd van de betreffende personen, die de opnames uitvoerden. Ik deed onderzoek naar de verdachten, die met de weggenomen bankpassen van aangeefster [aangever] geldopnames deden vanaf haar bankrekening. Op het beeld bestaande uit scherp, bewegend beeldmateriaal waren drie vrouwen aanwezig, waarvan twee daadwerkelijk de geldopnames deden en de derde kennelijk op de uitkijk stond. Op de camerabeelden is te zien dat de vrouwen proberen hun gezicht af te schermen, middels een muts en sjaal echter op momenten is zichtbaar dat de sjaal naar beneden zakt of dat de muts iets hoger op het gezicht wordt gedragen waardoor een groter deel van het gezicht zichtbaar wordt. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De bevindingen van de camerabeelden werden vastgelegd in proces-verbaal 2018081764 21. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 14 januari 2019, werd verdachte [medeverdachte] ; geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] aangehouden. Op 14 januari 2019 en 15 januari 2019, hoorde ik genoemde verdachte. Ik herkende verdachte [medeverdachte] , direct als één van de vrouwen op de bovengenoemde camerabeelden. Ik zag dat [medeverdachte] , de vrouw betreft die verdachte 2 wordt genoemd en op beeld gekleed is, in het zwarte winterjack met bontkraag en de gebreide, lichtkleurige muts met bloemapplicatie. Ik herkende de verdachte met name aan haar donkere ogen en de blik in haar ogen en manier waarop zij kijkt, de vorm van haar neus, neusgaten, vorm van haar gezicht en wangen en postuur.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verdachte: [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] .”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inzake het eerste middel: het standpunt van de verdediging </title>
    <para />
    <para>7. Blijkens de zich in het dossier bevindende pleitnota heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 mei 2022, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende betrouwbaarheidsverweer gevoerd:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Kernvraag: hoe betrouwbaar is de herkenning van de buurman – waarna de verbalisanten uiteindelijk de persoon die zij voor zich hebben vergelijken met beeldmateriaal (stil/bewegend) en een herkenningspv opmaken. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Manier van totstandkoming heeft – om nader te noemen redenen – invloed op betrouwbaarheid en daarmee bewijswaarde van de herkenningen. De op deze manier tot stand gekomen herkenningen, kunnen naar het idee van de verdediging niet tot bewijs worden gebruikt, in ieder geval niet in overtuigende mate.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Herkenning aan de hand van afbeeldingen, Zie o.a.: Rb Amsterdam ECLI:NL:RBAMS:2021:1048 (mede o.b.v. HR/conclusie AG, ECLI:NL:PHR:2019:1315). </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. <emphasis role="italic">Kwaliteit afbeeldingen of bewegende beelden en hoe goed daarop persoonskenmerken zichtbaar zijn. Hoewel herkenning holistisch kan, moet wel sprake zijn van zichtbare, voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken. </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">In casu: gezicht overwegend half in beeld, wazig/schaduw door muts/paraplu. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Verbalisanten: verschillend, maar slechts algemeen oogopslag /neus/ ogen/ vorm gezicht: niet persoonsonderscheidend (heeft iedereen). </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. <emphasis role="italic">Relatie herkenner/herkende: mate bekendheid met waargenomen persoon: Hoe goed kent degene/verbalisant meestal die de persoon zegt te herkennen de persoon. </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>- <emphasis role="italic">Verbalisanten: geen ambtshalve herkenningen; enkel van verhoor;, vergelijken van foto’s, niet intensief, frequent contact.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. <emphasis role="italic">Overige factoren: feiten en omstandigheden die een herkenning zouden kunnen falsificeren en onbetrouwbaar maken, waaronder verwachtingen: cliënte aangehouden, uiterlijke kenmerken vergelijken. Objectieve herkenners? </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Verbalisanten: weten wie ze (zouden kunnen/moeten) herkennen/de zaak daarmee mogelijk rond kunnen maken, niet objectief genoeg om als voldoende betrouwbaar voor bewijs te gebruiken. In ieder geval suggestief; situatie waarin verbalisanten een zaak willen oplossen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">i. Betekent niet dat ‘verbalisant werk als politieagent dan niet goed doet’ (zie verhoor p. 83; menselijk brein/menselijke herkenning niet feilloos. Niet uit te sluiten dat herkenningscapaciteit loopje met je neemt, dat je iets inziet wat wel lijkt, maar niet 100% zeker hoeft te zijn. Zelfde als vergelijking door PR van cliënte in persoon met foto’s, PR niet tot herkenning gekomen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. <emphasis role="italic">Herkenning die steun vindt in meer objectieve bewijsmiddelen wint aan waarde: geen sprake van. P. 52: huisdoorzoeking: gezocht naar bankpassen; zwart/wit muts, zwart gewatteerde winterjas met lichtkleurige bontkraag; witte sjaal donkergrijze/zwarte strepen/blokjes; niks aangetroffen. </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Cliënte heeft van meet af aan aangegeven dat ze mogelijk op persoon lijkt maar niet die persoon is, PR ook gelijkenis vastgesteld, maar onvoldoende om met zekerheid betrokkenheid vast te stellen. Het eventueel vertonen van gelijkenis is onvoldoende. Bovendien kan de constatering dat de medeverdachte een nicht is van cliënte en dat zij eerder samen staande zijn gehouden, voorts niet tot bewijswaarde leiden in deze zaak. Een van de twee herkenning zou nog niet maken dat dus beide betrokken zijn.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Primair standpunt: De politierechter heeft terecht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aangenomen. Verzoek vonnis en daarmee de vrijspraak te bekrachtigen.