<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2022:35</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-09T14:23:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2022-01-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/00785</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:335" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:335</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:35">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:35</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-18T13:36:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2022:35 Parket bij de Hoge Raad , 18-01-2022 / 21/00785</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2022:35:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Het advies houdt in dat het cassatieberoep te laat is ingesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2022:35:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>PROCUREUR-GENERAAL</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJ DE</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>21/00785 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>		18 januari 2022 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>CONCLUSIE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>B.F. Keulen </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] , </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>De verdachte is bij arrest van 4 april 2019 door het Gerechtshof Den Haag wegens ‘overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’, veroordeeld tot een geldboete van € 150, subsidiair 3 dagen hechtenis. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>De ontvankelijkheid van het cassatieberoep vraagt de aandacht. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep op 11 februari 2019 in persoon aan de verdachte is betekend. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2019 is de verdachte aldaar verschenen. Dit brengt mee dat het cassatieberoep op grond van art. 432, eerste lid, aanhef en onder a en b, Sv binnen veertien dagen na de uitspraak van het hof en dus uiterlijk op 18 april 2019 kon worden ingesteld. Uit de akte cassatie blijkt dat het cassatieberoep op 24 februari 2021 – en derhalve (ruim) na het verstrijken van de termijn – is ingesteld.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde.<footnote-ref linkend="_d3a98cae-8ec2-46c9-b2c8-27a1185462d9" /> Overschrijding van de termijn voor het instellen van beroep in cassatie door de verdachte betekent in de regel dat de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen. Dat is anders indien sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Daarbij kan worden gedacht aan voor het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt of aan een zodanige psychische stoornis bij de verdachte dat in verband daarmee het verzuim tijdig beroep in cassatie in te stellen niet aan hem kan worden toegerekend.<footnote-ref linkend="_9b1d1231-7f2f-4972-9ef1-f13fc776b092" /></para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para>5. In de cassatieschriftuur wordt niet ingegaan op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het  voorgestelde middel houdt – kort gezegd – de klacht in dat in strijd met artikel 48 Sv de raadsman van de verdachte niet is opgeroepen voor de terechtzitting in hoger beroep. </para>
    <para>6. Op grond van art. 48 Sv ontvangt de raadsman onverwijld afschrift van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht (behoudens het bepaalde in art. 32, tweede lid, Sv).<footnote-ref linkend="_0d06a223-0e05-4cec-a532-eab3a864ec3f" /> Uw Raad acht dit voorschrift van zo grote betekenis dat de niet-nakoming daarvan moet worden geacht ‘aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.<footnote-ref linkend="_ecbeae2b-e289-4295-80d4-76683d92280e" /> De niet-naleving van dat artikel brengt evenwel niet mee dat overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar is.<footnote-ref linkend="_a8a7bee3-5dcc-4e93-bea8-70c85f381a23" /></para>
    <para>7. Ik wijs er in dit verband nog op dat op de (in persoon aan de verdachte uitgereikte) dagvaarding in hoger beroep staat vermeld: ‘Tegen een uitspraak kan beroep in cassatie worden ingesteld. In het algemeen loopt de termijn voor het aanwenden van dit rechtsmiddel slechts gedurende 14 dagen na de uitspraak’. Voorts wijs ik op het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, waaruit blijkt dat door de voorzitter is medegedeeld ‘dat de verdachte uiterlijk veertien dagen na heden beroep in cassatie kan instellen’.</para>
    <para>8. Nu het beroep te laat is ingesteld en zich geen omstandigheden voordoen op grond waarvan de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar is, kan de verdachte niet in het cassatieberoep worden ontvangen.</para>
    <para>9. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>AG</title>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_d3a98cae-8ec2-46c9-b2c8-27a1185462d9" label="1">
    <para> 	Zie onder meer HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1995/500 m.nt. Schalken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9b1d1231-7f2f-4972-9ef1-f13fc776b092" label="2">
    <para>Vgl. onder meer HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/181.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0d06a223-0e05-4cec-a532-eab3a864ec3f" label="3">
    <para> 	Ingevolge de Wet van 17 november 2016, houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen, <emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 2016, 476, is art. 51 (oud) Sv vervallen; de inhoud is verplaatst naar art. 48 Sv. Deze wet trad op 1 maart 2017 in werking (<emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 2017, 66). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ecbeae2b-e289-4295-80d4-76683d92280e" label="4">
    <para> 	Zie met betrekking tot art. 51 (oud) Sv onder meer HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1453 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3225. Uw Raad betrekt deze regel in laatstgenoemd arrest ook op het thans geldende art. 48 Sv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8a7bee3-5dcc-4e93-bea8-70c85f381a23" label="5">
    <para> 	Vgl. HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6401, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2007/651 alsmede (de conclusie van A-G Bleichrodt voor) HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:753 (art. 81 RO).</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>