<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2022:497</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-10T00:08:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2022-05-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/03355</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:1848" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#contrair">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1848, Contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:497">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:497</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-09T14:01:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2022:497 Parket bij de Hoge Raad , 20-05-2022 / 21/03355</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2022:497:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bestuurdersaansprakelijkheid. Vennootschap is tekortgeschoten in nakoming samenwerkingsovereenkomst. Is bestuurder naast vennootschap aansprakelijk op grond van ‘gewone’ onrechtmatige daad of op grond van externe bestuurdersaansprakelijkheid?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2022:497:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>21/03355</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting </emphasis>20 mei 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>T. Hartlief</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis> (hierna: ‘ [eiser] ’),</para>
      <para>eiser tot cassatie,</para>
      <para>verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">OCS, Ortho Corpus Slim B.V.</emphasis> (hierna: ‘OCS’),</para>
      <para>verweerster in cassatie,</para>
      <para>eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak vindt haar oorsprong in een stukgelopen samenwerking tussen de vennootschap waarvan [eiser] bestuurder is (Small Bite B.V., hierna: ‘Small Bite’) en OCS. Het hof heeft geoordeeld dat Small Bite is tekortgeschoten in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst met OCS, onder meer omdat [eiser] de samenwerking heeft gefrustreerd door zich steeds meer beledigend, belasterend en bedreigend uit te laten en daardoor een onwerkbare situatie was ontstaan. Ook heeft het hof geoordeeld dat [eiser] als bestuurder van Small Bite ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom persoonlijk (hoofdelijk naast Small Bite) aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die OCS heeft geleden als gevolg van de niet-nakoming door Small Bite van haar verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst met OCS.</para>
      <para>Tegen dit laatste oordeel van het hof komt [eiser] in cassatie op. [eiser] betoogt dat het hof een verrassingsbeslissing heeft genomen door zijn oordeel op externe bestuurdersaansprakelijkheid te baseren. Volgens [eiser] is het oordeel van het hof bovendien onjuist en onbegrijpelijk, omdat het hof – kort gezegd – niet heeft onderzocht in hoeverre aan [eiser] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [eiser] klaagt ook dat het onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat [eiser] en Small Bite hoofdelijk aansprakelijk zijn, omdat het hof niet heeft onderzocht of de tekortkomingen van Small Bite dezelfde schade hebben veroorzaakt als het gewraakte handelen van [eiser] .</para>
      <para>In het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep klaagt OCS dat het onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat [eiser] niet is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst.</para>
    </parablock>
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.<footnote-ref linkend="_9e27394f-17a3-49d4-b24f-99fbfea1fb5e" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>
        [eiser] heeft een beugel ontwikkeld die de mate beperkt waarin de mond kan worden geopend; en daarmee de inname van voedsel (hierna: ‘de afslankbeugel’). Het doel van de afslankbeugel is gewichtsvermindering. Het octrooi voor de afslankbeugel is in handen van [eiser] , die de exploitatie van de afslankbeugel in Small Bite heeft ondergebracht, van welke vennootschap hij bestuurder is.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>In 2015 is OCS opgericht, met als doel om met Small Bite en [eiser] samen te werken. De enig aandeelhouder en bestuurder van OCS is Orthocenter N.V. (hierna: ‘Orthocenter’), de houdstermaatschappij van de Orthocenter groep, die in orthodontische behandelingen is gespecialiseerd en 48 praktijken in Nederland heeft. [betrokkene 1] (hierna: ‘ [betrokkene 1] ’) is statutair directeur van Orthocenter. [betrokkene 2] (hierna: ‘ [betrokkene 2] ’) is in dienst van OCS en voert het dagelijks bestuur over OCS.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <parablock>
        <para>Op 8 januari 2016 hebben OCS, Small Bite en [eiser] een samenwerkingsovereenkomst gesloten. In deze samenwerkingsovereenkomst staat, voor zover in cassatie van belang, het volgende:<footnote-ref linkend="_b3daa2df-11df-422c-8c2a-46bc8f4263df" /></para>
        <para>“<emphasis role="bold">Overwegende dat</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>(....)</para>
      <para>B. SB [Small Bite, A-G] een hulpmiddel heeft ontwikkeld bestaande uit een beugel, die na plaatsing het eetvolume bij de drager beperkt met als doel te komen tot een gewichtsafname (het hulpmiddel zoals van tijd tot tijd aangepast: de “Afslankbeugel”).</para>
      <para>C. SB een ongeveer tien maanden durende coaching, het “Begeleidingsprogramma”, heeft ontwikkeld met betrekking tot het gebruik van de Afslankbeugel waarin de patiënt onder andere verduidelijkt wordt hoe het eet- en voedingspatroon aan te passen en op welke wijze de kans op een duurzame gewichtsvermindering gemaximaliseerd kan worden (het Begeleidingsprogramma, zoals dat van tijd tot tijd wordt aangepast, tezamen met de Afslankbeugel is de “Smallbite behandeling”).</para>
      <para>D. De Smallbite behandeling, waaronder de Afslankbeugel, nog nader aangepast en verbeterd dient te worden teneinde de Smallbite behandeling (op grotere schaal) commercieel te kunnen aanbieden aan patiënten.</para>
      <para>(…)</para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">zijn overeengekomen als volgt:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">1 Exclusieve licentie</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">1.1 </emphasis>SB verleent hierbij voor de duur van deze Overeenkomst een exclusieve licentie aan OCS voor het gebruik van alle Rechten in Nederland (het “Licentierecht”), welk Licentierecht hierbij door OCS wordt aanvaard om met uitsluiting van andere (toekomstige) licentiehouders de SmallBite behandelingen in Nederland uit te voeren. [eiser] staat er voor in dat SB in staat zal zijn het Licentierecht onverkort aan OCS te verlenen.</para>
      <para>(…)</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          <emphasis role="bold">3</emphasis> Rechten en verplichtingen van SB</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          <emphasis role="bold">
            <emphasis role="bold">3.1</emphasis>
          </emphasis>