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Inzake het eerste middel: de bewijsmotivering </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Het hof heeft het verweer met de volgende motivering verworpen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Anders dan door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar overgelegde pleitnotities is betoogd, zijn de herkenningen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] door betrokken zoals gerelateerd in de door hen opgemaakte processen-verbaal van bevindingen naar het oordeel van het hof als betrouwbaar aan te merken, nu het beeldmateriaal waarop zij zijn herkend – zo heeft het hof aan de hand van de tot de gedingstukken behorende ‘stills’, alsmede de bewegende beelden waar die ‘stills’ van zijn gemaakt, vastgesteld – van zodanige voldoende kwaliteit is dat daarop een aantal uiterlijke kenmerken van de verdachten kunnen worden waargenomen, gelijk de verbalisanten blijkens die processen-verbaal van bevindingen hebben gedaan, waarbij die specifieke kenmerken ook zijn omschreven. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die herkenningen. Daarbij betrekt het hof dat die herkenning van de verdachte en de medeverdachte door deze verbalisanten aan de hand van het genoemde beeldmateriaal het resultaat is geweest van een holistisch proces, dat wil zeggen: op basis van een tijdens eerdere verhoorsituaties in het geheugen van de verbalisanten opgeslagen beeld van de verdachten, welk beeld blijkens de genoemde processen-verbaal van bevindingen als voorinformatie werd bevestigd door de waarnemingen op het beeldmateriaal. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voorts overweegt het hof dat de herkenningen door de verbalisanten aan de omschreven uiterlijke kenmerken worden versterkt doordat de verdachte en de medeverdachte bij de onderscheiden geldopnames (deels) dezelfde kleding droegen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dat zou sprake is geweest van onderlinge beïnvloeding van de betrokken verbalisanten als gevolg waarvan aan door hen gedane waarnemingen of herkenningen getwijfeld moet worden, acht het hof niet aannemelijk geworden. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Slotsom is dat het hof naar aanleiding van het onderzoek ter zitting geen reden ziet de inhoud van genoemde processen-verbaal van bevindingen en daarmee de herkenning van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] in twijfel te trekken.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bespreking van het eerste middel </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Een nadere omschrijving van het middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan een aantal argumenten van de verdediging voor de stelling dat de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten onvoldoende betrouwbaar zijn. Daardoor is de motivering die het hof ten grondslag heeft gelegd aan de verwerping van het bewijsverweer onvolledig en/of onbegrijpelijk, aldus de stellers van het middel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van het hof</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Het hof heeft het verweer dat de herkenningen van de verdachte op het beeldmateriaal van de geldopnames niet betrouwbaar zijn, gemotiveerd verworpen. Het hof heeft in dat verband – nadat het (voorafgaand aan de zitting) kennis had genomen van de bewegende beelden en de stills in het dossier – vastgesteld dat de bedoelde beelden van zodanig voldoende kwaliteit zijn dat daarop een aantal uiterlijke kenmerken van de verdachten kunnen worden waargenomen, gelijk de verbalisanten hebben omschreven. Het hof heeft verder in zijn oordeel betrokken dat de herkenningen het resultaat zijn geweest van een ´holistisch proces´: op basis van een tijdens eerdere verhoorsituaties in het geheugen van de verbalisanten opgeslagen beeld van de verdachten, welk beeld als voorinformatie werd bevestigd door de waarnemingen op het beeldmateriaal. Het hof heeft tot slot overwogen dat de herkenningen aan de omschreven uiterlijke kenmerken worden versterkt doordat de verdachte, respectievelijk de medeverdachte bij de onderscheiden geldopnames (deels) ieder dezelfde kleding droegen. Op grond van het voorgaande heeft het hof geoordeeld dat het geen reden ziet om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenningen van de verdachte en de medeverdachte door de verbalisanten, en dat het deze voor het bewijs kan gebruiken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De beoordeling van het eerste middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Het hof heeft met de hiervoor samengevatte overwegingen in het bijzonder de redenen opgegeven waarom het is afgeweken van het standpunt van de verdediging. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden, nu de motiveringsplicht van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.<footnote-ref linkend="_ab98b157-441c-4a52-a17f-79fd2a993ed5" /></para>
    <para />
    <para>12. Dat oordeel is bovendien, mede gelet op hetgeen de verdediging daarover ten overstaan van het hof heeft aangevoerd, niet onbegrijpelijk.<footnote-ref linkend="_24b2301f-212c-49e5-a091-fa8f8b4f28db" /> Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat uit de bewijsmotivering volgt dat het hof het beeldmateriaal zelfstandig heeft bestudeerd en op basis daarvan heeft vastgesteld dat de beelden van voldoende kwaliteit zijn om onderscheidende uiterlijke persoonskenmerken te kunnen waarnemen. Bovendien heeft het hof in aanmerking kunnen nemen dat door twee verbalisanten – afzonderlijk van elkaar – is beschreven aan welke uiterlijke gezichts- en lichaamskenmerken zij de door hen verhoorde verdachte op het beeldmateriaal van pintransacties hebben herkend.<footnote-ref linkend="_2d1e3e46-0ac3-434b-ae11-8ec21f2d1f52" /></para>
    <para />
    <para>13. Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het tweede middel </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>14. Het middel klaagt over de strafmotivering, in het bijzonder wordt aangevoerd dat de strafoplegging mede is gebaseerd op een ander strafbaar feit dan het feit dat bewezen is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Inzake het tweede middel: de strafmotivering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>15. Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd (onderstrepingen mijnerzijds): </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft met haar mededader(s) een destijds 89-jarige vrouw bestolen van een geldbedrag van € 15.005,00 door middel van een 'babbeltruc'. Daarbij is misbruik gemaakt van de hoge leeftijd van het kwetsbare slachtoffer. </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">Het slachtoffer nam aan dat zij twee medewerksters van een thuiszorgorganisatie in haar woning binnenliet die – misbruik makend van het vertrouwen dat het slachtoffer in hen stelde – echter haar pinpassen wegnamen.</emphasis>
