<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2022:346</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-06T16:13:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2022-04-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/01249</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:1866" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1866, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2022/1042 met annotatie van Eva Roosendaal</rdf:li>
          <rdf:li>JBPr 2023/24 met annotatie van mr. J.W.M. Hagelaars</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:346">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:346</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-16T11:33:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2022:346 Parket bij de Hoge Raad , 01-04-2022 / 21/01249</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2022:346:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Collectieve actie. Ontvankelijkheid vordering belangenorganisatie. Taakverdeling tussen bestuursrechter en civiele rechter. Privacyrecht. Verstrekking inkomensverklaring door Belastingdienst aan verhuurders sociale huurwoningen i.v.m. scheefwonen (art. 7:252a BW).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2022:346:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>21/01249</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting </emphasis>1 april 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>B.J. Drijber</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para> In de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De Staat der Nederlanden</emphasis> (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),                        eiser tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,                                                     advocaat: mr. M.W. Scheltema,                                     </para>
      <para>tegen                       </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid      De Nederlandse Woonbond</emphasis>,                           verweerder in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep,                                                            advocaat: mr. P.A. Fruytier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">INHOUDSOPGAVE </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding en samenvatting </title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten en vaststaande uitgangspunten </title>
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>3</nr>Procesverloop</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Juridisch kader ontvankelijkheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">A.   Plan van behandeling </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">B.   Het procesrechtelijke beoordelingskader</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Taakverdeling civiele rechter en bestuursrechter bij toetsing algemeen verbindende voorschriften </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Taakverdeling civiele rechter en bestuursrechter in collectieve acties</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">        C.   Het privacyrechtelijke stelsel van rechtsbescherming </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gegevensbescherming op grond van de Wbp en de AVG</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De verwerkingsgronden (art. 8 Wbp en 6 lid 1 AVG)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen gegevensbescherming</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het recht van verzet en bezwaar (art. 40 Wbp en art. 21 AVG)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het recht op gegevenswissing en vergetelheid (art. 36 Wbp en art. 17 AVG)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Juridisch kader onrechtmatigheid </title>
    <para />
    <para>A. <emphasis role="bold italic">Fiscaalrechtelijk beoordelingskader </emphasis></para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De fiscale geheimhoudingsplicht (art. 67 Awr)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De Basisregistratie inkomen (art. 21 e.v. Awr) en het doorleveringsverbod (art. 21f Awr)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold italic">Privacyrechtelijk beoordelingskader: doelbindingsbeginsel en verdere verwerking</emphasis>
    </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Juridisch kader gegevensverstrekking</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>A. <emphasis role="bold italic">Wet inkomensafhankelijke huurverhoging en Reparatiewet</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">B.   Totstandkomingsgeschiedenis Wet inkomensafhankelijke huurverhoging                    </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Achtergrond en doelstelling: doorstroming op de huurmarkt</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">               Discussie over doelmatigheid, legaliteit en proportionaliteit/subsidiariteit</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">               Discussie in Eerste Kamer over privacy en geheimhoudingsplicht </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">               Doorbreking geheimhoudingsplicht nader beschouwd n.a.v. Cbp-advies </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">C. Totstandkomingsgeschiedenis Reparatiewet </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">D. De ABRvS-uitspraak en daaropvolgende rechtspraak </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">               De ABRvS-uitspraak</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">               Bestuursrechtelijk vervolg op ABRvS-uitspraak </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">               Civielrechtelijke rechtspraak over verstrekking inkomensverklaringen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Bespreking van het principale cassatiemiddel </title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">              Onderdeel 2.2: ontvankelijkheid (rov. 5.7-5.11)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">              Onderdeel 2.4: onrechtmatigheid (rov. 5.12) </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Bespreking van het incidentele cassatiemiddel </title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">             Onderdeel 1: maatstaf voor ontvankelijkheid (rov. 5.4) </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">             Onderdeel 2: doelbindingsbeginsel (rov. 5.16)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Conclusie  </title>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">1.</emphasis> <emphasis role="bold">Inleiding en samenvatting</emphasis></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Deze zaak ziet op het spanningsveld binnen de driehoek huurwoningmarktbeleid van de overheid, geheimhoudingsplicht van de Belastingdienst en privacybescherming van de huurders van sociale woonruimte. Aanleiding is een wettelijke regeling waarmee is beoogd het zogenoemde ‘scheefwonen’ tegen te gaan. Deze regeling bepaalt dat een inkomensafhankelijke huurverhoging mag worden toegepast indien een huurder een bepaald inkomensniveau heeft. De verhuurder dient daartoe over een inkomensverklaring van de Belastingdienst te beschikken. Verhuurders krijgen van de Belastingdienst dus inzicht in de inkomenssituatie van huurders. Verweerder in cassatie (hierna: <emphasis role="bold">de Woonbond</emphasis>) spreekt op zijn website daarom van ‘gluurverhogingen’.<footnote-ref linkend="_34c5deb3-8987-4562-be5d-25ab670f2687" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De Woonbond behartigt in dit geding de gebundelde belangen van ‘scheefwoners’. In een collectieve actie als bedoeld in art. 3:305a BW worden verklaringen voor recht gevorderd die ertoe strekken dat de afgifte van inkomensverklaringen onrechtmatig is (geweest). Op grond van art. 67 lid 1 Algemene  wet inzake rijksbelastingen (<emphasis role="bold">Awr</emphasis>) is de Belastingdienst verplicht tot geheimhouding van fiscale gegevens. Art. 67 lid 2, onder a, Awr bevat op die regel een uitzondering, indien een wettelijk voorschrift de Belastingdienst verplicht tot het verstrekken van informatie aan derden. Volgens de Woonbond was er in de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016 geen sprake van een wettelijke verplichting voor de Belastingdienst om fiscale gegevens te verstrekken. De Woonbond beroept zich daartoe op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 februari 2016 (hierna: <emphasis role="bold">de ABRvS-uitspraak</emphasis>).<footnote-ref linkend="_5a0ccf9f-3d47-49ba-a0a0-38d957c4b924" /> Met ingang van 1 april 2016 is reparatiewetgeving in werking getreden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Het hof heeft, zich aansluitend bij de ABRvS-uitspraak, voor recht verklaard dat de verstrekking van inkomensverklaringen in de periode vanaf 1 maart 2013 tot 1 april 2016 onrechtmatig is geweest jegens huurders in de sociale huursector.<footnote-ref linkend="_8da38f95-d183-4e38-9a77-379762f3c968" /> Het geschil in cassatie spitst zich met betrekking tot die periode toe op de juistheid van de ABRvS-uitspraak: ontbrak inderdaad een wettelijke grondslag voor de verplichting van de Belastingdienst om aan verhuurders van sociale huurwoningen op hun verzoek een verklaring omtrent het inkomen van huurders te verstrekken? Met betrekking tot de periode vanaf 1 april 2016 spitst het geschil zich toe op de vraag of genoemde gegevensverstrekking onrechtmatig is wegens strijd met het privacyrechtelijke doelbindingsbeginsel. Die vraag is op zichzelf evenzeer relevant voor de periode daarvóór, maar het hof is daar niet aan toegekomen in het licht van zijn oordeel dat een voldoende wettelijke grondslag voor de gegevensverstrekking ontbrak. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>De ingestelde cassatieberoepen stellen behalve de onrechtmatigheidsvraag ook de <emphasis role="italic">ontvankelijkheid</emphasis> van de Woonbond aan de orde. De discussie spitst zich toe op de vraag of de mogelijkheid voor individuele huurders om langs bestuursrechtelijke weg de rechtmatigheid van de gegevensverstrekking ter discussie te stellen – in het kader van een verzoek om gegevenswissing dan wel een verzet of bezwaar tegen de gegevensverwerking door de Belastingdienst – in de weg staat aan ontvankelijkheid van een collectieve actie als de onderhavige. De Woonbond pleit voor een minder strikte ontvankelijkheidstoets voor belangenorganisaties. Voor ontvankelijkheid zou niet zijn vereist dat zij opkomen voor de gebundelde belangen van individuele personen voor wie geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat.<footnote-ref linkend="_9d02b2bd-24ae-4237-aea4-6ed2867875f8" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Op het punt van de ontvankelijkheid acht ik het bestreden arrest juist. De vorderingen strekken ertoe een oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van een zuiver feitelijk handelen van de Staat (de verstrekking van inkomensverklaringen). Dat feitelijk handelen berust op een wettelijke regeling waarvan huurders de gevolgen (kennisneming van hun inkomensgegevens door verhuurders) rechtstreeks ondervinden, zonder dat daaraan een besluit van een bestuursorgaan ten grondslag ligt. Bij die stand van zaken is de Woonbond ontvankelijk te achten in haar vorderingen. Bezwaarlijk kan worden geëist dat huurders zelf in actie komen, bijvoorbeeld de Belastingdienst verzoeken om hun gegevens af te schermen van verhuurders en aldus daaromtrent een besluit uit te lokken. Dat de Afdeling op verzoek van een individuele huurder over een zelfde kwestie heeft geoordeeld (in de ABRvS-uitspraak) lijkt mij niet aan te tonen dat er in zijn algemeenheid voor huurders een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat.<footnote-ref linkend="_cbccbdd2-125e-4cc7-8567-db7ff63595f7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Ook ten gronde acht ik het bestreden arrest juist. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de gegevensverstrekking in de periode vóór 1 april 2016 onrechtmatig was omdat niet uitdrukkelijk was bepaald dat de Belastingdienst in afwijking van de hoofdregel van geheimhouding verplicht was om een inkomensverklaring te verstrekken. Vanaf 1 april 2016 is de gegevensverstrekking in beginsel wel rechtmatig te achten, ook in het licht van het doelbindingsbeginsel, nu de uitvoering van een inkomensafhankelijke huurprijsregeling niet onverenigbaar is met de doeleinden van de fiscale wetgeving. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>Indien uw Raad het beroep van de Staat verwerpt, wil dat nog niet zeggen dat de Staat over de periode van 1 maart 2013 tot 1 april 2016 <emphasis role="italic">schadeplichtig</emphasis> is jegens de betrokken groep scheefwoners. Ook het hof heeft daar op gewezen.<footnote-ref linkend="_ab47965d-8784-42e7-b8c4-a2228656b99e" /> In deze procedure, die wordt beheerst door art. 3:305a (oud) BW, vordert de Woonbond geen schadevergoeding. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten en vaststaande uitgangspunten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>In cassatie kan van de volgende feiten (en vaststaande juridische uitgangspunten) worden uitgegaan.<footnote-ref linkend="_238dd1fd-72e7-474c-a535-8a1016d51cda" /></para>
        <para>(i) De Woonbond is een belangenorganisatie voor huurders die opkomt voor betaalbare huren en goede woningen in leefbare wijken. Hij behartigt de belangen van huurders en woningzoekenden in het algemeen en van zijn leden in het bijzonder.</para>
        <para>(ii) De maximaal toegestane huur voor gereguleerd verhuurde woningen (hierna: <emphasis role="bold">sociale huurwoningen</emphasis>) wordt op basis van het woningwaarderingsstelsel bepaald. De huurprijs van sociale huurwoningen mag jaarlijks met niet meer dan een vastgesteld percentage worden verhoogd.<footnote-ref linkend="_14cd4596-eee1-4675-84bd-ef3085783efa" /></para>
        <para>(iii) Op 16 maart 2013 is wetgeving tegen scheefwonen in werking getreden: de Wet huurverhoging op grond van inkomen<footnote-ref linkend="_794edd95-813c-4683-815f-5c43e9f43b3c" /> en de Wet huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens<footnote-ref linkend="_a53eb0cc-5f4a-4b61-bcb8-793de1312c62" /> (tezamen: <emphasis role="bold">Wet inkomensonafhankelijke huurverhoging</emphasis>). Deze wet heeft onder meer geleid tot de invoering van art. 7:252a BW en art. 19b Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (<emphasis role="bold">Uhw</emphasis>).<footnote-ref linkend="_d7aa84c2-120f-4f56-867d-4767f836ad59" /></para>
        <para>(iv) De Wet inkomensafhankelijke huurverhoging geeft verhuurders van sociale huurwoningen de mogelijkheid om de huurprijs jaarlijks <emphasis role="italic">extra</emphasis> te verhogen ten opzichte van het reguliere basishuurverhogingspercentage.<footnote-ref linkend="_e1d8deed-ded4-43bf-b7bf-ea5919f9f3b5" /> Daarbij worden verschillende inkomenscategorieën gehanteerd.<footnote-ref linkend="_a5d03353-0584-490d-ad07-be6c89144cef" /> Per categorie geldt een maximaal huurverhogingspercentage.<footnote-ref linkend="_15109c1d-7ab1-427e-86a9-71cf6d1bf76c" /></para>
        <para>(v) In de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016 bepaalde art. 7:252a lid 3 BW:</para>
      </parablock>
      <para>“Indien een voorstel als bedoeld in lid 1 [een voorstel tot inkomensafhankelijke huurverhoging] wordt gedaan, wordt bij het voorstel een door de inspecteur op verzoek van die verhuurder aan deze afgegeven verklaring gevoegd.”</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De in art. 7:252a lid 3 (thans lid 4) BW bedoelde verklaring wordt <emphasis role="bold">inkomensverklaring</emphasis> genoemd.<footnote-ref linkend="_5ad3c9e5-9940-42ca-a0cf-2357bd1d82fe" /></para>
        <para>(vi) Een verhuurder kan via het ‘Portaal voor Inkomensafhankelijke Huurverhoging’ van de Belastingdienst een inkomensverklaring opvragen. De inkomensverklaring bevat geen exacte inkomensgegevens, maar vermeldt in welke <emphasis role="italic">inkomenscategorie</emphasis> het huishoudinkomen van de huurder valt. De verhuurder ontvangt een bestand met de door hem opgegeven adressen en (indien het huishoudinkomen bekend is) een vermelding van de categorie waarin het desbetreffende adres valt.<footnote-ref linkend="_b6b0ae30-8eea-4363-a73e-e0651d546da7" /></para>
        <para>(vii) De huurder ontvangt een kennisgeving van de Belastingdienst dat de inkomensverklaring aan zijn verhuurder is verstrekt.</para>
        <para>(viii) Op 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: <emphasis role="bold">AVG</emphasis><footnote-ref linkend="_56654664-18ec-497b-97b3-dea3359234a6" />) van toepassing geworden en is de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: <emphasis role="bold">Wbp</emphasis><footnote-ref linkend="_9a408794-c9b6-4cda-8e0e-729d6c8a0de6" />), die strekte ter implementatie van Richtlijn 95/46/EG (hierna: <emphasis role="bold">de Privacyrichtlijn</emphasis>), ingetrokken.<footnote-ref linkend="_90da7bdd-a427-4538-9585-45aa34b089db" /> Verwerkingen van inkomensverklaringen tot die datum dienen nog te worden getoetst aan de Wbp.</para>
        <para>(ix) Naar aanleiding van een door een huurder op de voet van art. 40 Wbp ingesteld verzet tegen de verstrekking van een inkomensverklaring, is op 3 februari 2016 in de ABRvS-uitspraak geoordeeld dat art. 7:252a BW en art. 19b Uhw, zoals ingevoerd bij de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging, geen (toereikende) wettelijke grondslag boden om de in art. 67 Awr<footnote-ref linkend="_5abbcbfc-812d-48d6-ac6f-a11e5fa0d36f" /> neergelegde geheimhoudingsplicht te doorbreken, zodat de verstrekking van de inkomensgegevens had plaatsgevonden in strijd met art. 67 Awr. </para>
        <para>(x) Hangende de procedure die tot de ABRvS-uitspraak leidde, is het Wetsvoorstel gegevensverstrekking Belastingdienst ingediend. Dat heeft geleid tot de al in de inleiding genoemde wetswijziging (hierna: <emphasis role="bold">de Reparatiewet</emphasis>).<footnote-ref linkend="_3ca885ad-6d3f-4262-b251-9728660aea4d" /> Met ingang van 1 april 2016 kwam art. 7:252a lid 3 BW daardoor als volgt te luiden:</para>
      </parablock>
      <para>“Indien een voorstel als bedoeld in lid 1 wordt gedaan, wordt bij het voorstel een verklaring gevoegd omtrent het huishoudinkomen. De inspecteur verstrekt op verzoek van een verhuurder een verklaring omtrent het huishoudinkomen aan de verhuurder.”</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(xi) Met ingang van 1 januari 2017 is de tweede volzin (‘<emphasis role="italic">De inspecteur verstrekt</emphasis>…’) in gewijzigd.<footnote-ref linkend="_03cd4a7e-afaf-4a21-bc45-a248d8136add" /> Art. 7:252a lid 4, eerste volzin, BW luidt sindsdien:</para>
      </parablock>
      <para>“De inspecteur verstrekt desgevraagd aan de verhuurder een huishoudverklaring.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De tekst geldend vanaf 1 april 2016 bevat expliciet een verplichting voor de Inspecteur om op verzoek aan de verhuurder de genoemde verklaring te verstrekken. In de voordien geldende versie lag die verplichting niet expliciet vast.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>3</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Bij inleidende dagvaarding van 21 juli 2016 heeft de Woonbond de onderhavige procedure geëntameerd bij de rechtbank Den Haag. In eerste aanleg waren behalve de Staat ook een belangenbehartiger van woningcorporaties (vereniging Aedes), twee belangenbehartigers van vastgoedbeleggers (verenigingen IVBN en VB) en een woningcorporatie (stichting Lieven de Key) gedagvaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De Woonbond acht de verstrekking van inkomensverklaringen een verwerking van persoonsgegevens. De verwerking door de inspecteur en door de verhuurders is volgens hem onrechtmatig. In de procedure tegen de Staat heeft de Woonbond in eerste aanleg, voor zover in cassatie van belang,<footnote-ref linkend="_8d3db8cb-9f6b-4044-9fa5-f8d5a384895b" /> een drietal verklaringen voor recht gevorderd, die ertoe strekten dat de Staat sinds 1 maart 2013, althans vanaf 1 maart 2013 tot en met 31 maart 2016 (daags voor invoering van de Reparatiewet), onrechtmatig jegens huurders heeft gehandeld door de verstrekking van inkomensverklaringen aan verhuurders (vorderingen i en ii) en dat de dientengevolge door de huurders geleden schade bestaat uit het inkomensafhankelijke deel van de door hen in die periode betaalde huursommen (vordering iii). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Ten aanzien van de overige gedaagden (die niet in deze cassatieprocedure betrokken zijn) heeft de Woonbond verklaringen voor recht gevorderd die ertoe strekten dat de in voornoemde periode gedane huurverhogingsvoorstellen nietig of vernietigbaar zijn (vordering v), dat de verhuurders in die periode onrechtmatig jegens huurders hebben gehandeld door het gebruik van de inkomensverklaringen (vordering vi) en dat de huurders het inkomensafhankelijke deel van de in die periode voldane huursommen onverschuldigd hebben betaald (vordering vii).<footnote-ref linkend="_7b5edfbf-b0df-4129-8e85-d1e5915e7c86" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Aan zijn vorderingen tegen de Staat heeft de Woonbond primair, onder verwijzing naar de ABRvS-uitspraak, ten grondslag gelegd dat de Staat door het verstrekken van de inkomensverklaringen in strijd heeft gehandeld met de <emphasis role="italic">geheimhoudingsplicht</emphasis> die is opgenomen in art. 67 Awr. In het verlengde hiervan heeft de Woonbond zich beroepen op schending van art. 21f Awr, het <emphasis role="italic">verbod op doorlevering</emphasis> van inkomensgegevens uit de basisregistratie inkomen (hierna: <emphasis role="bold">BRI</emphasis>). Verder heeft de Woonbond aangevoerd dat de verstrekking van inkomensverklaringen aan verhuurders onrechtmatig is wegens strijd met art. 8 Wbp (het <emphasis role="italic">grondslagvereiste</emphasis> voor de verwerking van persoonsgegevens) en art. 8 EVRM (meer in het bijzonder de beginselen van <emphasis role="italic">proportionaliteit en subsidiariteit</emphasis>). Ten slotte heeft de Woonbond zich beroepen op onverbindendheid van art. 7:252a BW – ook ná de Reparatiewet van 1 april 2016 – wegens strijd met het in art. 6 lid 1 onder b van de Privacyrichtlijn neergelegde <emphasis role="italic">doelbindingsbeginsel</emphasis>.<footnote-ref linkend="_43072a15-b99f-41f3-b038-280b8b63b5d9" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>De Staat heeft zich primair verweerd met een beroep op niet-ontvankelijkheid van de Woonbond. Daartoe stelt hij dat voor de achterban van de Woonbond een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat of heeft gestaan. De Staat verwijst in dit verband naar de ABRvS-uitspraak, die volgde op een door een huurder op de voet van art. 40 Wbp ingesteld verzet tegen de verstrekking van een inkomensverklaring. Inhoudelijk heeft de Staat zich verweerd met het betoog dat de civiele rechter niet is gebonden aan de ABRvS-uitspraak en dat de verstrekking van de inkomensverklaringen, zowel vóór als ná 1 april 2016, rechtmatig is geweest, namelijk wettelijk is voorgeschreven op grond van art. 7:252a lid 3 (thans lid 4) BW. Die bepaling bevat volgens de Staat (en bevatte ook vóór 1 april 2016) een wettelijk voorschrift dat tot bekendmaking van inkomensgegevens verplicht, zodat op grond van art. 67 lid 2 onder a Awr de fiscale geheimhoudingsplicht niet geldt.<footnote-ref linkend="_6c12a145-6bd3-461b-a4db-6d567c003133" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>De Staat heeft niet betwist dát sinds de inwerkingtreding van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging (en tot op heden) inkomensverklaringen betreffende huurders van sociale woonruimte zijn verstrekt aan verhuurders (wat ook een feit van algemene bekendheid is). De frequentie, modaliteit en inhoud van de afzonderlijke gegevensverstrekkingen – inclusief bijvoorbeeld de vraag of de inspecteur in voorkomend geval de afgifte van een inkomensverklaring had moeten weigeren op de voet van art. 19b lid 5 Uhw – staan tussen partijen niet ter discussie. Het geschil spitst zich toe op de rechtmatigheid van het <emphasis role="italic">verstrekkingenregime</emphasis> van art. 7:252a BW.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Bij eindvonnis van 10 januari 2018 heeft de rechtbank Den Haag de Woonbond niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen tegen de Staat, echter alleen voor zover betrekking hebbend op de periode vóór 1 april 2016. In dat tijdvak stond volgens de rechtbank voor de huurders van wie de Woonbond de belangen behartigt, een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open waarmee een vergelijkbaar resultaat kon worden behaald als door de Woonbond voor die periode is beoogd met vorderingen i en ii. De rechtbank verwees in dit verband naar de ABRvS-uitspraak en het daarin gehonoreerde verzet op de voet van art. 40 Wbp. Ook ten aanzien van vordering iii (betreffende de door de huurders geleden schade) heeft de rechtbank de Woonbond niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het de periode vóór 1 april 2016 betrof, omdat volgens de rechtbank in zoverre alleen een rol voor de burgerlijke rechter is weggelegd ten aanzien van personen die op de voet van art. 40 Wbp met succes verzet hebben aangetekend (wat ten aanzien van de achterban van de Woonbond niet gebleken was). Met betrekking tot de periode ná 1 april 2016 heeft de rechtbank de Woonbond wél ontvankelijk geacht, omdat sinds die datum tegen de verstrekking van inkomensgegevens niet langer verzet als bedoeld in art. 40 Wbp openstaat.<footnote-ref linkend="_7ce8a916-2d05-4109-a3db-05c21d967f16" /> De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen, omdat art. 7:252a BW sinds die datum een toereikende grondslag biedt voor de gegevensverstrekking.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Bij hetzelfde vonnis heeft de rechtbank in de procedure tegen de overige gedaagden de Woonbond gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en de vorderingen voor het overige afgewezen. In dat kader oordeelde de rechtbank onder meer dat de onrechtmatigheid van de gegevensverstrekking in de periode tot 1 april 2016 niet in de weg staat aan rechtsgeldigheid van de inkomensafhankelijke huurprijsverhogingen in diezelfde periode.<footnote-ref linkend="_872c603c-a352-4619-bccc-907041e1112e" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>De Woonbond is in hoger beroep gekomen van het vonnis, voor zover gewezen tussen hem en de Staat (zaaknummer 200.246.295/02) en tussen hem en woningcorporatie Lieven de Key (zaaknummer 200.239.036/01).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <parablock>
        <para>In de appelprocedure tegen de Staat waarop deze cassatieprocedure betrekking heeft, heeft de Woonbond zes grieven tegen het vonnis gericht en zijn eis gewijzigd. De Woonbond heeft in appel, voor zover in cassatie van belang,<footnote-ref linkend="_b6b2335f-9934-4525-9084-d7de0ff2476a" /> gevorderd: </para>
