<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2022:774</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-01T12:48:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2022-09-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/02206</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:1562" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1562</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:774">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:774</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-28T00:59:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2022:774 Parket bij de Hoge Raad , 13-09-2022 / 21/02206</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2022:774:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Overschrijding termijn instellen cassatieberoep doordat e-mail en fax met schriftelijke bijzondere volmacht op de laatste dag van de beroepstermijn ná sluitingstijd van de griffie zijn binnengekomen. Conclusie strekt tot n.o.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2022:774:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Nummer21/02206 P</title>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	13 september 2022</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.C. Aben</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [betrokkene] ,</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,</para>
      <para>hierna: de betrokkene</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De procedure</title>
    <para />
    <para>1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 7 mei 2021 het bedrag van het voordeel dat de betrokkene wederrechtelijk heeft verkregen vastgesteld op € 580.317,82 en de betrokkene ter ontneming van voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van € 287.524,67 aan de staat.</para>
    <para />
    <para>2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. W. Römelingh, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <para />
    <para>3. Ambtshalve stel ik de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde. Dit vraagstuk komt eveneens aan bod in de cassatieschriftuur, namelijk in de passage die daarin als vierde middel wordt gepresenteerd. Die passage betreft geen middel van cassatie in de zin der wet. Daarin wordt namelijk geen stellige en duidelijke klacht geformuleerd over de schending van een bepaalde rechtsregel of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Met die passage wordt immers niet opgekomen tegen enige beslissing van het gerechtshof, maar tegen een beslissing die de Hoge Raad nog moet nemen, namelijk die over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Hoewel de ontvankelijkheidsvraag voorafgaat aan de kennisneming en het onderzoek van de middelen van cassatie, heb ik de passage die in de schriftuur als vierde middel wordt aangeduid niettemin beschouwd als een toelichting op het standpunt van de raadsman dat de betrokkene in zijn cassatieberoep moet worden ontvangen. </para>
    <para />
    <para>4. Wat wil het geval? Het bestreden arrest is gewezen op 7 mei 2021. Dat was op tegenspraak. Ter terechtzitting van het gerechtshof van 23 april 2021 is de verdachte immers, vergezeld van zijn raadsman, verschenen. Bij die stand van zaken moet het cassatieberoep ingevolge artikel 432 lid 1 Sv uiterlijk de veertiende dag na de einduitspraak worden ingesteld. De gevolmachtigd raadsman van de betrokkene heeft de griffier bij faxbrief en bij e-mail, beide van 21 mei 2021, verzocht het beroep in cassatie in te stellen, en hem daartoe voorzien van een zogeheten ‘schriftelijke bijzondere volmacht’. De griffier heeft blijkens de akte instellen rechtsmiddel d.d. 25 mei 2021 overeenkomstig artikel 451 lid 1 Sv aan dit verzoek voldaan. In cassatie staat niet ter discussie dat de daaraan als bijlage gevoegde faxbrief ter griffie van het gerechtshof Amsterdam op 21 mei 2021 omstreeks 17.25 uur is ingekomen, terwijl een e-mail van diezelfde strekking omstreeks 17.28 uur ter griffie is ontvangen. </para>
    <para />
    <para>5. Volgens het bestuursreglement van het gerechtshof Amsterdam van 16 december 2020, <emphasis role="italic">Stcrt.</emphasis> 26 maart 2021, nr. 11973, in werking getreden met ingang van 1 april 2021, sluiten de griffies van dat gerechtshof om 17 uur.<footnote-ref linkend="_faa2b8c1-a7cd-4ff9-8257-30e9d186d989" />, <footnote-ref linkend="_d265abb5-e8ea-448e-bd29-49856bcf1a3f" /></para>
    <para />
    <para>6. De opsteller van de schriftuur is bekend met vaste rechtspraak die inhoudt dat een per faxbericht of e-mailbericht verzonden schriftelijke volmacht als bedoeld in artikel 450 Sv aan een griffiemedewerker tot het voor de betrokkene aanwenden van een rechtsmiddel slechts dan kan worden aangemerkt als binnen de beroepstermijn ingediend, indien deze volmacht ter griffie is binnengekomen vóór sluiting van de griffie op de laatste dag van deze termijn.<footnote-ref linkend="_ff009247-baf7-48de-ad4a-de27eb476cab" /> Niettemin bepleit hij dat de Hoge Raad (voortaan) van deze rechtspraak afwijkt.</para>
    <para />
    <para>7. De argumenten die in de schriftuur voor dit standpunt naar voren worden gebracht snijden vrij duidelijk geen hout, dan wel zijn niet relevant, dan wel zijn niet nieuw. De slotsom luidt dat het cassatieberoep (onverschoonbaar) te laat is ingesteld.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Deze conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn cassatieberoep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_faa2b8c1-a7cd-4ff9-8257-30e9d186d989" label="1">
    <para> Art. 10 lid 3 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) bepaalt sedert 1 januari 2013 dat “<emphasis role="italic">de openingstijden van de griffies worden vermeld in het bestuursreglement</emphasis>”. Art. 20 RO vormt de wettelijke grondslag voor de bestuursreglementen van de gerechten (met uitzondering van dat van de Hoge Raad). Art. 21a RO schrijft voor dat het bestuursreglement, na de benodigde instemming van de Raad voor de rechtspraak, wordt gepubliceerd in de Staatscourant.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d265abb5-e8ea-448e-bd29-49856bcf1a3f" label="2">
    <para> Verwarrend is wel dat op de website van het gerechtshof Amsterdam ook toegankelijk is het – naar ik aanneem: vigerende – Reglement orde van dienst dat door het gerechtsbestuur is vastgesteld op 17 november 2009 en in werking trad op 1 december 2009 (<emphasis role="underline">https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Gerechtshoven/Gerechtshof-Amsterdam/Regels-procedures-en-klachten</emphasis>). Dit reglement, opgesteld op basis van het Besluit orde van dienst gerechten (Besluit van 10 december 2001, <emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 2001, 621, dat op zijn beurt een wettelijke grondslag vindt in art. 11 RO) bevat in artikel 2 eveneens (enigszins afwijkende) bepalingen voor de openingstijden van de griffies van dit gerecht. Voor de sluitingstijden van de griffies maakt dat niet uit: dat is in alle gevallen 17 uur. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ff009247-baf7-48de-ad4a-de27eb476cab" label="3">
    <para> HR 4 maart 1958, ECLI:NL:HR:1958:57, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1958/311; HR 15 januari 1963, ECLI:NL:HR:1963:182, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1963/229 m.nt. Van Berckel; HR 12 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC2348, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1985/474; HR 15 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0688, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1997/475, rov. 4.4; HR 26 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7231, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2000/676, rov. 3.4; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2014/108, rov. 2.3; HR 5 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:173; HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:308, rov. 2.4, met daaraan voorafgaande conclusie van A-G Hofstee; HR 10 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1312 (81 RO), met daaraan voorafgaande conclusie van A-G Harteveld.</para>
    <para />
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>