<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2023:258</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-19T16:20:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2023-03-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/03941</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2023:258">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2023:258</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-19T16:12:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2023:258 Parket bij de Hoge Raad , 07-03-2023 / 21/03941</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2023:258:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie A-G. Hennepteelt in door de verdachte gehuurde woning. Verdachte ontkent en wijst naar derden. Vrijspraak in eerste aanleg. Veroordeling voor enkel aanwezig hebben van hennep (de overtredingsvariant) met de overweging dat de aanwezigheid van hennep aan verdachtes schuld is te wijten. De conclusie strekt tot (gemotiveerde) verwerping.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2023:258:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>21/03941 </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	7 maart 2023</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>CONCLUSIE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>D.J.C. Aben</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In de zaak</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [verdachte] ,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,</para>
    <para>hierna: de verdachte</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Het cassatieberoep</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>1. Na een integrale vrijspraak<footnote-ref linkend="_a0c2ceac-830c-483b-af28-8aa297aa7165" /> in eerste aanleg is de verdachte bij arrest van 14 september 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens "<emphasis role="italic">handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod</emphasis>" veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.</para>
  <para>2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Het eerste middel</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>3. Het eerste middel bevat een aantal klachten over de bewijsvoering. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de tenlastelegging, de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen weer. </para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">De tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>4. Aan de verdachte is ten laste gelegd:</para>
  <parablock>
    <para>“<emphasis role="underline italic">primair</emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">hij op of omstreeks 2 november 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [a-straat 1/2] ) een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 154 hennepplanten en/of 4342,80 gram hennep, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline italic">subsidiair </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">een of meer onbekend gebleven persoon/personen op of omstreeks 2 november 2018 te Amsterdam met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand de [a-straat 1/2] ) ) een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 154 hennepplanten en/of 4342,80 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 2 november 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door: </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- in opdracht van die onbekend gebleven persoon/personen een bedrijf (‘ [A] ') in het register van de KvK op zijn naam te zetten en/of </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- (vervolgens) op naam van dit bedrijf (' [A] ’) voornoemd pand te huren en/of </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- (vervolgens) elke maand van die onbekend gebleven persoon/personen contant geld te ontvangen en/of </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- (vervolgens) dit geld op zijn prive en/of zakelijke rekening te storten en/of </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- (vervolgens) de huur van voornoemd pand te betalen en/of </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.</emphasis>”</para>
  </parablock>
  <para>5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:</para>
  <parablock>
    <para>“<emphasis role="italic">hij op 2 november 2018 te Amsterdam aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [a-straat 1/2] ) een grote hoeveelheid hennepplanten</emphasis>.”</para>
  </parablock>
  <para>6. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating verwijzingen):</para>
  <parablock>
    <para>“<emphasis role="bold italic">1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2021.</emphasis></para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Ik heb een gokschuld opgebouwd bij verschillende mensen. In 2015 was het zo’n 8 à 9.000 euro. Het liep steeds hoger op en toen zeiden deze mensen of je betaalt nu terug, of je zet een pand op je naam waar wij kunnen gokken. Ik heb dat pand op mijn naam gezet als huurder. Ik kreeg 1400 euro contant per maand voor huur en gas, licht en water van hen. Ik moest dat geld dan op mijn rekening zetten en de huur, het gas, licht en water overmaken. Ik ben enkele malen in het pand aan de [a-straat 1/2] te Amsterdam geweest. Ik werd dan gebeld om geld op te halen voor de huur. Ik kreeg mijn post en het geld. </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Deze mensen zeiden dat het een gokhuis zou worden en ik wist wel dat dat niet legaal zou zijn. Ik heb geen goklocatie of gokactiviteiten gezien toen ik daar was. </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Deze mensen zeiden dat ik mij bij de Kamer van Koophandel moest inschrijven. Het bedrijf was dus verder niet in bedrijf. Een nepbedrijf dus.