        </emphasis> SB zal aan OCS al haar kennis en ervaring ten aanzien van [de] Afslankbeugel en de Begeleidingsprogramma’ s ter beschikking stellen. SB zal (...) op verzoek van OCS de uitvinder van de Afslankbeugel, [eiser] , beschikbaar stellen om OCS te assisteren bij [het] ontwikkelen c.q. vergroten van de markt voor Smallbite behandelingen in Nederland. (…)</para>
      <para>(…)</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          <emphasis role="bold">7</emphasis> Duur en beëindiging en gevolgen einde Overeenkomst</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">7.1</emphasis> De Overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van de octrooien (...), met een minimum periode van vijf jaar (...), eindigend op 31 december 2021.</para>
      <para>(…)</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Aldus overeengekomen en ondertekend in drievoud.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <mediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="25d864d6-e1c1-4b94-81d7-43dd6a6b6886" depth="202" width="562" format="image/png" />
        </imageobject>
      </mediaobject>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Enige tijd na ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst zijn er problemen ontstaan in de samenwerking tussen partijen, met name als gevolg van problemen met de zogenoemde ‘spaken’<footnote-ref linkend="_761bda14-21e1-457b-9966-e551717a0c6f" /> van de afslankbeugel.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <parablock>
        <para>In de loop van 2016 heeft [eiser] zich onder meer op de volgende wijze uitgelaten:<footnote-ref linkend="_8d217cab-32d4-4ecd-915f-0609aca93b11" /></para>
        <para>- in een e-mail van 24 september 2016 aan onder meer [betrokkene 1] : “<emphasis role="italic">Dit lezende wordt ik nog meer boos en misselijk moet ook weer denken aan de komodovaraan </emphasis>(...)<emphasis role="italic"> ik ben niet bang van je maar wil orthocenter nu dit gelezen te hebben nog een kans maken laat je het mij sterk bepalen en netjes handelen en geen smoutige opzetjes meer want anders rollen we hard over straat </emphasis>(…)”;<footnote-ref linkend="_5751290f-5784-4e39-99fb-ddca5d519817" /></para>
        <para>- in een e-mail van 30 oktober 2016 aan een onderzoeksjournalist van Follow the Money: “(…) <emphasis role="italic">als hij door gaat met mij te naaien en Smallbite te vernietigen zet ik hem op de kaart </emphasis>(…)”;<footnote-ref linkend="_b21995f0-59e6-4f58-bd1d-16ae97c43cb7" /></para>
        <para>- in een e-mail van 30 oktober 2016 aan [betrokkene 1] : “<emphasis role="italic">Kijk [betrokkene 1] , </emphasis><emphasis role="bold italic">Je bent nu bekend bij FTM </emphasis>[Follow the Money, A-G] <emphasis role="bold italic">en dat heb je liever niet jou kennende</emphasis> (...) <emphasis role="italic">Mijn bedrijf droom en werk maak je niet verder kapot en er wordt gestopt met manipuleren en chantage ik heb je op alle manieren getracht te bewegen en er komt een moment dat het een gevecht wordt en dat moeten andere middelen ingezet</emphasis> (...)”;<footnote-ref linkend="_65547599-7e95-40b2-a793-b82de2eacfba" /></para>
        <para>- in een e-mail van 8 november 2016 aan onder meer [betrokkene 1] : “<emphasis role="bold italic">Ik zou er niet mee spotten [betrokkene 1]</emphasis><emphasis role="italic"> mijn God wordt heel erg boos als je moedwillig de lijdende mens van genezen afhoud en dat doe jij </emphasis><emphasis role="bold italic">heel hardvochtig [betrokkene 1] </emphasis><emphasis role="italic">niet jou mensen maar jij als despoot op jou zaak </emphasis><emphasis role="bold italic">hoogst persoonlijk</emphasis> (...) <emphasis role="italic">de speechschrijver van onze huidige Minister-president</emphasis> (…) <emphasis role="italic">zal in chique intellectueel Nederlands het verhaal op schrift stellen dat Orthocenter nee eigenlijk [betrokkene 1] Smallbite</emphasis> (...) <emphasis role="italic">en [eiser] moedwillig heeft lopen kapot maken en daar plezier aan beleefde.</emphasis> (...) <emphasis role="italic">En ook dat jij met je arrogantie en superioriteitsgevoelens maar niet beseft dat alle tandartsen artsen verwijzers overheid ect ook kunnen gaan vernemen in de media wat hier nu werkelijk gaande is.</emphasis> (...) <emphasis role="italic">Want mijn bescheiden indruk is dat je of evel bent of waanzinnig incompetent ziek kan ook nog</emphasis> (...)”;<footnote-ref linkend="_256a3007-bcdf-459e-9d70-a2faba5e67f2" /> en</para>
        <para>- in een e-mail van 16 november 2016 aan [betrokkene 1] : “(…) <emphasis role="bold italic">Het falen met Smallbite is slecht alleen aan jou toe te schrijven </emphasis><emphasis role="italic">omdat je </emphasis><emphasis role="bold italic">ziek</emphasis><emphasis role="italic"> bent</emphasis> (...) <emphasis role="bold italic">Er is met jou niet te werken</emphasis><emphasis role="italic"> op geen enkele manier en kan niet lukken. De reden hiervoor is dat de directeur van Orthocenter </emphasis><emphasis role="bold italic">geestes ziek</emphasis><emphasis role="italic"> is </emphasis>(...) <emphasis role="italic">Jou machtswellustige foute handelen machtsmisbruik pathologische bedriegen, diefstal, manipuleren</emphasis> (…) <emphasis role="italic">verdraaien van wat waar is en kapot maken van mensen overal ook je heen </emphasis><emphasis role="bold italic">is 1 op 1 bij de geestesziekte NPS*</emphasis><emphasis role="italic"> die jij hebt</emphasis> (...) <emphasis role="italic">Je bent een( bijna fatale) totale mislukking als mens en leider een vergissing</emphasis> (…)”.<footnote-ref linkend="_300e298a-d421-41c5-8dc9-10c86678253a" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>In november en december 2016 heeft overleg plaatsgevonden over een herziening van de samenwerking. Op 19 december 2016 heeft de advocaat van OCS een concept van een herziene samenwerkingsovereenkomst aan de advocaat van Small Bite gezonden. De advocaat van Small Bite heeft diezelfde dag laten weten dat het voorstel “<emphasis role="italic">niet acceptabel is</emphasis>” en dat OCS “<emphasis role="italic">cliënten geen andere keuze</emphasis> [laat] <emphasis role="italic">dan hun rechten voortvloeiend uit de overeenkomst uit te oefenen</emphasis>”.<footnote-ref linkend="_d45283df-9a50-48ed-b2af-b5f5f54c6c43" /> Vervolgens heeft [betrokkene 1] in een e-mail aan betrokkenen, onder wie [eiser] , laten weten dat “<emphasis role="italic">de samenwerking met SmallBite en [eiser] beëindigd zal worden</emphasis>.”<footnote-ref linkend="_a0f204e3-f5af-49ca-b7d7-622defbd2113" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8</nr>
      <para>Daarna hebben OCS en Small Bite niet meer samengewerkt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9</nr>
      <parablock>
        <para>Na de feitelijke beëindiging van de samenwerking is [eiser] blijven communiceren met onder meer [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Zo heeft [eiser] onder meer het volgende geschreven:<footnote-ref linkend="_2a0eb9be-20f1-467f-b76a-42b4794ef6bb" /></para>
