<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2022:894</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-02T00:02:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2022-10-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/03573</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:1487" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1487</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:894">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:894</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-05T09:56:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2022:894 Parket bij de Hoge Raad , 04-10-2022 / 20/03573</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2022:894:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>“Conclusie AG. Opzettelijk aanwezig hebben MDMA en cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en opzettelijk niet voldoen aan ambtelijk bevel (art. 184 Sr). Middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 2 (opzettelijk niet voldoen aan gebiedsverbod), i.h.b. dat opzet verdachte niet uit b.m. kan worden afgeleid, althans dat hof niet heeft gerespondeerd op verweer dat verdachte gebiedsverbod niet bewust heeft overtreden. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 21/04959.”</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2022:894:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Nummer20/03573 </title>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	4 oktober 2022</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.C. Aben</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,</para>
      <para>hierna: de verdachte</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 21 oktober 2020 het tegen de verdachte gewezen vonnis van 8 augustus 2019 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam met aanvulling van gronden bevestigd. Bij dat vonnis is de verdachte in de zaken met parketnummer 13-063399-19, 13-055539-19 en 13-088594-19 telkens wegens 1 “<emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”</emphasis> en in de zaak met parketnummer 13-088594-19 wegens 2 “<emphasis role="italic">opzettelijk niet voldoen aan een bevel krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast</emphasis>” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de politierechter de teruggave gelast aan de verdachte van het onder hem in beslag genomen geldbedrag.</para>
    <para />
    <para>2. Er bestaat samenhang met de zaak 21/04959. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.</para>
    <para />
    <para>3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.</para>
    <para />
    <para>4. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 13-088594-19 onder 2 ten laste gelegde feit (het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel). In het bijzonder behelst het middel de klacht dat het opzet van de verdachte niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat de verdachte het gebiedsverbod niet bewust heeft overtreden.</para>
    <para />
    <para>5. Voordat ik tot de bespreking van het middel overga, zal ik eerst de bewezenverklaring en de bewijsconstructie van de politierechter weergeven.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bewezenverklaring en bewijsconstructie</title>
    <para />
    <para>6. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 13-088594-19 onder 2 bewezen verklaard dat hij:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“op 14 april 2019 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een gebiedsverbod, kenmerk 19/1831 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 2.9a APV, gedaan door de burgemeester van Amsterdam inhoudende dat hij zich in de periode gelegen tussen 30 maart 2019 en 29 juni 2019 niet mocht bevinden in overlastgebied Centrum, door, zich op voornoemde datum om 01:50 uur op de Prins Hendrikkade te bevinden.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 8 augustus 2019 vermeldt dat de politierechter de inhoud van de stukken van het dossier heeft meegedeeld. In het proces-verbaal is een aantekening van het mondeling vonnis opgenomen, waarin voor de gebezigde bewijsmiddelen wordt verwezen naar de processen-verbaal zoals in het proces-verbaal van de terechtzitting weergegeven. Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13-088594-19 onder 2 ten laste gelegde feit betreft het de volgende processen-verbaal:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“</emphasis>
        <emphasis role="bold italic">1. Een proces-verbaal van bevindingen met de daarbij behorende foto van de aangetroffen drugs met nummer 2019076910-4 van 14 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (…), doorgenummerde pagina’s 3 tot en met 5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik zag op 14 april 2019 omstreeks 01:45 uur op de Prins Hendrikkade in Amsterdam een drietal personen staan. Ik zag dat de drie mannen met de gezichten naar elkaar stonden en dat zij dicht op elkaar stonden. Ik zag dat de meest linker man een wit voorwerp in zijn rechterhand had. Deze man bleek later te zijn genaamd: [verdachte] </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geboren [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] .</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik deelde [verdachte] mee dat hij was aangehouden. Ik pakte de wikkel uit de rechterhand van [verdachte] . Ik zag dat de wikkel vol zat met een witte substantie. Ik heb [verdachte] gefouilleerd. Ik trof n de linkerjaszak 5 wikkels aan.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op het politiebureau is verdachte onderworpen aan een Opiumfouillering. Hierbij werden de volgende goederen aangetroffen:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- twintig (20) pillen XTC</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- één (1) bol witte substantie</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- één (1) bol witte substantie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 14 april 2019 zag ik in het voor ons beschikbare politiesysteem dat verdachte [verdachte] ook nog een actueel gebiedsverbod heeft, namelijk een drie (3) maanden verbod voor de periode 30-03-2019 00:01 uur t/m 29-06-2019 23:59 uur.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">3. Een proces-verbaal van uitreiking, inclusief afschrift van het verwijderingsbevel van de Burgemeester van Amsterdam voor de duur van drie maanden met bijbehorende plattegrond van het gebied, met nummer 2019047851-15 van 8 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…), doorgenummerde pagina’s 18 tot en met 24.