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">U vraagt mij of ik iets meer kan vertellen over deze mensen.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Zij waren in ieder geval drie mannen. U heeft gelijk, ik wil geen antwoord geven. Zij waren ongure types.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 13 november 2020. </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">U vraagt mij of ik vanaf 2014 tot en met 2018 een eigen bedrijf had. Dat klopt: </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">U houdt mij voor dat dat bedrijf [A] heette. Dat klopt.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">U vraagt mij om een verklaring voor de contante stortingen op de ondernemingsrekening en privérekening in de periode van 1 september 2015 tot en met 2 november 2018. </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Ik had van beide bankrekeningen een bankpas. Deze bankpassen gebruikte ik allebei voor het storten van de contante bedragen en het betalen van de huur aan [B] .</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">3. Een proces-verbaal ‘aantreffen hennepkwekerij’ (…) van 2 november 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (…). </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als </emphasis>
      <emphasis role="bold italic">mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen)</emphasis>
      <emphasis role="italic">:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Op het adres [a-straat 1/2] , Amsterdam, staat het bedrijf [C] BV ingeschreven. </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Op de [a-straat 1/2] werd op 2 november 2018 ter opsporing en inbeslagneming op grond van artikel 9, lid 1 onder b, van de Opiumwet binnengetreden. </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Na binnenkomst roken wij meteen een herkenbare geur welke wordt veroorzaakt door hennepplanten. Genoemde geur was sterker dan de geur van een opgestoken joint.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Het bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij met planten aanwezig was. Het pand betreft een bedrijfspand. </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Na het binnentreden zagen wij het volgende:</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Ruimte A (3.60 m Breedte x 9.60 m Lengte)</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">154 hennepplanten </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Wij, verbalisanten, constateerden op basis van onze ervaring, gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten betroffen. </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Schriftelijke bescheiden </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Er zijn geopende brieven aangetroffen. </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="underline italic">Brief 1 </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Afzender ABN-AMRO</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Datum 19 oktober 2018 </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Bestemd voor: </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">
        [verdachte]
      </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">h/o [A]</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">
        [a-straat 1]
      </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">
        [postcode] Amsterdam </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline italic">Brief 2 </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Afzender [D] </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Datum 5 oktober 2018 </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Bestemd voor: </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">
        [verdachte] </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">
        [a-straat 1] </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">
        [postcode] Amsterdam </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Uit navraag op het adres [a-straat 1/2] te Amsterdam kwam een mutatie, bekend onder het registratienummer (…), met daarin het volgende: </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- Dat collega's op 21 augustus 2018 omstreeks 00:55, een snorfiets, zagen staan voor het perceel op de [a-straat 1/2] te Amsterdam.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- Dat de snorfiets voorzien was van het kenteken [kenteken] .</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- Dat deze op naam gesteld was van [verdachte] . </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- Dat [verdachte] volgens het GBA stond ingeschreven in Diemen. </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">4. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 14 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , en [verbalisant 3] (…).</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, </emphasis>
      <emphasis role="bold italic">als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen)</emphasis>