        <para>- in een voicemail van 4 april 2017<footnote-ref linkend="_5d8f675b-673c-41e5-a9e2-09dbc4967ecd" /> op de telefoon van [betrokkene 2] : “(…) <emphasis role="italic">Maar Menneke, ik weet niet of jij verantwoordelijkheid voor je gezinnetje voelt, he maar uiteindelijk jaag je mensen tegen je in het harnas. en je bent aan het stelen met doe oude gek. Dus ik wil je even waarschuwen dat het gewoon totaal mis gaat lopen voor je.</emphasis> (…)”;<footnote-ref linkend="_273df211-b42f-486a-bf75-a638eaee6405" /></para>
        <para>- in een e-mail van 19 juni 2017 aan onder meer [betrokkene 1] : “(...) <emphasis role="italic">Ik vind persoonlijk je wel een slecht en verdorven mens</emphasis> (...) <emphasis role="italic">Voorlopig heb ik je wanstaltige gedragingen uit de publiciteit gehouden</emphasis> (…)”;<footnote-ref linkend="_950e2ebf-d1eb-455d-89e2-646c8b389bc1" /></para>
        <para>- in een e-mail van 18 juli 2017 aan een oud-bestuurder van Orthocenter: “<emphasis role="italic">mooi om te zien wat een varken die [betrokkene 1] is bah</emphasis>”;<footnote-ref linkend="_46ed6a19-176f-4cc4-ac39-d622b754e133" /></para>
        <para>- in een chatbericht van 3 september 2017 aan [betrokkene 1] : “(…) <emphasis role="italic">Wat ben jij een lage klootzak godverdomme kom over de brug.</emphasis> (...) <emphasis role="italic">Enorme hufter ben je.</emphasis> (…)”;<footnote-ref linkend="_670a3562-7584-42dc-b921-b4393ad66b15" /> en</para>
        <para>- in een e-mail van 30 oktober 2017 aan [betrokkene 1] : “<emphasis role="italic">wanneer begrijp jij [betrokkene 1] dat je een gore misdadiger bent</emphasis>”.<footnote-ref linkend="_40c5a7f3-2cb0-4577-bed6-1deb74bc0673" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Procesverloop</title>
    <bridgehead role="italic">Eerste aanleg</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>OCS, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben op 15 juni 2018 [eiser] en Small Bite gedagvaard voor de rechtbank Den Haag. Voor zover in cassatie nog van belang heeft OCS gevorderd om:<footnote-ref linkend="_8a93831d-0de2-4d6d-8d61-fdad68c44a82" /></para>
        <para>(i) te verklaren voor recht dat [eiser] en Small Bite toerekenbaar tekortgekomen zijn in de nakoming van hun contractuele verplichtingen jegens OCS krachtens de samenwerkingsovereenkomst en dat Small Bite en [eiser] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan door OCS geleden en te lijden schade; en</para>
        <para>(ii) [eiser] en Small Bite hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door OCS als gevolg van voormelde tekortkoming geleden schade, op te maken bij staat.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Op 17 april 2019 heeft de rechtbank de vorderingen van OCS toegewezen.<footnote-ref linkend="_af3c2a4b-4454-40b0-b77b-eef76d932de6" /> De rechtbank heeft geoordeeld dat Small Bite en [eiser] meervoudig zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun contractuele verplichtingen (rov. 4.26.) door, kort gezegd:</para>
        <para>- een ongeschikt ontwerp van de afslankbeugel aan OCS ter beschikking te stellen en een gebrek aan bereidheid te tonen om mee te werken aan het alsnog geschikt maken daarvan (rov. 4.1.-4.12.);</para>
        <para>- te hebben nagelaten een adequaat begeleidingsprogramma aan te leveren (rov. 4.13.4.16.);</para>
        <para>- in strijd te handelen met een uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende inspanningsverplichting om de overeengekomen samenwerking tot een succes te maken, door langdurig op een beledigende en intimiderende wijze met en over [betrokkene 1] te communiceren en daarbij ook derden te betrekken (rov. 4.17.-4.21.); en</para>
        <para>- de samenwerkingsovereenkomst voortijdig op te zeggen (rov. 4.22.-4.25.).</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hoger beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3 </nr>
      <para> Op 11 juli 2019 zijn [eiser] en Small Bite bij het hof Den Haag in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank.<footnote-ref linkend="_8876ef6b-1f92-41ec-a2a0-fd7284006ff1" /> </para>
      <para>Bij arrest van 4 mei 2021 (het bestreden arrest) heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd, maar alleen voor wat betreft de daarin opgenomen verklaring voor recht dat, kort gezegd, [eiser] en Small Bite toerekenbaar zijn tekortgekomen in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst (randnummer 2.1, onder (i), hiervoor). Het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende:</para>
      <para>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="right" scale="100" fileref="3b413be4-c9fb-4ed2-b4d2-ca95065ad4eb" depth="97" width="594" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Ten aanzien van de vordering van OCS tegen <emphasis role="italic">Small Bite</emphasis> heeft het hof geoordeeld dat Small Bite is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, omdat (kort gezegd) de spaken van de afslankbeugel niet voldeden, Small Bite niet (binnen een redelijke termijn) met een bruikbaar alternatief is gekomen en zij intussen de samenwerking heeft gefrustreerd door het gedrag van haar bestuurder [eiser] (rov. 34.-47.). Small Bite heeft geen cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest, dus dit oordeel staat in cassatie vast.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de vordering van OCS tegen <emphasis role="italic">[eiser]</emphasis> heeft het hof overwogen dat de rechtbank heeft geoordeeld dat niet alleen Small Bite, maar ook [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst en dat hij daarom hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade (rov. 48.). Het hof heeft geoordeeld dat van een tekortkoming van [eiser] evenwel geen sprake is:</para>
        <para> “49.	Het hof is van oordeel – anders dan de rechtbank – dat [eiser] niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden op grond van niet-nakoming van zijn contractuele verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst. [eiser] is geen partij bij de hele samenwerkingsovereenkomst. Onder de handtekening van hem persoonlijk is de nadere specificatie toegevoegd “in verband met artikel 1.1.”. Dit artikel bepaalt dat [eiser] ervoor instaat dat Small Bite het exclusieve licentierecht aan OCS kan verlenen. Niet gebleken is [dat] Small Bite dat recht niet aan OCS heeft verleend en dat [eiser] deze verplichting dus niet is nagekomen. Anders dan OCS meent, is onder de licentieverlening niet begrepen dat OCS in staat moest zijn om op basis van de door [eiser] verleende licentie in beginsel een aan alle wettelijke eisen voldoende afslankbeugel commercieel grootschalig uit te rollen. Dat dat laatste wel de bedoeling was van de tussen OCS en Small Bite gesloten samenwerkingsovereenkomst is een andere kwestie. Ook het argument van OCS dat artikel 3.1. van de samenwerkingsovereenkomst inhoudt dat [eiser] zijn verplichtingen niet is nagekomen faalt. Dat artikel bevat immers een verplichting van Small Bite om [eiser] ter beschikking te stellen en legt geen verplichting op aan [eiser] zelf.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Volgens het hof kan de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser] ten opzichte van OCS echter wel op een andere, door OCS aangevoerde, juridische grondslag worden gebaseerd:</para>
