<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2023:48</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-18T09:47:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2023-01-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/00013</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2023:38" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:38</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2023:48">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2023:48</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-17T14:28:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2023:48 Parket bij de Hoge Raad , 10-01-2023 / 23/00013</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2023:48:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 510 Sv. Verzoek tot aanwijzing ander gerecht voor de eventuele vervolging van rechterlijk ambtenaar.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2023:48:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>PROCUREUR-GENERAAL</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJ DE</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>23/00013 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	10 januari 2023</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>CONCLUSIE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>F.W. Bleichrodt</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [betrokkene] ,</title>
    <para>hierna: de betrokkene</para>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij de Hoge Raad is binnengekomen een verzoekschrift van 21 december 2022 van mr. J.A.C. van Berkel, hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Limburg, met het verzoek op de voet van art. 510 Sv een ander gerecht aan te wijzen voor de mogelijke vervolging en berechting van [betrokkene] , senior rechter A in de rechtbank Limburg, […] .</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Tegen de betrokkene is op 23 november 2022 aangifte gedaan door [aangever] , advocaat te Maastricht, van (poging tot) overtreding van art. 284 Sr. De betrokkene heeft naar de mening van aangever getracht hem door een feitelijkheid - te weten door aangever te dreigen met aangifte van meineed - wederrechtelijk te dwingen iets te doen, namelijk zich terug te trekken uit de advocatuur. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Art. 510, eerste lid, Sv luidt: </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Indien een rechterlijk ambtenaar voor zijne rechtbank, zijn gerechtshof of voor een gerecht binnen het ressort van zijne rechtbank of zijn gerechtshof zou moeten worden vervolgd en berecht, wordt, op verzoekschrift van het openbaar ministerie naar de gewone regelen met de vervolging belast, door den Hoogen Raad een ander gerecht van gelijken rang als het anders bevoegde aangewezen, voor hetwelk de vervolging en berechting der zaak zal plaats hebben.”</para>
    </parablock>
    <para>4. Het verzoek om een ander gerecht aan te wijzen dan de rechtbank Limburg wordt gedaan voordat door het Openbaar Ministerie dat naar de gewone regels met de vervolging is belast, is beoordeeld of er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Die omstandigheid staat aan toewijzing van het verzoek niet in de weg. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het Openbaar Ministerie ook bevoegd is tot het doen van een verzoek als bedoeld in art. 510 Sv indien het zich nog geen oordeel heeft gevormd over de vraag of een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt.<footnote-ref linkend="_f94c5eda-bdf5-40bf-86cd-49086096de0e" /></para>
    <para>5. Uit het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat tegen de betrokkene aangifte is gedaan van (poging tot) overtreding van art. 284 Sr en dat dit feit zou zijn gepleegd terwijl de betrokkene rechterlijk ambtenaar was in de rechtbank Limburg. </para>
    <para>6. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek ten aanzien van de betrokkene vatbaar is voor toewijzing. </para>
    <para>7. Voor de volledigheid wijs ik erop dat het, in geval van toewijzing, vervolgens aan het parket bij het door de Hoge Raad aangewezen gerecht is om te beoordelen of sprake is van een redelijk vermoeden van schuld en om de haalbaarheid en de opportuniteit van de vervolging te beoordelen. </para>
    <para>8. Ik concludeer dat de Hoge Raad een andere rechtbank - waarbij ik de rechtbank Rotterdam in overweging geef - zal aanwijzen als rechtbank voor welke, zo het Openbaar Ministerie bij de aangewezen rechtbank dat nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatshebben. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>PG</bridgehead>
  <footnote id="_f94c5eda-bdf5-40bf-86cd-49086096de0e" label="1">
    <para> 	HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4091, AU4093 en AU4097 en HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU8509. Zie hierover ook A.J.A. van Dorst, ‘De aanwijzing van een ander gerecht’, in: F.W. Bleichrodt, J.A.W. Lensing en P.C. Vegter (red.), <emphasis role="italic">De rechter in het geding </emphasis>(liber amicorum J.P. Balkema), Deventer: Kluwer 2011, p. 23-36, m.n. p. 31.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>