      <emphasis role="italic">:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Na aanleiding van de gedane vordering van verstrekking historische gegevens verklaren wij het volgende: </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline italic">Terugkoppeling Liander</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Op het adres [a-straat 1/2] hebben wij als Liander alleen een aansluiting in het pand genummerd op [a-straat 2] . Op deze aansluiting is 25-09-2015 een leveringscontract via NUON op naam van [A] . </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline italic">Terugkoppeling [C] BV </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Het pand gelegen aan de [a-straat 1/2] te Amsterdam wordt gehuurd door: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] -1975 te [geboorteplaats] , [b-straat 1] , [postcode] [plaats] . Hij zit daar gevestigd met het volgende bedrijf: </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">
        [A] , Eenmanszaak, Startdatum onderneming 24-07-2015.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline italic">Terugkoppeling NUON </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">De levering stond op naam van: [A] </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Contractperiode: 25 september 2015 - 20 november 2018.</emphasis>”</para>
  </parablock>
  <para>7. Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het hof bovendien het volgende overwogen:</para>
  <section role="overwegingen">
    <title>“Bewijsoverwegingen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de verdachte op 2 november 2018 huurder was van het pand aan de [a-straat 1/2] te Amsterdam waar op die dag een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De verdachte ontkent betrokkenheid bij het opzetten en in werking houden van de aangetroffen hennepkwekerij. Hij verklaart het bedrijfspand enkel op zijn naam te hebben gehuurd ten behoeve van anderen, en geen weet te hebben gehad van de hennepkwekerij. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De advocaat-generaal acht het primair tenlastegelegde in de vorm van medeplegen wettig en overtuigend bewezen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof overweegt als volgt. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De processtukken houden onvoldoende in op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die aldaar de hennepkwekerij heeft opgezet, heeft onderhouden of daarbij anderszins zodanig betrokken is geweest dat hij als (mede)dader van de tenlastegelegde opzettelijk verrichte gedragingen met betrekking tot hennep kan worden aangemerkt.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ook voor het bewijs van medeplichtigheid aan hennepteelt zoals subsidiair tenlastegelegd, door het pand ter beschikking te stellen aan een of meer ander(en), is opzet vereist op het bevorderen of vergemakkelijken van dat misdrijf en tevens dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, was gericht op het door die ander(en) gepleegde feit.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk hennep heeft geteeld dan wel aanwezig heeft gehad, noch dat hij daaraan medeplichtig is geweest, waarvoor ook dubbel opzet is vereist. De verklaring van de verdachte met betrekking tot de reden van het huren van het bedrijfspand, de wijze waarop de huur werd betaald, zijn aanwezigheid in het pand en de vele contante stortingen op zijn bankrekeningen leidt weliswaar tot veel vragen, die grotendeels onbeantwoord zijn gebleken, maar alles welbeschouwd acht het hof die verklaring niet zo onaannemelijk dat deze zonder meer terzijde kan worden geschoven. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit de verklaring van de verdachte kan wel worden afgeleid dat hij - naar eigen zeggen - een bedrijfspand heeft gehuurd ten behoeve van derden, wiens naam de verdachte niet wil noemen, die daar illegale activiteiten zouden ontplooien. Hij heeft daartoe op hun verzoek een ‘nepbedrijf’ opgericht en dat bedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Ook nam hij van deze derden contant geld in ontvangst en betaalde hij de energie-, waterrekeningen en de huur en is hij (in ieder geval) enkele keren in voormeld pand aanwezig geweest. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Een huurder is tot op zekere hoogte verantwoordelijk voor hetgeen zich afspeelt in het door hem gehuurde pand. De verdachte had in dit geval extra opmerkzaam moeten zijn, nu hij wist dat er in het door hem gehuurde pand illegale activiteiten zouden gaan plaatsvinden. De verdachte is enkele malen in het pand geweest en heeft zich er toen niet van vergewist dat er in het pand geen strafbare activiteiten plaatsvonden. Door onderzoek naar de activiteiten in het pand na te laten, ondanks voornoemde wetenschap, heeft de verdachte in verwijtbare mate onzorgvuldig gehandeld en is het in ieder geval aan zijn schuld te wijten dat de hennepplanten aldaar aanwezig waren.</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De klachten van het eerste middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Het middel valt uiteen in drie deelklachten, die zich lenen voor een gezamenlijke bespreking. Het middel klaagt in de eerste plaats dat uit de bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer, kan volgen dat in het pand hennep aanwezig was op de momenten dat de verdachte het pand heeft bezocht. Dat de verdachte destijds hennep had kunnen ontdekken, blijkt dus niet uit de bewijsmiddelen. Ik begrijp de stellers van het middel zo dat nu de verdachte de hennep destijds niet had kunnen ontdekken hem ook geen verwijt treft van de aanwezigheid van de hennep. </para>