        <para>(I) een verklaring voor recht dat de Staat vanaf 1 maart 2013 tot 1 april 2016 (hierna ook: <emphasis role="bold">tijdvak I</emphasis>) onrechtmatig heeft gehandeld jegens huurders, door inkomensverklaringen over die huurders te verstrekken aan verhuurders;</para>
        <para>(II) een verklaring voor recht dat de Staat vanaf 1 april 2016 (hierna ook: <emphasis role="bold">tijdvak II</emphasis>) onrechtmatig heeft gehandeld jegens huurders, door inkomensverklaringen over die huurders te verstrekken aan verhuurders; en </para>
        <para>(III) een veroordeling van de Staat om aan (ieder van die) huurders de schade te vergoeden, op te maken bij staat.<footnote-ref linkend="_92e343cd-d7f2-422b-9601-63aea586185a" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>De onder (III) vermelde vordering speelt in cassatie geen rol meer. Met deze vordering liep de Woonbond vooruit op de destijds nog toekomstige inwerkingtreding van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: <emphasis role="bold">Wamca</emphasis>).<footnote-ref linkend="_2d78a5d2-cd3f-4bf1-baed-ac6b788379ab" /> Die wet zou leiden tot schrapping van de regel in art. 3:305a lid 3 (oud) BW, dat een collectieve actie niet kan strekken tot schadevergoeding in geld. De Wamca is uiteindelijk per 1 januari 2020 in werking getreden, ná de pleidooizitting in appel van 26 september 2019.<footnote-ref linkend="_ce23945a-5c7a-4faa-b23c-02c8210900d9" /> Tegen deze achtergrond heeft de Woonbond tijdens die pleidooizitting vordering III ingetrokken.<footnote-ref linkend="_86880ff7-46dc-4c98-82c6-3fe963856fc8" /> Bij akte van 29 september 2020 heeft de Woonbond nog gepoogd daarvan terug te komen, maar het hof heeft geoordeeld dat het daarvoor te laat was en dat vordering III hoe dan ook niet toewijsbaar was geweest. Een en ander is in cassatie niet bestreden.<footnote-ref linkend="_f0b3f038-7b3f-4edd-af96-f667b155bb9e" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>Bij arrest van 22 december 2020 heeft het hof in de appelprocedure tegen de Staat het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de Woonbond afgewezen. Het hof overwoog daartoe, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende.<footnote-ref linkend="_49cec428-0b36-47ec-8e42-3694d3cb4a1c" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13</nr>
      <parablock>
        <para>Met betrekking tot de <emphasis role="italic">ontvankelijkheid</emphasis> overweegt het hof, samengevat, het volgende:</para>
        <para>- Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad<footnote-ref linkend="_3408525f-d12e-4d22-9404-00a9111c27d4" /> is de Woonbond alleen ontvankelijk bij de civiele rechter als wordt opgekomen voor de gebundelde belangen van personen voor wie geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat of heeft opengestaan. Daarbij is niet van belang of exact dezelfde vorderingen kunnen worden ingesteld in die andere procedure.<footnote-ref linkend="_30ff2167-0cc5-4750-913c-a1b9c33eab3d" /> Het gaat erom of in de andere procedure eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan of kon worden behaald (rov. 5.4).<footnote-ref linkend="_20cbb1e4-6726-42f1-871a-5f8a4db353e4" /></para>
        <para>- Op grond van vaste bestuursrechtelijke rechtspraak zijn gegevensverstrekkingen feitelijke handelingen, waartegen als zodanig niet kan worden opgekomen in de bestuursrechtelijke kolom (rov. 5.6).<footnote-ref linkend="_80e58f4c-c29d-4509-ad22-25e342fb13d2" /> Op zich is het juist dat op grond van art. 36 Wbp (thans art. 17/18 AVG) huurders de Belastingdienst (hadden) kunnen verzoeken om hun gegevens te verwijderen of af te schermen voor de verhuurders, en dat tegen een besluit op een dergelijk verzoek bezwaar en vervolgens beroep bij de bestuursrechter openstond. Een individuele huurder kan dan aanvoeren dat zijn persoonsgegevens in strijd met de wet worden verwerkt, zodat in zoverre langs de weg van art. 36 Wbp een oordeel van de bestuursrechter uitgelokt kan worden over de rechtmatigheid van de gegevensverwerking.<footnote-ref linkend="_bbf32077-3f0c-4cfc-b43b-9d08c4d39f34" /> De vordering van de Woonbond is echter niet gebaseerd op een onrechtmatig besluit op een verzoek tot verwijdering of afscherming, maar op onrechtmatig feitelijk handelen (rov. 5.7).</para>
        <para>- Hetzelfde geldt voor een beroep op het recht van verzet in de zin van art. 40 Wbp (thans art. 21 AVG). De vordering van de Woonbond is namelijk ook niet gebaseerd op een onrechtmatig besluit op een beroep op het recht van verzet. Bovendien is het recht van verzet alleen van toepassing als de gegevens het voorwerp zijn van een verwerking op grond van art. 8, aanhef en onder e of f, Wbp en de betrokkene een beroep doet op bijzondere persoonlijke omstandigheden. Die situatie doet zich niet voor in deze zaak (rov. 5.8).</para>
        <para>- Daar komt bij dat de huurder in de bestuursrechtelijke kolom geen schadevergoeding kan krijgen in een geval als het onderhavige. Dat het de Woonbond in deze zaak (uiteindelijk) te doen is om schadevergoeding voor huurders, blijkt afdoende uit de stukken (rov. 5.9).</para>
        <para>- Dat de huurders in de bestuursrechtelijke procedure geen schadevergoeding zouden (hebben) kunnen krijgen, volgt uit het recht zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: <emphasis role="bold">Wns</emphasis>).<footnote-ref linkend="_07b77395-0ad1-48a4-b664-998250c2207e" /> Op grond van dat recht kon tegen een beslissing van de minister op een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van het beweerdelijk onrechtmatig verstrekken door de inspecteur van inkomensverklaringen (na bezwaar) geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld (rov. 5.10).</para>
        <para>- De conclusie luidt dat de Woonbond ontvankelijk is in de vordering over het eerste tijdvak (vordering I), zodat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling (rov. 5.11, eerste volzin). De Staat heeft niet aangevoerd dat de Woonbond niet-ontvankelijk is in zijn vordering over het tweede tijdvak (vordering II). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14</nr>
      <parablock>
        <para>Met betrekking tot de <emphasis role="italic">inhoudelijke beoordeling</emphasis> overweegt het hof, samengevat, het volgende:</para>
        <para>- Het hof sluit zich aan bij de in de ABRvS-uitspraak neergelegde overwegingen en conclusie over de strijdigheid met art. 67 Awr. Het hof is met de Afdeling van oordeel dat art. 7:252a lid 3 BW in tijdvak I geen duidelijke wettelijke verplichting voor de inspecteur bevatte tot verstrekking van de inkomensgegevens aan verhuurders, zodat de geheimhoudingsplicht van art. 67 Awr onverkort gold. Daarom is in dat tijdvak de gegevensverstrekking in strijd met art. 67 Awr en daarmee onrechtmatig jegens de huurders, ter bescherming van wie de geheimhoudingsplicht van art. 67 Awr strekt. (rov. 5.12, eerste tot en met zesde volzin). </para>
        <para>- Het voorgaande brengt niet zonder meer mee dat de huurders ook recht hebben op schadevergoeding over tijdvak I, nu niet is uitgesloten dat één van de overige verweren van de Staat (onder meer een causaliteits- en relativiteitsverweer, in verband met het bepaalde in art. 7:252a lid 5 BW)<footnote-ref linkend="_1d09105c-62b1-498a-a551-e6b163542d51" /> doel treft (rov. 5.12, zevende volzin).</para>
        <para>- Op grond van art. 67 lid 2 onder a Awr geldt de geheimhoudingsplicht van het eerste lid niet als de wet tot bekendmaking verplicht. Sinds de wetswijziging van 1 april 2016 bevat artikel 7:252a BW (wel) een duidelijke verplichting voor de inspecteur om de inkomensgegevens te verstrekken aan een verhuurder, als deze daarom verzoekt. Vanaf 1 april 2016 (tijdvak II) handelt de Staat daarom niet meer in strijd met de geheimhoudingsplicht van art. 67 Awr en wordt voldaan aan de in de Wbp (en sinds 25 mei 2018: de AVG) genoemde voorwaarden voor rechtmatige gegevensverstrekking (rov. 5.13).</para>
        <para>- De stelling van de Woonbond dat de gegevensverstrekking ook na 1 april 2016 in strijd met art. 67 Awr is gebleven, omdat het begrip ‘afnemers’ in art. 21 onder f Awr alleen ziet op bestuursorganen en niet op verhuurders, faalt. De regeling rond de Basisregistratie inkomen (BRI), waarop de artikelen 21a tot en met 21f Awr zien, is niet relevant voor deze zaak. Het feit dat die regeling het verstrekken van inkomensgegevens onder voorwaarden toestaat aan bepaalde bestuursorganen, sluit niet uit dat de wetgever de inspecteur ook kan toestaan en verplichten om inkomensverklaringen te verstrekken aan private partijen, zoals verhuurders (rov. 5.14, eerste tot en met achtste volzin).</para>
        <para>- Art. 21f Awr is evenmin van toepassing, nu in dit geval de inkomensgegevens door de inspecteur rechtstreeks aan de verhuurder worden verstrekt, zodat de bescherming van inkomensgegevens via (de systematiek van) art. 67 Awr verloopt (rov. 5.14, negende volzin).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15</nr>
      <para>Met betrekking tot de <emphasis role="italic">proportionaliteit en subsidiariteit</emphasis> van de gegevensverstrekking overweegt het hof dat eveneens faalt de stelling van de Woonbond dat de gegevensverstrekking in strijd is met art. 8 EVRM omdat niet is voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Met de Afdeling<footnote-ref linkend="_e49f6144-6899-4f11-910b-28012745c51b" /> is het hof van oordeel dat de wetgever bij de weging van het belang van bescherming van het recht op privéleven van de huurders enerzijds en de belangen van de huurwoningmarkt anderzijds, in redelijkheid tot de gemaakte keuzes heeft kunnen komen (rov. 5.15).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16</nr>
      <parablock>
        <para>Met betrekking het privacyrechtelijke <emphasis role="italic">doelbindingsbeginsel</emphasis> overweegt het hof:</para>
        <para>- Het beroep op strijd met het doelbindingsbeginsel in de zin van art. 6 lid 1 onder b Privacyrichtlijn kan niet slagen. Met de invoering van art. 7:252a BW staat vast dat inkomensgegevens mede worden verzameld om voor verhuurders inkomensverklaringen te kunnen opstellen. De gegevens die de inspecteur in dat kader verwerkt, worden dus niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verzameld. Daar komt bij dat die verstrekkingen ook niet onverenigbaar zijn met het in art. 21b Awr genoemde doeleinde van de BRI, te weten afnemers voorzien van inkomensgegevens. Dat doel is breed en verwant aan de hiervoor genoemde doeleinden van de verstrekking van inkomensverklaringen.<footnote-ref linkend="_fac1e226-5646-470f-b8c1-eff64413fd95" /> Ook de aard van de gegevens en de te verwachten gevolgen voor de betrokkene wijzen niet op een schending van het doelbindingsbeginsel (rov. 5.16, derde tot en met tiende volzin).</para>
        <para>- De AVG brengt op dit punt geen significante wijziging. Voor zover de Woonbond heeft bedoeld te betogen dat de regeling met ingang van 25 mei 2018 in strijd is met de AVG, verwerpt het hof dat betoog dus op dezelfde gronden (rov. 5.16, elfde en twaalfde volzin).</para>
        <para>- De slotsom is dat sinds 1 april 2016 geen sprake meer is van onrechtmatige gegevensverwerking. De voor dat tijdvak gevraagde verklaring voor recht (vordering II) kan dus niet worden gegeven (rov. 5.17).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof komt tot de volgende <emphasis role="italic">conclusie</emphasis>:</para>
        <para>- De grieven 1 tot en met 3 (betreffende de ontvankelijkheid in tijdvak I) slagen. De Woonbond is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en de onder I gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar (rov. 5.18, eerste en tweede volzin).</para>
        <para>- De grieven 4 tot en met 6 (betreffende de onrechtmatigheid in tijdvak II) falen. De onder II gevorderde verklaring voor recht voor het tijdvak ná 1 april 2016 komt niet voor toewijzing in aanmerking (rov. 5.19, derde en vierde volzin).</para>
        <para>- Omdat de Woonbond zijn vorderingen in appel (deels) heeft gewijzigd, heeft het hof omwille van de duidelijkheid het bestreden vonnis in de procedure tussen de Woonbond en de Staat vernietigd en, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat de Staat vanaf 1 maart 2013 tot 1 april 2016 onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van huurders, door in het kader van inkomensafhankelijke huurverhogingen inkomensverklaringen over huurders af te geven aan verhuurders. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen (rov. 5.19, zevende en achtste volzin).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18</nr>
      <para>In de appelprocedure tegen woningcorporatie Lieven de Key heeft het hof het afwijzende vonnis van de rechtbank bekrachtigd.<footnote-ref linkend="_aac40011-56de-44e1-a394-b5a8a7ce86a3" /> In dat kader oordeelde het hof onder meer dat de onrechtmatigheid van de <emphasis role="italic">gegevensverstrekking </emphasis>in de periode tot 1 april 2016 niet in de weg staat aan rechtsgeldigheid van de inkomensafhankelijke <emphasis role="italic">huurprijsverhogingen </emphasis>in diezelfde periode (rov. 5.24-5.25). Het hof overweegt dat ‘niet in geschil is dat de huurverhogingen op zichzelf juist zijn berekend en dat (…) uit de wetsgeschiedenis en de snelle reparatiewetgeving per 1 april 2016 blijkt dat het van meet af aan de bedoeling van de wetgever is geweest om inkomensafhankelijke huurverhogingen mogelijk te maken met gebruikmaking van door de Inspecteur af te geven inkomensverklaringen’ (rov. 5.26, voorlaatste volzin). In de procedure tegen Lieven de Key is geen cassatieberoep ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19</nr>
      <para>De Staat heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest, voor zover gewezen in de appelprocedure tegen de Staat (zaaknummer 200.246.295/02). De Woonbond heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Partijen hebben over en weer tot verwerping van elkaars cassatieberoepen geconcludeerd en hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, voor de Staat mede door mr. M.E.A. Möhring. Van de zijde van de Staat is gerepliceerd. De Woonbond heeft van dupliek afgezien. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Juridisch kader ontvankelijkheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">A.  Plan van behandeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Het principale cassatiemiddel namens de Staat is gericht tegen rov. 5.7 tot en met 5.11 (het ontvankelijkheidsoordeel over tijdvak I) en tegen rov. 5.12 (het onrechtmatigheidsoordeel over tijdvak I). Het incidentele cassatiemiddel namens de Woonbond is gericht tegen rov. 5.4 (de maatstaf voor het ontvankelijkheidsoordeel) en rov. 5.16 (de verwerping van het beroep op strijd met het doelbindingsbeginsel in tijdvak II).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Ik bespreek hierna eerst het procesrechtelijke beoordelingskader dat de ontvankelijkheidsvraag beheerst (onder B), gevolgd door het privacyrechtelijke stelsel van rechtsbescherming dat bij de beantwoording van die vraag in acht moet worden genomen (onder C). Onder 5 behandel ik het beoordelingskader voor de onrechtmatigheidstoetsing (voor zover in cassatie van belang): de fiscale geheimhoudingsplicht van art. 67 Awr en het doelbindingsbeginsel van art. 6 lid 1 onder b Privacyrichtlijn. Onder 6 behandel ik het juridisch kader voor de verstrekking van inkomensverklaringen op de voet van art. 7:252a BW: de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging en de Reparatiewet, hun totstandkomingsgeschiedenis, de ABRvS-uitspraak en andere relevante rechtspraak. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Alle onderstrepingen in de hierna opgenomen citaten zijn door mij toegevoegd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">B.  Het procesrechtelijke beoordelingskader </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Taakverdeling civiele rechter en bestuursrechter bij toetsing algemeen verbindende voorschriften</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is de civiele rechter ingevolge art. 112 lid 1 Gw bevoegd om van alle schuldvorderingen kennis te nemen, ook indien deze publiekrechtelijk van aard zijn. Wel dient de eiser of verzoeker door de civiele rechter <emphasis role="italic">niet-ontvankelijk</emphasis> te worden verklaard in zijn vordering of verzoek, indien de rechtsgang bij een andere rechter – bijvoorbeeld de strafrechter of de bestuursrechter – ter zake van het geschil ‘voldoende rechtsbescherming’ biedt.<footnote-ref linkend="_02a7733e-9d92-40bd-b0cf-3f373eeafb25" /> In oudere rechtspraak wordt gesproken van een ‘met voldoende waarborgen omklede rechtsgang’.<footnote-ref linkend="_a7f07303-8047-4466-816b-d1ae4e83d8c5" /> Deze rechtspraak houdt in dat de civiele rechter ‘aanvullende rechtsbescherming’ biedt, voor zover de rechtsgang bij andere rechters tekortschiet. De civiele rechter wordt in dit verband ook wel aangeduid als ‘restrechter’.<footnote-ref linkend="_e3f23e9c-2187-4ec2-8cdd-f7a3bef7388f" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>De taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter is onder meer aan de orde in geschillen die betrekking hebben op de rechtmatigheid of verbindendheid van <emphasis role="italic">algemeen verbindende voorschriften</emphasis>, zoals in dit geval art. 7:252a (oud) BW. De wetgevende macht wordt ingevolge art. 1:1 lid 2, aanhef en onder a, Awb niet als bestuursorgaan aangemerkt. Voorts kan ingevolge art. 8:3 lid 1, aanhef en onder a, Awb geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift.<footnote-ref linkend="_653928bc-0e94-4f36-86b0-ac8e73d12b09" /> Een en ander betekent dat de rechtmatigheid en verbindendheid van wet- en regelgeving als zodanig niet ter toetsing aan de bestuursrechter kunnen worden voorgelegd. Wel kan de bestuursrechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een besluit in de zin van art. 1:3 Awb de rechtmatigheid van het daaraan ten grondslag liggende algemeen verbindende voorschrift toetsen.<footnote-ref linkend="_2b71ed09-00f7-4420-a293-f3d50b479cba" /> Dit wordt exceptieve toetsing genoemd, omdat de onrechtmatigheid meestal bij wijze van verweer (‘exceptie’) door de belanghebbende wordt aangevoerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Als de rechtmatigheid van een algemeen verbindend voorschrift bij wege van exceptieve toetsing door de bestuursrechter kan worden beoordeeld, in het kader van een bestuursrechtelijke procedure over de rechtmatigheid van een besluit, moet de eiser volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in een vordering wegens onrechtmatige wet- of regelgeving bij de civiele rechter <emphasis role="italic">niet-ontvankelijk</emphasis> worden verklaard. Deze rechtspraak berust op de gedachte dat het uit een oogpunt van een ‘behoorlijke taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter’ niet wenselijk is dat tegelijkertijd (of achtereenvolgens) voor beide rechters procedures over de rechtmatigheid en verbindendheid van (dezelfde) algemeen verbindende voorschriften worden gevoerd, met het risico van een verschillende uitkomst.<footnote-ref linkend="_fdb6ba3f-006a-4e16-ace8-0f9b2dcd6484" /> Men spreekt in dat verband ook wel van de specialisatiegedachte. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>De consequentie van deze rechtspraak is dat de belanghebbende in voorkomende gevallen exceptieve toetsing van een algemeen verbindend voorschrift zal moeten <emphasis role="italic">uitlokken</emphasis>, door het aanvragen en/of aanvechten van een appellabel besluit, op straffe van niet-ontvankelijkheid van zijn vordering bij de civiele rechter. Op deze grond werd niet-ontvankelijkheid aangenomen in de arresten <emphasis role="italic">Staat/Vreemdelingenorganisaties </emphasis>uit 2010 (over de rechtmatigheid van een legesregeling voor de aanvraag van een verblijfsvergunning),<footnote-ref linkend="_f9aa8016-0637-41ff-8e45-3650ba357433" /><emphasis role="italic">Staat/Privacy First </emphasis>uit 2015 (over de rechtmatigheid van een wettelijke verplichting tot het afstaan van vingerafdrukken bij de aanvraag van een paspoort)<footnote-ref linkend="_9982780d-a879-462f-90ee-00dfcd0f4e2e" /> en <emphasis role="italic">SCAU/Universiteiten </emphasis>uit 2016 (over de rechtmatigheid van regelgeving inzake de hoogte van het collegegeld bij inschrijving voor een tweede masterstudie).<footnote-ref linkend="_48442a0b-5a97-4e75-8100-7be3224c3cc3" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>In het arrest <emphasis role="italic">SCAU/Universiteiten </emphasis>heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat het zojuist bedoelde ‘uitlok-vereiste’ alleen geldt indien het betrokken voorschrift eerst tot toepassing komt door een besluit dat voor bezwaar en beroep vatbaar is en de belanghebbende derhalve de werking van dat voorschrift uitsluitend ondervindt langs de weg van een daarop gebaseerd besluit. Indien de belanghebbende de werking van het betrokken voorschrift <emphasis role="italic">rechtstreeks </emphasis>ondervindt, dus zonder tussenkomst van besluitvorming door een bestuursorgaan, is de belanghebbende in beginsel wél ontvankelijk in een vordering bij de burgerlijke rechter die erop is gericht een oordeel over de verbindendheid of de rechtmatigheid van het voorschrift te verkrijgen, ook indien de mogelijkheid bestaat om ter zake een beslissing van de bestuursrechter te verkrijgen door een voor beroep vatbaar besluit uit te lokken.<footnote-ref linkend="_4e1a64ae-b46d-41dc-a1bd-43d513b46016" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>Deze uitzonderingssituatie was aan de orde in het arrest <emphasis role="italic">Leenders/Ubbergen </emphasis>uit 1996, betreffende een levensmiddelenhandelaar die de rechtmatigheid van een gemeentelijk ventverbod bestreed. Volgens de Hoge Raad kon, met het oog op ‘een doeltreffende, waarborgen tegen misverstanden biedende regeling van rechtsbescherming tegen de overheid’, niet van deze handelaar worden gevergd dat hij de ‘weinig voor de hand liggende weg’ van het bestuursrecht zou bewandelen, oftewel dat hij zich door doelbewuste schending van het gewraakte verbod zou blootstellen aan het risico van bestuursdwang (of zelfs strafvervolging).<footnote-ref linkend="_b4e02495-81c1-476f-a8f4-882e4c414045" /> Denkbaar is verder dat een bij de civiele voorzieningenrechter ingestelde vordering tot buitenwerkingstelling van een ministeriële regeling of ander algemeen verbindend voorschrift  ontvankelijk wordt geacht als die vordering is gebaseerd op generieke gronden (zoals het ontbreken van een deugdelijke wettelijke grondslag).<footnote-ref linkend="_8e9869d0-6820-4872-9fe0-8db4cb16687d" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>De taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter bij de toetsing van algemeen verbindende voorschriften komt er dus op neer dat de bestuursrechtelijke rechtsingang, indien beschikbaar (eventueel na uitlokking van een appellabel besluit), voorrang geniet boven een civiele actie uit onrechtmatige overheidsdaad (de <emphasis role="italic">hoofdregel</emphasis>), tenzij de belanghebbende de werking van het desbetreffende voorschrift rechtstreeks ondervindt, in welk geval ook de civiele rechter kan worden geadieerd (de <emphasis role="italic">uitzondering</emphasis>). In dat laatste geval wordt dus het risico van tegenstrijdige uitspraken voor lief genomen, omwille van een doeltreffende en waarborgen tegen misverstanden biedende rechtsbescherming als bedoeld in het arrest <emphasis role="italic">Leenders/Ubbergen</emphasis>. Overigens wordt in de literatuur gepleit voor <emphasis role="italic">inhoudelijke afstemming</emphasis> tussen de bestuursrechtspraak en de civiele rechtspraak over toetsing van algemeen verbindende voorschriften, teneinde mét behoud van een doeltreffende rechtsbescherming toch zoveel mogelijk uitvoering te geven aan de specialisatiegedachte, die aan de hoofdregel ten grondslag ligt.<footnote-ref linkend="_db6af04b-4a67-46cd-98ae-c7fec83b2790" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Taakverdeling civiele rechter en bestuursrechter in collectieve acties</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <para>De hiervoor besproken taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter geldt ook in collectieve acties als bedoeld in art. 3:305a BW (waarop de meeste besproken rechtspraak betrekking heeft). Vaste rechtspraak van de Hoge Raad leert namelijk dat, in gevallen waarin de rechtsbescherming van individuele belanghebbenden is opgedragen aan de bestuursrechter, de enkele bundeling van hun belangen door een rechtspersoon niet ertoe kan leiden dat voor die rechtspersoon de weg naar de burgerlijke rechter komt open te staan.<footnote-ref linkend="_b306e1ec-77f3-427c-bd55-457746488de2" /> Hetzelfde geldt indien een belangenorganisatie behalve voor de gebundelde belangen van een ‘bepaald of bepaalbaar aantal individuele personen’, tevens opkomt voor het algemeen belang van de bescherming van de rechten van een ‘veel grotere groep van personen, die diffuus en onbepaald is’.<footnote-ref linkend="_2483075e-467b-496d-ae66-83ebd619e7a4" /> Een collectief belang dat uitsluitend is afgeleid van individuele belangen die in een bestuursrechtelijke procedure kunnen worden behartigd, komt dus niet voor behartiging op de voet van art. 3:305a BW in aanmerking.<footnote-ref linkend="_1f2d6ec0-24c3-4650-ba22-f1c5fc34e5f6" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <para>Een belangenorganisatie is daarentegen onder meer wél ontvankelijk in een collectieve actie bij de burgerlijke rechter, zo overwoog de Hoge Raad in het arrest <emphasis role="italic">Staat/Privacy First</emphasis>, indien zij (i) opkomt voor belangen van personen die terzake <emphasis role="italic">geen rechtsingang</emphasis> hebben bij de bestuursrechter (inclusief de uitzonderingsgevallen waarin het bewandelen van de bestuursrechtelijke weg niet van belanghebbenden kan worden gevergd) of voor zover zij (ii) opkomt voor een <emphasis role="italic">eigen belang</emphasis> waarvoor zij geen rechtsingang heeft bij de bestuursrechter.<footnote-ref linkend="_426bb492-18ac-4b5b-a41e-c77fd63808f1" /> De onder (i) bedoelde situatie deed zich voor in het arrest <emphasis role="italic">Staat/VAJN en NJCM </emphasis>uit 2004. Daarin is geoordeeld dat de Vereniging voor Asieladvocaten en -Juristen Nederland (VAJN) en het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) in een civiele procedure konden opkomen tegen vreemdelingenrechtelijke regelgeving en dat de bestuursrechtelijke rechtsingang voor individuele asielzoekers daaraan niet in de weg stond, omdat (zo verduidelijkte de Hoge Raad in <emphasis role="italic">Staat/Privacy First</emphasis>) VAJN en NJCM mede opkwamen voor de gebundelde belangen van <emphasis role="italic">advocaten </emphasis>die vreemdelingen bijstaan, voor welke belangen geen bestuursrechtelijke rechtsingang bestond.<footnote-ref linkend="_fe3a0bcc-fe20-49f1-b72d-1accab1c1b97" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13</nr>