        <emphasis role="italic"> Daags na de diefstal van de pinpassen werd het hoogbejaarde slachtoffer gebeld door een persoon die zich voordeed als medewerker van de ABN Amro bank, die haar mededeelde dat zij nieuwe bankpassen toegestuurd zou krijgen en dat zij haar pincodes moest afgeven, hetgeen het slachtoffer heeft gedaan. Een aantal dagen later bleek dat door de verdachte en haar mededader(s)een totaalbedrag van € 15.005,00, was opgenomen van haar bankrekeningen via meerdere PIN-opnames met behulp van de gestolen bankpassen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dit zijn ernstige, van lafhartigheid en doortrapt handelen getuigende, vermogensmisdrijven, waarvan </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">een kwetsbaar slachtoffer, dat in haar eigen woning – waar zij zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen – door de verdachte en/of haar mededaders werd misleid en beroofd, de dupe is geworden. Aldus hebben de verdachte en haar mededader(s) het slachtoffer niet alleen bestolen van een groot geldbedrag maar haar ook in haar persoonlijke levenssfeer aangetast. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met een vrijheidsbenemende straf. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2022, waaruit blijkt dat zij eerder – zij het in het verdere verleden – onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een vermogensmisdrijf. (…)”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Een nadere omschrijving van het tweede middel</title>
    <para />
    <para>16. Het middel strekt, blijkens de toelichting daarop, in de kern ten betoge dat de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en onverenigbaar is met de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM, nu het hof daarin ook heeft betrokken het<emphasis role="italic"> feitelijke wegnemen</emphasis> van de passen uit de woning van de aangeefster, alsmede de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgevonden, terwijl enkel ten laste is gelegd en bewezen verklaard het <emphasis role="italic">gebruik</emphasis> van de passen om de geldbedragen van de bankrekening af te halen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het juridisch kader: bij de straftoemeting rekening houden met niet ten laste gelegde feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>17. Volgens vaste rechtspraak staat het de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet ten laste gelegd feit: </para>
    <parablock>
      <para>(a) 	wanneer het gaat om een ad informandum gevoegd feit en op grond van de door de verdachte ten overstaan van de rechter die de straf oplegt gedane erkenning aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en ervan mag worden uitgegaan dat het Openbaar Ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen, of </para>
      <para>(b) 	wanneer dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezen verklaarde is begaan, dan wel </para>
      <para>(c) 	wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.<footnote-ref linkend="_b329a30d-e80b-440a-a418-be551d7ff965" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para>18. Het (thans relevante) geval onder b betreft wat ik noem ‘contextdelicten’.<footnote-ref linkend="_74898819-9074-48f6-b67d-1420ece23f28" /> Dat zijn delicten die het bewezen verklaarde ‘inkleuren’ c.q. van enige context voorzien.<footnote-ref linkend="_c5af131a-8519-4eef-925c-191881345afb" /> Als een mishandeling werd vergezeld van dreigementen en beledigingen die niet separaat ten laste zijn gelegd, mag de rechter met die dreigementen en beledigingen rekening houden bij de straftoemeting voor de mishandeling. Bij het bepalen van straf voor oplichting mag de rechter ook in aanmerking nemen dat die oplichting heeft plaatsgehad met behulp van een vals geschrift.<footnote-ref linkend="_134c97ac-be6e-49d3-9578-88db558a9984" /> Datzelfde geldt voor een strafverzwarende omstandigheid die toevallig niet in de tenlastelegging is opgenomen,<footnote-ref linkend="_f70ee07d-446f-455c-b24d-00f8c684b341" /> zoals de vernieling van een raamkozijn bij een inbraak of de omstandigheid dat een doodslag is begaan met het oogmerk om een beroving gemakkelijk te maken. </para>
    <para />
    <para>19. Dat de rechter bij de strafoplegging – bij wijze van ‘omstandigheid waaronder het bewezen verklaarde delict is begaan’ – in strafverzwarende zin rekening kan houden met een ander, zelfstandig delict dat naar zijn aard, alsmede in tijd en plaats nauw samenhangt met het bewezen verklaarde delict, is op zichzelf beschouwd haast een vanzelfsprekendheid.<footnote-ref linkend="_97fbcd9d-759b-4c27-b69c-8c8311855268" /> Dat is met name omdat de rechter bij een veroordeling voor hetgeen bewezen is verklaard een straf pleegt op te leggen voor het gehele, ‘materiële’ delict. Daarbij neemt de rechter in de regel tevens de aanloop naar, alsmede de toedracht en de gevolgen van het bewezen verklaarde in aanmerking. Zodoende slaat de rechter bij de straftoemeting acht op (aanzienlijk) méér feiten en omstandigheden dan die in de bewezenverklaring zijn omschreven.<footnote-ref linkend="_a058f063-c6ae-4889-a974-610e7650d356" /></para>
    <para />
    <para>20. Hiermee correspondeert de rechtsbescherming die artikel 68 Sr en de beginselen van een behoorlijke procesorde de veroordeelde bieden. Ook die reiken verder dan alleen de feitomschrijving in de tenlastelegging en de kwalificatie van het bewezen verklaarde. Wanneer de rechter in de strafmotivering melding maakt van een contextdelict en ervan kan worden uitgegaan dat die als omstandigheid in strafverzwarende zin in de strafoplegging is betrokken,<footnote-ref linkend="_2be9ad93-9468-4461-a1a6-73264e71adb8" /> zal een separate vervolging voor dat contextdelict daarna al snel afstuiten op het beschermingsbereik van artikel 68 Sr en de beginselen van een behoorlijke procesorde.</para>
    <para />
