<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2022:872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-22T12:46:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2022-10-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/01841</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:1709" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1709</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:872">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-06T14:43:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2022:872 Parket bij de Hoge Raad , 04-10-2022 / 21/01841</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2022:872:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Beklag, beslag. M.b.t. het inbeslaggenomen geldbedrag is voorafgaand aan de indiening van het klaagschrift een beslissing a.b.i. art. 116.2 aanhef en onder c Sv genomen. I.c. zijn voldoende aanknopingspunten aanwezig om te kunnen vaststellen dat het beslag ex art. 134.2 Sv is beëindigd. Gelet daarop kan klager wegens gebrek aan belang niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2022:872:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>PROCUREUR-GENERAAL</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJ DE</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>21/01841 B</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	4 oktober 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>CONCLUSIE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>A.E. Harteveld</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [klager],</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,</para>
      <para>hierna: de klager</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 23 april 2021 het beklag van de klager, strekkende tot teruggave aan hem van een onder een derde in beslag genomen geldbedrag van € 30.005,- ongegrond verklaard.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich met betrekking tot bovengenoemd geldbedrag een kennisgeving van inbeslagneming. Deze kennisgeving houdt onder het hoofdje “omstandigheden” het volgende in: “Verdachte [betrokkene 1] had een Albert Heijn tas gevuld met het geld. De verdachte heeft in zijn verhoor afstand gedaan van het geld, de OVJ heeft later besloten dat de verdachte een transactie krijgt van het in beslag genomen geld. Deze heeft de verdachte/beslagene getekend.” Onder het hoofdje “Afstand door beslagene” staat “Ja, als eigenaar”, waarbij als eigenaar genoemde [betrokkene 1] wordt vermeld. Voorts houdt genoemde kennisgeving als beslissing van de officier van justitie in: “Handelen als verbeurd verklaard” (gedateerd 25 juni 2020). Uit door mij ingewonnen informatie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant is voorts gebleken dat met betrekking tot voornoemd geldbedrag op 7 augustus 2020 een last als bedoeld in art. 116, tweede lid aanhef en onder c, Sv is gegeven. Dit brengt ingevolge het bepaalde in art. 134, tweede lid aanhef en onder b Sv mee dat het beslag is beëindigd.<footnote-ref linkend="_601721b5-5ec8-49f9-9564-b1513478630f" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>In geval het beslag is beëindigd lijkt vaste jurisprudentie mee te brengen dat de klager bij gebrek aan belang niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. Mijn toenmalig ambtgenoot Knigge heeft in zijn conclusie voor HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3829<footnote-ref linkend="_a100142b-ad41-4a78-8b3c-50afe8fd4882" /> bepleit dat het enkele feit dat toepassing is gegeven aan art. 116, tweede lid aanhef en onder c, Sv niet meebrengt dat de klager niet in zijn beklag ex art. 552a Sv kan worden ontvangen. Daarvoor is nodig dat de gedane afstand rechtsgeldig is. Volgens Knigge mag van de officier van justitie worden gevergd dat hij enig onderzoek verricht naar de juistheid van de eigendomsverklaring en kan het nalaten daarvan meebrengen dat de “verbeurdverklaring” jegens de rechthebbende onrechtmatig is. In genoemde zaak had de officier van justitie hangende een beklagprocedure waarin een ander dan de beslagene zich als rechthebbende had opgeworpen, meer in het bijzonder hangende het door de klager ingestelde cassatieberoep, toepassing gegeven aan art. 116, tweede lid aanhef en onder c, Sv. Knigge meent dat het gebruik van de bedoelde bevoegdheid onder die omstandigheid strijdt met de beginselen van een goede procesorde en jegens de klager onrechtmatig is. En ook los hiervan, maakt het enkele feit dat de klager niet in de gelegenheid is geweest de rechtmatigheid van de toepassing van art. 116, tweede lid aanhef en onder c, Sv door de beklagrechter te laten beoordelen volgens hem reeds dat er onvoldoende grond is om de klager niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde beroep. In genoemde zaak werd het ingediende cassatiemiddel door de Hoge Raad besproken.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>De onderhavige zaak verschilt van de onder 3.2 genoemde zaak, in die zin dat de beslissing om toepassing te geven aan art. 116, tweede lid aanhef en onder c, Sv niet eerst hangende de onderhavige beklagprocedure is genomen, maar reeds voorafgaand aan het door de klager op 26 januari 2021 ingediende klaagschrift.