      <para>De rechtspraak over de taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter bij de toetsing van algemeen verbindende voorschriften in collectieve acties is in de literatuur bekritiseerd. De kern van de kritiek is dat, waar de civiele rechter slechts beperkt toegang biedt aan belangenorganisaties,<footnote-ref linkend="_b69b24f7-1c30-466b-bcc6-d7ad08611bc9" /> de bestuursrechter algemeen verbindende voorschriften slechts marginaal toetst. In verband hiermee wordt gepleit voor versterking van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen algemeen verbindende voorschriften.<footnote-ref linkend="_db7ac66f-30b0-43c5-bdec-f5ebb1b41e77" /> Afgezien van deze bestuursrechtelijk georiënteerde kritiek is er ook kritiek op de manier waarop de Hoge Raad in civiele zaken de ‘uitlok-eis’ heeft toepast. Met name het arrest <emphasis role="italic">SCAU/Universiteiten </emphasis>is bekritiseerd. Volgens sommige auteurs heeft de Hoge Raad daarin teveel van studenten gevergd, door de eis te stellen dat zij zich inschrijven voor een tweede studie met verschuldigdheid van het gewraakte collegegeld tot gevolg, op straffe van niet-ontvankelijkheid van een collectieve actie bij de civiele rechter over de rechtmatigheid van die regeling.<footnote-ref linkend="_03420e2d-129d-42b9-8bc6-c6429524da83" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">C.  Het privacyrechtelijke stelsel van rechtsbescherming</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gegevensbescherming op grond van de Wbp en de AVG</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak om de vraag of voor de achterban van de Woonbond een bestuursrechtelijke rechtsingang open heeft gestaan die voldoende rechtsbescherming biedt tegen de beweerdelijk onrechtmatige verstrekking van inkomensverklaringen door de Belastingdienst op de voet van art. 7:252a BW. Niet ter discussie staat dat deze inkomensverklaringen persoonsgegevens in de zin van de Wbp en de AVG bevatten (namelijk inkomens- en adresgegevens van huurders).<footnote-ref linkend="_9441c7db-a95e-4341-a18c-3100ab795c56" /> Tegen deze achtergrond zal ik nu het stelsel van rechtsbescherming op grond van de Wbp en de AVG bespreken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15</nr>
      <para>De privacyrechtelijke discussie heeft in de feitelijke instanties vooral in de sleutel van de Wbp gestaan, aangezien deze procedure vóór het van toepassing worden van de AVG op 25 mei 2018 is aangevangen. Zoals het hof in rov. 1.8 met juistheid (en onbestreden in cassatie) heeft vastgesteld, dienen verwerkingen van persoonsgegevens tot die datum te worden getoetst aan de bepalingen van de Wbp.<footnote-ref linkend="_fc9fbfea-c90c-415f-9d28-ae89abb9ea3d" /> Dit betekent dat tijdvak I (vóór de Reparatiewet) door de Wbp wordt beheerst en tijdvak II (ná de Reparatiewet) gedeeltelijk door de Wbp (voor verstrekkingen vanaf 1 april 2016 tot en met 24 mei 2018) en gedeeltelijk door de AVG (voor verstrekkingen vanaf 25 mei 2018). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16</nr>
      <para>Het onderscheid tussen de Wbp en de AVG is overigens van geringe betekenis voor deze zaak, omdat de materiële normen voor de verwerking van persoonsgegevens in grote lijnen gelijk zijn gebleven. Wel is de rechtspositie van rechthebbenden op verschillende punten versterkt, onder meer in het kader van het nog te bespreken recht op vergetelheid (art. 17 AVG).<footnote-ref linkend="_dd328c64-4a69-48d9-b9ab-dce169cf35fc" /> In navolging van het hof zal ik de Wbp voorop stellen (met vermelding van de corresponderende AVG-bepalingen tussen haakjes), en waar nodig aandacht besteden aan relevante verschillen tussen het oude en het nieuwe recht. De Privacyrichtlijn zal ik alleen aanstippen voor zover van belang voor een goed begrip van de Wbp-bepalingen (en voor zover onderdeel 2 van het incidentele cassatiemiddel daar een beroep op doet).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De verwerkingsgronden (art. 8 Wbp en 6 lid 1 AVG)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17</nr>
      <para>In art. 8 Wbp was limitatief omschreven op welke gronden persoonsgegevens kunnen worden verwerkt. Deze verwerkingsgronden (afkomstig uit art. 7 Privacyrichtlijn) zijn vrijwel ongewijzigd overgenomen in art. 6 lid 1 AVG.<footnote-ref linkend="_83cd7bc2-31ce-4034-82a4-c2a3050d1aea" /> Voor deze zaak zijn met name de c-grond (wettelijke verplichting), de e-grond (publiekrechtelijke taak) en de f-grond (behartiging van gerechtvaardigde belangen) van belang. Ik citeer art. 8 Wbp in zijn geheel, met onderstreping van de relevante verwerkingsgronden:</para>
      <parablock>
        <para> “Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien: </para>
        <para> a. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;</para>
        <para> b. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst;</para>
        <para> <emphasis role="underline">c</emphasis>. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een <emphasis role="underline">wettelijke verplichting</emphasis> na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is;</para>
        <para> d. de gegevensverwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene;</para>
        <para> <emphasis role="underline">e</emphasis>. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een <emphasis role="underline">publiekrechtelijke taak</emphasis> door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of</para>
        <para> <emphasis role="underline">f</emphasis>. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de <emphasis role="underline">behartiging van het gerechtvaardigde belang </emphasis>van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18</nr>
      <para>Een wettelijke verplichting in de zin van de <emphasis role="underline">c-grond</emphasis> behoefde (en behoeft) <emphasis role="italic">geen expliciete opdracht</emphasis> tot de gegevensververwerking te bevatten.<footnote-ref linkend="_c7c5fdab-7f1b-406f-87bb-73625724fed8" /> Wel werd de eis gesteld dat de wettelijke verplichting <emphasis role="italic">voldoende duidelijk </emphasis>is wat de voorgeschreven verwerking van persoonsgegevens betreft, zo blijkt uit de ‘<emphasis role="italic">Legitimate interest opinion</emphasis>’ van de zogeheten Artikel 29-Groep van vertegenwoordigers van de nationale privacyautoriteiten, ingesteld op grond van art. 29 van de Privacyrichtlijn.<footnote-ref linkend="_1a33fec0-1717-486b-8419-4bd5d50d4f8b" /> Thans is dit duidelijkheidsvereiste – dat zijn oorsprong vindt in de rechtspraak van het EHRM over art. 8 lid 2 EVRM<footnote-ref linkend="_9763cd2b-a42d-4247-a28e-f128fe76e541" /> – uitgewerkt in punt 41 van de considerans van de AVG, dat luidt:</para>
      <para>“(41) Wanneer in deze verordening naar een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, vereist dit niet noodzakelijkerwijs dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is, onverminderd de vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevingsmaatregel moet evenwel <emphasis role="underline">duidelijk en nauwkeurig</emphasis> zijn, en de toepassing daarvan moet <emphasis role="underline">voorspelbaar</emphasis> zijn voor degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie („Hof van Justitie”) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.”<footnote-ref linkend="_5de7bb8b-cc4d-4eb8-af3a-e7e6035bf759" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19</nr>
      <para>Voor toepassing van de <emphasis role="underline">e-grond</emphasis> was (en is) géén vereiste dat de gegevensverwerking plaatsvindt krachtens een wettelijke verplichting. Wel was (en is) vereist dat de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een <emphasis role="italic">publiekrechtelijke taak</emphasis><footnote-ref linkend="_b1a1ace7-73d6-417d-bb5b-ea78f9d1aa58" /> én dat die taakvervulling berust op een <emphasis role="italic">wettelijke grondslag</emphasis>. Deze wettelijke grondslag moet voldoen aan dezelfde vereisten als een wettelijke verplichting in de zin van de c-grond (duidelijkheid, nauwkeurigheid en voorspelbaarheid).<footnote-ref linkend="_a772a108-e421-404f-a2fb-b5e0294e0257" /> Evenals de c-grond biedt de e-grond <emphasis role="italic">geen zelfstandige grondslag</emphasis> voor de gegevensverwerking: de e-grond omschrijft alleen waaraan een elders gevonden grondslag (een wettelijk verankerde publiekrechtelijke taak) moet voldoen.<footnote-ref linkend="_6588e139-d726-4470-958b-ed2eb08f7ed8" /> Kenmerkend voor de e-grond is dat deze een zekere <emphasis role="italic">beoordelingsruimte</emphasis> aan de verwerkingsverantwoordelijke overlaat: hij is niet verplicht, maar uit hoofde van zijn publieke taak wel bevoegd tot de gegevensverwerking.<footnote-ref linkend="_946c5712-d5d9-40c8-90ed-380e6ebe093c" /> De e-grond fungeert, in elk geval naar huidig recht, als een soort vangnet voor de overheid: voor zover de c-grond toepassing mist, zal in de regel de e-grond toepasselijk zijn op gegevensverwerkingen door de overheid.<footnote-ref linkend="_fbbd420c-0889-425d-9944-0845806027aa" /> De e-grond vertoont in dit opzicht gelijkenissen met de f-grond.<footnote-ref linkend="_463f47c9-e7b8-462d-8a82-f851c1ec18eb" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20</nr>
      <para>De ruim omschreven <emphasis role="underline">f-grond</emphasis> (behartiging van gerechtvaardigde belangen) wordt van oudsher als ‘restgrond’ betiteld.<footnote-ref linkend="_ef0b6848-c6b4-431f-8a33-1282b42b4650" /> De f-grond geldt echter naar huidig recht (ingevolge art. 6 lid 1 onder f, tweede volzin, AVG) níet voor de verwerking van persoonsgegevens door <emphasis role="italic">overheidsinstanties</emphasis> in het kader van de uitoefening van hun taken (zoals in dit geval de verstrekking van inkomensverklaringen door de Belastingdienst).<footnote-ref linkend="_858d3e92-569d-453f-907e-7d9e5a086630" /> Hoewel onder het regime van de Privacyrichtlijn en de Wbp overheidsinstanties níet met zoveel woorden waren uitgesloten van de f-grond, werd ook toen al aangenomen dat de f-grond vooral voor gegevensverwerkingen in de private sector is bedoeld, aangezien overheidsinstanties in beginsel alleen persoonsgegevens mogen verwerken in het kader van de uitoefening van hun wettelijk omschreven taken en bevoegdheden.<footnote-ref linkend="_4c3c5c66-eb38-4632-bddd-ded091db067b" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21</nr>
      <para>Voor een gegevensverwerking die noodzakelijk is ter voldoening van een <emphasis role="italic">wettelijke verplichting van een derde </emphasis>(zoals in dit geval de verplichting van verhuurders in de sociale huursector om een inkomensverklaring te voegen bij een voorstel voor inkomensafhankelijke huurverhoging), biedt de c-grond geen grondslag, omdat die vereist dat de verwerkingsverantwoordelijke (in dit geval de inspecteur) zélf is onderworpen aan een wettelijke verplichting die tot de gegevensverwerking noodzaakt.<footnote-ref linkend="_bc1f1474-f8b2-4666-9554-ca4235d6c610" /> De f-grond kan in beginsel wél een grondslag bieden voor een zodanige gegevensverwerking,<footnote-ref linkend="_9d66ea8f-2a2a-484f-a9f4-b91e76612808" /> maar is als gezegd naar huidig recht niet toepasselijk op (en naar oud recht minder geschikt voor) gegevensverwerking door de overheid. De <emphasis role="underline">e-grond</emphasis> lijkt voor overheden de aangewezen grondslag voor een gegevensverwerking die noodzakelijk is ter voldoening van een wettelijke verplichting <emphasis role="italic">van een derde</emphasis>. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22</nr>
      <para>Onder het oude recht was niet geheel duidelijk of de e-grond voor overheden een grondslag kon bieden voor <emphasis role="italic">gegevensverstrekking aan derden</emphasis> ter uitvoering van een publiekrechtelijke taak. Art. 8 onder e Wbp suggereerde op het eerste gezicht van niet, nu daarin werd gesproken over een gegevensverwerking die noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het <emphasis role="italic">bestuursorgaan</emphasis> waaraan de gegevens worden verstrekt. Art. 7 onder e van de Privacyrichtlijn sprak (ogenschijnlijk ruimer) over ‘de vervulling van een taak van algemeen belang of (…) de uitoefening van het openbaar gezag die aan de voor de verwerking verantwoordelijke of de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, (…) is opgedragen’. Tegen deze achtergrond heeft Overkleeft-Verburg in haar annotatie bij de ABRvS-uitspraak betoogd ‘dat bij de implementatie van de e-grond in de Wbp de aan de derde-ontvanger gestelde eisen zijn opgehoogd via het vereiste van het zijn van bestuursorgaan’.<footnote-ref linkend="_9fe59ff2-d36b-4f45-b82e-de00388a4757" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23</nr>
      <para>Of dat werkelijk zo is vraag ik me af. Art. 8 onder e Wbp bood een grondslag voor iedere ‘gegevensverwerking’ – dus ook een verstrekking, aan wie dan ook – die noodzakelijk is ter uitvoering van een publiekrechtelijke taak. De toevoeging ‘door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt’, stelde buiten twijfel dat de publiekrechtelijke taak ook kon dienen als grondslag voor de <emphasis role="italic">ontvangst </emphasis>van persoonsgegevens dóór een bestuursorgaan ván een voor de verwerking verantwoordelijke derde. Met deze toevoeging werden dus geen extra eisen gesteld aan de <emphasis role="italic">derde-ontvanger</emphasis>, maar werd de <emphasis role="italic">derde-verstrekker </emphasis>onder het bereik van de e-grond gebracht, in lijn met de tekst van art. 7 onder e van de Privacyrichtlijn.<footnote-ref linkend="_32b28ee1-ca68-4eb6-a53c-2a04440f308a" /> Art. 6 lid 1 onder e AVG spreekt thans van een verwerking die noodzakelijk is voor ‘de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen’. Deze formulering bevestigt dat aan de <emphasis role="italic">verwerkingsverantwoordelijke </emphasis>de eis wordt gesteld dat hij een publieke taak uitoefent.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen gegevensverwerking</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24</nr>
      <para>Het onderscheid tussen de zojuist besproken verwerkingsgronden is in deze zaak mede van belang voor de vraag welke <emphasis role="italic">rechtsmiddelen </emphasis>de rechthebbende ten dienste staan (en daarmee indirect voor de ontvankelijkheidsvraag die in deze cassatieprocedure voorligt).<footnote-ref linkend="_b523ef86-80eb-4539-a650-8a2454da2f07" /> Voor deze zaak zijn met name twee rechtsmiddelen van belang. Ten eerste het recht op (onder meer) verwijdering en afscherming van persoonsgegevens (art. 36 Wbp), thans ook ‘gegevenswissing’ of ‘vergetelheid’ genoemd (art. 17 AVG), hierna: <emphasis role="bold">recht op gegevenswissing</emphasis>. Ten tweede het recht van verzet (art. 40 Wbp), thans ‘bezwaar’ geheten (art. 21 AVG), hierna: <emphasis role="bold">recht van verzet</emphasis>.<footnote-ref linkend="_91f9aac0-06ac-47b7-90a9-49836d415e4f" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25</nr>
      <para>De procesrechtelijke inbedding van voornoemde rechtsmiddelen was geregeld in hoofdstuk 8 van de Wbp (art. 45 e.v.). Thans bepaalt art. 79 lid 1 AVG dat rechthebbenden het recht hebben een ‘doeltreffende voorziening in rechte’ in te stellen ter zake van een vermeende schending van de AVG. Ter uitwerking hiervan zijn in de Uitvoeringswet AVG (<emphasis role="bold">UAVG</emphasis>)<footnote-ref linkend="_dd8dc088-9506-41e4-acaa-bc68e4f6427e" /> procesrechtelijke voorzieningen getroffen, die grotendeels aansluiten bij het stelsel van rechtsbescherming onder de Wbp.<footnote-ref linkend="_4a69dfa5-bd2c-4b00-946f-a4a5c5ed0c31" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26</nr>
      <para>Art. 45 Wbp bepaalde dat een beslissing op een verzoek als bedoeld in art. 36 Wbp en een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in art. 40 Wbp, voor zover genomen door een <emphasis role="italic">bestuursorgaan</emphasis>, golden als appellabele besluiten in de zin van de Awb.<footnote-ref linkend="_806b206f-3a99-4e99-b209-c12e26da6656" /> Art. 34 UAVG bepaalt thans hetzelfde voor de beslissing op een verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 AVG, waaronder een beslissing op een verzoek om gegevenswissing (art. 17 AVG) of een bezwaar (art. 21 AVG).<footnote-ref linkend="_80aee25a-2825-41cf-a8ba-8dba98aed9d3" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.27</nr>
      <para>De rechtsbescherming op grond van de Wbp en de AVG tegen gegevensverwerkingen door bestuursorganen (in dit geval de inspecteur) was en is dus gesitueerd in de <emphasis role="italic">bestuursrechtelijke</emphasis> kolom. Ik ga nu nader in op het niveau van rechtsbescherming dat de twee genoemde bestuursrechtelijke rechtsmiddelen de rechthebbende bieden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het recht van verzet en bezwaar (art. 40 Wbp en 21 AVG)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.28</nr>
      <para>Het recht van verzet (thans bezwaar geheten) is voor de praktijk het meest laagdrempelige rechtsmiddel. Dit rechtsmiddel stond en staat de rechthebbende alleen ten dienste indien de gegevensverwerking berust op de <emphasis role="underline">e-grond</emphasis> (een publieke taak) of de <emphasis role="underline">f-grond</emphasis> (behartiging van gerechtvaardigde belangen). Ik citeer de desbetreffende bepalingen met de bijbehorende overwegingen uit de considerans:</para>
      <parablock>
        <para> Punt 45 considerans Privacyrichtlijn:</para>
        <para> “(45) Overwegende dat wanneer gegevens het voorwerp kunnen uitmaken van een <emphasis role="underline">rechtmatige verwerking</emphasis> op grond van een algemeen belang, de uitoefening van het openbaar gezag of het rechtmatig belang van een persoon, iedere betrokkene evenwel het recht dient te hebben om zich op grond van zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die met <emphasis role="underline">zijn specifieke situatie</emphasis> verband houden tegen verwerking van hem betreffende gegevens te <emphasis role="underline">verzetten</emphasis>; dat de lidstaten evenwel de mogelijkheid hebben andersluidende nationale bepalingen vast te stellen.”</para>
        <para> Art. 14 Privacyrichtlijn:</para>
        <para> “De lidstaten kennen de betrokkene het recht toe:</para>
        <para> a) zich ten minste in de gevallen, bedoeld in <emphasis role="underline">artikel 7, onder e) en f)</emphasis>, te allen tijde om zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met <emphasis role="underline">zijn bijzondere situatie</emphasis> ertegen te <emphasis role="underline">verzetten</emphasis> dat hem betreffende gegevens het voorwerp van een verwerking vormen, behoudens andersluidende bepalingen in de nationale wetgeving. In geval van gerechtvaardigd verzet mag de door de voor de verwerking verantwoordelijke persoon verrichte verwerking <emphasis role="underline">niet langer</emphasis> op deze gegevens betrekking hebben;</para>
        <para> Art. 40 lid 1 Wbp:</para>
        <para> “Indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van <emphasis role="underline">artikel 8, onder e en f</emphasis>, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde <emphasis role="underline">verzet</emphasis> aantekenen in verband met zijn <emphasis role="underline">bijzondere persoonlijke omstandigheden</emphasis>.”</para>
        <para> Punt 69 considerans AVG:</para>
        <para> “(69) Wanneer persoonsgegevens <emphasis role="underline">rechtmatig</emphasis> mogen worden verwerkt omdat de verwerking nodig is ter vervulling van een <emphasis role="underline">taak van algemeen belang</emphasis> of in het kader van de <emphasis role="underline">uitoefening van het openbaar gezag</emphasis> dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend, dan wel op grond van de <emphasis role="underline">gerechtvaardigde belangen</emphasis> van een verwerkingsverantwoordelijke of een derde, dient een betrokkene <emphasis role="underline">niettemin bezwaar</emphasis> te kunnen maken tegen de verwerking van <emphasis role="underline">gegevens die op zijn specifieke situatie betrekking hebben</emphasis>. De verwerkingsverantwoordelijke moet aantonen dat zijn <emphasis role="underline">dwingende gerechtvaardigde belangen wellicht zwaarder wegen</emphasis> dan de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene.”</para>
        <para> Art. 21 lid 1 AVG:</para>
        <para> “De betrokkene heeft te allen tijde het recht om vanwege met zijn <emphasis role="underline">specifieke situatie</emphasis> verband houdende redenen <emphasis role="underline">bezwaar</emphasis> te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6, lid 1, onder e) of f), van artikel 6, lid 1, met inbegrip van profilering op basis van die bepalingen. De verwerkingsverantwoordelijke <emphasis role="underline">staakt de verwerking</emphasis> van de persoonsgegevens tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.29</nr>
      <parablock>
        <para>Uit deze bepalingen blijkt van een aantal kenmerken van het recht van verzet. </para>
        <para>(i) Het verzet is, om te beginnen, <emphasis role="italic">hoogstpersoonlijk </emphasis>van aard. Verzet kan alleen worden ingesteld in verband met ‘bijzondere persoonlijke omstandigheden’ aan de zijde van de rechthebbende (art. 40 lid 1 Wbp), respectievelijk vanwege ‘met zijn specifieke situatie verband houdende redenen’ (art. 21 lid 1 AVG).</para>
        <para>(ii) Het verzet heeft (om diezelfde reden) een <emphasis role="italic">zuiver casuïstisch </emphasis>karakter. Het rechtsmiddel noopt de verwerkingsverantwoordelijke tot een <emphasis role="italic">belangenafweging </emphasis>(zoals art. 21 lid 1 AVG expliciteert), op grond van de actuele persoonlijke situatie van de rechthebbende.<footnote-ref linkend="_d217cdcb-bc46-4384-8c11-4c597a24e23b" /></para>
        <para>(iii) Het verzet staat (naar zijn aard) alleen open tegen een <emphasis role="italic">rechtmatige gegevensverwerking</emphasis>, immers een gegevensverwerking die berust op de e-grond (een publieke taak) of de f-grond (behartiging van een gerechtvaardigd belang). </para>
        <para>(iv) Het verzet heeft (bijgevolg) een <emphasis role="italic">louter toekomstgericht</emphasis> karakter. Honorering van het verzet betekent niet dat de aangevochten gegevensverwerking in het verleden onrechtmatig is geweest, maar uitsluitend dat zij in de toekomst moet worden gestaakt (zoals art. 14 onder a van de Privacyrichtlijn expliciteert met de woorden ‘niet langer’). De memorie van toelichting bij art. 40 Wbp vermeldde dienovereenkomstig dat het artikel zich richt op ‘een rechtmatige gegevensverwerking, die pas onrechtmatig wordt nadat de betrokkene op grond van een bijzondere situatie verzet aantekent en dit verzet gerechtvaardigd wordt geacht’.<footnote-ref linkend="_405b823e-d681-464f-a437-332444518d91" /> In verband hiermee wordt het recht van verzet in de literatuur ook wel ‘blokkeringsrecht’ genoemd.<footnote-ref linkend="_88d1a4e4-90f7-4802-a534-cc02a4024c1b" /></para>
        <para>(v) Gegrondbevinding van het verzet leidt (dus) <emphasis role="italic">niet tot schadeplichtigheid</emphasis> van de verwerkingsverantwoordelijke.<footnote-ref linkend="_d731f56c-f0b8-4868-9cf7-d1a4164e9923" /> Het verzet noopt enkel tot een <emphasis role="italic">heroverweging </emphasis>van de gegevensverwerking voor de toekomst. De te beantwoorden vraag is of de verwerking wegens bijzondere, bijkomende omstandigheden moet worden beëindigd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.30</nr>
      <para>Samengevat kan het recht van verzet worden getypeerd als een hoogstpersoonlijk recht op een casuïstische heroverweging van een in beginsel rechtmatige gegevensverwerking, zonder terugwerkende kracht. Voor een dergelijke heroverweging is alleen plaats indien en voor zover de verwerkingsverantwoordelijke over <emphasis role="italic">beoordelingsruimte </emphasis>beschikt. Vandaar dat tegen een gegevensverwerking op de <emphasis role="underline">c-grond</emphasis> (een wettelijke verplichting) geen verzet openstaat.<footnote-ref linkend="_a01175f8-5c5d-4477-bdf4-88a00d8fd70c" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het recht op gegevenswissing en vergetelheid (art. 36 Wbp en 17 AVG)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.31</nr>
      <para>Het recht op gegevenswissing (thans ook ‘vergetelheid’ genoemd) is in de AVG gedeeltelijk anders geregeld dan in de Wbp. Ik citeer de desbetreffende bepalingen:<footnote-ref linkend="_b6c0fc76-64c2-4ae2-92c6-732907c92573" /></para>
      <parablock>
        <para> Art. 36 lid 1 Wbp:</para>
        <para> “Degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, <emphasis role="underline">te verwijderen, of af te schermen</emphasis> indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins <emphasis role="underline">in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt</emphasis>. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.”</para>
        <para> Art. 17 lid 1 AVG:</para>
        <para> “De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging <emphasis role="underline">wissing</emphasis> van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is:</para>
        <para> (…);</para>
        <para> c) de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, <emphasis role="underline">bezwaar</emphasis> tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2;</para>
        <para> d) de persoonsgegevens zijn <emphasis role="underline">onrechtmatig verwerkt</emphasis>; (…)”</para>
        <para> Art. 17 lid 3 AVG:</para>
        <para> “De leden 1 en 2 zijn <emphasis role="underline">niet van toepassing</emphasis> voor zover verwerking nodig is: (…)</para>
        <para> b) voor het nakomen van een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde <emphasis role="underline">wettelijke verwerkingsverplichting</emphasis> die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een <emphasis role="underline">taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag</emphasis> dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend; (…).”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.32</nr>
      <para>Uit deze bepalingen blijkt dat het recht op vergetelheid naar huidig recht deels in het verlengde ligt van het recht van bezwaar: een succesvol bezwaar leidt in beginsel tevens tot een aanspraak op gegevenswissing (art. 17 lid 1 onder c AVG). Het recht op vergetelheid is naar huidig recht echter níet van toepassing als de verwerking op de <emphasis role="underline">c-grond</emphasis> of op de <emphasis role="underline">e-grond</emphasis> berust (art. 17 lid 3 AVG). De achterliggende gedachte is dat het rechtmatig moet zijn om persoonsgegevens langer te bewaren wanneer dat noodzakelijk is voor de nakoming van een <emphasis role="italic">wettelijke verplichting</emphasis> of de uitoefening van een <emphasis role="italic">publieke taak</emphasis>.<footnote-ref linkend="_d6f9e6f3-0e04-47e4-98aa-e70b5ad68eed" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.33</nr>