    <para>21. Een kwestie is nog wel de bewijsmaatstaf die de rechter in zulke gevallen heeft aan te leggen voor de vragen (i) of het contextdelict daadwerkelijk is begaan, (ii) of de verdachte hierbij als dader of deelnemer strafrechtelijk is betrokken, en (iii) of dit delict naar zijn aard, alsmede in tijd en plaats zodanig nauw samenhangt met het bewezen verklaarde delict dat het kan worden aangemerkt als ‘een omstandigheid waaronder het bewezen verklaarde delict is begaan’. De Hoge Raad verlangt dat het onder (iii) bedoelde verband tussen het bewezen verklaarde delict en het andere delict (het contextdelict) uit het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid.<footnote-ref linkend="_58fbabbc-543f-4a4b-9dc1-4e73367bbe6c" /> Datzelfde geldt m.i. voor de vraag (i) of het contextdelict als zodanig is begaan en de vraag (ii) of de verdachte daarbij als dader of deelnemer strafrechtelijk is betrokken. Het gaat hier zoals gezegd <emphasis role="italic">niet</emphasis> om een ten laste gelegd delict; met contextdelicten wordt (bij de straftoemeting) niet anders rekening gehouden dan bij wijze van ‘omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan’. De voor de straftoemeting relevante omstandigheden behoeven (dus) niet met behulp van bewijsmiddelen wettig en overtuigend te worden bewezen; zij moeten op grond van ‘het verhandelde ter terechtzitting’<footnote-ref linkend="_2bcd4846-ded1-4ebc-a191-4e6680bba503" /> ‘(voldoende) aannemelijk’ zijn geworden.<footnote-ref linkend="_faa60aa6-6e5b-41c5-aaf9-16629eda79ae" /> Niet is vereist dat de verdachte het begaan van het contextdelict en het nauwe verband met het ten laste gelegde delict heeft erkend.</para>
    <para />
    <para>22. Thans de onschuldpresumptie. Die bestrijkt in beginsel niet de oplegging van straf voor een ten laste gelegd delict waaraan de verdachte in een rechterlijke procedure (‘<emphasis role="italic">according to law</emphasis>’) schuldig is bevonden. Dat is mogelijk anders indien de rechter in de motivering van de straf voor het bewezen verklaarde delict uitlatingen doet die hebben te gelden als een (nieuwe) <emphasis role="italic">criminal charge</emphasis> in de autonome betekenis van artikel 6 lid 1 EVRM, bijvoorbeeld wanneer de rechter zich uitlaat over de schuld van de verdachte aan een concreet aangeduid <emphasis role="italic">ander</emphasis> (dan het bewezen verklaarde) delict en de rechter daaraan ook nog sancties verbindt.<footnote-ref linkend="_f9b34352-133d-48f7-b776-a262b0d7d60f" /></para>
    <para />
    <para>23. Het EHRM heeft zich tot op heden niet duidelijk uitgesproken over de condities waaronder rechterlijke uitlatingen over de schuld van een verdachte aan (wat ik) ‘contextdelicten’ (noem) als een <emphasis role="italic">new criminal charge</emphasis> moeten worden aangemerkt. Naar mijn inzicht komt het hierbij niet alleen aan op de vraag of de rechter de verdachte in de strafmotivering uitdrukkelijk schuldig houdt aan een concreet aangeduid contextdelict. De mate waarin het contextdelict – in strafverzwarende zin – aan de straftoemeting heeft bijgedragen is m.i. eveneens van belang. Wanneer de straftoemeting blijft binnen de wettelijke grenzen die worden gedicteerd door het bewezen verklaarde en gekwalificeerde delict, en het contextdelict bovendien – niet ‘vol’, maar – slechts in relatief geringe mate in strafverzwarende zin aan de strafmaat bijdraagt, doet zich een <emphasis role="italic">new criminal charge</emphasis> mijns inziens niet voor.<footnote-ref linkend="_5812ab83-eab6-4fd1-95a6-54d3a1aacd3c" /></para>
    <para />
    <para>24. Mocht de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM niettemin van toepassing (blijken te) zijn op uitlatingen die de rechter omtrent het begaan van ‘contextdelicten’ in het kader van de straftoemeting doet, dan leidt dit naar mijn inzicht tot een strengere invulling van de bewijsmaatstaf van ‘voldoende aannemelijkheid’ die de rechter dient aan te leggen voor de vraag of omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan in rechte zijn komen vast te staan.<footnote-ref linkend="_734749d1-e5a8-4d1f-9201-0a025fd3ab2a" /> De rechter mag in dat geval uitsluitend aannemen dat het contextdelict ‘voldoende aannemelijk’ is geworden indien op grond van het verhandelde ter terechtzitting buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte het contextdelict heeft begaan. Een dergelijke vaststelling hoeft m.i. niet uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen te kunnen worden afgeleid, maar de rechter zal zijn oordeel wél dienen te motiveren met een verwijzing naar feiten en omstandigheden die bij het verhandelde ter terechtzitting zijn gebleken. Uit de (thans veronderstelde) toepasselijkheid van artikel 6 lid 1 EVRM vloeit voort dat de verdachte bovendien de gelegenheid behoort te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom niet voldoende aannemelijk is dat het contextdelict door hem is begaan.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bespreking van het tweede middel</title>
    <para />
    <para>25. ’ ’s Hofs strafmotivering wijst uit dat het hof bij het bepalen van de straf onder meer in aanmerking heeft genomen dat de verdachte met haar mededader(s) een destijds 89-jarige vrouw heeft bestolen van geldbedragen door middel van een ‘babbeltruc’, dat twee personen (die doorgingen voor thuiszorgmedewerkers) twee pinpassen uit de woning van het slachtoffer hebben weggenomen, dat het slachtoffer daardoor niet alleen is beroofd, maar ook in haar persoonlijke levenssfeer is aangetast, en dat dit ernstig, van lafhartigheid en doortrapt handelen getuigende vermogensmisdrijven betreffen, waarvan een kwetsbaar slachtoffer de dupe is geworden. </para>
    <para />
    <para>26. Deze strafmaatoverwegingen van het hof vormen een nadere uitwerking van de door het hof in aanmerking genomen en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gebleken ‘omstandigheden waaronder de verdachte en haar mededader(s) zich aan het bewezen verklaarde hebben schuldig gemaakt’. In het licht van de onder de randnummer 17 tot en met 19 besproken rechtspraak heeft het hof deze omstandigheden m.i. bij de straftoemeting mogen betrekken. </para>
    <para />