    <para />
    <para>9. Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen niet dat de verdachte over een sleutel van het pand beschikte, zodat ook om die reden niet kan worden gesteld dat de verdachte feitelijke beschikkingsmacht over de hennep had. Ik begrijp de stellers van het middel zo dat de verwerping van het vrijspraakverweer én het oordeel dat het in ieder geval aan verdachtes schuld te wijten is dat de hennepplanten in het pand aanwezig waren – op de voorgaande gronden – ontoereikend zijn gemotiveerd. </para>
    <para />
    <para>10. De derde deelklacht neemt tot uitgangspunt dat ‘schuld’ geen te bewijzen bestanddeel is van de overtredingsvariant van ‘het aanwezig hebben’ van hennep, bedoeld in artikel 3 aanhef en onder C jo. artikel 11 lid 1 Opiumwet, en dat hennep in die zin reeds ‘aanwezig is’ wanneer de hennep bereikbaar en ter beschikking van de verdachte is. In dat geval nemen de stellers van het middel aan dat hetgeen de verdediging ter terechtzitting heeft aangevoerd, heeft te gelden als een beroep op afwezigheid van alle schuld. Volgens de stellers van het middel is de (in het arrest besloten liggende) verwerping van dit verweer onvoldoende met redenen omkleed. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het juridische kader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. In de delictsomschrijving van artikel 3 aanhef en onder C jo. artikel 11 lid 1 Opiumwet is het bestanddeel ‘schuld’ niet opgenomen. Dit brengt mee dat voor een veroordeling voor dit delict niet hoeft te worden vastgesteld dat de verdachte schuld (in de zin van ‘culpa’) heeft aan het aanwezig hebben van de middelen.<footnote-ref linkend="_ee834575-fdc1-47e6-bcbb-c175081b8212" /> Volstaan kan worden met de constatering dat de verdachte de verdovende middelen aanwezig heeft gehad. Wel vervalt de strafrechtelijke aansprakelijkheid ingeval de verdachte een beroep toekomt op de strafuitsluitingsgrond ‘afwezigheid van alle schuld’.<footnote-ref linkend="_b79d427f-4398-4c35-8b75-e3e781f43891" /></para>
    <para />
    <para>12. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘aanwezig hebben’ moet komen vast te staan dat de verdachte over de verdovende middelen <emphasis role="italic">feitelijke</emphasis> macht kan uitoefenen in de zin dat hij daarover <emphasis role="italic">de facto</emphasis> kan beschikken. Voor het bewijs hoeft daarentegen niet te kunnen worden vastgesteld dat de middelen (in eigendom) toebehoren aan de verdachte of dat hij <emphasis role="italic">bevoegd</emphasis> is over deze middelen beschikkingsmacht of beheer uit te oefenen.<footnote-ref linkend="_d324e2e7-a879-481e-b3e6-7d27a353ded2" /> Het gaat er dus niet om dat de middelen zich bevinden in de <emphasis role="italic">juridische</emphasis>, maar in de <emphasis role="italic">feitelijke</emphasis> ‘machtssfeer’ van de verdachte. </para>
    <para />
    <para>13. Daarbij is de juridische verhouding tot de plaats waar de middelen zich bevinden mijns inziens niet zonder enige betekenis, aangezien een juridische bevoegdheid feitelijke mogelijkheden kan bieden die er voor een willekeurige derde niet zijn. Volgens Seijlhouwer volgt uit de hoedanigheid van eigenaar of huurder van een pand bijvoorbeeld dat de eigenaar of huurder enige zeggenschap heeft over de aldaar aanwezige hennepplanten.<footnote-ref linkend="_d74cb625-4b5c-43d7-be2f-ac6735575602" /> Zij voegt daaraan toe: “<emphasis role="italic">Als de verdachte ook toegang heeft tot het pand, zal het oordeel dat die planten zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden snel voor de hand liggen</emphasis>.”</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De bespreking van het middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>14. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een bedrijfspand heeft gehuurd ten behoeve van derden, wier naam hij niet wil noemen. Deze derden zouden daar illegale gokactiviteiten ontplooien. Op verzoek van hen heeft de verdachte een nepbedrijf opgericht en dat bedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Ook nam de verdachte van hen contant geld in ontvangst en betaalde hij de energie- en waterrekeningen en de huur van het pand. Tevens is hij enkele keren in voormeld pand aanwezig geweest.</para>
    <para />
    <para>15. Het hof heeft bovendien geoordeeld dat een huurder tot op zekere hoogte verantwoordelijk is voor hetgeen zich afspeelt in het door hem gehuurde pand. Nu de verdachte wist dat in het door hem gehuurde pand illegale activiteiten zouden gaan plaatsvinden en de verdachte enkele malen in het pand is geweest en zich er toen niet van heeft vergewist dat in het pand geen strafbare activiteiten plaatsvonden, heeft de verdachte in verwijtbare mate onzorgvuldig gehandeld en is het aan zijn schuld te wijten dat de hennepplanten aanwezig waren, aldus oordeelde het hof.</para>
    <para />