      <para>Onder het oude recht stond het recht op gegevenswissing de rechthebbende ten dienste in alle gevallen waarin de te verwijderen of af te schermen gegevens feitelijk onjuist of onvolledig waren, dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift waren verwerkt (art. 36 lid 1 Wbp).<footnote-ref linkend="_a0a6bd3a-d6e7-4ce5-8844-083131d8f7f6" /> Hieruit blijkt dat dit rechtsmiddel een andere functie vervulde dan het recht van verzet. Een verzoek om gegevenswissing strekte niet (zoals verzet) tot een casuïstische heroverweging van een in beginsel rechtmatige gegevensverwerking, maar tot een categorische beëindiging van een <emphasis role="italic">onrechtmatige </emphasis>gegevensverwerking. Die functie vervult het rechtsmiddel vandaag de dag nog steeds, nu art. 17 lid 1 onder d AVG wissing van persoonsgegevens mogelijk maakt op de grond dat die ‘onrechtmatig verwerkt’ zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.34</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande lijkt naar oud recht een verzoek om gegevenswissing op de voet van <emphasis role="underline">art. 36 Wbp</emphasis> de meest voor de hand liggende bestuursrechtelijke route voor het aanvechten van een beweerdelijk onrechtmatige verstrekking van inkomensverklaringen. Ook de rechtspraak van de Afdeling gaat (inmiddels) hiervan uit (zie hierna, 6.42). Onder het regime van de AVG lijkt het corresponderende <emphasis role="underline">art. 17 AVG</emphasis> op het eerste gezicht niet voor toepassing op deze situatie in aanmerking te komen, althans indien men aanneemt dat de verstrekking van inkomensverklaringen op de e-grond berust (zoals hiervoor bepleit in 4.20 en 4.21). Gegevensverwerkingen op de c-grond en de e-grond zijn immers uitgesloten van het recht op vergetelheid (art. 17 lid 3 AVG). Men bedenke echter dat die uitsluiting pas aan de orde komt <emphasis role="italic">nadat </emphasis>is vastgesteld dat de betreffende verwerkingsgrond zich voordoet. Als de belanghebbende het standpunt inneemt dat van meet af aan een wettelijke grondslag voor de verwerking heeft ontbroken (zodat noch de c-grond, noch de e-grond voor toepassing in aanmerking komt), kan hij aanspraak maken op gegevenswissing op de grond dat de persoonsgegevens ‘onrechtmatig verwerkt’ zijn in de zin van art. 17 lid 1 onder d AVG.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Juridisch kader onrechtmatigheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">A.  Fiscaalrechtelijk beoordelingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De fiscale geheimhoudingsplicht (art. 67 Awr)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Art. 67 Awr bevat (sinds 1 januari 2008<footnote-ref linkend="_2b41ca6c-278f-4edc-bf35-56c12b667a80" />) de volgende regeling van de fiscale geheimhoudingsplicht:</para>
      <parablock>
        <para> “1. Het is een ieder <emphasis role="underline">verboden</emphasis> hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de <emphasis role="underline">persoon of zaken van een ander</emphasis> blijkt of wordt meegedeeld, <emphasis role="underline">verder bekend te maken</emphasis> dan <emphasis role="underline">noodzakelijk</emphasis> is voor de <emphasis role="underline">uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting</emphasis> als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (<emphasis role="underline">geheimhoudingsplicht</emphasis>).</para>
        <para> 2. De geheimhoudingsplicht <emphasis role="underline">geldt niet</emphasis> indien:</para>
        <para> a. enig <emphasis role="underline">wettelijk voorschrift</emphasis> tot de bekendmaking verplicht;</para>
        <para> b. bij <emphasis role="underline">regeling van Onze Minister</emphasis><footnote-ref linkend="_e97b1c72-e7e2-4f02-aa77-16ae5a261616" /> is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een <emphasis role="underline">publiekrechtelijke taak</emphasis> van een bestuursorgaan;</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para> c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.</para>
        <para> 3. In <emphasis role="underline">andere gevallen</emphasis> dan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister <emphasis role="underline">ontheffing</emphasis> verlenen van de geheimhoudingsplicht.<footnote-ref linkend="_4a2f01ca-979d-4673-97bd-f80095eb7025" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Vóór 1 januari 2008 was het eerste lid (de geheimhoudingsplicht) materieel gelijkluidend, maar voorzag het tweede lid (het uitzonderingsregime) uitsluitend in de mogelijkheid van ministeriële ontheffingen. Over dat ontheffingenstelsel was kritisch gerapporteerd door de Registratiekamer – de voorganger van het College bescherming persoonsgegevens, thans de Autoriteit Persoonsgegevens. Deze concludeerde dat het ontheffingenstelsel ‘geen adequate wettelijke grondslag is voor de verstrekking van persoonsgegevens door de Belastingdienst’. Met de invoering van art. 67 Awr in zijn huidige vorm heeft de wetgever deze kritiek willen adresseren. De memorie van toelichting vermeldt:</para>
      <parablock>
        <para> “Met de nu voorgestelde wijziging van de geheimhoudingsplicht, waarin de reikwijdte van het ontheffingenstelsel wordt beperkt, zal sprake zijn van een <emphasis role="underline">duidelijke en meer transparante wettelijke regeling</emphasis> inzake gegevensverstrekking door de Belastingdienst die beantwoordt aan de <emphasis role="underline">nationale en internationale normen van privacybescherming</emphasis>. De regeling zal hiermee voldoen aan de door de Registratiekamer verwoorde vereisten, te weten:</para>
        <para> a. de wet is <emphasis role="underline">voldoende specifiek</emphasis>;</para>
        <para> b. de wetgever gaat in op de <emphasis role="underline">noodzaak van gegevensverstrekking</emphasis> in verband met bepaalde maatschappelijke belangen;</para>
        <para> c. de <emphasis role="underline">rol van de Belastingdienst is duidelijk</emphasis> in het kader van de verwantschap in taken en verantwoordelijkheden;</para>
        <para> d. op hoofdlijnen wordt <emphasis role="underline">invulling gegeven aan het gegevensverkeer</emphasis>;</para>
        <para> e. ten aanzien van de verstrekkingen wordt <emphasis role="underline">zo veel mogelijk openheid</emphasis> betracht. Hierna wordt op deze vereisten ingegaan.”<footnote-ref linkend="_8734ed79-47a8-4169-8d7f-2558da163fe3" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>De betekenis en de doelstelling van de <emphasis role="italic">geheimhoudingsplicht</emphasis> (het eerste lid) zijn in de memorie van toelichting als volgt omschreven:</para>
      <para>“Gelet op de ruime wettelijke bevoegdheden die de Belastingdienst heeft om, <emphasis role="underline">soms privacy-gevoelige, informatie over belastingplichtigen</emphasis> te verzamelen, is de betekenis van de geheimhoudingsplicht groot. Naast het <emphasis role="underline">algemene belang van bescherming van persoonsgegevens</emphasis> gaat het om het <emphasis role="underline">belang dat personen niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst moeten worden weerhouden</emphasis> door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet.”<footnote-ref linkend="_327ce2d5-4829-4595-b209-4bd6764faa37" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze doelstelling is ontleend aan een beschikking van de Hoge Raad uit 1991.<footnote-ref linkend="_072f13b0-3a8f-410b-ba9f-9004e51099bc" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Met betrekking tot de <emphasis role="italic">uitzonderingsgronden </emphasis>(het tweede lid) vermeldt de memorie van toelichting:</para>
      <para>“In de voorgestelde regeling is <emphasis role="underline">duidelijk aangegeven in welke gevallen de fiscale geheimhoudingsplicht niet geldt</emphasis>. Daardoor is sprake van een veel beperkter ontheffingenstelsel dan onder de huidige regeling van toepassing is. Naast bekendmaking van gegevens over de belastingplichtige zelf die door of namens de belastingplichtige al eerder zijn verstrekt, zal gegevensverstrekking in het <emphasis role="underline">merendeel van de gevallen</emphasis> gebaseerd zijn op een <emphasis role="underline">wettelijk voorschrift</emphasis> of op een <emphasis role="underline">ministeriële regeling</emphasis> en slechts in een relatief beperkt aantal gevallen op een ontheffing van de Minister van Financiën. Dit alles maakt de wettelijke regeling <emphasis role="underline">voldoende specifiek</emphasis>.”<footnote-ref linkend="_af28e9f1-b9a0-4450-bb97-ae82500711ca" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>Toegespitst op de uitzonderingsgrond van art. 67 lid 2 onder a Awr wees de wetgever op de groeiende betekenis van de rol van de Belastingdienst bij de verstrekking van inkomensgegevens uit de (destijds nog in ontwikkeling zijnde) Basisregistratie inkomen (<emphasis role="bold">BRI</emphasis>). In dat kader wees de wetgever ook op de mogelijkheid van <emphasis role="italic">doorlevering</emphasis><footnote-ref linkend="_731a1536-83f8-4c50-88c5-eb0d682b9266" /> van inkomensgegevens aan <emphasis role="italic">derden, niet-bestuursorganen</emphasis>:</para>
      <para>“Bestuursorganen kunnen de van de Belastingdienst ontvangen informatie gebruiken ter verificatie van de door hen zelf verkregen gegevens maar ook voor direct gebruik. De <emphasis role="underline">heersende gedachte</emphasis> wordt steeds sterker dat <emphasis role="underline">burgers dezelfde gegevens niet vaker dan eenmaal aan de overheid hoeven te verstrekken</emphasis>. Die gedachte is ook een <emphasis role="underline">belangrijk uitgangspunt bij de invoering van basisregistraties</emphasis>. De bestuursorganen mogen de van de Belastingdienst afkomstige gegevens <emphasis role="underline">doorleveren aan andere bestuursorganen</emphasis> indien een wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Voor <emphasis role="underline">doorlevering aan derden, niet-bestuursorganen, is tevens vereist dat een wettelijke bepaling de mogelijkheid van doorlevering aan de desbetreffende derden biedt</emphasis>.”<footnote-ref linkend="_7b6ce05c-f022-413e-85f8-45790360cbc1" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <para>De formulering ‘dat een wettelijke bepaling de <emphasis role="italic">mogelijkheid</emphasis> van doorlevering aan de desbetreffende derden biedt’, suggereert dat voor doorlevering aan derden minder strenge eisen gelden dan voor doorlevering aan bestuursorganen, waarvoor volgens het citaat slechts plaats is indien een wettelijk voorschrift daartoe <emphasis role="italic">verplicht</emphasis>. Aan te nemen valt (mede gelet op het woord ‘tevens’) dat in beide situaties moet zijn voldaan aan het vereiste van een wettelijk voorschrift als bedoeld in art. 67 lid 2 onder a Awr (of één van de andere in die bepaling genoemde uitzonderingen). Het stelsel van doorlevering van inkomensgegevens uit de BRI (art. 21 e.v. Awr) maakt wél doorlevering krachtens een bij wet verleende <emphasis role="italic">bevoegdheid </emphasis>mogelijk, maar is alleen van toepassing op doorlevering aan <emphasis role="italic">bestuursorganen</emphasis>.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7</nr>
      <para>Met het oog op de in deze zaak voorliggende problematiek van een aanvankelijk <emphasis role="italic">impliciete</emphasis> wettelijke verplichting tot gegevensverstrekking wijs ik nog op de volgende passage uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 67 Awr, waar de minister suggereerde dat een wettelijk <emphasis role="italic">recht </emphasis>op gegevensverstrekking (zoals – mogelijkerwijs – het recht van verhuurders op verstrekking van inkomensverklaringen door de Belastingdienst) gelijkgesteld kan worden met een wettelijke <emphasis role="italic">plicht </emphasis>tot gegevensverstrekking als bedoeld in art. 67 lid 2 onder a Awr:</para>
      <para>“Ingeval een belanghebbende een <emphasis role="underline">wettelijk recht</emphasis> heeft om gegevens van de Belastingdienst te <emphasis role="underline">ontvangen</emphasis>, en de Belastingdienst <emphasis role="underline">daarmee een plicht</emphasis> heeft om deze gegevens te <emphasis role="underline">verstrekken</emphasis>, geldt de geheimhoudingsplicht niet. Dit is verwoord in het voorgestelde tweede lid, onderdeel a, van de geheimhoudingsbepalingen.”<footnote-ref linkend="_a03adec5-f068-4eb6-ba80-ac96df63f5db" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De Basisregistratie inkomen (art. 21 e.v. Awr) en het doorleveringsverbod (art. 21f Awr)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8</nr>
      <para>Hoofdstuk IVA van de Awr bevat (sinds 1 januari 2009<footnote-ref linkend="_6cf171f2-11a4-4853-a577-f22fe966f30f" />) een regeling van de BRI. Dit betreft een door de Belastingdienst beheerde basisregistratie die andere overheidsorganisaties – momenteel: het CAK, de Raad voor de rechtsbijstand, Belastingdienst/Toeslagen en DUO – kunnen gebruiken om inkomensgegevens van cliënten te raadplegen. De in de BRI opgenomen inkomensgegevens zijn gegevens over het verzamelinkomen en het belastbare loon van belastingplichtigen (art. 21a lid 1 jo. 21 sub e Awr).<footnote-ref linkend="_73493fb6-875c-4bda-b515-2d0a9dfa432e" /> Ook de in art. 7:252a lid 3 BW bedoelde <emphasis role="italic">inkomensverklaring</emphasis> wordt gebaseerd op gegevens uit de BRI, zo blijkt ook uit art. 7:252a lid 4 BW, waarvan de derde volzin als volgt luidt:</para>
      <para>“Indien geen <emphasis role="underline">inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen</emphasis> beschikbaar is, vermeldt de verklaring dat dat het geval is.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9</nr>
      <para>Art. 21b Awr bepaalt dat de basisregistratie tot doel heeft ‘de afnemers te voorzien van inkomensgegevens’. Art. 21 onder f Awr definieert het begrip ‘afnemer’ als een ‘bestuursorgaan dat op grond van een wettelijk voorschrift bevoegd is tot gebruik van een inkomensgegeven’. Deze beperking tot bestuursorganen houdt – uiteraard – verband met de privacygevoeligheid van de inkomensgegevens uit de BRI. De wetgever heeft in dit verband ook gewezen op de <emphasis role="italic">geheimhoudingsplicht</emphasis> van art. 67 Awr en opgemerkt dat de meeste afnemers de gegevens uit de BRI zullen gebruiken voor de uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling:</para>
      <parablock>
        <para> “De BRI is gezien de <emphasis role="underline">privacygevoeligheid</emphasis> van het authentieke inkomensgegeven en de <emphasis role="underline">geheimhoudingsplicht</emphasis> die er op grond van artikel 67 op rust een gesloten registratie en alleen beschikbaar voor daartoe bevoegde bestuursorganen.</para>
        <para> In verband hiermee is het begrip «<emphasis role="underline">afnemer</emphasis>» gedefinieerd als: een <emphasis role="underline">bestuursorgaan</emphasis> dat op grond van een wettelijk voorschrift bevoegd is tot gebruik van een inkomensgegeven. Het gebruik en de verstrekking van het privacygevoelige inkomensgegeven vergt een <emphasis role="underline">wettelijke basis</emphasis> omdat in dat geval tenminste bij de totstandkoming van de wettelijke regeling de voor- en nadelen en mogelijke <emphasis role="underline">risico’s voor de privacy</emphasis> onder ogen zijn gezien. Bij de besluitvorming over de toepassing van het authentieke inkomensgegeven zijn de verschillende belangen dan afgewogen.</para>
        <para> De <emphasis role="underline">meeste afnemers</emphasis> zullen het authentieke inkomensgegeven gebruiken voor de <emphasis role="underline">uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling</emphasis>. Het CBS is daarentegen een afnemer die de gegevens voor statistische doeleinden gebruikt.”<footnote-ref linkend="_a1be7d35-616e-4ba2-b9ff-24196d10d9b1" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10</nr>
      <para>Art. 21f Awr bevat, als verlengstuk van de fiscale geheimhoudingsplicht, een <emphasis role="italic">doorleveringsverbod</emphasis>, dat ertoe strekt te waarborgen dat de door de Belastingdienst verstrekte inkomensgegevens uit de BRI alleen worden gebruikt door daartoe bevoegde bestuursorganen en dat er geen informatie ‘weglekt’.<footnote-ref linkend="_4959cdfd-2865-490d-8978-37f688ce029a" /> Het artikel luidt:</para>
      <parablock>
        <para> “1. Een afnemer gebruikt een inkomensgegeven uitsluitend bij de uitoefening van een <emphasis role="underline">op grond van een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheid</emphasis> tot gebruik van dit gegeven.</para>
        <para> 2. Een afnemer is <emphasis role="underline">niet bevoegd een inkomensgegeven verder bekend te maken</emphasis> dan noodzakelijk voor de uitoefening van de hem verleende bevoegdheid.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11</nr>
      <para>Het wettelijk stelsel van de verstrekking van inkomensgegevens uit de BRI kan worden beschouwd als een uitzondering op de geheimhoudingsplicht van art. 67 lid 1 Awr. Deze uitzondering vindt haar grondslag in een wettelijk voorschrift als bedoeld in art. 67 lid 2 onder a Awr, namelijk art. 21g Awr, dat de afnemers <emphasis role="italic">verplicht </emphasis>tot het gebruik van inkomensgegevens uit de BRI, voor zover zij een op grond van een wettelijk voorschrift verleende ‘bevoegdheid tot gebruik’ van het inkomensgegeven uitoefenen (als bedoeld in art. 21 onder f en 21f lid 1 Awr).<footnote-ref linkend="_cf339cb1-d714-4520-b650-a0161d0a3bc4" /> Het verstrekkingenregime van de BRI <emphasis role="italic">verruimt </emphasis>dus de fiscale gegevensverstrekking, en snoert die niet verder in dan art. 67 Awr doet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">B. Privacyrechtelijk beoordelingskader: doelbindingsbeginsel en verdere verwerking</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12</nr>
      <para>De privacyrechtelijke discussie spitst zich in dit geding, voor zover in cassatie nog van belang, toe op het <emphasis role="italic">doelbindingsbeginsel </emphasis>en op de daarmee samenhangende regels inzake verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan die waarvoor zij oorspronkelijk zijn verkregen (hierna ook: <emphasis role="bold">verdere verwerking</emphasis>).<footnote-ref linkend="_eb80fa61-662b-41c3-88a3-a3f4e566459b" /> Het doelbindingsbeginsel en de regels inzake verdere verwerking waren verankerd in art. 6 lid 1 Privacyrichtlijn en art. 9 Wbp. Thans zijn zij te vinden in art. 5 lid 1 en 6 lid 4 AVG. Ik citeer weer de voor dit geding  relevante bepalingen:</para>
      <parablock>
        <para> Art. 6 lid 1 Privacyrichtlijn:</para>
        <para> “De lidstaten bepalen dat de persoonsgegevens:</para>
        <para> a) (…);</para>
        <para> b) voor <emphasis role="underline">welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden</emphasis> moeten worden verkregen en vervolgens <emphasis role="underline">niet worden verwerkt op een wijze de onverenigbaar is met die doeleinden</emphasis>. Verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden wordt niet als onverenigbaar beschouwd, mits de lidstaten passende garanties bieden; (…)”</para>
        <para> Art. 9 Wbp:</para>
        <para> “1. Persoonsgegevens worden <emphasis role="underline">niet verder verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden</emphasis> waarvoor ze zijn verkregen.</para>
        <para> 2. Bij de beoordeling of een verwerking onverenigbaar is als bedoeld in het eerste lid, houdt de verantwoordelijke in elk geval rekening met:</para>
        <para> a. de <emphasis role="underline">verwantschap</emphasis> tussen het doel van de beoogde verwerking en het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen;</para>
        <para> b. de <emphasis role="underline">aard van de betreffende gegevens</emphasis>;</para>
        <para> c. de <emphasis role="underline">gevolgen van de beoogde verwerking</emphasis> voor de betrokkene;</para>
        <para> d. de <emphasis role="underline">wijze waarop de gegevens zijn verkregen</emphasis> en</para>
        <para> e. de mate waarin jegens de betrokkene wordt voorzien in <emphasis role="underline">passende waarborgen</emphasis>. (…)</para>
        <para> 4. De verwerking van persoonsgegevens blijft <emphasis role="underline">achterwege</emphasis> voor zover een <emphasis role="underline">geheimhoudingsplicht</emphasis> uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift daaraan in de weg staat.”</para>
        <para> Art. 5 lid 1 AVG:<footnote-ref linkend="_c0de669b-adbe-4e4f-b249-818e75803e79" /></para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>“1. “1. Persoonsgegevens moeten:</para>
        <para>“1. a) (…);</para>
        <para>“1. b) voor <emphasis role="underline">welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden</emphasis> worden verzameld en mogen vervolgens <emphasis role="underline">niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt</emphasis>; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd („<emphasis role="underline">doelbinding</emphasis>”); (…).</para>
        <para>“1. Art. 6 lid 4 AVG:</para>
        <para>“1. “Wanneer de <emphasis role="underline">verwerking voor een ander doel</emphasis> dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op <emphasis role="underline">toestemming</emphasis> van de betrokkene of op een <emphasis role="underline">Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepaling</emphasis> die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, lid 1, bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel <emphasis role="underline">verenigbaar is met het doel</emphasis> waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer rekening met:</para>
        <para>“1. a) ieder <emphasis role="underline">verband tussen de doeleinden</emphasis> waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, en de doeleinden van de voorgenomen verdere verwerking;</para>
        <para>“1. b) het <emphasis role="underline">kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld</emphasis>, met name wat de <emphasis role="underline">verhouding tussen de betrokkenen</emphasis> en de verwerkingsverantwoordelijke betreft;</para>
        <para>“1. c) de <emphasis role="underline">aard van de persoonsgegevens</emphasis>, met name of bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt, overeenkomstig artikel 9, en of persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten worden verwerkt, overeenkomstig artikel 10;</para>
        <para>“1. d) de mogelijke <emphasis role="underline">gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking</emphasis> voor de betrokkenen;</para>
        <para>“1. e) het bestaan van <emphasis role="underline">passende waarborgen</emphasis>, waaronder eventueel versleuteling of pseudonimisering.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13</nr>
      <para>De hoofdregel is, zowel onder het oude als onder het nieuwe recht,<footnote-ref linkend="_6bac7f19-9f6c-4a60-b429-2a33aa8698be" /> dat verdere verwerking is toegestaan, dus dat persoonsgegevens voor <emphasis role="italic">andere doeleinden </emphasis>mogen worden gebruikt dan die waarvoor zij oorspronkelijk zijn verkregen, mits de verdere verwerking <emphasis role="italic">niet onverenigbaar </emphasis>is met die oorspronkelijke doeleinden (hierna ook: <emphasis role="bold">de verenigbaarheidseis</emphasis>).<footnote-ref linkend="_90740228-2a33-417c-aeb9-e3d3e8259b7b" /> Op grond van deze hoofdregel is verdere verwerking voor <emphasis role="italic">verenigbare </emphasis>doeleinden dus zonder meer geoorloofd, ook als voor die verdere verwerking geen wettelijke grondslag bestaat.<footnote-ref linkend="_09c58766-1028-4d83-858d-3cbd81722d51" /> De achterliggende gedachte is dat het gebruik van persoonsgegevens voor een doel dat nauw samenhangt met het doel waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn verzameld, meestal niet op bezwaren stuit, immers doorgaans zal overeenkomen met het <emphasis role="italic">verwachtingspatroon</emphasis> van degene om wiens persoonsgegevens het gaat.<footnote-ref linkend="_ec646423-2d66-45a2-bf74-1dc23f329d77" /> Verwerking voor <emphasis role="italic">onverenigbare </emphasis>doeleinden is daarentegen (om diezelfde reden) slechts onder strikte voorwaarden toegestaan, namelijk alleen met toestemming van de rechthebbende of op basis van een wettelijke regeling waarmee belangrijke doelstellingen van algemeen belang worden nagestreefd (art. 6 lid 4 AVG en punt 50 van de considerans).<footnote-ref linkend="_42d53c15-7d2c-4e4a-9b95-0a74f70ebf43" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14</nr>
      <para>De verenigbaarheidseis moet worden toegepast met inachtneming van een aantal niet-limitatief omschreven <emphasis role="italic">gezichtspunten</emphasis>.<footnote-ref linkend="_ab00d89d-04b0-45e5-9322-b0fc7df3742d" /> Deze gezichtspunten waren eertijds verankerd in art. 9 lid 2 Wbp (een bepaling van zuiver nationale origine, zonder equivalent in de Privacyrichtlijn) en zijn thans (geïnspireerd door het ‘Nederlandse model’<footnote-ref linkend="_72ae74f6-3d21-4197-8397-fcd2243375da" />) in deels herziene bewoordingen opgenomen in art. 6 lid 4 AVG. In de literatuur wordt aangenomen dat, gelet op de zojuist besproken ratio van de verenigbaarheidseis (het verwachtingspatroon van rechthebbenden), de <emphasis role="italic">mate van verwantschap </emphasis>tussen de doeleinden (art. 9 lid 2 onder a Wbp en 6 lid 4 onder a AVG) het voornaamste en in de praktijk veelal doorslaggevende gezichtspunt is.<footnote-ref linkend="_11b0d341-d0a2-4653-b845-e95ab01f3e4c" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.15</nr>
      <para>Waar het gaat om gegevensverwerking voor <emphasis role="italic">publieke doeleinden </emphasis>(zoals in dit geval voor de belastingheffing enerzijds en de uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling anderzijds) zal doorgaans sprake zijn van een zodanige mate van verwantschap tussen de doeleinden, dat reeds daarom aan de verenigbaarheidseis is voldaan. Steun voor deze gedachtegang is te vinden in de hiervoor in 5.9 geciteerde opmerking in de memorie van toelichting bij art. 21 onder f Awr, inhoudend dat de meeste afnemers gegevens uit de BRI zullen gebruiken voor de uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling. Diezelfde gedachtegang komt ook tot uitdrukking in de volgende passage uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 67 Awr (die in de sleutel van de e-grond van art. 8 Wbp stond):</para>
      <parablock>
        <para> “De richtlijn en in navolging daarvan <emphasis role="underline">artikel 8, onderdeel e, Wbp</emphasis> laten uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat gegevens gebruikt worden ten behoeve van de <emphasis role="underline">publiekrechtelijke taak</emphasis> die door een ander bestuursorgaan wordt verricht. In dat opzicht bestaat er dan ook geen reden de gegevensuitwisseling te beperken tot bestuursorganen die tot taak hebben de uitvoering van inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen. Artikel 9, eerste lid, Wbp bepaalt dat persoonsgegevens niet verder verwerkt mogen worden op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor de gegevens zijn verkregen. <emphasis role="underline">Indien persoonsgegevens voor meerdere publiekrechtelijke taken van belang zijn, zal er vaak verwantschap zijn tussen het doel waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn verkregen en het doel van de beoogde verwerking</emphasis>. In dat geval is sprake van <emphasis role="underline">verenigbaar gebruik</emphasis>.</para>