    <para>27. Daartoe wijs ik op het volgende. In de eerste plaats heeft het hof kunnen oordelen dat de diefstal van de passen (op 7 maart 2018) naar zijn aard, alsmede in tijd en plaats nauw samenhangt met de bewezen verklaarde, meermalen gepleegde diefstal van geld door middel van valse sleutels in de periode van 8 tot en met 12 maart 2018. In de bewijsvoering ligt besloten dat het voor de verdachte en haar medeverdachte volstrekt duidelijk is geweest dat de pintransacties niet konden worden uitgevoerd zonder de daaraan voorafgaande diefstal van die passen en zonder het (telefonisch) ontfutselen van de pincodes van de twee passen. Het bewezen verklaarde is daarmee een vervolg op de diefstal van de passen uit de woning van de aangeefster.</para>
    <para />
    <para>28. In de tweede plaats merk ik op dat het hof ten aanzien van het wegnemen van de pinpassen uit de woning van de aangeefster spreekt over de verdachte “<emphasis role="italic">en/of</emphasis>” haar mededaders. Het hof heeft – anders dan de stellers van het middel naar voren brengen – dus niet vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk degene is geweest die de pinpassen uit de woning van de aangeefster heeft weggenomen. Bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel kon het hof uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen (en dus op grond van het verhandelde ter terechtzitting) oordelen dat voldoende aannemelijk is geworden dat de daders van de diefstal van de pinpassen uit de woning van de aangeefster moeten worden gezocht onder de daders van de meermalen gepleegde diefstal van (gepind) geld met behulp van diezelfde pinpassen. Daartoe wijs ik erop dat de pinpassen op 7 maart 2018 uit de woning zijn weggenomen, dat op 8 maart 2018 met de aangeefster is gebeld om haar de pincodes te ontfutselen en dat de reeks van pintransacties diezelfde dag een aanvang heeft genomen. </para>
    <para />
    <para>29. Op het voorgaande stuit het tweede middel af. Weliswaar wordt met het tweede middel ook in algemene zin geklaagd over de miskenning van de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM, maar zonder nadere toelichting op die klacht zie ik geen aanleiding voor meer of andere beschouwingen dan hierboven opgenomen onder de randnummers 22 tot en met 24. </para>
    <para />
    <para>30. Al met al is de opgelegde straf door het hof toereikend gemotiveerd, waardoor ook het tweede middel faalt. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het derde middel </title>
    <para />
    <para>31. Het derde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.</para>
    <para />
    <para>32. Namens de verdachte is op 14 juni 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 25 april 2023 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. </para>
    <para />
    <para>33. Verder merk ik ambtshalve op dat de termijn van twee jaren na het instellen van het cassatieberoep niet zal worden gehaald. De overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Slotsom</title>
    <para />
    <para>34. Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging. Het derde middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. </para>
    <para />
    <para>35. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.</para>
    <para />
    <para>36. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ab98b157-441c-4a52-a17f-79fd2a993ed5" label="1">
    <para>Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2006/393 m.nt. Buruma. </para>
    <para>De verwerping van een betrouwbaarheidsverweer kan in cassatie slechts beperkt, namelijk op zijn begrijpelijkheid, worden getoetst. Deze toets leidt zelden tot vernietiging en terugwijzing. Vgl. bijv. de conclusie van Hofstee (ECLI:NL:PHR:2019:228) voorafgaand aan HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780. </para>
    <para>Zie over specifiek het beoordelen van de betrouwbaarheid van herkenningen de uitvoerige conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2019:1316), voorafgaand aan HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:452. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_24b2301f-212c-49e5-a091-fa8f8b4f28db" label="2">
    <para>Zie nogmaals HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:452, rov. 2.3 en 2.4, en de conclusie van Knigge die daaraan voorafging (ECLI:NL:PHR:2019:1316, vanaf randnummer 4.6 e.v.). Ik citeer uit die conclusie: <emphasis role="italic">“Klachten over de betrouwbaarheid van verklaringen van opsporingsambtenaren die stellen dat zij de verdachte op camerabeelden of foto’s hebben herkend, zijn bepaald geen zeldzaamheid. De Hoge Raad pleegt die klachten met toepassing van art. 80a RO of art. 81 RO af te doen. (…) Misschien is de enige conclusie die kan worden getrokken wel dat de Hoge Raad het beoordelen van de betrouwbaarheid van herkenningen tot het domein van de feitenrechter rekent, waarin hij zo min mogelijk wil treden. De vraag is of die terughoudendheid, zo daarvan inderdaad sprake is, terecht is. (…) Ik heb daarin aanleiding gevonden voor een voorzichtige verkenning van de jurisprudentie van de Hoge Raad aan de hand van de conclusies die mijn ambtgenoten in de desbetreffende zaken hebben genomen.” </emphasis>Zie voor deze jurisprudentiële verkenning en de verschillende vormen van herkenning, verder randnummers 4.8-4.15. </para>
    <para>Zie daarnaast de conclusies van Bleichrodt (ECLI:NL:PHR:2020:642), Paridaens (ECLI:NL:PHR:2022:390) en Spronken (ECLI:NL:PHR:2023:1023). De Hoge Raad deed daarop de middelen t.a.v. de betrouwbaarheid van herkenningen door verbalisanten af met art. 81 lid 1 RO.</para>
    <para>Spronken merkt op: <emphasis role="italic">“Het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter, die een grote mate van vrijheid toekomt hiervan tot het bewijs te bezigen wat deze uit oogpunt van betrouwbaarheid geschikt acht, is ook van toepassing op herkenningen die door getuigen of opsporingsambtenaren aan de hand van videobeelden worden gedaan. De betrouwbaarheid van dit soort herkenningen behoren tot het domein van de feitenrechter en kunnen in cassatie slechts terughoudend worden getoetst. De Hoge Raad doet klachten die hierop betrekking hebben meestal af op de voet van art. 80a of 81 lid 1 RO.” </emphasis></para>
  </footnote>
  <footnote id="_2d1e3e46-0ac3-434b-ae11-8ec21f2d1f52" label="3">