      <para>“50.	Voor het geval het hof zou oordelen dat [eiser] niet op basis van toerekenbaar tekortkomen in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen kan worden aangesproken, heeft OCS aangevoerd dat [eiser] dan op grond van onrechtmatige daad hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de door OCS geleden schade<footnote-ref linkend="_d077236e-ced1-4e7b-a9d5-b5df62939032" />. Het hof oordeelt dat dit wel slaagt. [eiser] heeft namelijk door de beledigende, grove en lasterlijke uitingen, en de daaruit voortvloeiende oncoöperatieve houding (…) de samenwerking met OCS gefrustreerd en een onwerkbare situatie gecreëerd. [eiser] heeft hiermee als bestuurder van Small Bite ernstig verwijtbaar gehandeld en kan daarom persoonlijk (hoofdelijk naast Small Bite) aansprakelijk worden gehouden voor de schade die OCS heeft geleden als gevolg van de niet-nakoming door Small Bite van haar verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst.</para>
      <para>51.	Het feit dat het hof de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser] baseert op een andere juridische grondslag dan de rechtbank, betekent dat het hof de formulering van de beslissing van de rechtbank iets zal moeten bijstellen. De uiteindelijke uitkomst blijft echter dezelfde: Small Bite en [eiser] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die OCS heeft geleden.”</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Cassatieberoep</emphasis>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Bij procesinleiding van 4 augustus 2021 heeft [eiser] – tijdig – OCS in cassatie betrokken. [eiser] heeft zijn cassatieberoep niet ingesteld ten opzichte van (de in hoger beroep nog wél betrokken) [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Small Bite heeft, als gezegd (randnummer 2.4 hiervoor), geen cassatieberoep ingesteld. Het geschil in cassatie beperkt zich dus tot de verhouding tussen [eiser] en OCS.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>OCS heeft verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Daartegen heeft [eiser] op zijn beurt verweer gevoerd. Partijen hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk toegelicht.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het middel in het principale cassatieberoep</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>Het cassatiemiddel van [eiser] bestaat uit twee onderdelen, die ik achtereenvolgens beoordeel.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onderdeel I</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>In dit onderdeel, dat uiteenvalt in vijf subonderdelen (I.A tot en met I.E), bestrijdt [eiser] rov. 50. van het bestreden arrest. Daarin heeft het hof geoordeeld dat [eiser] als bestuurder van Small Bite ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom persoonlijk (hoofdelijk naast Small Bite) aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die OCS heeft geleden. Alle klachten in dit onderdeel gaan ervan uit dat het oordeel van het hof op externe bestuurdersaansprakelijkheid is gebaseerd. [eiser] stelt dit duidelijk in de procesinleiding:<footnote-ref linkend="_8d168177-4ea1-4d2d-a486-4c62d84ed359" /></para>
      <para>“De klachten richten zich voornamelijk tegen de privé-aansprakelijkheid van [eiser] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, dus tegen rov. 50 (<emphasis role="bold">onderdeel I</emphasis>).”</para>
      <para>En:</para>
      <para>“Het Hof oordeelt in rov. 50 dat [eiser] a) als bestuurder b) ernstig verwijtbaar<footnote-ref linkend="_27e2b624-026b-489a-9bdc-b34e7b3fde6b" /> heeft gehandeld. Het oordeel van het Hof kan dus niet anders worden begrepen dan dat het is gebaseerd op externe bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW.<footnote-ref linkend="_7320f34a-1e71-4574-94de-9db427768843" /> Dat leidt tot de volgende klachten.”</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Wat mij betreft is het echter de vraag of het oordeel van het hof op externe bestuurdersaansprakelijkheid is gebaseerd. De slotzin van rov. 50. wijst inderdaad in die richting. Het hof heeft daarin geoordeeld dat [eiser] “<emphasis role="italic">als bestuurder van Small Bite ernstig verwijtbaar</emphasis>” heeft gehandeld en daarom “<emphasis role="italic">persoonlijk (hoofdelijk naast Small Bite)</emphasis>” aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die OCS heeft geleden. Dit woordgebruik – hoewel niet geheel juist;<footnote-ref linkend="_3278c883-aca3-4e85-b413-d98714b3b29e" /> de correcte terminologie bij bestuurdersaansprakelijkheid is dat de bestuurder “<emphasis role="italic">persoonlijk een ernstig verwijt</emphasis>” kan worden gemaakt<footnote-ref linkend="_505b4e5e-8811-4004-a716-acc088990cb7" /> – doet (sterk) vermoeden dat het hof bestuurdersaansprakelijkheid op het oog heeft gehad.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Tegelijkertijd zijn er aanwijzingen dat het hof zijn oordeel niet op externe bestuurdersaansprakelijkheid heeft gebaseerd, maar op een ‘gewone’ onrechtmatige daad.<footnote-ref linkend="_277847d0-ffe7-44a4-8b87-6b2f231018fa" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <parablock>
        <para>Ten eerste heeft het hof in de eerste zin van rov. 50. overwogen dat OCS heeft aangevoerd dat [eiser] op grond van “<emphasis role="italic">onrechtmatige daad</emphasis>” hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de door OCS geleden schade als [eiser] niet op basis van wanprestatie kan worden aangesproken. Het hof heeft daarbij in een voetnoot (voetnoot 2) verwezen naar de memorie van antwoord van OCS, onder IX.14. Daar heeft OCS het volgende gesteld:</para>
        <para> “Voor zover overigens uw gerechtshof desondanks mocht concluderen dat [eiser] niet op basis van toerekenbaar tekortkomen in zijn verplichtingen krachtens de Samenwerkingsovereenkomst hoofdelijk aansprakelijk is jegens OCS, moet [eiser] persoonlijk op basis van onrechtmatige daad jegens OCS aansprakelijk worden gehouden. Er kan tenslotte niet anders worden geconcludeerd dan dat zijn handelen en nalaten zoals al uitvoerig in eerste aanleg en in deze Memorie van Antwoord [is uiteengezet, A-G] apert in strijd is met hetgeen in het maatschappelijk verkeer [betaamt, A-G] en iedere kans om de samenwerking met OCS tot een succes te maken heeft gefrustreerd.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Dit betoog van OCS, waarnaar het hof dus expliciet heeft verwezen, ziet niet op externe bestuurdersaansprakelijkheid, maar op een ‘gewone’ onrechtmatige daad van [eiser] , die volgens OCS heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het hof heeft in de tweede zin van rov. 50. geoordeeld dat dit (betoog van OCS) slaagt. Dit duidt erop dat het hof zijn oordeel op een ‘gewone’ onrechtmatige daad heeft gebaseerd, zoals OCS heeft aangevoerd, en niet op externe bestuurdersaansprakelijkheid.