<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2023:355</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-07T00:03:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2023-04-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/02771</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2023:850" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:850</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2023:355">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2023:355</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-06T15:18:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2023:355 Parket bij de Hoge Raad , 11-04-2023 / 21/02771</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2023:355:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Discrepantie tussen strafoplegging en strafmotivering. Hof heeft blijkens zijn strafmotivering bedoeld om gevangenisstraf van acht maanden op te leggen. Opgelegde straf van negen maanden berust daarom op kennelijke misslag. Tweede middel over schending inzendtermijn. Conclusie strekt tot vernietiging van opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping voor het overige.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2023:355:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Nummer21/02771 </title>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	11 april 2023</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.M.W. Paridaens</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte],</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 22 juni 2021 het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 september 2018, onder aanvulling van gronden bevestigd, met uitzondering van de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde, de strafoplegging en de beslissing op het beslag. Met inachtneming van deze gedeeltelijke bevestiging heeft het hof de verdachte wegens 1. “Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit wordt gepleegd met betrekking tot een grote hoeveelheid”, 2. “Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod”, 3. “Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, 4. “Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 5. “Witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden en een geldboete van €5.000,-, subsidiair zestig dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof beslist over in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en P. van Dongen, allen advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het eerste middel</title>
    <para>3. Het middel klaagt dat het arrest innerlijk tegenstrijdig en/of onbegrijpelijk is, nu het hof een gevangenisstraf van negen maanden heeft opgelegd, terwijl het hof ten aanzien van de strafoplegging heeft overwogen dat het vanwege de schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf zal opleggen van acht maanden.</para>
    <para>4. Het hof heeft in zijn arrest onder het kopje “Op te leggen sanctie” – voor zover voor het middel van belang – het volgende overwogen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Zoals overwogen zou zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden alsmede een geldboete ter hoogte van € 5.000,00, passend en geboden zijn. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden alsmede een geldboete ter hoogte van € 5.000,00, opleggen.”</para>
    </parablock>
    <para>5. Het dictum van het arrest houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Het hof:</para>
      <para>[…]</para>
      <para>Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.”</para>
    </parablock>
    <para>6. Blijkens de strafmotivering was het de bedoeling van het hof om – rekening houdend met de schending van de redelijke termijn in hoger beroep – een gevangenisstraf van acht maanden aan de verdachte op te leggen. Dat stemt niet overeen met de in het dictum opgenomen gevangenisstraf van negen maanden. Ik meen dat sprake is van een kennelijke misslag van het hof die de Hoge Raad zelf kan verbeteren door het arrest zo te verstaan dat aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf acht maanden is opgelegd.<footnote-ref linkend="_469a7588-64c4-4a31-95f6-a76b85abbd8b" /> Daarmee komt de feitelijke grondslag aan het middel te ontvallen.</para>
    <para>7. Verder merk ik nog op dat deze kennelijke misslag zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf, nu het gaat om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechters die op de zaak hebben gezeten.<footnote-ref linkend="_5468b2de-ae99-4b5b-9d31-d8c1df8c8a0f" /> Anders dan de stellers van het middel blijkens de toelichting menen, verdient deze wijze van herstel in gevallen als het onderhavige de voorkeur, omdat het als voordeel heeft dat daardoor – anders dan via de cassatieprocedure – op korte termijn en op een eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing.<footnote-ref linkend="_4d04237d-f6f9-4a7e-85cd-91be2f9ea2de" /> Dat deze wijze van herstel (vooralsnog) niet bij wet is voorzien, doet aan dat voordeel niet af.<footnote-ref linkend="_459d5a50-ccef-482f-8636-68fff3e85fa4" /></para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het tweede middel</title>
    <para>8. Het middel bevat de klacht dat er sprake is van overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden.</para>
    <para>9. Op 2 juli 2021 is namens de verdachte cassatie ingesteld. De inzendtermijn bedraagt acht maanden, terwijl de stukken van het geding pas op 13 april 2022 bij de griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Nu een voortvarende behandeling van de zaak in cassatie niet meer tot de mogelijkheden behoort, dient dit verzuim te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Slotsom</title>
    <parablock>
      <para>10. Het eerste middel mist feitelijke grondslag bij een verbeterde lezing door de Hoge Raad. Het tweede middel slaagt.</para>
      <para>10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.</para>
      <para>10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_469a7588-64c4-4a31-95f6-a76b85abbd8b" label="1">
    <para> 	Vgl. HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:196, r.o. 2.4, HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:937, r.o. 3.4 en HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:577, r.o. 2.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5468b2de-ae99-4b5b-9d31-d8c1df8c8a0f" label="2">
    <para> 	Overeenkomstig HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2012/248 m.nt. M.J. Borgers en HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2012/490 m.nt. M.J. Borgers.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4d04237d-f6f9-4a7e-85cd-91be2f9ea2de" label="3">
    <para> 	Zie HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:10, r.o. 3.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_459d5a50-ccef-482f-8636-68fff3e85fa4" label="4">
    <para> 	Voorts merk ik nog op dat het ambtelijk concept van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (beschikbaar via (https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/publicaties/2020/07/30/ambtelijke-versie-juli-2020-wetsvoorstel-wetboek-van-strafvordering/Ambtelijke+versie+juli+2020+wetsvoorstel+Wetboek+van+ Strafvordering.pdf) wel voorziet in een wettelijke regeling van deze wijze van herstel. Zie het voorgestelde art. 4.6.1, hetgeen volgens art. 5.4.50 in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>