    <para>Lezenswaardig over (de betrouwbaarheid van) herkenningen door opsporingsambtenaren (aan de hand van camerabeelden) is het recent verschenen handboek rechtspsychologie: A. Vredeveldt, R. Horselenberg &amp; P.J. van Koppen, ‘Fundamenten van herkennen’, in: J. de Keijser, R. Horselenberg &amp; A. Vredeveldt (red.), <emphasis role="italic">Tussen Wet en Wetenschap. De psychologie van het recht</emphasis>, Den Haag: Boom 2024, hoofdstuk 20, p. 371-391, met name p. 377-378; zie voorts A. Vredeveldt, ‘Politieagenten als ooggetuigen’, in: R. Horselenberg, V. van Koppen &amp; J. de Keijser (red.), <emphasis role="italic">Bakens in de rechtspsychologie (Liber amicorum voor Peter van Koppen)</emphasis>, Den Haag: Boom criminologie 2020, hoofdstuk 30, p. 401-414, en A. Vredeveldt &amp; P.J. van Koppen, ‘The Thin Blue Line-Up. Comparing Eyewitness Performance by Police and Civilians’, <emphasis role="italic">Journal of Applied Research in Memory and Cognition</emphasis> 2016, afl. 6, p. 252-256. In dit verband acht ik tevens lezenswaardig: P.P.J. van der Meij, ‘Round up the usual suspects! Over behoedzaamheid bij de ambtshalve herkenning aan de hand van camerabeelden’, <emphasis role="italic">TPWS 2018/25</emphasis>.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b329a30d-e80b-440a-a418-be551d7ff965" label="4">
    <para> HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2010/586, rov. 2.4. In HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/400 m.nt. Reijntjes, rov. 2.4.1, heeft de Hoge Raad de regels voor de laatste categorie gevallen verduidelijkt.</para>
    <para>Zie ook HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1972, rov. 2.4.1; HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2021/400 m.nt. Klip, rov. 2.3.1; HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:566, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2021/156, rov. 2.4.1. Recentelijk werd dit ‘beoordelingskader’ nog herhaald in HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:593. Zie ook de daaraan voorafgaande conclusie van Hofstee, ECLI:NL:PHR:2024:211.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_74898819-9074-48f6-b67d-1420ece23f28" label="5">
    <para> Ik gebruik deze term in mijn conclusie van 13 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1169, in het bijzonder randnummers 25-28, als categorie van delicten waarmee de rechter bij de strafoplegging rekening kan houden, zulks ter onderscheiding van ad-infodelicten, documentatiedelicten, bulkdelicten en seriedelicten.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c5af131a-8519-4eef-925c-191881345afb" label="6">
    <para> Vgl. in dit verband HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5668, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2009/465, rov. 2.5, en de daaraan voorafgaande conclusie van Jörg, ECLI:NL:PHR:2009:BI5668, randnummers 9-12; HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6553; de conclusie van Paridaens van 26 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:181, randnummers 10-14 (HR art. 81 lid 1 RO), en mijn conclusie van 2 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:374 (randnummer 50), door de HR afgedaan met art. 81 lid 1 RO. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_134c97ac-be6e-49d3-9578-88db558a9984" label="7">
    <para> Ander voorbeeld is de Udense kofferbakmoord, HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6553: “<emphasis role="italic">Het in het middel aangevallen onderdeel van de strafmotivering van het Hof dat de verdachte onder meer ook nog zwaar wordt aangerekend dat hij bewust de luchtbuks heeft weggemaakt om sporen van zijn daad te verwijderen, vormt onmiskenbaar een nadere uitwerking van de door het Hof in aanmerking genomen en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gebleken omstandigheden waaronder de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 2 bewezenverklaarde overtreding van art. 151 Sr. Art. 189, derde lid, Sr staat hier niet aan in de weg.</emphasis>” Zie voorts: </para>
    <para>HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4286: “<emphasis role="italic">3.3. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechter naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting bij de strafoplegging rekening houdt met feiten en omstandigheden die kunnen gelden als omstandigheden waaronder het feit is begaan. 3.4. Het in het middel aangevallen oordeel van het Hof dat de verdachte zijn boot in brand heeft geschoten teneinde deze te laten zinken om zodoende de sporen van zijn daad naar de zeebodem te doen verdwijnen, en dat hij daarmee de veiligheid van zijn opvarende en van ambtenaren van de kustwacht in gevaar heeft gebracht, vormt onmiskenbaar een nadere uitwerking van de door het Hof in aanmerking genomen en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gebleken "omstandigheden waaronder de verdachte zich [aan het bewezen en strafbaar verklaarde] heeft schuldig gemaakt".</emphasis>” </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f70ee07d-446f-455c-b24d-00f8c684b341" label="8">
    <para> Zie het in de vorige voetnoot aangehaalde HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4286, en zie: HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW0475, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2006/314: “<emphasis role="italic">Geen rechtsregel staat er aan in de weg dat de rechter bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening houdt met een omstandigheid die, hoewel dat had gekund, niet als strafverzwarende omstandigheid ten laste is gelegd en bewezen is verklaard. De rechter is dan bij de strafoplegging wel gebonden aan het maximum van de op het bewezenverklaarde feit gestelde straf en voorts dient van een dergelijke omstandigheid ter terechtzitting te zijn gebleken</emphasis>.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_97fbcd9d-759b-4c27-b69c-8c8311855268" label="9">
    <para> Vgl. G.J.M. Corstens, <emphasis role="italic">Het Nederlands strafprocesrecht</emphasis>, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 962.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a058f063-c6ae-4889-a974-610e7650d356" label="10">