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Ten tweede ging het partijdebat in feitelijke instanties niet over bestuurdersaansprakelijkheid van [eiser] . OCS heeft haar vorderingen ook niet op bestuurdersaansprakelijkheid gegrond. Sterker nog, OCS heeft min of meer gesteld dat bestuurdersaansprakelijkheid <emphasis role="italic">niet</emphasis> aan de orde is. Toen [eiser] in zijn memorie van grieven betoogde dat (ook) voor bestuurdersaansprakelijkheid geen grond is,<footnote-ref linkend="_246ff84a-d5ce-4d84-89dc-e658d7cd46af" /> heeft OCS in reactie daarop gesteld dat OCS het standpunt van [eiser] niet kan volgen, nu de rechtbank in het geheel niet van bestuurdersaansprakelijkheid rept.<footnote-ref linkend="_8aa2922b-14a6-4685-b75c-f2ad62ac5ba5" /> Bij deze stand van zaken ligt het niet direct voor de hand dat het hof zijn oordeel tóch op bestuurdersaansprakelijkheid heeft gegrond. Dit zou het hof dan onder – stilzwijgende (?) – aanvulling van de rechtsgronden moeten hebben gedaan en zonder partijen eerst de gelegenheid te hebben geboden om zich alsnog over die grondslag uit te laten. Een dergelijke gang van zaken ligt niet direct voor de hand.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Kortom, waar de slotzin van rov. 50. meer weg heeft van een bestuurdersaansprakelijkheidsoordeel, wijst het begin van rov. 50. juist in de richting van een ‘gewoon’ onrechtmatige daadsoordeel.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>De knoop over de grondslag van het oordeel van het hof hoeft wat mij betreft niet te worden doorgehakt – in het midden kan dus blijven op welke grondslag het oordeel van het hof is gebaseerd (bestuurdersaansprakelijkheid of een ‘gewone’ onrechtmatige daad) – omdat mijns inziens in beide lezingen het oordeel van het hof geen stand houdt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <para>Indien het oordeel van het hof, zoals [eiser] betoogt, op bestuurdersaansprakelijkheid is gegrond, heeft het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing genomen.<footnote-ref linkend="_0655070d-3bf8-4d0e-a734-e77a4cd833d5" /> Het partijdebat zag immers niet op bestuurdersaansprakelijkheid (randnummer 3.7 hiervoor). Het hof had daarom, voordat het ambtshalve de rechtsgronden zou aanvullen, partijen in de gelegenheid moeten stellen om zich over de rechtsgrond bestuurdersaansprakelijkheid uit te laten, bijvoorbeeld ten tijde van het op 26 november 2020 gehouden pleidooi.<footnote-ref linkend="_56b2ca57-98c3-43d9-8dce-0fe7f3f72c7c" /> Dat is niet gebeurd. Ervan uitgaande dat het oordeel van het hof op bestuurdersaansprakelijkheid is gebaseerd, slaagt dus de klacht in onderdeel 1.A. Daarbij komt dat, zoals [eiser] in de onderdelen I.B tot en met I.E betoogt, het oordeel van het hof onjuist dan wel onbegrijpelijk is als het op bestuurdersaansprakelijkheid is gegrond, omdat het hof niet (op juiste wijze) de verzwaarde maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid heeft toegepast.<footnote-ref linkend="_253dbc88-ab13-403c-b7e1-523b7d9cb818" /> Het hof spreekt van “<emphasis role="italic">ernstig verwijtbaar</emphasis>” handelen van [eiser] . Daaruit blijkt wat mij betreft onvoldoende (duidelijk) dat het hof heeft onderzocht of [eiser] in zijn hoedanigheid van bestuurder van Small Bite persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, hetgeen een vereiste is voor bestuurdersaansprakelijkheid.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>Indien ervan wordt uitgegaan dat het hof zijn oordeel niet op bestuurdersaansprakelijkheid heeft gebaseerd, maar op de ‘gewone’ onrechtmatige daad, dan heeft het hof een onjuiste maatstaf toegepast. Bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van [eiser] moet immers onderscheid worden gemaakt tussen het handelen van [eiser] bij zijn taakvervulling<emphasis role="italic"> als bestuurder van Small Bite</emphasis> en tussen zijn handelen in een<emphasis role="italic"> andere hoedanigheid</emphasis>.<footnote-ref linkend="_819c3b45-cb5a-40f8-8c03-a9d6c96ad6aa" /> Het hof is ervan uitgegaan dat [eiser] handelde bij zijn taakvervulling als bestuurder van Small Bite. Dit staat met zoveel woorden in rov. 50.: “<emphasis role="italic"> heeft hiermee als bestuurder van Small Bite</emphasis>…”. Het kan ook worden afgeleid uit rov. 45. en 47., waarin het hof heeft geconcludeerd dat de samenwerking “<emphasis role="italic">door het gedrag van haar bestuurder [eiser]</emphasis>” zodanig is gefrustreerd dat een onwerkbare situatie is ontstaan. Uit niets blijkt dat [eiser] in zijn communicatie met OCS in een andere hoedanigheid handelde dan als bestuurder van Small Bite. Nu sprake is van handelen van [eiser] bij zijn taakvervulling <emphasis role="italic">als bestuurder van Small Bite</emphasis>, dient de vraag of hij persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die OCS ten gevolge van de wanprestatie van Small Bite heeft geleden, overeenkomstig de verzwaarde maatstaf van een ernstig verwijt te worden beantwoord.<footnote-ref linkend="_21b53933-010f-4287-95b3-c8a824c27e71" /> Het hof heeft die verzwaarde maatstaf niet aangelegd indien het bij zijn oordeel is uitgegaan van een ‘gewone’ onrechtmatige daad van [eiser] .</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>OCS heeft aangevoerd dat bij deze lezing van het bestreden arrest – het oordeel van het hof is op een ‘gewone’ onrechtmatige daad gebaseerd en niet op bestuurdersaansprakelijkheid – de klachten van [eiser] feitelijke grondslag missen, omdat de klachten er alle van uitgaan dat het hof heeft geoordeeld dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid (randnummer 3.2 hiervoor).<footnote-ref linkend="_6e9ccb6b-dc49-4c72-8267-762d9e711786" /> Ik ga niet mee in dit betoog van OCS, omdat ik meen dat de klachten van [eiser] niet dermate strikt moet worden uitgelegd, maar – binnen de grenzen van het kenbaarheidsbeginsel<footnote-ref linkend="_591773a4-f38e-4d52-8bf4-6e18859e1a38" /> – welwillend moeten worden gelezen.<footnote-ref linkend="_2a44329e-cc06-46a5-b488-52f39a94ee20" /> In de kern betoogt [eiser] (in de onderdelen I.B tot en met I.E) dat het hof de verzwaarde maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid niet, onjuist of op onbegrijpelijke wijze heeft toegepast. Gelet op het verweer van OCS in cassatie, was deze strekking van de klachten ook voor OCS kenbaar. Uit hetgeen ik in randnummer 3.11 hiervoor heb uiteenzet, heeft [eiser] deze klachten terecht voorgesteld, ook als ervan moet worden uitgegaan dat ze op een onjuist uitgangspunt (namelijk op bestuurdersaansprakelijkheid) zijn gegrond.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande ben ik van oordeel dat het bestreden arrest moet worden vernietigd. Na vernietiging en verwijzing dient het verwijzingshof (onder aanvulling van de rechtsgrond bestuurdersaansprakelijkheid) te beoordelen of [eiser] ter zake van de benadeling van OCS persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onderdeel II</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14</nr>
      <para>