    <para>16. De stellers van het middel betwisten dat ‘s hofs bewijsoordeel over het aanwezig hebben van de hennep voldoende steun vindt in deze vaststellingen, maar wat mij betreft tevergeefs. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de hennep is aangetroffen in een door de verdachte gehuurd pand. De verdachte heeft verklaard dat hij enkele keren in dit pand aanwezig is geweest om zijn post en geld voor de huur op te halen. Deze verklaring in combinatie met het door het hof als bewijsmiddel gebezigde proces-verbaal van het aantreffen van de hennepkwekerij – waaruit volgt dat in het pand alleen recent gedateerde post van de verdachte is gevonden en dat zijn scooter op 21 augustus 2018 bij het perceel is gezien – wijst uit dat de verdachte niet al te lang voor het aantreffen van de hennepkwekerij in het pand aanwezig is geweest. Uit het voorgaande heeft het hof naar mijn inzicht <emphasis role="italic">kunnen</emphasis> afleiden dat de verdachte feitelijk toegang had tot het door hem gehuurde pand en <emphasis role="italic">kunnen</emphasis> oordelen dat de hennep zich binnen de machtssfeer van de verdachte bevond. Het oordeel dat de verdachte deze hennep aanwezig heeft gehad, is aldus bezien niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Verder reikt de toets in cassatie niet. </para>
    <para />
    <para>17. Hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting is aangevoerd, kan mijns inziens niet worden opgevat als een beroep op afwezigheid van alle schuld. Dat – zoals de stellers van het middel opmerken – uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte de hennep eerder had kunnen ontdekken, is niet relevant.</para>
    <para />
    <para>18. De omstandigheid dat het hof in zijn bewijsoverwegingen uiteen heeft gezet dat de aanwezigheid van de hennepplanten aan verdachtes schuld te wijten was, doet – wat daar verder ook van zij – niet af aan de toereikendheid van de bewijsmotivering en de begrijpelijkheid van de bewezenverklaring.</para>
    <para />
    <para>19. Het middel faalt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het tweede middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>20. Het tweede middel bevat een drietal deelklachten. De eerste twee klachten betreffen de bewezenverklaring en lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. De derde klacht betreft de strafmotivering. Deze klacht behandel ik separaat.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De eerste en de tweede deelklacht van het tweede middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>21. Het middel klaagt allereerst dat het arrest, althans de bewezenverklaring, innerlijk tegenstrijdig is. Daartoe is aangevoerd dat het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte ‘een grote hoeveelheid hennepplanten’ aanwezig heeft gehad. Ik begrijp de stellers van het middel zo dat, nu het hof de verdachte van het overige heeft vrijgesproken – waaronder van de ten laste gelegde ‘154 hennepplanten’ – terwijl het hof wel een proces-verbaal voor het bewijs heeft gebruikt waarin is gerelateerd dat de verbalisanten in het bewuste pand op de ten laste gelegde pleegdatum 154 hennepplanten hebben aangetroffen, het arrest en/of de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig is. Voorts klaagt het middel dat het hof daarbij ook nog eens kennelijk toepassing heeft willen geven aan het begrip ‘een grote hoeveelheid’ zoals bedoeld in artikel 11 lid 5 Opiumwet. Dit ten onrechte, omdat volgens artikel 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit pas sprake is van ‘een grote hoeveelheid’ als het gaat om minstens tweehonderd hennepplanten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De bespreking van de eerste en de tweede deelklacht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>22. Voor zover het middel klaagt dat het arrest, althans de bewezenverklaring, innerlijk tegenstrijdig is op de grond dat het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte een grote hoeveelheid hennep aanwezig heeft gehad, terwijl het hof ten aanzien van deze bewezenverklaring een bewijsmiddel heeft gebezigd waaruit blijkt dat de verdachte 154 hennepplanten aanwezig heeft gehad, meen ik dat het faalt. Het aantal van 154 hennepplanten en de gangbare betekenis van ‘een grote hoeveelheid’ komen mij niet tegenstrijdig voor. </para>
    <para />
    <para>23. Met betrekking tot artikel 11 lid 5 Opiumwet jo. artikel 1 lid 2 Opiumwetbesluit merk ik op dat de stellers van het middel er terecht op wijzen dat deze bepaling alleen toepassing vindt (1) ingeval de verdachte <emphasis role="italic">opzettelijk</emphasis> heeft gehandeld in strijd met artikel 3 Opiumwet, en (2) indien dit strafbare feit betrekking heeft op ten minste tweehonderd hennepplanten. Ik meen echter dat het hof geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 11 lid 5 Opiumwet, nu uit de bewezenverklaring blijkt dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat luidt: als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet. Ook voor het overige biedt het arrest geen aanknopingspunten voor de lezing van de bewezenverklaring die de stellers van het middel voorstaan.</para>
    <para />
    <para>24. De eerste twee deelklachten van het tweede middel falen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De derde deelklacht van het tweede middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>25. De derde deelklacht komt op tegen de strafmotivering. Door ten aanzien van de strafoplegging te overwegen dat de verdachte heeft bijgedragen aan de teelt van hennep, terwijl het hof niet bewezen heeft verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt dan wel medeplichtigheid daaraan, is de strafmotivering niet toereikend gemotiveerd. Bewezen verklaard is slechts dat de verdachte hennep aanwezig heeft gehad. Uit de overwegingen van het hof kan voorts worden afgeleid dat het hof kennelijk van oordeel is dat de verdachte heeft bijgedragen aan eerdere oogsten en dat de verdachte daarvoor geen