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 8 april 2019 heb ik aan een persoon genaamd [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , adres [a-straat 1] , [plaats] het verwijderingsbevel van de burgemeester van Amsterdam d.d. 30 maart 2019, kenmerk 19/01831, uitgereikt. Het verwijderingsbevel houdt in dat verdachte zich voor de duur van drie maanden niet mag ophouden in overlastgebied 1 Centrum en ondergrondse metrostations. Ik heb betrokkene tevens een plattegrond met de omschrijving van het overlastgebied 1 Centrum en ondergrondse metrostations uitgereikt.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het verwijderingsbevel geldt met ingang van 30 maart 2019 om 00:01 uur tot en met 29 juni 2019 om 23:59 uur.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik zag dat de betrokkene het verwijderingsbevel aannam.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik heb betrokkene gevraagd of hij het vorenstaande had begrepen.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Een nadere bespreking van het middel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat de raadsman in eerste aanleg namens de verdachte het verweer heeft gevoerd dat de verdachte het gebiedsverbod niet bewust heeft overtreden aangezien de verdachte dacht dat het gebiedsverbod van kortere duur was dan daadwerkelijk het geval was. Nu uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van uitreiking niet blijkt dat de verdachte de mededelingen in het verwijderingsbevel heeft begrepen en de mogelijkheid dat de verdachte zich heeft vergist derhalve niet kan worden uitgesloten, is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed, aldus de steller van het middel. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De beoordeling van het middel</title>
    <para />
    <para>9. Voor zover het middel klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het in eerste aanleg gevoerde verweer dat de verdachte het gebiedsverbod niet bewust heeft overtreden maar zich heeft vergist, faalt het. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep kan niet worden afgeleid dat de raadsman met betrekking tot het opzet van de verdachte enig verweer heeft gevoerd. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de rechter niet verplicht is te beslissen omtrent enig verweer of standpunt dat niet door of namens de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen. Verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd, maar in hoger beroep niet zijn herhaald, behoeven door het hof niet te worden besproken.<footnote-ref linkend="_72bfc403-7604-4874-9de3-8697a339ea93" /></para>
    <para />
    <para>10. Voor zover het middel klaagt dat het opzet van de verdachte niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, faalt het eveneens. De vaststelling van opzet op het overtreden van een verbod vereist dat de verdachte daadwerkelijk met dat verbod bekend is.<footnote-ref linkend="_557cffcd-2543-41eb-9b33-aedf7960250f" /> Dit kan zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Uit het proces-verbaal van uitreiking (bewijsmiddel 3) blijkt immers dat het verwijderingsbevel, met een plattegrond van het gebied waar de verdachte zich niet mocht ophouden, op 8 april 2019 door een opsporingsambtenaar aan de verdachte in persoon is uitgereikt en dat de verdachte het verwijderingsbevel heeft aangenomen. Daar komt bij dat uit het proces-verbaal van uitreiking kan worden afgeleid dat de verbalisant heeft gevraagd of de verdachte de mededelingen in het verwijderingsbevel heeft begrepen. De enkele omstandigheid dat in het proces-verbaal niet uitdrukkelijk is gerelateerd dat de verdachte deze vraag bevestigend heeft beantwoord, brengt niet mee dat het bestaan van opzet niet kan worden aangenomen. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen omstandigheden zijn aangevoerd die twijfel kan meebrengen over het bestaan van opzet. </para>
    <para />
    <para>11. Het middel is tevergeefs voorgesteld.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Slotsom</title>
    <para />
    <para>12. Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.</para>
    <para />
    <para>13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
    <para />
    <para>14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_72bfc403-7604-4874-9de3-8697a339ea93" label="1">
    <para> HR 26 juni 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB6054, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1974/208; HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1281, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2011/295 m.nt. Mevis; HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7844, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2012/473 m.nt. Borgers. Vgl. ook A.J.A. van Dorst &amp; M.J. Borgers, <emphasis role="italic">Cassatie in strafzaken</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 253.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_557cffcd-2543-41eb-9b33-aedf7960250f" label="2">
    <para> Vgl. B.F. Keulen in zijn noot onder HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2766, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/85. Hierin verschilt de onderhavige zaak nu juist met de zaak die tot dat arrest heeft geleid. In HR 6 december 2016, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/85, was het verwijderingsbevel niet in persoon aan de verdachte uitgereikt (zoals in de onderhavige zaak), maar had de politie de verdachte tijdens een verhoor in een andere strafzaak mededelingen gedaan omtrent (1) het <emphasis role="italic">voornemen</emphasis> van de politie hem voor te dragen voor een gebiedsverbod, (2) de op politie-ervaring gebaseerde prognose van de uitkomst van zo een voordracht en (3) de wijze waarop een gebiedsverbod zou worden bekendgemaakt. Het oordeel van het hof dat het ‘te ver voert’ het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte erop te baseren dat hij heeft nagelaten nader onderzoek te doen nadat hem de genoemde mededelingen waren gedaan, getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was ook niet onbegrijpelijk, ook niet indien in aanmerking werd genomen dat de verdachte had verklaard die mededelingen te hebben begrepen. Daaruit kan dus slechts worden afgeleid dat de enkele omstandigheid dat de verdachte heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de mededelingen van de politie omtrent een voornemen om de verdachte voor te dragen voor een gebiedsverbod en de prognose van de uitkomst van een dergelijke voordracht, onvoldoende is om het bewijs van opzet aan te nemen.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>