        [eiser] klaagt dat het onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 50. van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat [eiser] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die OCS heeft geleden als gevolg van de niet-nakoming door Small Bite van haar verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst. Volgens [eiser] heeft het hof hem zonder enige motivering hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de schade als gevolg van de tekortkoming van Small Bite, terwijl die tekortkoming aanzienlijk méér omvatte dan het gewraakte handelen van [eiser] . De onrechtmatige daad van [eiser] bestaat er immers (in de ogen van het hof) uit dat [eiser] de samenwerking met OCS heeft gefrustreerd en een onwerkbare situatie heeft gecreëerd. De tekortkoming van Small Bite bestaat echter uit drie verschillende verwijten – (i) de afslankbeugel voldeed niet, (ii) Small Bite kwam niet (tijdig) met een bruikbaar alternatief en (iii) de samenwerking is gefrustreerd door het gedrag van [eiser] (randnummer 2.4 hiervoor) – waarvan alleen het verwijt onder (iii) aan [eiser] persoonlijk kan worden gemaakt. [eiser] betoogt dat het hof daarom had moeten nagaan of de onrechtmatige daad van [eiser] <emphasis role="italic">dezelfde schade</emphasis> heeft veroorzaakt als de tekortkoming van Small Bite.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15</nr>
      <parablock>
        <para>Deze klachten slagen in het spoor van de slagende klachten van onderdeel I. Zoals gezegd (randnummers 3.9 e.v. hiervoor), houdt het oordeel van het hof – dat [eiser] als bestuurder van Small Bite ernstig verwijtbaar heeft gehandeld – of het nu op ‘gewone’ onrechtmatige daad is gebaseerd of op bestuurdersaansprakelijkheid – mijns inziens in cassatie geen stand. Dit betekent dat het daarop voortbouwende oordeel van het hof – dat [eiser] en Small Bite hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die OCS heeft geleden – evenmin stand kan houden. Het verwijzingshof zal, na vernietiging en verwijzing, moeten beoordelen of bestuurder [eiser] ter zake van de benadeling van OCS persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (randnummer 3.13 hiervoor). Indien het verwijzingshof oordeelt dat dit het geval is, zijn [eiser] en Small Bite hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die OCS heeft geleden als gevolg van de niet-nakoming door Small Bite van haar verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst. Indien het verwijzingshof echter oordeelt dat [eiser] in zijn hoedanigheid van bestuurder van Small Bite niet persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake van de benadeling van OCS, kan van hoofdelijke aansprakelijkheid evenmin sprake zijn.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom van de beoordeling in het principale cassatieberoep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16</nr>
      <para>De slotsom van de beoordeling in het principale cassatieberoep luidt dat de klachten in de onderdelen I en II (gedeeltelijk) slagen.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>OCS heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep slaagt. Aangezien die voorwaarde mijns inziens is vervuld (randnummer 3.16 hiervoor), ga ik over tot beoordeling van de klachten in het incidentele cassatieberoep.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>OCS komt op tegen rov. 49. van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat [eiser] niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden op grond van niet-nakoming van zijn contractuele verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst, omdat [eiser] geen partij is bij de hele samenwerkingsovereenkomst.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>OCS betoogt onder <emphasis role="underline">randnummer 1 van haar verweerschrift</emphasis> dat dit oordeel onjuist of onbegrijpelijk is, omdat op grond van de omstandigheden van dit geval uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit, of kan voortvloeien, dat op [eiser] de verbintenis rust om zich terzake van de gehele overeenkomst te onthouden van gedragingen die de samenwerking tussen partijen onmogelijk maken.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Deze klachten falen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Uit de woorden “<emphasis role="italic">anders dan de rechtbank</emphasis>” in de eerste zin van rov. 49. blijkt dat het hof niet is meegegaan met het oordeel van de rechtbank dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat op zowel [eiser] als Small Bite een inspanningsverplichting rustte om van de overeengekomen samenwerking een succes te maken (rov. 4.17.-4.21. van het vonnis van 17 april 2019). Dit oordeel van het hof is sterk verweven met waarderingen van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Mijns inziens is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, mede in het licht van het feit dat [eiser] de samenwerkingsovereenkomst slechts heeft ondertekend in verband met artikel 1.1 daarvan (randnummer 1.4 hiervoor). Partijen hebben er dus bewust voor gekozen om [eiser] niet aan de gehele overeenkomst te binden en zij hebben er ook voor gekozen om géén expliciete inspanningsverplichting op [eiser] te laten rusten om van de overeengekomen samenwerking een succes te maken. Daarbij komt dat het aannemen van een op de redelijkheid en billijkheid gestoelde inspanningsverplichting voor bestuurder [eiser] in dit geval in wezen erop neerkomt dat daarmee de verzwaarde maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid ( [eiser] moet persoonlijk een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt, randnummer 3.11 hiervoor) wordt ‘omzeild’. Ook om deze reden is het niet onbegrijpelijk dat het hof geen op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde inspanningsverplichting van [eiser] heeft aangenomen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>OCS klaagt onder <emphasis role="underline">randnummer 2 van haar verweerschrift</emphasis> dat het hof op grond van art. 25 Rv de rechtsgronden had moeten aanvullen, voor het geval het van oordeel was dat OCS zich onvoldoende duidelijk op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft beroepen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <parablock>
        <para>Deze klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. Uit niets blijkt dat het hof heeft geoordeeld dat OCS zich niet voldoende duidelijk op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft beroepen. OCS licht ook niet toe waaruit dit zou moeten blijken.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom van de beoordeling in het incidentele cassatieberoep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>De slotsom van de beoordeling in het incidentele cassatieberoep luidt dat de klachten niet tot cassatie leiden.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Conclusie</title>
    <para>De conclusie strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing en in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9e27394f-17a3-49d4-b24f-99fbfea1fb5e" label="1">
    <para> 	Ontleend aan de in cassatie niet bestreden rov. 3. tot en met 16. van het bestreden arrest (hof Den Haag 4 mei 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1669), voor zover in cassatie nog van belang.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b3daa2df-11df-422c-8c2a-46bc8f4263df" label="2">