        <para> Ingeval geen sprake is van verwantschap en verenigbaar gebruik, is gegevensverstrekking ten behoeve van de uitvoering van overheidsregelingen meestal toch mogelijk op grond van een of meer van de in artikel 43 Wbp genoemde uitzonderingen op artikel 9.”<footnote-ref linkend="_c7243867-e8a4-4483-8daf-5faf54f1ba2a" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Juridisch kader gegevensverstrekking</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">A.   Wet inkomensafhankelijke huurverhoging en Reparatiewet</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>De achtergronden, doelstellingen en relevante bepalingen van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging en de Wet gegevensverstrekking Belastingdienst (Reparatiewet) zijn hiervoor al uiteengezet bij de feitenvaststelling (zie 2.1 onder iii e.v., met bijbehorende voetnoten). Ik concentreer mij hierna op de voor dit geding cruciale vraag of deze wetgeving voorziet c.q. voorzag in een toereikende <emphasis role="italic">wettelijke grondslag</emphasis> voor de verstrekking van inkomensverklaringen door de Belastingdienst aan verhuurders in de sociale huursector. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>De Staat stelt dat de vereiste wettelijke grondslag is gelegen in art. 7:252a BW en art. 19b Uhw, zoals ingevoerd bij de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging en verduidelijkt in de Reparatiewet. Volgens de Staat was en is op grond van art. 7:252a BW ‘duidelijk’ dat de Belastingdienst desgevraagd inkomensverklaringen moet verstrekken aan verhuurders. Deze verplichting is volgens de Staat ‘nader uitgewerkt’ in art. 19b Uhw. In dat artikel zijn waarborgen getroffen ter bescherming van de privacy van huurders, in de vorm van een viertal op verhuurders rustende verplichtingen (leden 1-4), en is geregeld onder welke voorwaarden de Belastingdienst kan <emphasis role="italic">weigeren </emphasis>de inkomensverklaring te verstrekken, namelijk bij schending van die verplichtingen (lid 5). Met deze regeling is volgens de Staat een <emphasis role="italic">uitzondering</emphasis> gemaakt op de fiscale geheimhoudingsplicht, nu de regeling een wettelijk voorschrift inhoudt dat de Belastingdienst <emphasis role="italic">verplicht</emphasis> tot het verstrekken van informatie aan derden (in de zin van art. 67 lid 2 onder a Awr).<footnote-ref linkend="_8195c833-9129-4a7a-95da-8ea13ebf7ed9" /> Volgens de Staat ligt die verplichting besloten in art. 7.252a lid 3 BW, althans volgt die uit het samenstel van art. 7:252a BW en art. 19 b Uhw.<footnote-ref linkend="_6b37db01-7ce9-456d-82b8-33a4a05aa613" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>Ter inleiding citeer ik nog even de opeenvolgende versies van art. 7:252a lid 3 (thans lid 4) BW en de actuele versie van art. 19b (voorheen 19a) Uhw:</para>
      <parablock>
        <para> Art. 7:252 lid 3 BW (van 16 maart 2013 tot 1 april 2016):</para>
        <para> “Indien een voorstel als bedoeld in lid 1 wordt gedaan, wordt bij het voorstel een <emphasis role="underline">door de inspecteur op verzoek</emphasis> van die verhuurder aan deze <emphasis role="underline">afgegeven verklaring</emphasis> gevoegd.”</para>
        <para> Art. 7:252 lid 3 BW (van 1 april 2016 tot 1 januari 2017):</para>
        <para> “Indien een voorstel als bedoeld in lid 1 wordt gedaan, wordt bij het voorstel een verklaring gevoegd omtrent het huishoudinkomen. De <emphasis role="underline">inspecteur verstrekt op verzoek</emphasis> van een verhuurder <emphasis role="underline">een verklaring</emphasis> omtrent het huishoudinkomen aan de verhuurder.”</para>
        <para> Art. 7:252a lid 4 BW (sinds 1 januari 2017):</para>
        <para> “De <emphasis role="underline">inspecteur verstrekt desgevraagd</emphasis> aan de verhuurder een <emphasis role="underline">huishoudverklaring</emphasis>. (…)”</para>
        <para> Art. 19b Uhw (sinds 1 juli 2017):</para>
        <para> “1. De verhuurder vraagt en gebruikt de gegevens, die overeenkomstig artikel 7:252a, vierde tot en met zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek worden verstrekt, <emphasis role="underline">uitsluitend voor het doen van een voorstel tot verhoging van de huurprijs</emphasis> als bedoeld in het eerste lid van dat artikel.</para>
        <para> 2. De betrokken gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden <emphasis role="underline">bewaard totdat</emphasis> op het betrokken voorstel, bedoeld in artikel 7:252a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, onherroepelijk is beslist of de voorgestelde verhoging van de huurprijs geacht wordt te zijn overeengekomen.</para>
        <para> 3. De verhuurder voert ten behoeve van een getrouwe weergave van de uitvoering en een effectief uitvoeringsproces een zodanige <emphasis role="underline">administratie</emphasis> dat de juiste, volledige en tijdige vastlegging is gewaarborgd van de gegevens met betrekking tot het huishoudinkomen die verband houden met de toepassing van artikel 7: 252a, vierde tot en met zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek.</para>
        <para> 4. Een ieder die kennis neemt van de gegevens, die overeenkomstig artikel 7: 252a, vierde tot en met zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek worden verstrekt, is <emphasis role="underline">verplicht tot geheimhouding</emphasis> van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.</para>
        <para> 5. Indien de <emphasis role="underline">verhuurder in strijd handelt met het eerste, tweede, derde of vierde lid</emphasis> [het doelbindingsbeginsel, de bewaarduur, de administratieplicht en de geheimhoudingsplicht] kan de inspecteur, bedoeld in artikel 7:252a, tweede lid, onderdeel e, van het Burgerlijk Wetboek, het <emphasis role="underline">afgeven van de huishoudverklaring</emphasis>, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, van dat artikel, <emphasis role="underline">weigeren</emphasis>.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4</nr>
      <parablock>
        <para>De hierna onder (i) en (ii) vermelde wetten vormen samen de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging. De wet onder (iii) is de Reparatiewet:</para>
        <para>(i) Wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (<emphasis role="underline">huurverhoging op grond van inkomen</emphasis>), <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2013/89; wetsvoorstel 33 129; inwerkingtreding 16 maart 2013 (<emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2013/91);</para>
        <para>(ii) Wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (<emphasis role="underline">huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens</emphasis>), <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2013/90; wetsvoorstel 33 330; inwerkingtreding 16 maart 2013 (<emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2013/91);</para>
        <para>(iii) Wet van 30 maart 2016 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (<emphasis role="underline">gegevensverstrekking Belastingdienst</emphasis>), <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2016/124; wetsvoorstel 34 374; inwerkingtreding 1 april 2016 (<emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2016/125). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">B.  Totstandkomingsgeschiedenis Wet inkomensafhankelijke huurverhoging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Achtergrond en doelstelling: doorstroming op de huurmarkt</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5</nr>
      <para>De Wet inkomensafhankelijke huurverhoging vond haar oorsprong in het regeerakkoord van het kabinet-Rutte I (VVD-CDA). In dat regeerakkoord was overeengekomen dat ‘ter bevordering van de doorstroming op de huurmarkt’ voor huurders in de gereguleerde sector met een huishoudinkomen van meer dan € 43.000,- een extra huurverhoging van ‘inflatie plus maximaal 5 procentpunt’ zou worden toegestaan. Het eind 2011 ingediende Wetsvoorstel huurverhoging op grond van inkomen (de eerste tranche van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging, ook wel ‘Wetsvoorstel 5%’ genoemd) strekte ter uitvoering van deze afspraak.<footnote-ref linkend="_df240636-94f0-4716-8adb-69022e1502e8" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6</nr>
      <para>Medio 2012 – het gedoogkabinet Rutte I was inmiddels gevallen – volgde een tweede wetsvoorstel, het Wetsvoorstel huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens (ook wel ‘Wetsvoorstel 1%’ genoemd). Dit wetsvoorstel strekte ertoe een extra huurverhoging mogelijk te maken van het inflatiepercentage plus maximaal 1 procentpunt voor huurders met een inkomen tussen de € 33.000,- en € 43.000,- per jaar. Hiermee werd uitvoering gegeven aan een afspraak uit het Begrotingsakkoord 2013 (ook wel aangeduid als het Kunduz-akkoord), dat tussen de twee regeringspartijen VVD en CDA enerzijds en de oppositiepartijen D66, GroenLinks en ChristenUnie anderzijds was overeengekomen.<footnote-ref linkend="_be2d014c-50d5-468c-aa62-ceee4564de7d" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7</nr>
      <para>Het tweede wetsvoorstel was qua systematiek gelijk aan het eerste en de beide wetsvoorstellen zijn in nagenoeg gelijke bewoordingen (en deels tezamen) toegelicht.<footnote-ref linkend="_9d445121-4a6b-41a3-b1ab-533087fb42d7" /> Vandaar dat ik de wetsvoorstellen gezamenlijk bespreek onder de noemer Wet inkomensafhankelijke huurverhoging. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Discussie over doelmatigheid, legaliteit en proportionaliteit/subsidiariteit</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.8</nr>
      <para>Bij de totstandkoming van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging is, mede naar aanleiding van kritische adviezen van de Raad van State en het College bescherming persoonsgegevens (<emphasis role="bold">Cbp</emphasis>), uitvoerig stilgestaan bij de doelmatigheid en de privacy-aspecten van het wetsvoorstel. De Raad van State toonde zich met name kritisch vanuit <emphasis role="italic">doelmatigheidsoogpunt</emphasis>. Hij betoogde dat een inkomensafhankelijke huurverhoging de problematiek van ‘scheefwonen’ in de sociale huursector niet zou oplossen, zolang niet tevens de onderliggende problematiek van een <emphasis role="italic">gebrekkig functionerende woningmarkt</emphasis> (onvoldoende doorstroommogelijkheden voor middeninkomens) werd aangepakt.<footnote-ref linkend="_8f31cf77-026e-467f-8b9b-89a7c2e6fc78" /> Vanuit privacy-oogpunt deed de Raad van State een tweetal technische aanbevelingen met betrekking tot de in art. 19a (thans 19b) leden 1 en 2 Uhw neergelegde verplichtingen voor verhuurders.<footnote-ref linkend="_e3813e07-2b58-46a2-b6c6-3db9131575a0" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.9</nr>
      <para>De voornaamste kritiek vanuit <emphasis role="italic">privacy-oogpunt</emphasis> was afkomstig van het Cbp. In een advies van 14 juni 2011 (voordat het eerste wetsvoorstel werd ingediend) had het Cbp kritische kanttekeningen geplaatst bij de onderbouwing van het wetsvoorstel in het licht van de beginselen van <emphasis role="italic">proportionaliteit en subsidiariteit</emphasis> in de zin van art. 8 lid 2 EVRM. In antwoord hierop is in de memorie van toelichting van 22 december 2011 onder meer gewezen op de <emphasis role="italic">fiscale geheimhoudingsplicht</emphasis>. Aansluitend is uiteengezet dat de verstrekking van inkomensverklaringen (desondanks) gerechtvaardigd werd geacht (in de zin van art. 8 lid 2 EVRM) met het oog op – samengevat – (i) bevordering van de doorstroming in de woningmarkt, (ii) beperking van de administratieve lasten voor verhuurders en huurders en (iii) bescherming van huurders tegen onredelijke huurverhogingsvoorstellen.<footnote-ref linkend="_f2fe41ec-fcc9-4bf5-b981-43b705388a81" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.10</nr>
      <para>In het kader van de hierop volgende parlementaire behandeling zijn opnieuw bezwaren geuit vanuit privacy-oogpunt, mede naar aanleiding van een onderzoek dat de Woonbond begin maart 2012 had verricht en een daarbij behorend advies van advocatenkantoor Kennedy Van der Laan.<footnote-ref linkend="_0517338e-f233-4845-ad1a-3483335b0ad3" /> Deze bezwaren stonden wederom in het teken van de eisen die art. 8 lid 2 EVRM stelt aan een beperking van de privacy, waaronder ook het <emphasis role="italic">legaliteitsvereiste</emphasis>. Daarop heeft de regering in de nota naar aanleiding van het verslag van 26 maart 2012 het volgende opgemerkt over de <emphasis role="italic">wettelijke grondslag</emphasis> van de gegevensverwerking:</para>
      <parablock>
        <para> “De beperkende maatregel moet «<emphasis role="underline">voorzien bij wet</emphasis>» zijn. <emphasis role="underline">Dit wetsvoorstel beoogt de benodigde wettelijke basis te verschaffen</emphasis>. Daarbij zijn enige <emphasis role="underline">wezenlijke waarborgen</emphasis> ingebouwd, waarvan de belangrijkste zijn:</para>
        <para> ▪de administratieplicht;</para>
        <para> ▪de geheimhoudingsplicht;</para>
        <para> ▪de beperkte duur waarvoor de gegevens mogen worden bewaard; en</para>
        <para> ▪de geboden rechtsbescherming. (…)”<footnote-ref linkend="_e77c132e-1eb1-4b2f-b736-ddfdb833f615" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.11</nr>
      <para>Bij de behandeling van het wetsvoorstel op 4 april 2012 is de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nader ingegaan op de wettelijke grondslag van de gegevensverwerking. Zij verwees naar art. 19a Uhw en de daarin neergelegde verplichtingen voor verhuurders om de privacy van huurders te respecteren (lid 1-4):</para>
      <para>“Een aantal woordvoerders heeft gevraagd of ik specifiek wil ingaan op de bezwaren van het College bescherming persoonsgegevens en het rapport van Kennedy Van der Laan. Het College bescherming persoonsgegevens hebben wij geraadpleegd voordat de definitieve tekst en de definitieve memorie van toelichting voor advies naar de Raad van State zijn gegaan. Het College bescherming persoonsgegevens heeft een aantal punten expliciet onder onze aandacht gebracht, in de eerste plaats dat het <emphasis role="underline">voorschrift heel precies moet zijn</emphasis>. Mede op advies van het College bescherming persoonsgegevens, maar zeker ook op advies van de Raad van State, zijn in <emphasis role="underline">artikel 19a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte</emphasis> die <emphasis role="underline">grondslagen heel nadrukkelijk aangegeven</emphasis>. Het college heeft ook aangegeven dat er <emphasis role="underline">effectieve waarborgen</emphasis> moeten zijn. Die hebben wij ook <emphasis role="underline">in artikel 19a</emphasis> opgenomen, door bijvoorbeeld te bepalen dat verhuurders inkomensverklaringen uitsluitend voor het doel van de voorgestelde huurverhoging mogen gebruiken en dat zij de gegevens slechts mogen bewaren totdat die huurverhoging is overeengekomen of onherroepelijk is geworden.”<footnote-ref linkend="_c3798499-e5fb-43e7-bd20-82a11c6245b4" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.12</nr>
      <para>In de nota naar aanleiding van het verslag heeft de regering aangekondigd dat zij voornemens was om, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet, <emphasis role="italic">ontheffing van de geheimhoudingsplicht</emphasis> te verlenen (in de zin van art. 67 lid 3 Awr), opdat de verstrekking van inkomensverklaringen en inkomensafhankelijke huurverhogingen die daarop gebaseerd zouden worden nog datzelfde jaar konden plaatsvinden. Daarbij werd ook gewezen op art. III van het wetsvoorstel, <footnote-ref linkend="_928dcff6-1574-4737-bcc3-0fd101ba7508" /> waarin <emphasis role="italic">terugwerkende kracht</emphasis> werd verleend aan de voorgestelde wetsbepalingen over (onder meer) de verstrekking van inkomensverklaringen.<footnote-ref linkend="_e3b6cd58-1189-4d04-b80e-633b237a648c" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.13</nr>
      <para>Nadat de Tweede Kamer het wetsvoorstel op 12 april 2012 had aangenomen, deed zich een buitenparlementaire ontwikkeling voor die de plannen van de regering dreigde te doorkruisen: bij vonnis van 13 april 2012 verbood de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, op vordering van vier individuele huurders, de verstrekking van inkomensverklaringen vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet, wegens strijd met art. 8 Wbp. De voorzieningenrechter overwoog onder meer:</para>
      <para>“3.4 (…) De Staat kan zich (…) <emphasis role="underline">niet beroepen op artikel 8 aanhef en onder c Wbp</emphasis>, waarin is bepaald dat persoonsgegevens mogen worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is. Het <emphasis role="underline">wetsvoorstel waarmee een zodanige wettelijke verplichting voor de Belastingdienst in het leven wordt geroepen</emphasis>, is immers <emphasis role="underline">(nog) niet tot wet verheven</emphasis>. Daarom kan in het midden blijven of de beoogde wettelijke verplichting in overeenstemming is met artikel 8 EVRM en andere, een ieder verbindende bepalingen van verdragen.”<footnote-ref linkend="_716dd8fd-b1bf-4e35-89a0-ad85e10b79d1" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.14</nr>
      <para>Bij brief van 19 april 2012 berichtte de minister aan de Tweede Kamer dat de Staat geen hoger beroep zou instellen tegen het kortgedingvonnis. De minister wilde de aandacht richten op de verdere behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer, opdat de beoogde inkomensafhankelijke huurverhogingen per 1 juli 2013 (een jaar later dan aanvankelijk was beoogd) alsnog doorgang zouden kunnen vinden.<footnote-ref linkend="_c52a54a2-4cd8-462d-980b-19c8d96f9bb4" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Discussie in Eerste Kamer over privacy en geheimhoudingsplicht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.15</nr>
      <para>Op 15 mei 2012, hangende de behandeling van het wetsvoorstel bij de Eerste Kamer, stuurde het Cbp een brief aan de staatssecretaris van Financiën naar aanleiding van het kortgedingvonnis. In deze brief nam het Cbp het standpunt in dat de verstrekking van inkomensgegevens vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet hoe dan ook onrechtmatig was (geweest), namelijk in strijd met de <emphasis role="italic">fiscale geheimhoudingsplicht </emphasis>van art. 67 Awr en bijgevolg in strijd met art. 9 lid 4 Wbp (dus niet alleen wegens het ontbreken van een wettelijke verplichting in de zin van art. 8 onder c Wbp). Art. 67 lid 3 Awr bood volgens het Cbp geen grondslag voor het verlenen van een ontheffing.<footnote-ref linkend="_9bedc95a-44e9-41c9-b3cf-532b12937060" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.16</nr>
      <para>Mede naar aanleiding van deze brief is bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer opnieuw gediscussieerd over de privacy-aspecten.<footnote-ref linkend="_111c9c8a-740f-4c29-8bdf-00d242cb2e4d" /> Voor de senatoren stond buiten kijf dat het wetsvoorstel een uitzondering op de fiscale geheimhoudingsplicht bewerkstelligde, maar zij vroegen zich af of die uitzondering verdragsrechtelijk en fiscaalrechtelijk wel door de beugel kon, mede in het licht van de <emphasis role="italic">ratio</emphasis> van de geheimhoudingsplicht en het <emphasis role="italic">doelbindingsbeginsel</emphasis>. </para>
      <parablock>
        <para> “(PvdA): (…)</para>
        <para> Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) had in de eerste fase bezwaar tegen het wetsvoorstel, en heeft geadviseerd om het voorstel niet in te dienen. Naast het gebrek aan toelichting op proportionaliteit en subsidiariteit was de reactie van het CBP zo scherp, omdat het <emphasis role="underline">wetsvoorstel indruist tegen het uitgangspunt dat "personen niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst moeten worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt</emphasis> dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de Belastingwet". <emphasis role="underline">Dat is precies wat hier gebeurt</emphasis>: het gebruiken van aan de Belastingdienst opgegeven gegevens voor een <emphasis role="underline">ander doel dan waarvoor ze waren bestemd</emphasis>. Ook na aanpassing van het wetsvoorstel is het oordeel van het CBP negatief. Wat moet de PvdA-fractie hieruit concluderen als het gaat om het privacybeleid van dit kabinet?”<footnote-ref linkend="_8b2f373c-9cdb-449d-bf96-870dcc0345b3" /></para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para> “(D66): (…)</para>
        <para> Hoewel wij, zoals gezegd, de richting van het wetsvoorstel in algemene zin onderschrijven, hebben wij vanaf het begin <emphasis role="underline">zorgen</emphasis> gehad over de uitvoering van de regeling <emphasis role="underline">aangaande de privacy</emphasis>. Wij begrijpen dat het wanneer een huurverhoging gekoppeld wordt aan een inkomensafhankelijke regeling, onvermijdelijk is dat er inkomensgegevens verstrekt worden, in dit geval door de Belastingdienst. Het maakt daarbij een wezenlijk verschil of er concrete inkomensgegevens worden verstrekt, dan wel slechts een verklaring over de relatie tussen het inkomen en de grens van € 43.000. Met deze <emphasis role="underline">specifieke grondslag in het wetsvoorstel</emphasis> wordt naar ons oordeel althans <emphasis role="underline">formeel recht gedaan aan de fiscale geheimhoudingsplicht</emphasis>. Toch kunnen wij er niet omheen dat de voorgestelde gegevensverstrekking heel direct raakt aan het recht op de persoonlijke levenssfeer, zoals vastgelegd in artikel 8 van het EVRM. De regering is van oordeel dat het verstrekken van inkomensgegevens op grond van het verdragsrechtelijke criterium social pressing need gerechtvaardigd is. (…) Het is voor mijn fractie een <emphasis role="underline">belangrijke vraag</emphasis> of deze redenering <emphasis role="underline">uit verdragsrechtelijk oogpunt valide</emphasis> is.”<footnote-ref linkend="_3bb99dce-4047-40b5-b5cc-119d1354bd65" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.17</nr>
      <para>De minister pareerde deze kritiek (onder meer) met verwijzing naar het kortgedingvonnis, waaruit zij afleidde dat het wetsvoorstel – indien eenmaal tot wet verheven – een toereikende wettelijke grondslag zou bevatten voor de beoogde gegevensverwerking:</para>
      <para>“In de uitspraak van de rechter in kort geding maar ook in de brief van het College bescherming persoonsgegevens, zien wij wel bevestigd dat met een wettelijke grondslag de Belastingdienst op deze manier mag handelen. <emphasis role="underline">Met dit voorstel wordt dus de wettelijke grondslag gegeven voor het verstrekken van die inkomensverklaringen</emphasis>. Daarmee is naar onze stellige overtuiging geen grond meer voor de kritiek van het College bescherming persoonsgegevens, van de rechter in kort geding en van Kennedy Van der Laan. Immers, op het moment dat die wettelijke grondslag er is, mogen die gegevens wel worden verstrekt.”<footnote-ref linkend="_302da782-fb6a-4bbe-a6c0-2b0f2187237e" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Doorbreking geheimhoudingsplicht nader onderbouwd n.a.v. Cbp-advies</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.18</nr>
      <para>Op 6 juli 2012 – terwijl het ‘Wetsvoorstel 5%’ (de eerste tranche) nog bij de Eerste Kamer lag – werd het ‘Wetsvoorstel 1%’ (de tweede tranche) bij de Tweede Kamer ingediend. Vanwege de gelijkenis tussen de beide wetsvoorstellen had de Raad van State afgezien van nadere advisering. Op verzoek van een aantal fracties in de Tweede Kamer werd advies van het Cbp gevraagd.<footnote-ref linkend="_a8c7e8af-1315-428a-80c3-f8e2a49e786d" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.19</nr>
      <para>Op 24 juli 2012 bracht het Cbp zijn advies uit, waarin (evenals in de brief van 15 mei 2012) de <emphasis role="italic">fiscale geheimhoudingsplicht </emphasis>centraal stond. Het Cbp achtte de doorbreking van de geheimhoudingsplicht onvoldoende gemotiveerd in het licht van de beginselen van <emphasis role="italic">proportionaliteit en subsidiariteit</emphasis>. Ik citeer de kernoverweging van het Cbp-advies, waarin viermaal de woorden ‘doorbreking van de geheimhoudingsplicht’ voorkomen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“ “De <emphasis role="underline">doorbreking van de geheimhoudingsplicht</emphasis> van de Belastingdienst maakt dit wetsvoorstel in het kader van de beginselen van proportionaliteit en de subsidiariteit voor burgers <emphasis role="underline">extra ingrijpend</emphasis>. In dit geval zullen immers de <emphasis role="underline">gegevens van de Belastingdienst</emphasis> voor <emphasis role="underline">andere doeleinden dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet</emphasis> worden gebruikt. Daarbij gaat de Belastingdienst ter zake van de uitvoering van het voorstel <emphasis role="underline">inkomensgegevens verstrekken aan verhuurders van woningen, zijnde private partijen</emphasis>. Het CBP wijst erop dat de <emphasis role="underline">doorbreking van de geheimhoudingsplicht</emphasis> van de Belastingdienst, gelet op de inhoud ervan, <emphasis role="underline">slechts in zeer uitzonderlijke gevallen</emphasis> zou moeten kunnen plaatsvinden. De redeneringen en daarbij naar voren gebrachte argumenten zijn er slechts op gericht de <emphasis role="underline">doorbreking van de geheimhoudingsplicht</emphasis> te rechtvaardigen en houden <emphasis role="underline">geen belangafweging ten principale</emphasis> in.</para>
        <para>“ Naar het oordeel van het CBP is in het kader van de <emphasis role="underline">beginselen van proportionaliteit en</emphasis></para>
        <para>“ <emphasis role="underline">subsidiariteit</emphasis> met name de <emphasis role="underline">doorbreking van de geheimhoudingsplicht</emphasis> van de Belastingdienst <emphasis role="underline">onvoldoende gemotiveerd</emphasis>, zodat het voorstel (reeds hierom) niet in overeenstemming is met deze beginselen.”<footnote-ref linkend="_a33d0bdd-b807-442f-b968-77c96679b3e6" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.20</nr>
      <para>Naar aanleiding van dit advies heeft de minister (voor beide wetsvoorstellen in identieke bewoordingen) de doorbreking van de geheimhoudingsplicht nader onderbouwd:</para>
      <parablock>
        <para> “In het advies wordt gevraagd om: (…)</para>
        <para> c.de <emphasis role="underline">doorbreking van de geheimhoudingsplicht</emphasis> van de Belastingdienst <emphasis role="underline">verder te motiveren</emphasis> in het kader van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit; (…)</para>
        <para> <emphasis role="italic">Ad c</emphasis>. Er is gekozen voor een methode die de <emphasis role="underline">minste administratieve lasten</emphasis> oplevert en waarbij de doorbreking van de geheimhoudingsplicht zo is ingericht dat de <emphasis role="underline">privacy van huurders maximaal wordt gewaarborgd</emphasis>.</para>