    <para> Zie mijn conclusie van 13 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1169, in het bijzonder randnummers 25-28, die voorafging aan HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:124, en de recente conclusie van Keulen van 25 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:680, met verwijzingen, en het daaropvolgende oordeel van de Hoge Raad: HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1054 (HR: art. 81 lid 1 RO). </para>
    <para>Zie ook J.H.B. Bemelmans, <emphasis role="italic">Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief</emphasis> (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 433-434. Bemelmans stelt dat de feitelijke toedracht van een delict nu eenmaal niet is beperkt tot de in de tenlastelegging gebezigde woorden en dat de strafrechter niet de ogen kan sluiten ‘voor de omstandigheden waaronder het feit is begaan’. Daarmee beoogt hij geen zelfstandige beoordeling van die feiten, maar louter nadere inkleuring van de ernst van het tenlastegelegde. Aldus ook Keulen in zijn conclusie van 25 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:680.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2be9ad93-9468-4461-a1a6-73264e71adb8" label="11">
    <para> Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/400, rov. 2.4.3: “<emphasis role="italic">Indien de rechter in verband met de strafoplegging melding maakt van een niet tenlastegelegd feit mag ervan worden uitgegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. (…).</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_58fbabbc-543f-4a4b-9dc1-4e73367bbe6c" label="12">
    <para> HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8466, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2005/274 m.nt. Schalken: “<emphasis role="italic">Indien het Hof de pogingen tot afpersing met mishandelingen en bedreigingen heeft vermeld als een nadere uitwerking van de in aanmerking genomen omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde misdrijven </emphasis>[doodslag en openlijk geweld, D.A.] <emphasis role="italic">zijn begaan, is die redengeving zonder nadere - doch ontbrekende - motivering onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit het verhandelde ter terechtzitting niet het kennelijk door het Hof bedoelde verband tussen die - door de verdachte niet erkende - feiten en de bewezenverklaarde misdrijven kan worden afgeleid.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2bcd4846-ded1-4ebc-a191-4e6680bba503" label="13">
    <para> Onder ‘het verhandelde ter terechtzitting’ is begrepen de inhoud van processtukken en hetgeen overigens op het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Voor zover het gaat om processtukken die ten bezware van de verdachte werken, moet de inhoud ervan op de voet van art. 301 lid 4 Sv ter terechtzitting zijn voorgelezen of samengevat. Vgl. G.J.M. Corstens, <emphasis role="italic">Het Nederlands strafprocesrecht</emphasis>, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 961-962, en p. 909, voetnoot 644.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_faa60aa6-6e5b-41c5-aaf9-16629eda79ae" label="14">
    <para> Zie bijvoorbeeld HR 11 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1090, rov. 2.3.2; HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:124, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2023/170, rov. 2.4; HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:260, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2021/401; HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2021/400; HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1739, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2012/147. Vgl. A.J.A. van Dorst &amp; M.J. Borgers, <emphasis role="italic">Cassatie in strafzaken</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 360-361.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f9b34352-133d-48f7-b776-a262b0d7d60f" label="15">
    <para>
      <emphasis role="bold">EHRM 8 juni 1976, nrs. 5100/71, 5101/71, 5102/71, 5354/72 en 5370/72, </emphasis>
      <emphasis role="bold italic">NJ</emphasis>
      <emphasis role="bold"> 1978/223 (</emphasis>
      <emphasis role="bold italic">Engel e.a./Nederland</emphasis>
      <emphasis role="bold">)</emphasis>, § 90: “<emphasis role="italic">(…). As its </emphasis>[art. 6-2 EVRM, D.A.] <emphasis role="italic">wording shows, it </emphasis>[<emphasis role="italic">the presumption of innocence</emphasis>, D.A.]<emphasis role="italic"> deals only with the proof of guilt and not with the kind or level of punishment. It thus does not prevent the national judge, when deciding upon the penalty to impose on an accused lawfully convicted of the offence submitted to his adjudication, from having regard to factors relating to the individual's personality.</emphasis>”</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (</emphasis>
      <emphasis role="bold italic">Phillips/Verenigd Koninkrijk</emphasis>
      <emphasis role="bold">)</emphasis>, § 35: “<emphasis role="italic">However, whilst it is clear that Article 6 § 2 governs criminal proceedings in their entirety, and not solely the examination of the merits of the charge (…), the right to be presumed innocent under Article 6 § 2 arises only in connection with the particular offence “charged”. Once an accused has properly been proved guilty of that offence, Article 6 § 2 can have no application in relation to allegations made about the accused’s character and conduct as part of the sentencing process, </emphasis><emphasis role="underline italic">unless such accusations are of such a nature and degree as to amount to the bringing of a new “charge” within the autonomous Convention meaning referred to in paragraph 32 above</emphasis><emphasis role="italic"> (…).</emphasis>”</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">EHRM 25 november 2004, nr. 72370/01 (</emphasis>
      <emphasis role="bold italic">Van Thuil/Nederland</emphasis>