<footnote-ref linkend="_8e9d4657-a690-46f5-ac96-73be131c0147" /> In het onderhavige geval is de klager juist wel in de gelegenheid geweest de rechtmatigheid van de toepassing van art. 116, tweede lid aanhef en onder c, Sv door de beklagrechter te laten beoordelen. Sterker nog, het klaagschrift strekte ertoe dat de klager redelijkerwijs als rechthebbende van het geldbedrag valt aan te merken en [betrokkene 1] ten onrechte als eigenaar afstand heeft gedaan van dit geldbedrag. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>In de bestreden beschikking heeft de rechtbank vastgesteld dat er inmiddels géén beslag meer ligt op het geldbedrag dat - anders dan door de klager is gesteld - onder [betrokkene 1] in beslag is genomen. Vervolgens is de rechtbank wel nog uitgebreid in gegaan op de kwestie wie als redelijkerwijs rechthebbende op het geldbedrag kan worden aangemerkt, waarbij de rechtbank ook de afstandsverklaring door [betrokkene 1] betrekt. In dat verband stelt de rechtbank vast dat [betrokkene 1] als rechthebbende afstand heeft gedaan van het geldbedrag in verband met een transactie tussen hem en het Openbaar Ministerie om (verdere) strafvervolging voor witwassen te voorkomen. [betrokkene 1] heeft deze afstandsverklaring op 25 juni 2020 getekend en daarin verklaard dat het geldbedrag aan hem toebehoort.<footnote-ref linkend="_e857b5ac-a6bb-4f8c-9d54-25473b7ebe54" /> In de afstandsverklaring wordt een link gelegd met voornoemde “transactie afstand” die [betrokkene 1] is aangeboden. De rechtbank merkt op dat deze “transactie afstand” in verband met witwassen zich ook in het dossier bevindt en dit voorstel door [betrokkene 1] blijkens zijn ondertekening is geaccepteerd. Volgens de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie [betrokkene 1] dan ook terecht als rechthebbende op het geldbedrag aangemerkt. Ten slotte overweegt de rechtbank nog waarom de stellingname van de klager dat hij de rechthebbende op het geldbedrag zou zijn niet serieus kan worden genomen en de op de zitting gegeven onderbouwing ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd is. Dit alles resulteert erin dat de rechtbank het klaagschrift ongegrond heeft verklaard. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande meen ik dat er in het onderhavige geval voldoende aanknopingspunten zijn om te kunnen vaststellen dat het beslag op de voet van art. 134, tweede lid, Sv is geëindigd.<footnote-ref linkend="_21f6f8e8-b0d5-4bb8-985f-9c2e330e64e1" /> Dit brengt mee dat de klager bij gebrek aan belang niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.</para>
        <para>4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beroep.</para>
      </parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Procureur-Generaal</para>
        <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <bridgehead>AG </bridgehead>
  <footnote id="_601721b5-5ec8-49f9-9564-b1513478630f" label="1">
    <para> 	Kamerstukken II 1993/94, 23 692, nr. 3, p. 18:<emphasis role="italic"> “Aangezien de last in dit geval impliceert dat het voorwerp waarvan afstand is gedaan, zal worden vervreemd of vernietigd, is er geen grond het beslag te doen voortduren.”</emphasis></para>
  </footnote>
  <footnote id="_a100142b-ad41-4a78-8b3c-50afe8fd4882" label="2">
    <para> 	PHR 9 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2070.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e9d4657-a690-46f5-ac96-73be131c0147" label="3">
    <para> 	Mijns inziens behoefde de rechtbank het klaagschrift niet op te vatten als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv, welke situatie zich voordoet in het geval de rechtbank constateert dat sedert de indiening van het klaagschrift de desbetreffende voorwerpen bij inmiddels uitvoerbare beslissing zijn verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer (vgl. bijv. HR 23 november 1993, NJ 1994/263). In een geval als het onderhavige is art. 552ab Sv van toepassing en moet worden beoordeeld of de klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt (vgl. HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:457). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e857b5ac-a6bb-4f8c-9d54-25473b7ebe54" label="4">
    <para> 	Vgl. HR 31 maart 1998, NJ 1998/779, waarin is bepaald dat de officier van justitie alleen indien degene bij wie het voorwerp is inbeslaggenomen heeft verklaard dat het hem toebehoort en deze daarvan schriftelijk afstand heeft gedaan, kan gelasten dat ten aanzien van dat voorwerp wordt gehandeld als ware het verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer. Een dergelijke verklaring van toebehoren brengt mee dat het voorwerp aan de Staat in eigendom toebehoort (art. 35 lid 2 Sr). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_21f6f8e8-b0d5-4bb8-985f-9c2e330e64e1" label="5">
    <para> 	Vgl. PHR 27 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW7365. In deze zaak was de in beslag genomen bromfiets, nadat klager er afstand van had gedaan, reeds ten tijde van de behandeling in raadkamer vernietigd. De klager was in deze zaak niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag. Volgens mijn ambtgenoot Vellinga bood het dossier echter onvoldoende aanknopingspunten om de vraag te kunnen beantwoorden of het beslag op de voet van art. 134, tweede lid, Sv is geëindigd. </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>