        <para> De verhuurders krijgen alleen die informatie die strikt noodzakelijk is om te beoordelen of ze een boveninflatoire huurverhoging mogen opleggen. Daarom bevat de verklaring alleen het gegeven of het totale huishoudinkomen op het aangegeven adres tot een bepaalde categorie behoort of dat het niet bekend is. De verhuurder krijgt dus geen gegevens over het exacte huishoudinkomen en evenmin heeft de verklaring betrekking op het inkomen van individuele personen. Enkel indien er sprake is van één inkomen op het aangegeven adres, zou de verklaring te herleiden kunnen zijn tot de persoon die de woning huurt, maar nog steeds niet tot het inkomen van die persoon.</para>
        <para> Gezien het <emphasis role="underline">grote maatschappelijke belang</emphasis> van de maatregel en het feit dat er <emphasis role="underline">geen andere minder ingrijpende mogelijkheid</emphasis> is om een inkomensafhankelijke huurverhoging mogelijk te maken, is het <emphasis role="underline">gerechtvaardigd</emphasis> om voor de verstrekking van beperkte gegevens over het huishoudinkomen de <emphasis role="underline">geheimhoudingsplicht van de Belastingdienst te doorbreken</emphasis>. Andere methoden zouden ofwel de invoering van een inkomensafhankelijke huurverhoging frustreren, ofwel een grotere inbreuk opleveren op de privacy van de huurders, ofwel disproportionele administratieve en bestuurlijke lasten met zich meebrengen.”<footnote-ref linkend="_3cf09c89-ad39-4a4e-af90-a5d7438100ab" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.21</nr>
      <para>Het ‘Wetsvoorstel 1%’ is op 14 februari 2013 aangenomen door de Tweede Kamer. De beide voorstellen zijn gezamenlijk behandeld door de Eerste Kamer en op 12 maart 2013 met een nipte meerderheid (37 stemmen voor en 36 stemmen tegen) aangenomen.<footnote-ref linkend="_458a3f66-0ff2-437f-a90c-13035d7ef908" /> De Wet inkomensafhankelijke huurverhoging is op 15 maart 2013 in het Staatsblad geplaatst en al op 16 maart 2013 in werking getreden,<footnote-ref linkend="_c24c9a8e-f03b-4c57-8887-f82fd87af7ec" /> opdat de beoogde huurverhogingen per 1 juli 2013 konden worden gerealiseerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.22</nr>
      <para>Met de invoering van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging op 16 maart 2013 ging ook de verstrekking van inkomensverklaringen door de Belastingdienst van start. De parlementaire discussie over de privacyaspecten werd voortgezet in de rechtszaal, want begin 2014 werd de Staat gedagvaard in een bodemprocedure voor de rechtbank Den Haag, waarin Huurdersvereniging Amsterdam een verklaring voor recht vorderde dat de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging onrechtmatig en onverbindend was wegens een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De vorderingen werden afgewezen in een uitvoerig gemotiveerd (maar niet gepubliceerd) vonnis, waarin zowel aan art. 8 EVRM als aan art. 6 e.v. van de Privacyrichtlijn werd getoetst. Voor de onderhavige zaak is van belang dat in die zaak uit 2014 de <emphasis role="italic">wettelijke grondslag</emphasis> van de gegevensverstrekking (als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM) niet ter discussie was gesteld.<footnote-ref linkend="_99dd6f94-c627-44c5-ab36-b65f5069c687" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">C.  Totstandkomingsgeschiedenis Reparatiewet</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.23</nr>
      <para>Op 22 juli 2015 deed de sector bestuursrechtspraak van de rechtbank Amsterdam een uitspraak die voor de wetgever als een onaangename verrassing moet zijn gekomen. De uitspraak betrof een huurder van een sociale huurwoning die op 16 april 2013 een huurverhoging van 4% aangezegd had gekregen, op basis van een inkomensverklaring die de Belastingdienst op 27 maart 2013 (vlak na invoering van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging) aan de verhuurder had verstrekt. De huurder had tegen die verstrekking verzet aangetekend op de voet van art. 40 Wbp, daartoe stellende dat de gegevensverwerking had plaatsgevonden op grond van art. 8 onder c Wbp, echter zonder dat sprake was van een wettelijke verplichting van de inspecteur om de inkomensverklaring te verstrekken. De rechtbank honoreerde dit betoog en vernietigde het besluit van de Belastingdienst waarbij eisers verzet niet-ontvankelijk was verklaard. De rechtbank overwoog onder meer:</para>
      <para>“3.3. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval <emphasis role="underline">artikel 8, aanhef en onder c, van de Wbp niet van toepassing</emphasis>. Uit de tekst van het hiervoor geciteerde <emphasis role="underline">artikel 7:252a van het BW</emphasis> volgt, dat een verhuurder bij een inkomensafhankelijk voorstel tot huurverhoging een op zijn verzoek door de inspecteur van de Belastingdienst afgegeven verklaring dient te voegen. Deze wettelijke bepaling bevat naar het oordeel van de rechtbank <emphasis role="underline">niet uitdrukkelijk de door verweerder gestelde verplichting van de inspecteur</emphasis> van de Belastingdienst tot het aan de verhuurder verstrekken van een indicatieve verklaring over het huishoudinkomen op het betrokken adres. Dit artikel bevat <emphasis role="underline">slechts een verplichting voor de verhuurder</emphasis> om bij zijn voorstel een dergelijke verklaring te voegen. Verweerder heeft nog gewezen op <emphasis role="underline">artikel 19a, vijfde lid van de Uitvoeringswet huurprijzen</emphasis>. Uit dit artikel volgt echter <emphasis role="underline">niet meer dan dat de inspecteur van de Belastingdienst bevoegd is het afgeven van de verklaring te weigeren</emphasis> indien de verhuurder handelt in strijd met de in het tweede, derde en vierde lid van dat artikel neergelegde plicht tot bewaring, administratie en geheimhouding van de betrokken gegevens. De omstandigheid dat de inspecteur van de Belastingdienst afgifte van een verklaring kan weigeren, impliceert naar het oordeel van de rechtbank <emphasis role="underline">niet dat hij een wettelijke verplichting heeft om een verklaring te verstrekken</emphasis>. (…)”<footnote-ref linkend="_0cc14354-3fe2-483f-bacb-c0b507843616" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.24</nr>
      <para>Hangende het hoger beroep van deze uitspraak zond de regering op 21 december 2015 het wetsvoorstel ‘Gegevensverstrekking Belastingdienst’ naar de Tweede Kamer (de Reparatiewet). Daarin werd voorgesteld de volgende, al meermaals geciteerde volzin toe te voegen aan art. 7:252a lid 3 BW:</para>
      <para>“De <emphasis role="underline">inspecteur verstrekt op verzoek</emphasis> van een verhuurder een verklaring omtrent het huishoudinkomen aan de verhuurder.” </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.25</nr>
      <para>In de memorie van toelichting werd de aanleiding voor het wetsvoorstel niet onthuld. De regering benadrukte dat het slechts een ‘redactionele wijziging’ betrof, bedoeld om ‘buiten twijfel’ te stellen dat de inspecteur op grond van art. 7:252a lid 3 BW op verzoek van een verhuurder een inkomensverklaring ‘moet verstrekken’:</para>
      <para>“Zoals in de <emphasis role="underline">parlementaire geschiedenis</emphasis> van de inkomensafhankelijke (hogere) huurverhoging <emphasis role="underline">meerdere malen is aangegeven</emphasis> (Kamerstukken II 2011/12, 33 129, nr. 3, pagina’s 4 en 7; Kamerstukken II 2011/12, 33 330, nr. 3, pagina’s 4 en 8; Kamerstukken I 2012/13, 33 330, E, pag. 32), <emphasis role="underline">verstrekt de Belastingdienst op verzoek</emphasis> aan de verhuurder een inkomensverklaring, inhoudende in welke inkomenscategorie het huishoudinkomen valt. <emphasis role="underline">Teneinde eventuele misverstanden over de huidige tekst te voorkomen</emphasis>, wordt met de voorliggende <emphasis role="underline">redactionele wijziging</emphasis> – die <emphasis role="underline">geen inhoudelijke wijziging</emphasis> inhoudt – <emphasis role="underline">buiten twijfel gesteld</emphasis> dat de (inspecteur van de) Belastingdienst op verzoek van een verhuurder een dergelijke <emphasis role="underline">inkomensverklaring moet verstrekken</emphasis>. Het betreft hier dus <emphasis role="underline">alleen een verduidelijking</emphasis> van de reeds bestaande tekst van artikel 7:252a, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (het voorgestelde artikel I, onderde[e]l 1). De voorgestelde wijziging in artikel I, onderdeel 2, loopt hierbij mee.”<footnote-ref linkend="_643d1186-6b10-4d36-8e6a-2994d8ad84cf" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.26</nr>
      <para>De Raad van State had geen inhoudelijk commentaar op het wetsvoorstel, maar vroeg zich wel af waarom de spoedprocedure werd gevolgd voor het aanbrengen van een redactionele wijziging zonder inhoudelijke betekenis. Hierop antwoordde de regering dat het van belang was dat de beoogde wijzigingen, ‘hoewel technisch van aard’, in werking zouden treden vóór 1 februari 2016, de datum waarop de Belastingdienst een ‘portal’ voor het verkrijgen van de inkomensverklaring zou openen.<footnote-ref linkend="_0184e51b-01e7-4994-98b4-e88df27a5711" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.27</nr>
      <para>Nadat het wetsvoorstel op 3 maart 2016 was aangenomen door de Tweede Kamer, rees bij de Eerste Kamer de vraag of het wetsvoorstel niet was achterhaald door de <emphasis role="italic">ABRvS-uitspraak </emphasis>die intussen was gewezen (op 3 februari 2016). De regering antwoordde hierop dat het wetsvoorstel ‘juist anticiperend op die uitspraak’ was ingediend om ‘explicieter in de wet op te nemen dat de Belastingdienst de verplichting heeft om op verzoek van verhuurders inkomensindicaties voor de huurverhoging op grond van dat artikel te verstrekken’. Nochtans herhaalde de regering dat met het voorstel ‘geen enkele inhoudelijke wijziging’ werd aangebracht:</para>
      <para>“(…) Met de huidige wetgeving is beoogd om <emphasis role="underline">buiten twijfel te stellen</emphasis> dat de <emphasis role="underline">Belastingdienst verplicht </emphasis>is om op verzoek van verhuurders inkomensindicaties voor de huurverhoging <emphasis role="underline">op grond van artikel 7: 252a van het BW</emphasis> te verstrekken. In de <emphasis role="underline">adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State en het College bescherming persoonsgegevens</emphasis> (nu: Autoriteit persoonsgegevens) bij de wetsvoorstellen inzake de inkomensafhankelijke huurverhoging in 2011 en 2012 is <emphasis role="underline">geen opmerking gemaakt over de wettelijke formulering</emphasis> van de <emphasis role="underline">(thans meer impliciete) verplichting</emphasis> voor de Belastingdienst om op verzoek van verhuurders inkomensindicaties te verstrekken. Ook in de parlementaire behandeling is <emphasis role="underline">algemeen aangenomen dat de Belastingdienst de verplichting heeft</emphasis> om op verzoek van verhuurders inkomensindicaties te verstrekken en dat er <emphasis role="underline">geen sprake is van een discretionaire bevoegdheid</emphasis> voor de Belastingdienst. Naar aanleiding van de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is van een <emphasis role="underline">onvoldoende expliciete formulering</emphasis> in de wetgeving gebleken. Dat wordt met dit wetsvoorstel <emphasis role="underline">rechtgezet</emphasis>. Met het voorliggende wetsvoorstel wordt de redactie van artikel 7:252a van het BW in die zin gewijzigd dat daarin <emphasis role="underline">expliciet wordt vastgelegd</emphasis> dat de <emphasis role="underline">Belastingdienst de verplichting heeft</emphasis> om op verzoek inkomensindicaties te verstrekken en dat hij daarin <emphasis role="underline">geen discretionaire bevoegdheid</emphasis> heeft. Met voorliggend wetsvoorstel wordt <emphasis role="underline">geen enkele inhoudelijke wijziging</emphasis> ten opzichte van de verstrekking van inkomensindicaties geregeld.”<footnote-ref linkend="_ad9ca770-b119-405c-9906-805cd3b73a7a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.28</nr>
      <para>Het wetsvoorstel is op 29 maart 2016 zonder stemming aangenomen door de Eerste Kamer<footnote-ref linkend="_4196fcd5-1476-4e15-935e-620148e555d9" /> en op 1 april 2016 in werking getreden.<footnote-ref linkend="_0c0e6eae-6b24-4dde-91b3-42f057242575" /> Dit markeert voor deze zaak de overgang van tijdvak I naar tijdvak II. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">D.  De ABRvS-uitspraak en daaropvolgende rechtspraak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De ABRvS-uitspraak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.29</nr>
      <para>Op 3 februari 2016, hangende de behandeling van het reparatievoorstel bij de Eerste Kamer, deed de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak in het hoger beroep tegen de Amsterdamse uitspraak die de aanleiding voor dat voorstel had gevormd. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het verzet gegrond en bepaalde dat de Belastingdienst ‘geen gegevens betreffende het inkomen van [appellant] verstrekt aan de verhuurder van diens woning zolang daarvoor geen grondslag bestaat, als bedoeld in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen’.<footnote-ref linkend="_2727fd71-0f9d-4fdb-b3d6-d203c1dc5d75" /> Dit is de reeds in de inleiding genoemde ABRvS-uitspraak. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.30</nr>
      <para>De Afdeling stelde vast dat in art. 7:252a BW en 19b Uhw niet met zoveel woorden was bepaald dat de Belastingdienst <emphasis role="italic">verplicht </emphasis>is tot verstrekking van inkomensverklaringen (rov. 3.2). Hierop voortbouwend overwoog de Afdeling, in reactie op het betoog van de Staat dat de wettelijke regeling ‘betekenisloos’ zou zijn zonder zo’n wettelijke verplichting, het volgende:</para>
      <para>“3.3. Het betoog dat <emphasis role="underline">bedoeld is een wettelijke verplichting</emphasis> voor de Belastingdienst tot gegevensverstrekking in te voeren en dat <emphasis role="underline">zonder wettelijke verplichting</emphasis> de in 2013 aangenomen wetten tegen scheefwonen <emphasis role="underline">betekenisloos</emphasis> zouden zijn, biedt <emphasis role="underline">geen grond</emphasis> om een wettelijke verplichting in artikel 252a van Boek 7 van het BW en in artikel 19b van de Uhw te lezen, omdat de <emphasis role="underline">tekst van de bepalingen</emphasis>, bezien in het licht van artikel 67 van de Awr, daarvoor <emphasis role="underline">geen aanknopingspunten </emphasis>biedt. Ingevolge het eerste lid van <emphasis role="underline">artikel 67 van de Awr</emphasis> geldt als <emphasis role="underline">hoofdregel</emphasis> dat de Belastingdienst gegevens die hij bij zijn taakuitoefening heeft verkregen, <emphasis role="underline">niet aan derden mag verstrekken</emphasis>. <emphasis role="underline">Achtergrond</emphasis> hiervan is dat de Belastingdienst <emphasis role="underline">ruime wettelijke bevoegdheden</emphasis> heeft om <emphasis role="underline">privacygevoelige informatie</emphasis> over belastingplichtigen te verzamelen en dat belastingplichtigen gehouden zijn die bij hen opgevraagde gegevens te verschaffen. Hierop is gewezen in de memorie van toelichting bij de wet van 27 september 2007, Stb. 2007, 376, waarbij artikel 67 van de Awr is gewijzigd (Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, blz. 12). Daarnaast is het in het <emphasis role="underline">algemeen belang dat personen niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst worden weerhouden</emphasis> door de <emphasis role="underline">vrees dat die gegevens voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt</emphasis> dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet, zoals in laatstgenoemde memorie van toelichting is opgemerkt en ook door de Hoge Raad is overwogen (arrest van 8 november 1991, NJ 1992, 277). <emphasis role="underline">Artikel 67, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awr</emphasis> voorziet in een <emphasis role="underline">uitzondering</emphasis> op de in het eerste lid van dat artikel neergelegde geheimhoudingsplicht ingeval een <emphasis role="underline">wettelijk voorschrift tot verstrekking van informatie verplicht</emphasis>. In het licht van de <emphasis role="underline">achtergrond van de geheimhoudingsplicht</emphasis> is de Afdeling van oordeel dat een zodanige verplichting <emphasis role="underline">uitdrukkelijk en duidelijk</emphasis> in een wettelijk voorschrift moet zijn neergelegd en dat <emphasis role="underline">niet toelaatbaar</emphasis> is dat een dergelijke verplichting <emphasis role="underline">uitsluitend wordt afgeleid uit de totstandkomingsgeschiedenis van of de samenhang tussen wettelijke bepalingen</emphasis> of wordt <emphasis role="underline">verondersteld omwille van de effectiviteit van een wettelijke regeling</emphasis>. Zie bijvoorbeeld artikel 87 van de Comptabiliteitswet 2001, artikel 64, eerste lid, van de Participatiewet (voorheen Wet werk en bijstand), artikel 39, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en artikel 54, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Die bepalingen worden in laatstgenoemde <emphasis role="underline">memorie van toelichting</emphasis> (blz. 18) genoemd als <emphasis role="underline">voorbeelden van wettelijke voorschriften</emphasis> als bedoeld in artikel 67, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awr.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.31</nr>
      <para>Het voorgaande bracht de Afdeling tot de conclusie dat de c-grond van art. 8 Wbp (een wettelijke verplichting) toepassing miste en dat het ‘derhalve’ ging om een verwerking van persoonsgegevens op de f-grond (de behartiging van gerechtvaardigde belangen). Bijgevolg stond daartegen ingevolge art. 40 Wbp verzet open (rov. 3.4). Wat de merites betreft oordeelde de Afdeling dat de verstrekking van de inkomensgegevens van de appellant, bij gebreke van een wettelijke verplichting in de zin van art. 67 lid 2 onder a Awr, in strijd met de fiscale geheimhoudingsplicht was geweest. De staatssecretaris had het verzet van de appellant daarom gegrond moeten verklaren en de verstrekking van de inkomensgegevens moeten beëindigen (rov. 4.1). Het verzoek tot schadevergoeding kwam volgens de Afdeling niet voor toewijzing in aanmerking, bij gebreke van immateriële schade aan de zijde van de appellant (rov. 5).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.32</nr>
      <para>Deze uitspraak is, wat de invulling van de geheimhoudingsplicht betreft, overwegend instemmend ontvangen. In de annotaties van Overkleeft-Verburg, Groenhart en Gardenbroek (de eerste twee vanuit privacy-perspectief, de derde vanuit huurrechtelijk perspectief) wordt de redenering van de Afdeling in rov. 3.3 uitdrukkelijk onderschreven.<footnote-ref linkend="_1c19858a-9467-4221-a4ee-0fd07657fa6c" /> De uitspraak is in talloze (hand)boeken en artikelen over fiscaal recht, privacyrecht en huurrecht in beschrijvende zin weergegeven en – voor zover ik heb kunnen nagaan – nergens ter discussie gesteld.<footnote-ref linkend="_953fb3de-835e-4d30-9bc7-a9c450334082" /> De kernoverweging van de Afdeling – het vereiste dat een wettelijke verplichting als bedoeld in art. 67 lid 2 Awr ‘uitdrukkelijk en duidelijk’ in de wet moet zijn neergelegd (rov. 3.3) – is zelfs door de wetgever overgenomen in de memorie van toelichting bij de UAVG, in de context van de e-grond (de publieke taak):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“ “De <emphasis role="underline">publieke taak</emphasis> en de gegevensverwerking moeten hun grondslag vinden in het in Nederland geldende recht. Dit hoeft echter <emphasis role="underline">niet uitputtend</emphasis> te zijn geregeld, en de publieke taak behoeft ook niet altijd in een wet in formele zin te zijn vastgelegd. (…) In de kern gaat het erom dat het voor het individu kenbaar moet zijn dat zijn persoonsgegevens met betrekking tot een specifieke publieke taak worden verwerkt. Dit kan ook, zoals nu in sommige gevallen wordt aangenomen, volgen uit een <emphasis role="underline">samenstel van wettelijke regels die tezamen een publieke taak aanduiden</emphasis>. (…)</para>
        <para>“ Vereist is dus een <emphasis role="underline">voldoende precieze wettelijke grondslag</emphasis>. Dat betekent (…) dat een verplichting voor een overheidsinstantie tot gegevensverstrekking terwijl die overheidsinstantie een <emphasis role="underline">wettelijk geregelde geheimhoudingsplicht</emphasis> heeft, <emphasis role="underline">uitdrukkelijk en duidelijk</emphasis> in een wettelijk voorschrift moet zijn neergelegd, en dat het <emphasis role="underline">niet toelaatbaar</emphasis> is dat een dergelijke verplichting <emphasis role="underline">uitsluitend wordt afgeleid uit de totstandkomingsgeschiedenis van of de samenhang tussen wettelijke bepalingen</emphasis> of wordt <emphasis role="underline">verondersteld omwille van de effectiviteit van een wettelijke regeling</emphasis>.<footnote-ref linkend="_10a7be5d-bb22-4b93-9742-d1ab64c69303" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.33</nr>
      <para>Overkleeft-Verburg toonde zich in haar al genoemde annotatie wel kritisch over de praktische gevolgen van een strikte invulling van de fiscale geheimhoudingsplicht. Zij meende dat de uitspraak van een ‘toch wel enigszins gedateerde opvatting’ over de betekenis van de fiscale geheimhoudingsplicht getuigde en niet spoorde met ‘de politiek-bestuurlijke realiteit van toenemend hergebruik van fiscale persoonsgegevens’. Niettemin noemde zij het ‘terecht’ dat de Afdeling een ‘systematisch-teleologische interpretatie van informatieverplichtingen’, zoals door de Staat verdedigd, in de context van art. 67 lid 2 onder a Awr had verworpen.<footnote-ref linkend="_a68a08b5-69d5-4bf2-a67c-4f08db87f2e6" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.34</nr>
      <para>Andere kritiek betreft de toepassing van de <emphasis role="italic">f-grond</emphasis> en het recht van <emphasis role="italic">verzet</emphasis> door de Afdeling. Overkleeft-Verburg betoogt dat aan deze ‘instrumentalisering van de f-grond’ bezwaren zijn verbonden. Ten eerste wordt daarmee de systematiek van de verwerkingsgronden doorbroken: de f-grond is bedoeld voor gegevensverwerking in de <emphasis role="italic">particuliere sector</emphasis>. Ten tweede krijgt daardoor het recht van verzet een ‘andere lading dan daarmee is beoogd’: het verzet wordt ‘verbreed en verzelfstandigd’ en ‘ingezet bij de toetsing op naleving van de geheimhoudingsplicht’. Daardoor wordt het er voor de rechtzoekende burger ‘niet gemakkelijker op’.<footnote-ref linkend="_45f119da-816a-4768-af0a-8a225900c465" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.35</nr>
      <para>Groenhart onderschrijft de bereikte uitkomst, maar noemt de route ernaartoe – toepassing van de f-grond omwille van ontvankelijkheid van het verzet – wel een ‘hele grote stap’. De f-grond beoogt immers ‘een correctiemogelijkheid te bieden voor een <emphasis role="italic">rechtmatige</emphasis> verwerking die wegens bijzondere omstandigheden in een individueel geval ongerechtvaardigd kan uitvallen’. Ook de route van het recht van verzet ‘verrast’ volgens Groenhart. Dat de geheimhoudingsplicht de verstrekking niet toelaat, is volgens hem ‘geen persoonlijke omstandigheid’ in de zin van art. 40 Wbp, maar een omstandigheid die de gegevensverstrekking ‘in alle gevallen op voorhand al onrechtmatig’ maakt. Bij die situatie past beter het <emphasis role="italic">recht op gegevenswissing</emphasis> in de zin van art. 36 Wbp (door Groenhart ‘correctierecht’ genoemd). Hij merkte in dit verband op dat het verschil tussen verzet en gegevenswissing van belang is voor een eventuele aanspraak op <emphasis role="italic">schadevergoeding</emphasis>. In de sleutel van het recht van verzet ontstaat immers pas een onrechtmatige verwerking als die verwerking ná gegrondbevinding van het verzet wordt voortgezet.<footnote-ref linkend="_4dbf27b2-c57c-4921-9307-3e9c7c6b6d23" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bestuursrechtelijk vervolg op de ABRvS-uitspraak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.36</nr>
      <para>De ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 is herhaald en bevestigd in een nagenoeg gelijkluidende uitspraak van 6 april 2016. Daarin ging het om een huurder die ‘bezwaar’ had gemaakt tegen de verstrekking van een inkomensverklaring, welk bezwaar door de inspecteur was afgehandeld als ‘klacht’. De Afdeling oordeelde dat de inspecteur het bezwaar als ‘verzet’ had moeten aanmerken en verklaarde het verzet gegrond.<footnote-ref linkend="_e0e51c85-d9fd-4ede-a395-133c8f1ea9f7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.37</nr>
      <para>In een uitspraak van de <emphasis role="underline">ABRvS van 3 oktober 2018</emphasis> kwam de vervolgvraag aan de orde of art. 7:252a lid 3 BW sinds de Reparatiewet van 1 april 2016 wél een toereikende grondslag biedt voor de beoogde doorbreking van de fiscale geheimhoudingsplicht. Zoals te verwachten was,<footnote-ref linkend="_b10d43a8-8d44-49a4-bb19-a595195f07f8" /> beantwoordde de Afdeling die vraag bevestigend. De appellant in deze zaak was dezelfde huurder die met de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 een overwinning had geboekt. Zijn argument dat de wetgever bij de totstandkoming van de Reparatiewet zelf had opgemerkt dat daarmee ‘geen enkele inhoudelijke wijziging’ was beoogd, trof bij de Afdeling geen doel. De Afdeling oordeelde dat art. 7:252a lid 3 BW sinds 1 april 2016 (wel) een verplichting bevat voor de inspecteur om op verzoek van een verhuurder een inkomensverklaring te verstrekken. Zij achtte deze verplichting niet strijdig met art. 8 EVRM en concludeerde dat de verstrekking onder de <emphasis role="underline">c-grond</emphasis> viel, zodat daartegen geen verzet kon worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_cd0e8f1d-9f11-4b7c-95f4-56affeebfc1f" /> Annotator Mulder gaat ervan uit dat deze uitspraak onder de AVG niet anders zou luiden.<footnote-ref linkend="_69d4c3e0-2cd0-4085-81c0-38ef233ffaf7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.38</nr>
      <para>In twee andere uitspraken van de Afdeling kwam de vervolgvraag aan de orde of huurders recht hebben op <emphasis role="italic">schadevergoeding </emphasis>wegens onrechtmatige verstrekking van inkomensverklaringen in de periode tussen 16 maart 2013 en 1 april 2016 (vóór de Reparatiewet). In beide zaken kreeg de huurder nul op het rekest.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.39</nr>
      <para>In een <emphasis role="underline">uitspraak van 24 december 2019</emphasis> ging het om een appellant die op grond van art. 8:88 lid 1 Awb (zoals geldend sinds de invoering van de Wns) een verzoek tot schadevergoeding had ingediend bij de Belastingdienst, zich beroepend op de ABRvS-uitspraak. Zijn schade was volgens de appellant gelegen in de huurverhogingen die hij in de jaren 2014 en 2015 had gekregen als gevolg van de onrechtmatig geachte verstrekkingen van inkomensverklaringen aan de verhuurder. De Afdeling verwierp dit betoog, reeds omdat art. 8:88 Awb ingevolge art. V (het overgangsrecht) van de Wns niet van toepassing is op besluiten of andere handelingen van de Belastingdienst. Ook verwierp de Afdeling het standpunt van de appellant dat de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 ‘algemene werking’ zou hebben in die zin dat ‘de onrechtmatigheid van de verstrekkingen daarmee ook in zijn geval vaststaat’.<footnote-ref linkend="_0d1706ed-1eee-426d-b403-9f25caa8da0a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.40</nr>