      <emphasis role="bold">)</emphasis>: “<emphasis role="italic">The Court recalls that, according to its established case-law, the general aim of the presumption of innocence is to protect the accused against any judicial decision or other statements by State officials amounting to an assessment of the applicant's guilt without him having previously been proved guilty according to law (…). Once an accused has properly been proved guilty of a particular criminal offence, </emphasis><emphasis role="underline italic">Article 6 § 2 can have no application in relation to allegations made about an accused's character and conduct as part of the sentencing process</emphasis><emphasis role="italic">, </emphasis><emphasis role="underline italic">unless they are of such a nature and degree as to amount to the bringing of a new charge within the autonomous meaning of the Convention</emphasis><emphasis role="italic"> (…).</emphasis>” Deze zaak betrof een vervolging voor onder meer deelneming aan een criminele organisatie. Het gerechtshof hield er bij de strafoplegging rekening mee dat de betrokkene in die criminele organisatie een leidinggevende rol had vervuld, hoewel het hof het OM niet-ontvankelijk had verklaard voor wat betreft de in de tenlastelegging vermelde strafverzwarende omstandigheid van (destijds) lid 3 van artikel 140 Sr voor (toen nog alleen) oprichters en bestuurders. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip ‘bestuurder’ in dit verband niet zonder meer gelijkstond aan ‘leiding geven’, zodat het hof geen rechtsregel schond door die leidinggevende rol in de strafmaat te betrekken. In Straatsburg werd geklaagd dat de Nederlandse rechter bij de strafoplegging rekening had gehouden met een delict (leiding geven) dat geen onderdeel meer was van de aanklacht. Het is moeilijk om algemene conclusies te verbinden aan de beslissing van het EHRM om deze klacht kennelijk ongegrond te verklaren, maar in z’n algemeenheid kan hieraan wel worden ontleend dat het EHRM er op zichzelf geen probleem mee heeft wanneer de nationale rechter in strafverzwarende zin rekening houdt met omstandigheden waaronder het ten laste gelegde delict is begaan.</para>
    <para>Zie verder EHRM 3 oktober 2002, nr. 37568/97 (<emphasis role="italic">Böhmer/Duitsland</emphasis>), § 55; EHRM 23 september 2003, nr. 42323/98 (<emphasis role="italic">Sniekers/Nederland</emphasis>); EHRM 5 juli 2005, nr. 19581/04 (<emphasis role="italic">Van Offeren/Nederland</emphasis>); EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2007/349 m.nt. Borgers (<emphasis role="italic">Geerings/Nederland</emphasis>), § 43; EHRM 24 april 2007 (<emphasis role="italic">V./Finland</emphasis>), nr. 40412/98, par. § 86. En zie EHRM 25 januari 2018, nr. 76607/13 (<emphasis role="italic">Bikas/Duitsland</emphasis>), § 33, door mij besproken in mijn conclusie van 13 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1169, randnummers 50-52.</para>
    <para>Kritisch is Bemelmans in: J.H.B. Bemelmans, <emphasis role="italic">Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief</emphasis> (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 278-280.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5812ab83-eab6-4fd1-95a6-54d3a1aacd3c" label="16">
    <para> Zie andermaal EHRM 25 januari 2018, nr. 76607/13 (<emphasis role="italic">Bikas/Duitsland</emphasis>), welk arrest door mij tezamen met het arrest EHRM 19 juni 2012, nr. 36937/06 (<emphasis role="italic">Hajnal/Servië</emphasis>), uitvoerig is besproken in mijn conclusie van 13 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1169. Het ging hier om wat ik ‘seriedelicten’ noem: delicten die onderdeel zijn van een betrekkelijk goed af te bakenen reeks van zelfstandige, soortgelijke delicten die over een langere periode zijn begaan door dezelfde dader (of daders), zoals bij een lange reeks woninginbraken, gevallen van langdurig seksueel misbruik, grootschalige fraude of oplichting. </para>
    <para>De Hoge Raad propageert dat de officier van justitie van zo’n reeks seriedelicten slechts enkele delicten ten laste legt en dat de rechter de overige, niet ten laste gelegde seriedelicten bij het bepalen van de strafmaat in aanmerking neemt, waarbij het grootschalige karakter van de serie kan worden beschouwd als een omstandigheid waaronder het bewezen verklaarde is begaan. Ingeval de niet ten laste gelegde seriedelicten bij het bepalen van de straf voor ‘vol’ meetellen, zoals in de casus van HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, heb ik sterke aarzelingen bij de vraag of zulks verenigbaar is met artikel 6 lid 2 EVRM. Van onverenigbaarheid met de onschuldpresumptie hoeft echter geen sprake te zijn indien aan het bewijs van die niet ten laste gelegde seriedelicten de hoge maatstaven worden gesteld van artikel 6 lid 2 EVRM (te weten dat ‘buiten redelijke twijfel’ kan worden vastgesteld dat de verdachte de niet ten laste gelegde seriedelicten heeft begaan). Zie voor meer toelichting en met verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad mijn conclusie van 13 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1169, randnummers 21-66.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_734749d1-e5a8-4d1f-9201-0a025fd3ab2a" label="17">
    <para> Ik wijs hier op (en laat mij inspireren door) een analogie met de procedure van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op de voet van art. 36e lid 2 Sr. Dit betreft immers een vorm van sanctionering waarin de door de onschuldpresumptie opgeroepen problematiek om gelijke redenen aan de orde is, zij het in een afzonderlijke (van de strafzaak afgesplitste) ontnemingsprocedure. </para>
    <para>Wanneer de ontnemingsrechter de veroordeelde schuldig houdt aan een niet ten laste gelegd, concreet aangeduid ‘ander strafbaar feit’ én hij het daaruit verkregen profijt middels een maatregel ex art. 36e Sr ontneemt, is de onschuldpresumptie van toepassing. Daarmee is niet gezegd dat die ontneming onverenigbaar is met art. 6 EVRM. Bij toepasselijkheid van de onschuldpresumptie mag de ontnemingsrechter de overeenkomstig artikel 36e lid 2 Sr vereiste ‘voldoende aanwijzingen’ voor het begaan van ‘andere strafbare feiten’ echter uitsluitend aannemen indien buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat die andere strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan. Tevens behoort de veroordeelde de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan. Zie hierover HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2021/46, rov. 2.4.4. Zie ook: HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498, rov. 2.5; HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:472, rov. 2.3.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>