    <para> 	Productie 10 bij de dagvaarding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_761bda14-21e1-457b-9966-e551717a0c6f" label="3">
    <para> 	De ‘spaken’ zijn de verticale verbindingsstukken tussen het deel van de beugel dat aan de onderkaak is bevestigd en het deel dat aan de bovenkaak is bevestigd. De spaken beperken de mate waarin de mond kan worden geopend.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8d217cab-32d4-4ecd-915f-0609aca93b11" label="4">
    <para> 	Dit betreft een selectie van de uitlatingen van [eiser] , waarbij ik ben uitgegaan van de weergave van het hof in rov. 12. van het bestreden arrest. Ik heb die weergave hier en daar enigszins ingekort en op andere plekken wat aangevuld. Ik verwijs naar de onderliggende producties voor de volledige weergave van de uitlatingen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5751290f-5784-4e39-99fb-ddca5d519817" label="5">
    <para> 	Productie 31 bij de dagvaarding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b21995f0-59e6-4f58-bd1d-16ae97c43cb7" label="6">
    <para> 	Productie 58 bij de dagvaarding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_65547599-7e95-40b2-a793-b82de2eacfba" label="7">
    <para> 	Productie 58 bij de dagvaarding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_256a3007-bcdf-459e-9d70-a2faba5e67f2" label="8">
    <para> 	Productie 56 bij de dagvaarding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_300e298a-d421-41c5-8dc9-10c86678253a" label="9">
    <para> 	Productie 56 bij de dagvaarding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d45283df-9a50-48ed-b2af-b5f5f54c6c43" label="10">
    <para> 	Productie 44 bij de dagvaarding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a0f204e3-f5af-49ca-b7d7-622defbd2113" label="11">
    <para> 	Productie 43 bij de dagvaarding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2a0eb9be-20f1-467f-b76a-42b4794ef6bb" label="12">
    <para> 	Dit betreft wederom een selectie van de uitlatingen van [eiser] , waarbij ik ditmaal ben uitgegaan van de weergave van het hof in rov. 16. van het bestreden arrest, die ik ook hier enigszins heb ingekort en op andere plekken wat heb aangevuld. Ik verwijs naar de onderliggende producties voor de volledige weergave van de uitlatingen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5d8f675b-673c-41e5-a9e2-09dbc4967ecd" label="13">
    <para> 	Het hof gaat in rov. 16., onder (b), ervan uit dat het gaat om een voicemail van 4 juli 2017, maar dat is de datum waarop de voicemail is uitgeschreven (zie productie 64 bij de dagvaarding). De voicemail zelf dateert van 4 april 2017 (20:55 uur). In cassatie speelt dit overigens geen rol.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_273df211-b42f-486a-bf75-a638eaee6405" label="14">
    <para> 	Productie 64 bij de dagvaarding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_950e2ebf-d1eb-455d-89e2-646c8b389bc1" label="15">
    <para> 	Productie 59 bij de dagvaarding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_46ed6a19-176f-4cc4-ac39-d622b754e133" label="16">
    <para> 	Productie 8 bij de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_670a3562-7584-42dc-b921-b4393ad66b15" label="17">
    <para> 	Productie 60 bij de dagvaarding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_40c5a7f3-2cb0-4577-bed6-1deb74bc0673" label="18">
    <para> 	Productie 79 bij de conclusie van antwoord in reconventie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a93831d-0de2-4d6d-8d61-fdad68c44a82" label="19">
    <para> 	Daarnaast hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vorderingen ingesteld tegen [eiser] en hebben Small Bite en [eiser] reconventionele vorderingen ingesteld tegen OCS. Deze vorderingen spelen in cassatie geen rol en laat ik dus buiten beschouwing.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_af3c2a4b-4454-40b0-b77b-eef76d932de6" label="20">
    <para> 	Rb. Den Haag 17 april 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:3795.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8876ef6b-1f92-41ec-a2a0-fd7284006ff1" label="21">
    <para> 	[betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben incidenteel appel ingesteld, maar dat beroep is in cassatie niet relevant. Ik laat het incidentele appel daarom buiten beschouwing.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d077236e-ced1-4e7b-a9d5-b5df62939032" label="22">
    <para> 	Het hof verwijst hier in een voetnoot naar de memorie van antwoord, onder IX.14.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8d168177-4ea1-4d2d-a486-4c62d84ed359" label="23">
    <para> 	Zie de laatste alinea van de inleiding in de procesinleiding (p. 3) en randnummer 3. van de procesinleiding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_27e2b624-026b-489a-9bdc-b34e7b3fde6b" label="24">
    <para> 	[eiser] stelt hier in een voetnoot (voetnoot 6 in de procesinleiding): “<emphasis role="italic">De term ernstig verwijtbaar handelen lijkt meer op arbeidsrechtelijke terminologie, maar het is duidelijk dat in deze zaak het Hof doelt op een (persoonlijk) ernstig verwijt aan het adres van [eiser]</emphasis>.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7320f34a-1e71-4574-94de-9db427768843" label="25">
    <para> 	[eiser] stelt hier in een voetnoot (voetnoot 7 in de procesinleiding): “<emphasis role="italic">Zie ook rov. 47, waar het Hof het heeft over Small Bite en “het gedrag van haar bestuurder [eiser] ”.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3278c883-aca3-4e85-b413-d98714b3b29e" label="26">
    <para> 	Ook [eiser] stelt in voetnoot 6 van zijn procesinleiding dat de door het hof gebruikte terminologie “<emphasis role="italic">ernstig verwijtbaar</emphasis>” meer lijkt op arbeidsrechtelijke terminologie dan op de terminologie die in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid wordt gebruikt.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_505b4e5e-8811-4004-a716-acc088990cb7" label="27">
    <para> 	Zie bijvoorbeeld HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2015/21 m.nt. P. van Schilfgaarde, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2014/296 m.nt. M.J. Kroeze en <emphasis role="italic">Ars Aequi</emphasis> 2014, p. 933 e.v. m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (<emphasis role="italic">Tulip Air</emphasis>), rov. 3.5.2, HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2015/22 m.nt. P. van Schilfgaarde en <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2014/325 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (<emphasis role="italic">RCI Financial Services B.V.</emphasis>), rov. 4.2 en HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2018/330 m.nt. P. van Schilfgaarde, <emphasis role="italic">Ondernemingsrecht</emphasis> 2018/81 m.nt. M.L. Lennarts, <emphasis role="italic">JIN</emphasis> 2018/95 m.nt. R.A. Wolf en <emphasis role="italic">Ars Aequi</emphasis> 2018, p. 502 e.v. m.nt. B.F. Assink (<emphasis role="italic">TMF</emphasis>), rov. 3.3.2. Zie overigens ook F.B. Bakels, ‘Totstandkoming en uitleg van uitspraken van de Hoge Raad’, <emphasis role="italic">Ars Aequi</emphasis> 2015, p. 933-934.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_277847d0-ffe7-44a4-8b87-6b2f231018fa" label="28">