      <para>In een <emphasis role="underline">uitspraak van 10 juni 2020</emphasis> ging het om een appellant die verzet had aangetekend tegen verstrekkingen van inkomensverklaringen in de jaren 2013 tot en met 2015 (vóór de Reparatiewet) en een verzoek tot schadevergoeding had ingediend, een en ander met een beroep op schending van de fiscale geheimhoudingsplicht. De rechtbank had in eerste aanleg het verzet ongegrond verklaard, nu de gegevensverwerking al was voltooid vóór de indiening van het verzet, maar het verzoek om schadevergoeding toegewezen op grond van art. 8:88 lid 1 Awb (nieuw). Volgens de rechtbank stond op grond van de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 vast dat de verstrekking ook in dit geval in strijd met art. 67 Awr had plaatsgevonden. De schade werd begroot op de huurverhogingen.<footnote-ref linkend="_c59ca310-396a-45ed-bb7e-162198a10a4b" /> De Afdeling vernietigde deze uitspraak, daartoe overwegende dat art. 8:88 lid 1 Awb (nieuw) ingevolge art. V van de Wns niet van toepassing was in deze zaak. Voorts oordeelde de Afdeling – in afwijking van de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 – dat het beroep op onrechtmatige verwerking (strijd met art. 67 Awr) geen argument kon vormen voor honorering van het verzet, omdat het hier geen bijzondere persoonlijke omstandigheden in de zin van art. 40 Wbp betrof. De Afdeling onderzocht ambtshalve of er aanleiding bestond het verzet van de appellant te kwalificeren als een verzoek tot gegevenswissing. Dat was niet het geval.<footnote-ref linkend="_58a81c4c-d7fa-498b-8078-89e13de18077" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.41</nr>
      <para>Laatstgenoemde uitspraak – die ook door het hof samenvattend is weergegeven in rov. 1.11 van het bestreden arrest – ligt in het verlengde van de ABRvS-uitspraak van 24 december 2019 en vloeit logisch voort uit het ‘oude’ bestuursrechtelijke schadevergoedingsrecht (art. 8:73 (oud) Awb), zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wns op 1 juli 2013.<footnote-ref linkend="_28e7f564-a95a-4e08-8b09-154165fda5f6" /> De uitspraak was toch met spanning afgewacht – en zelfs reden om de onderhavige zaak aan te houden<footnote-ref linkend="_c41c6e88-57ec-4ea3-a1fa-a3b7274cb59c" /> – onder meer omdat kort daarvóór, in een viertal <emphasis role="underline">ABRvS-uitspraken van 1 april 2020</emphasis>, was geoordeeld dat, omwille van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming, dezelfde rechter die oordeelt over een verzoek ex art. 15 tot en met 22 AVG, óók kan worden verzocht om vergoeding van daarmee in verband staande schade.<footnote-ref linkend="_bed2a867-f709-4b2b-82bf-f72ba55402e7" /> Aangenomen wordt dat hiermee een bres is geslagen in het bastion van het ‘besluitenprocesrecht’: in AVG-kwesties waarbij een bestuursorgaan als verwerkingsverantwoordelijke optreedt, kan rechtstreeks bij de bestuursrechter worden opgekomen tegen de gegevensverwerking (een zuiver feitelijke handeling) én schadevergoeding worden verzocht, zonder dat daarvoor een band met een onrechtmatig besluit is vereist (als bedoeld in art. 8:88 Awb).<footnote-ref linkend="_39edd3f8-11ad-4fbf-8f17-03804ce4dc10" /> Deze lijn is in de <emphasis role="underline">ABRvS-uitspraak van 10 juni 2020</emphasis> echter – uitdrukkelijk – níet doorgetrokken naar gevallen van gegevensverwerking door de <emphasis role="italic">Belastingdienst</emphasis>, omdat art. V van de Wns daaraan in de weg staat.<footnote-ref linkend="_967d540a-bdde-4360-bbdc-a87d39259f31" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.42</nr>
      <para>De <emphasis role="underline">ABRvS-uitspraak van 10 juni 2020</emphasis> is om nog een andere reden interessant, namelijk omdat de Afdeling daarin gedeeltelijk terugkomt van de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016. Hiervoor bleek al dat in de literatuur de toepassing van art. 40 Wbp in die uitspraak was bekritiseerd, omdat het rechtsmiddel van verzet niet is bedoeld voor situaties waarin de gegevensverwerking van meet af aan en in algemene zin onrechtmatig is geweest (zie hiervoor, 6.34 e.v.). De Afdeling lijkt zich deze kritiek te hebben aangetrokken, door in die zaak ambtshalve te onderzoeken of er grond was voor toepassing van art. 36 Wbp.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Civielrechtelijke rechtspraak over verstrekking inkomensverklaringen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.43</nr>
      <para>Tot besluit van dit juridisch kader inventariseer ik nog de relevante civielrechtelijke rechtspraak waarin de verstrekking van inkomensverklaringen op de voet van art. 7:252a BW centraal stond. In 6.13 wees ik al op het kortgedingvonnis van 13 april 2012, dat leidde tot een verbod van de door de wetgever voorgenomen ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Wet  inkomensafhankelijke huurverhoging.<footnote-ref linkend="_b89d584b-130d-4a10-96b6-aec61724a255" /> Verder memoreer ik het in 6.22 genoemde vonnis van de Haagse rechtbank van 15 oktober 2014, over de rechtmatigheid en verbindendheid van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging.<footnote-ref linkend="_eff8312c-6ea0-4b9a-9654-8b2323ea1a69" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.44</nr>
      <para>Vermeldenswaard is verder de lagere rechtspraak over de huurrechtelijke vraag wat de ABRvS-uitspraak met de daarin geconstateerde schending van de fiscale geheimhoudingsplicht betekent voor de rechtsgeldigheid van de <emphasis role="italic">huurverhogingen </emphasis>die voorafgaand aan de invoering van de Reparatiewet met toepassing van art. 7:252a lid 1 BW zijn overeengekomen, op basis van inkomensgegevens die zonder toereikende wettelijke grondslag zijn verstrekt, maar op zichzelf wel juist waren. Deze rechtspraak volgt de vaste lijn dat de onrechtmatigheid van de gegevensverstrekking niet afdoet aan de rechtsgeldigheid van de huurverhoging. Daarbij wordt mede gewezen op art. 7:252a lid 5 BW, waarin is geregeld dat de huurverhoging ook zónder inkomensverklaring rechtsgeldig tot stand kan komen, indien de huurder door het ontbreken daarvan niet is benadeeld (zie noot 42).<footnote-ref linkend="_96e6bb73-bfa1-4bcf-9cbb-04f8caf207ca" /> Tegen deze achtergrond wordt in de huurrechtelijke literatuur aangenomen dat het vorderen van <emphasis role="italic">schadevergoeding voor de huurverhogingen</emphasis> (in mijn woorden) een ‘long shot’ is, met name in het licht van de vereisten van causaliteit en relativiteit.<footnote-ref linkend="_52d6174f-d592-4e96-b968-f551d1e0c885" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.45</nr>
      <para>Ten slotte wijs ik nog op een directe jurisprudentiële voorganger van deze zaak: een kortgedingvonnis van 4 april 2016, waarin de Woonbond en individuele huurders niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun vorderingen tegen de Staat, strekkend tot het doen verbieden van de verstrekking van inkomensverklaringen wegens schending van het legaliteitsbeginsel (met een verwijzing naar de ABRvS-uitspraak). Volgens de voorzieningenrechter hadden de individuele huurders <emphasis role="italic">verzet</emphasis> op de voet van art. 40 Wbp kunnen instellen en trof hun niet-ontvankelijkheid op die grond ook de Woonbond, aangezien diens vorderingen strekten tot behartiging van de gebundelde belangen van de huurders.<footnote-ref linkend="_545cc331-4fe8-4f22-b586-1a06203bb62f" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Bespreking van het principale cassatiemiddel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>Het principale cassatiemiddel namens de Staat is opgenomen achter randnummer 2 van de procesinleiding in cassatie.<footnote-ref linkend="_aedd3ecf-ed70-4c26-86c1-f0526df4a78e" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>Het middel bestaat uit drie onderdelen. <emphasis role="underline">Onderdeel 2.2</emphasis> is gericht tegen rov. 5.7 tot en met 5.11 (het ontvankelijkheidsoordeel over tijdvak I). <emphasis role="underline">Onderdeel 2.4</emphasis> is gericht tegen rov. 5.12 (het onrechtmatigheidsoordeel over tijdvak I). <emphasis role="underline">Onderdeel 2.5</emphasis> behelst een voortbouwende klacht die geen bespreking behoeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onderdeel 2.2: ontvankelijkheid (rov. 5.7-5.11)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 2.2</emphasis> valt uiteen in negen subonderdelen, die gericht zijn tegen verschillende schakels in de motivering van het ontvankelijkheidsoordeel. De Staat bestrijdt niet het juridisch kader dat het hof aan zijn ontvankelijkheidsoordeel ten grondslag heeft gelegd (rov. 5.4) en evenmin het uitgangspunt dat gegevensverstrekkingen feitelijke handelingen zijn, waartegen als zodanig niet kan worden opgekomen in de bestuursrechtelijke kolom (rov. 5.6). Ten slotte komt de Staat ook niet op tegen de vaststelling van het hof dat de vordering van de Woonbond niet is gebaseerd op een onrechtmatig besluit op een verzoek tot verwijdering of afscherming, maar op onrechtmatig feitelijk handelen (rov. 5.7).<footnote-ref linkend="_fd1043d3-d86f-4aa1-baad-973ab5bcbafd" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4</nr>
      <para>Voor een goed begrip signaleer ik dat het bestreden oordeel in twee zelfstandig dragende redeneerlijnen uiteenvalt. De <emphasis role="underline">eerste redeneerlijn</emphasis> luidt dat de Woonbond ontvankelijk is (rov. 5.11), omdat de vordering van de Woonbond niet is gebaseerd op een onrechtmatig besluit ex art. 36 of 40 Wbp, maar op een <emphasis role="italic">onrechtmatig feitelijk handelen</emphasis> (rov. 5.7-5.8). Toegespitst op art. 40 Wbp voegt het hof hieraan kennelijk ten overvloede nog toe dat het recht van verzet bovendien niet van toepassing is in deze zaak, aangezien geen van partijen een beroep doet op bijzondere persoonlijke omstandigheden in de zin van art. 40 Wbp (rov. 5.8).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.5</nr>
      <para>De <emphasis role="underline">tweede redeneerlijn</emphasis> die het hof ontvouwt, luidt dat de Woonbond ontvankelijk is in zijn vordering (rov. 5.11), niet alleen omdat de vordering van de Woonbond geen betrekking heeft op een besluit ex art. 36 of 40 Wbp (rov. 5.7-5.8), maar ook omdat de huurder in de bestuursrechtelijke kolom <emphasis role="italic">geen schadevergoeding </emphasis>kan krijgen (rov. 5.9-5.10). In dit kader zet het hof eerst uiteen dat het de Woonbond in deze zaak (uiteindelijk) is te doen om schadevergoeding voor de huurders (rov. 5.9), om vervolgens te beargumenteren waarom de huurders in de bestuursrechtelijke procedure geen schadevergoeding zouden (hebben) kunnen krijgen, namelijk vanwege de toepasselijkheid van het oude bestuursrechtelijke schadevergoedingsrecht ingevolge art. V Wns (rov. 5.10). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.6</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.2.1</emphasis> is (evenals de volgende drie subonderdelen) gericht tegen de <emphasis role="underline">eerste redeneerlijn</emphasis>, namelijk tegen rov. 5.7 en 5.8 (in samenhang met rov. 5.11), waar het hof oordeelt dat het openstaan van een bestuursrechtelijke rechtsingang op grond van art. 36 en 40 Wbp voor individuele huurders niet aan ontvankelijkheid van de Woonbond in de weg staat. Geklaagd wordt dat dit oordeel rechtens onjuist is. Het feitelijke karakter van de gegevensverstrekkingen (genoemd in rov. 5.6) en de omstandigheid dat de vordering van de Woonbond niet is gebaseerd op een onrechtmatig besluit (genoemd in rov. 5.7) zijn volgens de Staat niet relevant. Waar het om gaat, is dat degenen van wie de Woonbond de belangen bundelt op de voet van art. 36 en 40 Wbp een oordeel van de bestuursrechter hadden kunnen <emphasis role="italic">uitlokken </emphasis>over de (on)rechtmatigheid van de gegevensverwerking. Reeds daarom zijn de vorderingen van de Woonbond niet-ontvankelijk bij de civiele rechter, aldus de Staat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.7</nr>
      <para>Deze klacht gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. De vorderingen van de Woonbond strekken ertoe een oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van de verstrekking van de inkomensverklaringen	 door de Belastingdienst. Die verstrekking berust niet op een besluit, maar betreft een zuiver feitelijk handelen van de Staat (meer in het bijzonder de inspecteur). De wetsgeschiedenis van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging bevestigt dit met zoveel woorden: de inkomensverklaring brengt ‘geen rechtsgevolg teweeg’.<footnote-ref linkend="_334358ae-0e00-45ff-ba5a-931181ac3c4e" /> Oftewel: de inkomensverklaring wordt verstrekt zonder dat daaraan een besluit ten grondslag ligt. Hiermee is sprake van een wettelijke regeling – het verstrekkingenregime van art. 7:252a BW – waarvan huurders de werking – kennisneming van hun inkomensgegevens door verhuurders – <emphasis role="italic">rechtstreeks </emphasis>ondervinden, namelijk zonder tussenkomst van een besluit. <footnote-ref linkend="_9a44abed-c99b-4642-802d-dcc9e68dfa80" /> Bij die stand van zaken is een vordering als die van de Woonbond – die de rechtmatigheid van het verstrekkingenregime als zodanig ter discussie beoogt te stellen – volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ontvankelijk (zie hiervoor, 4.5 e.v.). Dat geldt ook als er in theorie wel mogelijkheden zijn om via de bestuursrechtelijke weg een oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van de onderliggende regeling (zoals in dit geval door middel van het uitlokken en eventueel aanvechten van een besluit op een verzoek om gegevenswissing ex art. 36 Wbp). Het hof heeft dus terecht geoordeeld dat de Woonbond ontvankelijk is, reeds gelet op het zuiver feitelijke karakter van het aan de Staat verweten handelen waarop de vorderingen betrekking hebben. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.8</nr>
      <para>Aan het slot van het subonderdeel wordt nog aangevoerd dat het bestreden oordeel eveneens onjuist is indien het erop is gebaseerd dat de in rov. 5.4 bedoelde rechtspraak van de Hoge Raad ‘niet van toepassing’ zou zijn indien een vordering wordt ingesteld die ziet op onrechtmatig feitelijk handelen. Dat heeft het hof niet geoordeeld. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.9</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.2.2</emphasis> is gericht tegen het oordeel in rov. 5.8 dat het recht van verzet (art. 40 Wbp) niet van toepassing is in deze zaak. Het subonderdeel bestrijdt dat oordeel als zodanig niet,<footnote-ref linkend="_6f6fa24e-4cdb-4a54-b10a-ab30bd84bacf" /> maar voert aan ‘dat degenen van wie de belangen worden gebundeld in de bestuursrechtelijke rechtsgang ook voldoende rechtsbescherming genieten indien zij slechts één ingang hebben om het beweerdelijke onrechtmatige handelen bij de bestuursrechter aan de orde te stellen’. Het hof zou, met andere woorden, hebben miskend dat reeds het openstaan van een bestuursrechtelijke rechtsingang op de voet van art. 36 Wbp tot niet-ontvankelijkheid van de Woonbond moet leiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.10</nr>
      <para>Deze klacht gaat uit van dezelfde onjuiste rechtsopvatting als het voorgaande subonderdeel. Het enkele feit dat ‘een’ bestuursrechtelijke rechtsingang openstond ter zake van de onrechtmatig geachte gegevensverstrekkingen (namelijk een verzoek ex art. 36 Wbp), wil niet zeggen dat reeds daarom de Woonbond niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Nu de vorderingen van de Woonbond een zuiver feitelijk handelen van de Staat betreffen, dat zijn grondslag heeft in een wettelijke regeling waarvan de achterban van de Woonbond de gevolgen rechtstreeks ondervindt, heeft het hof de Woonbond terecht ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.11</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.2.3</emphasis> gaat uit van een lezing van rov. 5.7 en 5.8 waarin het hof zou hebben geoordeeld dat de Woonbond (indirect) een beroep zou hebben gedaan op <emphasis role="italic">onverbindendheid </emphasis>van art. 7:252a lid 3 BW en dat de Woonbond dáárom ontvankelijk is. In dat geval zou het oordeel van het hof onjuist, althans onbegrijpelijk zijn, omdat de vordering van de Woonbond niet in die sleutel stond.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.12</nr>
      <para>Voor de voorgestane lezing biedt het arrest geen aanknopingspunten. Uit rov. 5.1 (eerste volzin) in samenhang met rov. 5.7 (laatste volzin) blijkt duidelijk dat het hof de vorderingen aldus heeft opgevat, dat de Woonbond in dit geding een beroep doet op onrechtmatig feitelijk handelen van de Staat in de vorm van het verstrekken van inkomensverklaringen aan verhuurders. Dat het hof de vorderingen niet zo heeft gelezen als het subonderdeel veronderstelt, blijkt ook uit de materiële beoordeling in rov. 5.12, die niet in de sleutel staat van onverbindendheid van de wettelijke regeling, maar van onrechtmatige gegevensverstrekking.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.13</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.2.4</emphasis> gaat uit van een lezing van rov. 5.7 waarin het hof zou hebben geoordeeld dat de rechtsgang bij de bestuursrechter op grond van art. 36 Wbp <emphasis role="italic">tekortschiet</emphasis> en dat de Woonbond dáárom ontvankelijk is. In dat geval zou het oordeel van het hof onjuist zijn, nu het er volgens de Staat enkel om gaat dat een huurder langs de weg van art. 36 Wbp een oordeel van de bestuursrechter kon uitlokken over de (on)rechtmatigheid van de gegevensverwerking (zoals het hof heeft vastgesteld in rov. 5.7).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.14</nr>
      <para>Deze klacht gaat uit van dezelfde onjuiste rechtsopvatting als onderdeel 2.2.1. Ik verwijs naar de bespreking daarvan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.15</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.2.5</emphasis> is gericht tegen de <emphasis role="underline">tweede redeneerlijn</emphasis> van het hof, namelijk tegen rov. 5.9 en 5.10 (in samenhang met rov. 5.11), waar het hof oordeelt dat de Woonbond ook ontvankelijk is omdat de huurder in de bestuursrechtelijke kolom <emphasis role="italic">geen schadevergoeding </emphasis>kan krijgen. Geklaagd wordt dat dit oordeel rechtens onjuist is, omdat slechts bepalend is of degenen van wie de belangen worden gebundeld in de bestuursrechtelijke rechtsgang voldoende rechtsbescherming genieten in die zin dat zij het <emphasis role="italic">onrechtmatig geachte handelen</emphasis> (in dit geval de gegevensverwerking) in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter aan de orde kunnen stellen. Ook indien juist zou zijn dat de huurder in de bestuursrechtelijke kolom geen schadevergoeding kan verkrijgen, brengt dat volgens de Staat niet mee dat de Woonbond om die reden ontvankelijk is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.16</nr>
      <para>Deze klacht berust op een juiste rechtsopvatting, maar faalt niettemin bij gebrek aan belang. De eerste redeneerlijn is de hoofdlijn; zij draagt de bestreden beslissing zelfstandig. De tweede redeneerlijn is kennelijk ten overvloede toegevoegd.<footnote-ref linkend="_528940f3-1ed6-4fa8-a26d-3c9a4d842bbe" /> Het hof wil hiermee, naar ik aanneem, verder verduidelijken waarom de huurders in dit geval niet de bestuursrechtelijke weg behoefden te bewandelen (op straffe van niet-ontvankelijkheid van de Woonbond in deze collectieve actie), namelijk niet alleen omdat het hier een zuiver feitelijk handelen van de Staat betreft, maar ook omdat ze er vanuit schadevergoedingsoogpunt (waarom het de Woonbond te doen is) niets mee zouden opschieten. Aldus opgevat is de tweede redeneerlijn te volgen. Zij is echter niet nodig en (dus) niet dragend voor het bestreden oordeel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.17</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.2.6</emphasis> richt het vizier weer op de <emphasis role="underline">eerste redeneerlijn</emphasis>, meer in het bijzonder op rov. 5.8 (vanaf de derde volzin), waar het hof oordeelt dat het recht van verzet (art. 40 Wbp) niet van toepassing is in deze zaak. Geklaagd wordt dat dit oordeel rechtens onjuist is, als het hof daarop heeft gebaseerd dat de Woonbond ontvankelijk is. Uit de door het hof besproken ABRvS-uitspraken van 3 februari 2016 en 10 juni 2020 (hiervoor besproken in 6.29 e.v. en 6.40) volgt namelijk volgens de Staat onmiskenbaar dat huurders verzet konden doen op de voet van art. 40 Wbp. Daarmee stond voor hen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open om het gestelde onrechtmatige handelen bij de bestuursrechter aan de orde te stellen, ongeacht de slagingskansen daarvan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.18</nr>
      <para>Deze klacht faalt bij gebrek aan belang, nu zij is gericht tegen een overweging ten overvloede.<footnote-ref linkend="_79d77de7-b734-4272-8b61-f59768d37424" /> De kern van de eerste redeneerlijn is dat de Woonbond ontvankelijk is, reeds gelet op het zuiver feitelijke karakter van het aan de Staat verweten handelen waarop de vorderingen betrekking hebben. Het openstaan van bestuursrechtelijke rechtsingangen ex art. 36 en 40 Wbp (de mogelijkheid om een besluit uit te lokken ter zake van de gegevensverstrekking) maakt dat niet anders (rov. 5.7 en 5.8, eerste en tweede volzin). Kennelijk ten overvloede voegt het hof, toegespitst op art. 40 Wbp, nog toe dat het recht van verzet bovendien niet van toepassing is in deze zaak, aangezien geen van partijen een beroep doet op bijzondere persoonlijke omstandigheden in de zin van art. 40 Wbp (rov. 5.8, vanaf de derde volzin).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.19</nr>
      <para>De klacht faalt bovendien omdat het bestreden oordeel juist is. In de ABRvS-uitspraak van 10 juni 2020 is geoordeeld dat het beroep van de appellant op onrechtmatige gegevensverwerking (wegens strijd met de fiscale geheimhoudingsplicht) ‘geen argument kan vormen om het verzet gerechtvaardigd te achten’.<footnote-ref linkend="_d9b22aac-44dd-42c9-ab80-e388b2b514f8" /> Hieruit blijkt dat het rechtsmiddel van verzet weliswaar <emphasis role="italic">openstaat </emphasis>voor huurders van wie inkomensverklaringen zijn verstrekt aan verhuurders, maar geen rechtsingang biedt voor het ter discussie stellen van de <emphasis role="italic">rechtmatigheid van de gegevensverwerking</emphasis> (de beweerde strijd met de geheimhoudingsplicht). Dat heeft te maken met het hoogstpersoonlijke en casuïstische karakter van het rechtsmiddel verzet (zie 4.29 e.v.). Hieruit volgt dat art. 40 Wbp ter zake van het onderhavige geschil geen ‘voldoende rechtsbescherming’ biedt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.20</nr>
      <para>Het subonderdeel vervolgt met een motiveringsklacht tegen het slot van rov. 5.8, waar het hof (voortbouwend op voornoemde overweging ten overvloede) overwoog:</para>
      <para>“De (veronder)stelling van de Staat dat wel sprake zou zijn geweest van bijzondere persoonlijke omstandigheden als de huurders kort na de verstrekking van de inkomensgegevens, althans vóór 3 februari 2016, verzet hadden ingesteld in plaats van “mee te liften” op de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016, vindt geen steun in het recht, ook niet in één van de uitspraken van de Afdeling.” </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Geklaagd wordt dat het hof hier het standpunt van de Staat onjuist weergeeft, althans onvoldoende begrijpelijk adresseert. De Staat heeft naar eigen zeggen niet gesteld dat wel sprake zou zijn geweest van bijzondere persoonlijke omstandigheden als de huurders eerder verzet hadden ingesteld, maar ‘dat voor de huurders die geen of niet tijdig verzet hebben ingesteld, geldt dat zij dit nu ook niet meer kunnen doen en de burgerlijke rechter er derhalve ten aanzien van de gegevensverstrekking van uit moet gaan dat die ten aanzien van deze huurders rechtmatig is’.<footnote-ref linkend="_30ac54db-c2cb-4ad2-bafa-123d525208b2" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.21</nr>
      <para>Deze klacht faalt, niet alleen omdat rov. 5.8 vanaf de derde volzin als gezegd een overweging ten overvloede behelst, maar ook omdat het standpunt van de Staat, zoals in het subonderdeel verwoord, de Staat niet kan baten. De gegevensverstrekking betreft een zuiver feitelijk handelen van de staat (rov. 5.6, onbestreden in cassatie). Zuiver feitelijk handelen heeft geen formele rechtskracht. Het niet (tijdig) instellen van verzet ex art. 40 Wbp heeft ook niet tot gevolg dat dit handelen voor rechtmatig moet worden gehouden. Honorering van het verzet heeft immers geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de gegevensverwerking (zie hiervoor, 4.29). Bovendien heeft de vordering van de Woonbond betrekking op een feitelijk handelen dat zijn grondslag heeft in een wettelijke regeling waarvan de achterban van de Woonbond de gevolgen rechtstreeks ondervindt. Ook daarom faalt het bedoelde standpunt van de Staat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.22</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.2.7</emphasis> is weer gericht tegen de <emphasis role="underline">tweede redeneerlijn</emphasis>, meer in het bijzonder tegen rov. 5.10 (vanaf de zevende volzin: ‘Het hof ziet echter…’), waar het hof aanneemt dat, ook als de Afdeling een op de voet van art. 36 Wbp ingesteld beroep tegen de gegevensverwerking gegrond zou hebben bevonden, zij niet met toepassing van art. 8:73 lid 1 (oud) Awb schadevergoeding had kunnen toewijzen. Volgens het subonderdeel had dat wél gekund en is de Afdeling in haar uitspraak van 10 juni 2020, anders dan het hof in rov. 1.11 bij de weergave van die uitspraak lijkt te veronderstellen, ook niet van het tegendeel uitgegaan. Het subonderdeel vervolgt met bezwaren die zijn gericht tegen de twee laatste volzinnen van rov. 5.10 (‘Aldus wordt immers…’ en ‘Het hof vindt…’), die voortbouwen op de zojuist weergegeven aanname.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.23</nr>