verantwoordelijkheid heeft genomen, waardoor het niet aannemelijk is dat de verdachte het laakbare van zijn handelen inziet, hetgeen duidelijk iets anders is dan hetgeen bewezen is verklaard, aldus de stellers van het middel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De strafmotivering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>26. Het arrest bevat de volgende strafmotivering:</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>“Oplegging van straf </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde (opzetvariant) zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de , omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hennepkwekerij in een bedrijfspand. De verdachte treft het verwijt dat hij verregaand onzorgvuldig heeft gehandeld, als gevolg waarvan hij bijgedragen heeft aan de teelt van hennep. Het aanwezig hebben van hennep op deze schaal is verboden vanwege de schadelijke gevolgen daarvan. De consumptie van hennep is nadelig voor de volksgezondheid, terwijl de handel in hennep gepaard pleegt te gaan met andere vormen van strafbaar handelen. De verdachte heeft hiervoor geen verantwoordelijkheid genomen, waardoor niet aannemelijk is geworden dat hij het laakbare van zijn handelen inziet. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 augustus 2021 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het beoordelingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>27. De strafrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Binnen de grenzen die de wet stelt, is de feitenrechter vrij “<emphasis role="italic">in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht</emphasis>”. De Hoge Raad stelt zich terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing met betrekking tot de straftoemeting toereikend is.<footnote-ref linkend="_130ab470-ee1a-4165-b24e-8d865a199806" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De bespreking van de derde klacht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>28. Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Hiermee heeft het hof mijns inziens de juiste maatstaf aangelegd. Bovendien meen ik dat het hof daarbij als ‘omstandigheid waaronder het feit is begaan’, mocht betrekken dat de verdachte “<emphasis role="italic">onzorgvuldig heeft gehandeld, als gevolg waarvan hij bijgedragen heeft aan de teelt van hennep</emphasis>”. Dat ten laste van de verdachte enkel bewezen is verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van hennep, en niet aan het telen van hennep, doet niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof.</para>
    <para />
    <para>29. Ten slotte merk ik op dat uit de overweging van het hof dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor het aanwezig hebben van hennep mijns inziens niet volgt “<emphasis role="italic">dat het hof kennelijk van mening is dat er sprake is van eerdere oogsten waaraan de verdachte heeft bijgedragen</emphasis>” (aldus de stellers van het middel). Ook voor het overige biedt het arrest geen aanknopingspunten voor deze lezing. Het voorgaande brengt mee dat de strafoplegging toereikend is gemotiveerd. </para>
    <para />
    <para>30. Het middel faalt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Slotsom</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>31. De middelen falen.</para>
    <para />
    <para>32. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
    <para />
    <para>33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_a0c2ceac-830c-483b-af28-8aa297aa7165" label="1">
    <para> Vgl. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, rov. 2.5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ee834575-fdc1-47e6-bcbb-c175081b8212" label="2">
    <para> M. Kessler, <emphasis role="italic">Subjectieve bestanddelen in bijzondere wetten</emphasis>, Deventer: Gouda Quint 2001, p. 28, en T. Blom, <emphasis role="italic">Opiumwetgeving en drugsbeleid</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 138. Zie ook de conclusie van A-G Fokkens (onder 8) voor HR 24 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1317, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2000/54 m.nt. D.H. de Jong.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b79d427f-4398-4c35-8b75-e3e781f43891" label="3">
    <para> HR 24 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1317, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2000/54 m.nt. D.H. de Jong, rov. 3.2.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d324e2e7-a879-481e-b3e6-7d27a353ded2" label="4">
    <para> HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2022/95 m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.3.2. Blom stelt dat het voldoende is als de Opiumwetmiddelen zich bevinden in de machtssfeer van de (mede)dader, zie T. Blom, <emphasis role="italic">Opiumwetgeving en drugsbeleid</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 129.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d74cb625-4b5c-43d7-be2f-ac6735575602" label="5">
    <para> N. Seijlhouwer-de Visser, ‘De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand’, <emphasis role="italic">NTS</emphasis> 2020/109, nr. 5, p. 355.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_130ab470-ee1a-4165-b24e-8d865a199806" label="6">
    <para> HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, rov. 3.4-3.5.4, en HR 19 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1472, rov. 2.3.2.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>