    <para> 	Ik merk in dit kader voor de volledigheid op dat, hoewel externe bestuurdersaansprakelijkheid óók op art. 6:162 BW is gebaseerd, het toch (zeer) van belang is om te onderscheiden tussen de verschillende aansprakelijkheden. Bij externe bestuurdersaansprakelijkheid geldt immers de verzwaarde maatstaf van een persoonlijk ernstig verwijt, een maatstaf die niet aan de orde is bij aansprakelijkheid gebaseerd op de ‘gewone’ onrechtmatige daad (randnummers 3.10 en 3.11 hierna).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_246ff84a-d5ce-4d84-89dc-e658d7cd46af" label="29">
    <para> 	Randnummers 11.2.10. en 11.2.11. (pagina’s 48 en 49) van de memorie van grieven.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8aa2922b-14a6-4685-b75c-f2ad62ac5ba5" label="30">
    <para> 	Randnummer IX.12 van de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel. OCS verwijst daar naar het standpunt van [eiser] c.s. ter zake van “<emphasis role="italic">r.o. 4.1</emphasis>”, maar dat betreft een verschrijving en moet rov. 4.21. zijn, waarin de rechtbank de gewraakte uitlatingen van [eiser] heeft beoordeeld.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0655070d-3bf8-4d0e-a734-e77a4cd833d5" label="31">
    <para> 	Zie Asser Procesrecht/E. Korthals Altes &amp; H. Groen, <emphasis role="italic">Deel 7. Cassatie in burgerlijke zaken</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 206: “<emphasis role="italic">Volgens de Hoge Raad is het een fundamenteel beginsel van procesrecht dat partijen over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan de rechterlijke beslissing, voldoende moeten zijn gehoord en niet mogen worden verrast met een beslissing van de rechter, waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat, geen rekening behoefden te houden.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_56b2ca57-98c3-43d9-8dce-0fe7f3f72c7c" label="32">
    <para> 	Zie bijvoorbeeld de Arubaanse zaak HR 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:212, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2014/89 (<emphasis role="italic">Koolman c.s./Arubags &amp; More N.V.</emphasis>), rov. 3.5.1: “(…) <emphasis role="italic">Hij</emphasis> [de appelrechter, A-G] <emphasis role="italic">mag evenmin handelen in strijd met het fundamentele beginsel van procesrecht dat partijen over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan de rechterlijke beslissing, voldoende moeten zijn gehoord en niet mogen worden verrast door een beslissing van de rechter waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat, geen rekening behoefden te houden </emphasis>(…).” Uw Raad verwijst daarbij naar de Antilliaanse zaak HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3997, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/34 m.nt. W.D.H. Asser (<emphasis role="italic">Panama Caribic Overseas Savings SA/Stichting Town House Development Foundation</emphasis>), waarin Uw Raad onder meer het volgende in rov. 3.4 heeft overwogen: “<emphasis role="italic">Aldus heeft het Hof een oordeel gegeven waarop Caribic niet bedacht behoefde te zijn. Het Hof heeft vervolgens nagelaten aan partijen, en in het bijzonder aan Caribic, de gelegenheid te geven zich (alsnog) uit te laten over, of hun stellingen aan te passen aan, de door het Hof voor juist gehouden, doch door partijen in hoger beroep niet besproken, maatstaf, welke voor de afloop van het geding beslissend zou zijn</emphasis>.” Zie ook HR 17 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0358, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/39, rov. 3.3 (wederom een Antilliaanse zaak).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_253dbc88-ab13-403c-b7e1-523b7d9cb818" label="33">
    <para> 	HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2015/21 m.nt. P. van Schilfgaarde, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2014/296 m.nt. M.J. Kroeze en <emphasis role="italic">Ars Aequi</emphasis> 2014, p. 933 e.v. m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (<emphasis role="italic">Tulip Air</emphasis>), rov. 3.5.2-3.5.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_819c3b45-cb5a-40f8-8c03-a9d6c96ad6aa" label="34">
    <para> 	Zie in deze zin HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2015/21 m.nt. P. van Schilfgaarde, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2014/296 m.nt. M.J. Kroeze en <emphasis role="italic">Ars Aequi</emphasis> 2014, p. 933 e.v. m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (<emphasis role="italic">Tulip Air</emphasis>), rov. 3.5.2-3.5.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_21b53933-010f-4287-95b3-c8a824c27e71" label="35">
    <para> 	HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2015/21 m.nt. P. van Schilfgaarde, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2014/296 m.nt. M.J. Kroeze en <emphasis role="italic">Ars Aequi</emphasis> 2014, p. 933 e.v. m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (<emphasis role="italic">Tulip Air</emphasis>), rov. 3.5.2-3.5.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6e9ccb6b-dc49-4c72-8267-762d9e711786" label="36">
    <para> 	Schriftelijke toelichting van OCS, randnummer 1.0.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_591773a4-f38e-4d52-8bf4-6e18859e1a38" label="37">
    <para> 	Zowel voor de wederpartij als voor de rechter moet kenbaar zijn waarover het debat in cassatie gaat. Zie Asser Procesrecht/E. Korthals Altes &amp; H. Groen, <emphasis role="italic">Deel 7. Cassatie in burgerlijke zaken</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 217 en ook B.T.M. van der Wiel, in N.T. Dempsey, J.F. de Groot, A. Knigge, A.E.H. van der Voort Maarschalk en B.T.M. van der Wiel (red.), <emphasis role="italic">Cassatie</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 103, waar over het “<emphasis role="italic">kenbaarheidsvereiste</emphasis>” wordt gesproken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2a44329e-cc06-46a5-b488-52f39a94ee20" label="38">
    <para> 	Zie in deze zin ook A. Hammerstein, ‘Aan een cassatiemiddel te stellen eisen ofwel: een paardenmiddel’, in M. Bruning en A. van Staden ten Brink (red.), <emphasis role="italic">Met recht bevlogen. Liber amicorum mr. Eduard van Staden ten Brink</emphasis>, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2017, p. 15: “<emphasis role="italic">Zeker van de hoogste rechter mag worden verlangd dat deze met welwillendheid de klachten leest en probeert te begrijpen in de context van de bestreden uitspraak en zich alleen als het niet anders kan, bedient van het vorenbedoelde paardenmiddel</emphasis>”, waarbij met “<emphasis role="italic">paardenmiddel</emphasis>” op (het niet voldoen aan) de aan een middel te stellen eisen (op grond van art. 407 lid 2 Rv) wordt gedoeld.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>