<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2023:35</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-25T00:12:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2023-01-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/04166</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2023:308" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:308, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2023:35">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2023:35</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-27T14:23:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2023:35 Parket bij de Hoge Raad , 06-01-2023 / 22/04166</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2023:35:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Cassatieprocesrecht. Art. 30c lid 1 Rv; art. 407 lid 3 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Procesinleiding niet ingediend langs elektronische weg; geen advocaat bij de Hoge Raad aangewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2023:35:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>22/04166</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	6 januari 2023</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>M.L.C.C. Lückers</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiser],</para>
      <para>eiser tot cassatie, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Woningcorporatie Stichting Trivire</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </conclusie.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>De kantonrechter te Dordrecht heeft bij eindvonnis van 11 februari 2021 voor recht verklaard dat de huurovereenkomst tussen partijen voor wat betreft de twee parkeerplaatsen zijn opgezegd en eiser tot cassatie veroordeeld tot ontruiming van die parkeerplaatsen en tot betaling van de proceskosten. Het hof Den Haag heeft bij arrest van 29 maart 2022 (zaaknummer: 200.292.753/01) de vonnissen van de kantonrechter bekrachtigd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Bij faxbericht van 29 juni 2022 (hierna: ‘procesinleiding’) heeft eiser tot cassatie met een door hemzelf opgestelde cassatieschriftuur met cassatiemiddelen zonder tussenkomst van een advocaat of andere gemachtigde cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. In de procesinleiding wordt geen advocaat bij de Hoge Raad als bedoeld in art. 9j van de Advocatenwet aangewezen die eiser tot cassatie zal vertegenwoordigen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>De waarnemend griffier bij de Hoge Raad heeft op 30 juni 2022 aan eiser tot cassatie laten weten dat het cassatieberoep niet is ingediend op de wijze zoals voorgeschreven in art. 407 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), te weten door indiening van een procesinleiding in het (elektronische) portaal van de Hoge Raad door een advocaat bij de Hoge Raad die eiser tot cassatie in het geding zal vertegenwoordigen. Aan eiser tot cassatie is een termijn van twee weken verleend om dezelfde cassatieschriftuur, maar dan op de door de wet voorgeschreven wijze, door een advocaat bij de Hoge Raad te doen indienen. Tevens is eiser tot cassatie erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een partij die zonder een cassatieadvocaat een cassatieberoep instelt, in dat beroep niet ontvankelijk wordt verklaard en dat bij voortzetting van het beroep griffierecht verschuldigd wordt. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Binnen de gestelde termijn is geen door een advocaat bij de Hoge Raad ingediende en door deze (elektronisch) ondertekende procesinleiding ten behoeve van eiser tot cassatie ontvangen. Eiser tot cassatie heeft bij e-mail van 25 oktober 2022 laten weten dat hij zijn beroep handhaaft. Het griffierecht is voldaan. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De ontvankelijkheid van het cassatieberoep </title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De vraag die moet worden beantwoord is of eiser tot cassatie ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. Een cassatieberoep in een burgerlijke zaak kan alleen worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad.<footnote-ref linkend="_2f526cd0-6833-463e-a49f-3e3ca477f4f9" /> In een vorderingsprocedure, zoals deze procedure, moet het cassatieberoep op grond van art. 407 leden 1 en 3 Rv worden ingesteld door middel van een procesinleiding waarin een advocaat bij de Hoge Raad wordt aangewezen die eiser tot cassatie in het geding zal vertegenwoordigen. De procesinleiding moet op grond van art. 30c lid 1 in verbinding met art. 407 lid 1 Rv langs elektronische weg worden ingediend. Daarvoor is het webportaal van de Hoge Raad aangewezen.<footnote-ref linkend="_aa8b104b-e8c2-43ba-a998-efa820aa0af1" /> Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad leidt het niet in acht nemen van deze voorschriften tot niet-ontvankelijkheid van eiser tot cassatie in zijn cassatieberoep.<footnote-ref linkend="_b3ee49dd-23f0-453e-af99-8d1eead2577b" /> Dat is alleen anders indien de verzuimen zijn hersteld doordat dezelfde procesinleiding met inachtneming van de voorschriften opnieuw is ingediend. In dat verband hanteert de Hoge Raad een termijn van twee weken.<footnote-ref linkend="_aac535c7-b78c-4f93-9466-54e8e97a28cd" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Herstel heeft in deze procedure niet plaatsgevonden.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Eiser tot cassatie dient op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn cassatieberoep.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Conclusie</title>
    <para>De conclusie strekt ertoe dat eiser tot cassatie in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2f526cd0-6833-463e-a49f-3e3ca477f4f9" label="1">
    <para> 	Dat is een advocaat die over bijzondere kwalificaties beschikt om in civiele cassatieprocedures te mogen optreden. Zie art. 9j van de Advocatenwet en de daarop gebaseerde regelgeving.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aa8b104b-e8c2-43ba-a998-efa820aa0af1" label="2">
    <para> 	De grondslag daarvoor is te vinden in art. 30f Rv in verbinding met art. 2 van het Besluit elektronisch procederen (Stb. 2020/410). In art. 2.2.1 van het Procesreglement van de Hoge Raad (Stcrt. 2021/50896) is bepaald dat een procesdeelnemer die ingevolge een wettelijk voorschrift verplicht is in een procedure bij de Hoge Raad digitaal te procederen daartoe gebruik maakt van het webportaal van de Hoge Raad.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b3ee49dd-23f0-453e-af99-8d1eead2577b" label="3">
    <para> 	Voor wat betreft het voorschrift van art. 30c lid 1 Rv (indiening langs elektronische weg) volgt de sanctie van niet-ontvankelijkheid uit art. 30c lid 6, tweede volzin, Rv. Zie bijvoorbeeld HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1786; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:574; HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:800; HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:804; HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1596.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aac535c7-b78c-4f93-9466-54e8e97a28cd" label="4">
    <para> 	Zie de rechtspraak die in de voorgaande voetnoot is vermeld. Voor wat betreft het voorschrift van art. 30c lid 1 Rv (indiening langs elektronische weg) volgt uit art. 30c lid 6 Rv dat de rechter de gelegenheid moet geven het verzuim te herstellen binnen een door hem of haar te bepalen termijn.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>