      <para>Deze klachten zijn gericht tegen een overweging ten overvloede (de tweede redeneerlijn). Zij betreffen de uitleg van oud schadevergoedingsrecht in een hypothetische situatie, namelijk de vraag hoe de Afdeling over eventuele schadevergoedingsmogelijkheden had geoordeeld als de appellant in de desbetreffende ABRvS-procedure wél een beroep op art. 36 Wbp had gedaan én dat beroep gegrond was bevonden. Feit is dat in de uitspraak van de ABRvS van 10 juni 2020, die precies het gevalstype betrof waarvoor de Woonbond in dit geding opkomt, is geoordeeld ‘dat het wel toepasselijke artikel 8:73 van de Awb de bestuursrechter niet de mogelijkheid biedt de minister in dit geval tot schadevergoeding te veroordelen’. Hoe dit oordeel zou hebben geluid als de appellant wél een succesvol beroep op art. 36 Wbp had gedaan, kan in cassatie in het midden blijven. De klacht faalt bij gebrek aan belang.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.24</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.2.8</emphasis> behelst een voortbouwende klacht die is gericht tegen de door het hof in rov. 5.11 bereikte slotsom omtrent de ontvankelijkheid. Deze klacht behoeft geen bespreking.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.25</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.2.9</emphasis> richt een voortbouwende klacht tegen de beslissing van het hof in rov. 5.11 dat de Woonbond ook ontvankelijk is in haar vordering over tijdvak II. Deze klacht is ingesteld onder de voorwaarde dat de beslissing van het hof in rov. 5.13 tot en met 5.17 met succes wordt bestreden in het incidentele cassatieberoep. Deze voorwaarde acht ik niet vervuld (zie onder 8 hierna). Afgezien daarvan faalt het subonderdeel in het voetspoor van de voorgaande klachten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onderdeel 2.4: onrechtmatigheid (rov. 5.12)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.26</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 2.4</emphasis> is gericht tegen rov. 5.12, waar het hof zich aansluit bij het oordeel van de Afdeling in de ABRvS-uitspraak dat de verstrekking van inkomensverklaringen in de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016 onrechtmatig is geweest wegens strijdigheid met de fiscale geheimhoudingsplicht. Geklaagd wordt dat dit oordeel (van de Afdeling, zoals overgenomen door het hof) onjuist is. Volgens de Staat bood art. 7:252a lid 3 BW, zoals dat tot 1 april 2016 gold, een toereikende wettelijke grondslag voor de gegevensverstrekking. Daartoe wordt aangevoerd dat dit artikellid ‘zinledig’ zou zijn (geweest) als de inspecteur afgifte van inkomensverklaringen met een beroep op art. 67 lid 1 Awr steeds had moeten weigeren. De Staat wijst in dit verband ook op art. 19b lid 5 Uhw. Gelet daarop kón volgens de Staat in art. 7:252a BW ‘geen onverkorte verplichting’ worden opgenomen, nu de inspecteur de verstrekking van een inkomensverklaring in elk geval in het in art. 19b lid 5 Uhw bedoelde geval had moeten weigeren. Bovendien bevatte art. 19b Uhw waarborgen tegen misbruik van inkomensgegevens door verhuurders. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.27</nr>
      <para>Deze klacht beoogt de Hoge Raad ertoe te bewegen het oordeel van de Afdeling over de strijdigheid van art. 7:252a lid 3 (oud) BW met de fiscale geheimhoudingsplicht te heroverwegen. Mij lijkt dat daarvoor geen plaats is. In de totstandkomingsgeschiedenis van art. 67 Awr is benadrukt dat uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht <emphasis role="italic">duidelijk, expliciet en transparant</emphasis> moeten zijn (zie hiervoor, 5.2 e.v.). Ook privacyrechtelijk is hier veel voor te zeggen, omdat het doelbindingsbeginsel meebrengt dat rechthebbenden er in beginsel op mogen vertrouwen dat hun voor de fiscaliteit vergaarde gegevens niet worden gebruikt voor onverenigbare doeleinden (zie hiervoor, 5.13 e.v.). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.28</nr>
      <para>Hoewel de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging er geen twijfel over laat bestaan dat de wetgever van meet af aan de bedoeling heeft gehad om een uitzondering te maken op de geheimhoudingsplicht (zie hiervoor, 6.20 met vindplaatsen in de parlementaire geschiedenis),<footnote-ref linkend="_3541a6a9-4cd3-4852-91ad-55572327eaa8" /> was dat in de oorspronkelijke tekst van art. 7:252a lid 3 BW (zoals geldend tot 1 april 2016) niet duidelijk, expliciet en transparant tot uitdrukking gebracht. Het artikellid omschreef waaraan een <emphasis role="italic">voorstel tot inkomensafhankelijke huurverhoging</emphasis> als bedoeld in lid 1 moest voldoen. In dát kader werd gesproken van de bijvoeging van ‘een door de inspecteur op verzoek van die verhuurder aan deze afgegeven verklaring’. Dat de inspecteur naar de bedoeling van de wetgever <emphasis role="italic">verplicht </emphasis>was tot afgifte van de verklaring, blijkt hier niet uit, laat staan duidelijk. In het licht van (de betekenis en doelstellingen van) de fiscale geheimhoudingsplicht is dat problematisch.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.29</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande acht ik de ABRvS-uitspraak juist en overtuigend. Voor zover hierover bij de Hoge Raad twijfel mocht bestaan, wijs ik erop dat de ABRvS-uitspraak sinds 2016 niet of nauwelijks ter discussie heeft gestaan in de rechtspraak en de literatuur (voor zover het de daarin aangenomen schending van de geheimhoudingsplicht betrof), dat de kernoverweging van de ABRvS-uitspraak is overgenomen in de memorie van toelichting bij de UAVG en dat de ABRvS-uitspraak tot reparatiewetgeving heeft geleid (zie hiervoor, 6.32 e.v.). Bij die stand van zaken moeten er mijns inziens dwingende redenen aanwijsbaar zijn om (ruim zes jaar na dato) de koers te verleggen. Zulke redenen zie ik niet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.30</nr>
      <para>Vanuit het perspectief van de taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter bij de toetsing van algemeen verbindende voorschriften merk ik nog het volgende op. Normaliter komt die taakverdeling erop neer dat exceptieve toetsing door de bestuursrechter voorrang geniet boven een civiele actie uit onrechtmatige overheidsdaad. Een <emphasis role="italic">uitzondering </emphasis>geldt als de belanghebbende de werking van het desbetreffende voorschrift rechtstreeks ondervindt (zoals in dit geval). Ter voorkoming van tegenstrijdige uitspraken ligt het dan wel voor de hand dat de civiele rechter en de bestuursrechter hun oordelen ter zake zoveel mogelijk inhoudelijk afstemmen (zie hiervoor, 4.10). Ook vanuit dat perspectief heeft aansluiting bij de ABRvS-uitspraak voorkeur boven een nieuwe koers.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.31</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande acht ik het onderdeel tevergeefs voorgesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.32</nr>
      <para>Ik kom tot de slotsom dat het principale cassatiemiddel geen doel treft.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Bespreking van het incidentele cassatiemiddel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1</nr>
      <para>Het incidentele cassatiemiddel namens de Woonbond bestaat uit twee onderdelen. <emphasis role="underline">Onderdeel 1</emphasis> is gericht tegen rov. 5.4 (de maatstaf voor het ontvankelijkheidsoordeel). <emphasis role="underline">Onderdeel 2</emphasis> komt op tegen rov. 5.16 (de verwerping van het beroep op strijd met het doelbindingsbeginsel in tijdvak II).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onderdeel 1: maatstaf voor ontvankelijkheid (rov. 5.4)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 1</emphasis> is gericht tegen rov. 5.4, waar het hof het volgende vooropstelt:</para>
      <para>“5.4. Uit <emphasis role="underline">vaste rechtspraak</emphasis> volgt dat <emphasis role="underline">de enkele bundeling van belangen door een belangenorganisatie er niet toe kan leiden dat de weg naar de civiele rechter voor die organisatie open komt te staan</emphasis>. De Woonbond is alleen ontvankelijk bij de civiele rechter als wordt opgekomen voor de gebundelde belangen van personen voor wie geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat of heeft opengestaan. Daarbij is niet van belang dat niet exact dezelfde vorderingen ingesteld zouden kunnen worden in die andere procedure. Het feit dat de huurders die de achterban vormen van de Woonbond (hierna kortweg: de huurders) geen verklaring voor recht zouden (hebben) kunnen vorderen in een bestuursrechtelijke procedure levert bijvoorbeeld geen rechtstekort op dat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid bij de burgerlijke rechter. <emphasis role="underline">Kern is of in de andere procedure eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan of kon worden behaald</emphasis>.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.3</nr>
      <para>In <emphasis role="underline">subonderdeel 1.1</emphasis> wordt geklaagd dat het hof hiermee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Meer in het bijzonder zou deze vooropstelling te beperkt zijn. Een belangenorganisatie dient volgens de Woonbond óók ontvankelijk te zijn in civilibus, indien zij niet als belangenorganisatie op de voet van art. 1:2 lid 3 Awb voor het desbetreffende belang kan opkomen bij de bestuursrechter, althans indien haar achterban slechts door uitlokking van een appellabel besluit kan opkomen bij de bestuursrechter (<emphasis role="underline">subonderdeel 1.2</emphasis>). Hierop voortbouwend wordt aangevoerd dat bij de toetsing van de ontvankelijkheid ‘in ieder geval’ een reeks <emphasis role="italic">gezichtspunten</emphasis> in acht moet worden genomen, te weten (i) in hoeverre het van belanghebbenden redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij de bestuursrechtelijke route bewandelen, (ii) hoe bezwaarlijk de bestuursrechtelijke route voor hen is, (iii) of belanghebbenden al dan niet eerst een appellabel besluit moeten uitlokken, (iv) in hoeverre dit laatste voor belanghebbenden kenbaar is, (v) in hoeverre de belangenorganisatie specifiek opkomt voor het in de procedure behartigde belang, (vi) in hoeverre de belangenorganisatie zelf bij de bestuursrechter kan opkomen voor dat belang, (vii) in hoeverre de rechtmatigheid van de grondslag van een besluit bij de bestuursrechter kan worden getoetst, (viii) in hoeverre de belangenorganisatie die rechtmatigheid als belanghebbende in de zin van art. 1:2 lid 3 Awb aan de orde kan stellen en (ix) in hoeverre er daadwerkelijk appellabele besluiten zijn of worden genomen op basis waarvan het behartigde belang bij de bestuursrechter aan de orde kan worden gesteld (<emphasis role="underline">subonderdeel 1.3</emphasis>). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.4</nr>
      <para>Het onderdeel faalt bij gebrek aan belang, omdat het hof de Woonbond ontvankelijk heeft verklaard en de Staat hiertegen tevergeefs opkomt in cassatie (zie par. 6). Een ruimer beoordelingskader voor de ontvankelijkheid kan dus niet leiden tot een gunstiger uitkomst voor de Woonbond. Overigens stemt het door de Woonbond bepleite beoordelingskader niet overeen met het geldende recht. Ik zie ook niet de meerwaarde ervan in. Het beoordelingskader komt erop neer dat een belangenorganisatie, meer dan thans het geval is, in staat wordt gesteld om in civilibus collectieve belangen te behartigen waarvoor een bestuursrechtelijke rechtsingang bestaat. Het gevolg zou zijn dat vaker parallelle bestuursrechtelijke en civiele procedures over dezelfde materie gevoerd zouden (kunnen) worden. Dat scenario beoogt de huidige, terughoudender rechtspraak van de Hoge Raad juist te voorkómen (zie o.a. 4.6 en 4.11). Dat lijkt mij terecht. Voor zover het onderdeel beoogt eventuele tekorten in de bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen algemeen verbindende voorschriften aan de orde te stellen, is de Woonbond daarvoor bij de Hoge Raad aan het verkeerde adres. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onderdeel 2: doelbindingsbeginsel (rov. 5.16)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.5</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 2</emphasis> is gericht tegen rov. 5.16, waar het hof voor tijdvak II (ná inwerkingtreding van de Reparatiewet van 1 april 2016) het beroep van de Woonbond op schending van het doelbindingsbeginsel in de zin van art. 6 lid 1 onder b Privacyrichtlijn verwerpt. Ik citeer deze overweging in haar geheel, met toevoeging van nummers tussen vierkante haken voor iedere zin:</para>
      <para>“5.16. [1] Tot slot heeft de Woonbond een beroep gedaan op de Privacyrichtlijn (grief 6). [2] Op zich is juist dat beoordeeld moet worden of de regeling van artikel 7:252a BW, zoals deze sinds 1 april 2016 luidt, in de periode tot 25 mei 2018 conform de Privacyrichtlijn is geweest en voor de periode daarna conform de AVG. [3] Van schending van de Privacyrichtlijn is geen sprake. [4] De Woonbond doet een beroep op het doelbindingsbeginsel in de zin van artikel 6, eerste lid, sub b Privacyrichtlijn en betoogt dat de Inspecteur van de Belastingdienst met de verstrekking van de inkomensverklaringen persoonsgegevens voor een ander doel verwerkt dan die gegevens zijn verzameld. [5] Dat betoog kan niet slagen. [6] Met de invoering van artikel 7:252a BW staat vast dat inkomensgegevens mede worden verzameld om voor verhuurders inkomensverklaringen te kunnen opstellen. [7] De gegevens die de Inspecteur van de Belastingdienst in dat kader verwerkt, worden dus niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verzameld. [8] Daar komt bij dat die verstrekkingen ook niet onverenigbaar zijn met het in artikel 21b Awr genoemde doeleinde van de BRI, te weten afnemers voorzien van inkomensgegevens. [9] Dat doel is breed en is voldoende verwant aan de hiervoor genoemde doeleinden van de verstrekking van inkomensverklaringen, mede gelet op de waarborgen die zijn getroffen, zoals de kennisgeving aan de huurders en de beperking van de inkomensverklaring tot een verklaring dat het inkomen al dan niet hoger is dan een bepaald gedrag. [10] Ook de aard van de gegevens (uitsluitend het gegeven of het inkomen al dan niet hoger is dan een bepaald bedrag) en de te verwachten gevolgen voor de betrokkene (uitsluitend een aanpassing van de huur aan de inkomenssituatie van de betrokkene) wijzen niet op een schending van het doelbindingsbeginsel. [11] Zoals de Woonbond zelf heeft opgemerkt, brengt de AVG op dit punt geen significante wijziging mee. [12] Voor zover de Woonbond heeft bedoeld te betogen dat de regeling met ingang van 25 mei 2018 in strijd is met de AVG, verwerpt het hof dat betoog dus op dezelfde gronden.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.6</nr>
      <para>Het onderdeel vangt aan met een weergave van dit oordeel (<emphasis role="underline">subonderdeel 2.1</emphasis>). Vervolgens wordt een klacht gericht tegen de <emphasis role="underline">zesde en zevende volzin</emphasis> van rov. 5.16. De klacht luidt dat het hof hiermee miskent dat art. 7:252a BW eerst vanaf 1 april 2016 een rechtsgrond bood voor de verzameling van inkomensgegevens met het oog op de verstrekking daarvan ex art. 7:252a BW. Inkomensgegevens die vóór 1 april 2016 zijn verzameld en ná 1 april 2016 zijn verstrekt, zijn dus volgens het onderdeel ‘nog steeds met een ander doel verzameld dan waarvoor zij vervolgens zijn verstrekt/verwerkt’. Althans zou het oordeel in het licht van deze tegenwerping onbegrijpelijk zijn (<emphasis role="underline">subonderdeel 2.2</emphasis>).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.7</nr>
      <para>Deze klacht faalt. Voor de toepassing van het doelbindingsbeginsel (in de zin van art. 6 lid 1 sub b Privacyrichtlijn) is niet van belang of ten tijde van de vergaring van de inkomensgegevens al een voldoende duidelijke wettelijk omschreven verplichting tot verstrekking daarvan bestond (in de zin van art. 67 lid 2 onder a Awr). Het gaat er alleen om of een verdere verwerking van inkomensgegevens uit de BRI, teneinde te kunnen voldoen aan de (sinds 1 april 2016 genoegzaam wettelijk verankerde) wettelijke plicht van art. 7:252a BW, <emphasis role="italic">niet onverenigbaar</emphasis> is met de doeleinden van de fiscale gegevensvergaring. In de achtste, negende en tiende volzin van rov. 5.16 heeft het hof die vraag positief beantwoord. Subonderdeel 2.2 is dus gericht tegen een overweging die (voor zover het betreft de inkomensgegevens die vóór 1 april zijn verzameld en ná 1 april zijn verstrekt) niet dragend is voor het bestreden oordeel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.8</nr>
      <para>Het onderdeel vervolgt met een tweetal klachten die gericht zijn tegen de <emphasis role="underline">achtste en de negende volzin</emphasis> van rov. 5.16. Geklaagd wordt dat het hof daarmee miskent dat art. 21b Awr alleen ziet op de verstrekking van inkomensgegevens aan <emphasis role="italic">bestuursorganen</emphasis>, en niet aan <emphasis role="italic">verhuurders</emphasis>. Althans zou het oordeel in het licht van deze tegenwerping onbegrijpelijk zijn (<emphasis role="underline">subonderdeel 2.3</emphasis>). Hierop voortbouwend wordt geklaagd dat de verwijzing in de achtste volzin naar art. 21b Awr temeer onbegrijpelijk zou zijn, omdat het hof eerder in rov. 5.14 heeft overwogen dat de BRI-regeling ‘evenmin relevant’ is voor deze zaak (<emphasis role="underline">subonderdeel 2.4</emphasis>). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.9</nr>
      <para>Ook deze klachten zijn tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft terecht en begrijpelijkerwijs geoordeeld dat een verdere verwerking van inkomensgegevens uit de BRI, teneinde te kunnen voldoen aan de wettelijke plicht van art. 7:252a BW, ‘niet onverenigbaar’ is met het in art. 21b genoemde doeleinde van de BRI, te weten ‘afnemers voorzien van inkomensgegevens’. Uiteraard zegt het hof hiermee niet dat verhuurders ‘afnemers’ in de zin van art. 21b Awr zijn. Als dat het geval was, zou van ‘verdere verwerking’ geen sprake zijn en behoefde de verenigbaarheid met het doelbindingsbeginsel helemaal niet te worden onderzocht. In 5.15 hiervoor bleek al dat, waar sprake is van gegevensverwerking voor <emphasis role="italic">publieke doeleinden </emphasis>(zoals in dit geval de uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling), een verdere verwerking doorgaans in overeenstemming zal zijn met het doelbindingsbeginsel. De overweging in rov. 5.14 dat de regeling rond de BRI ‘evenmin relevant’ is voor deze zaak, moet worden begrepen in het licht van art. 67 Awr waaraan het hof op die plaats refereert. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.10</nr>
      <para>Het onderdeel besluit met een klacht die is gericht tegen de <emphasis role="underline">tiende volzin</emphasis> van rov. 5.16, waar het hof verwijst naar de aard van de gegevens en de te verwachten gevolgen voor de betrokkene. Geklaagd wordt dat deze gezichtspunten ‘niet relevant’ zijn voor de vraag of aan het doelbindingsbeginsel is voldaan (<emphasis role="underline">onderdeel 2.5</emphasis>). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.11</nr>
      <para>Deze klacht lijkt mij te berusten op een misvatting. Deze gezichtspunten zijn juist wel relevant ingevolge art.  9 lid 2 Wbp en 6 lid 4 AVG.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.12</nr>
      <para>Ik kom tot de slotsom dat ook het incidentele cassatiemiddel tevergeefs is voorgesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De conclusie strekt tot verwerping van het principale en het incidentele cassatieberoep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_34c5deb3-8987-4562-be5d-25ab670f2687" label="1">
    <para> 	https://www.woonbond.nl/huren-en-recht/rechtszaken-gluurverhoging.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5a0ccf9f-3d47-49ba-a0a0-38d957c4b924" label="2">
    <para> 	ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:253, rov. 3.2-3.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8da38f95-d183-4e38-9a77-379762f3c968" label="3">
    <para> 	Hof Den Haag 22 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2605 (<emphasis role="italic">Woonbond/Staat)</emphasis>.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9d02b2bd-24ae-4237-aea4-6ed2867875f8" label="4">
    <para> 	Zie de schriftelijke toelichting namens de Woonbond, onder 2.18-2.26.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cbccbdd2-125e-4cc7-8567-db7ff63595f7" label="5">
    <para> 	Anders de schriftelijke toelichting namens de Staat, onder 1.17.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ab47965d-8784-42e7-b8c4-a2228656b99e" label="6">
    <para>    	Rov. 5.12, laatste volzin, van het bestreden arrest, waar wordt gewezen op andere verweren van de Staat.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_238dd1fd-72e7-474c-a535-8a1016d51cda" label="7">
    <para> 	Zie rov. 1.1-1.10 van het arrest van hof Den Haag van 22 december 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:2605). Ik wijs erop dat de weergave van ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1375 in rov. 1.11 van dat arrest wordt bestreden door onderdeel 2.2.7 van het principale cassatiemiddel.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_14cd4596-eee1-4675-84bd-ef3085783efa" label="8">
    <para> 	Zie art. 7:246 e.v. BW, waarover bijv. <emphasis role="italic">Asser/Rossel &amp; Heisterkamp 7-II </emphasis>2021/235 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_794edd95-813c-4683-815f-5c43e9f43b3c" label="9">
    <para> 	Wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van inkomen), <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2013/89.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a53eb0cc-5f4a-4b61-bcb8-793de1312c62" label="10">
    <para> 	Wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2013/90. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d7aa84c2-120f-4f56-867d-4767f836ad59" label="11">
    <para> 	Wet van 21 november 2002, houdende integratie van de Huurprijzenwet woonruimte en de Wet op de huurcommissies in een uitvoeringswet huurprijzen woonruimte onder gelijktijdige overheveling van een deel van de tekst van de Huurprijzenwet woonruimte naar de nieuwe titel 7.4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte), <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2002/589. Art. 19b Uhw was aanvankelijk genummerd 19a en is met ingang van 19 november 2014 vernummerd tot 19b (<emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2014/458). Ingevolge het eerste lid van dat artikel gebruikt de verhuurder de gegevens  die hem door de Belastingdienst worden verstrekt, uitsluitend voor het doen van een voorstel tot verhoging van de huurprijs  als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1d8deed-ded4-43bf-b7bf-ea5919f9f3b5" label="12">
    <para> 	Art. 7:252a BW, waarover <emphasis role="italic">Asser/Rossel &amp; Heisterkamp 7-II </emphasis>2021/255. Het basishuurverhogingspercentage wordt ingevolge art. 7:248 lid 2 BW jo. 10 lid 2 Uhw bij ministeriële regeling bepaald (de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte; zie Bijlage V).  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5d03353-0584-490d-ad07-be6c89144cef" label="13">
    <para> 	Tot 1 januari 2017 werden in art. 10 lid 2 Uhw drie inkomenscategorieën gehanteerd. Daarna waren dat er twee (zoals het hof vermeldt in rov. 1.4). Sinds 1 januari 2022 (ná het bestreden arrest) worden weer drie categorieën gehanteerd, met binnen elke categorie een onderscheid naar éénpersoons- dan wel meerpersoonshuishoudens (Wet wijziging huurverhogingsmogelijkheden en inkomensgrenzen Woningwet, <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2021/167). Zie bijv. <emphasis role="italic">Asser/Rossel &amp; Heisterkamp 7-II </emphasis>2021/255.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_15109c1d-7ab1-427e-86a9-71cf6d1bf76c" label="14">
    <para> 	Voor de inkomenscategorie tussen € 34.678 en € 44.360 bedroeg dat percentage maximaal 0,5 procentpunt en voor de inkomenscategorie boven € 44.360 was dat maximaal 2,5 procentpunt.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5ad3c9e5-9940-42ca-a0cf-2357bd1d82fe" label="15">
    <para> 	Sinds de invoering van de Wet doorstroming huurmarkt 2015 (<emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2016/158) op 1 januari 2017 spreekt art. 7:252a lid 3 BW over een ‘huishoudverklaring’ en is de verstrekking geregeld in art. 7:252a lid 4 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b6b0ae30-8eea-4363-a73e-e0651d546da7" label="16">
    <para> 	Vgl. de als prod. 5 bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte inkomensverklaring van 17 april 2013 en de als prod. 2 bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte voorbeelden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_56654664-18ec-497b-97b3-dea3359234a6" label="17">
    <para> 	Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), <emphasis role="italic">PbEU</emphasis> L 119/1 d.d. 4 mei 2016 (rectificatie in <emphasis role="italic">PbEU</emphasis> L 74/35 d.d. 4 maart 2021).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9a408794-c9b6-4cda-8e0e-729d6c8a0de6" label="18">
    <para> 	Wet van 6 juli 2000, houdende regels inzake de bescherming van persoonsgegevens (Wet bescherming persoonsgegevens), <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2000/302.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_90da7bdd-a427-4538-9585-45aa34b089db" label="19">
    <para> 	Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, <emphasis role="italic">PbEG</emphasis> L 281 d.d. 23 november 1995, p. 31 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5abbcbfc-812d-48d6-ac6f-a11e5fa0d36f" label="20">
    <para> 	Wet van 2 juli 1959, houdende regelen, welke aan een aantal rijksbelastingen gemeen zijn, <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 1959/301, zoals gewijzigd bij Wet van 27 september 2007, houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van enige andere wetten, in het kader van het versterken van de fiscale rechtshandhaving en het verkorten van beslistermijnen (Versterking fiscale rechtshandhaving), <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2007/376.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ca885ad-6d3f-4262-b251-9728660aea4d" label="21">
    <para> 	Wet van 30 maart 2016 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (gegevensverstrekking Belastingdienst), <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2016/124 (iwtr. <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2016/125).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_03cd4a7e-afaf-4a21-bc45-a248d8136add" label="22">
    <para> 	Zie art. I onder C van de Wet van 14 april 2016 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met het stellen van nadere huurmaatregelen tot verdere bevordering van de doorstroming op de huurmarkt (Wet doorstroming huurmarkt 2015), <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2016/158.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8d3db8cb-9f6b-4044-9fa5-f8d5a384895b" label="23">
    <para> 	Petitum iv (een bevel tot staking van de gegevensverwerking) en petitum viii (een bevel tot onderhandeling) zijn met de eiswijziging in hoger beroep vervallen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7b5edfbf-b0df-4129-8e85-d1e5915e7c86" label="24">
    <para> 	Zie de weergave van het petitum in eerste aanleg in rov. 2.1 van het bestreden arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_43072a15-b99f-41f3-b038-280b8b63b5d9" label="25">
    <para> 	Zie inleidende dagvaarding onder 36 e.v. en akte wijziging van eis d.d. 3 juli 2017 onder 5 e.v., zoals samengevat weergegeven in rov. 4.7 van het eindvonnis van de rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2018:171).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c12a145-6bd3-461b-a4db-6d567c003133" label="26">
    <para> 	Zie conclusie van antwoord onder 5.1 e.v. (m.b.t. de ontvankelijkheid), 6.1 e.v. (m.b.t. de periode ná 1 april 2016) en 7.1 e.v. (m.b.t. de periode vóór 1 april 2016). Zie ook memorie van antwoord onder 3.1 e.v. (m.b.t. de ontvankelijkheid) en 6.1 e.v. (m.b.t. de periode ná 1 april 2016).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7ce8a916-2d05-4109-a3db-05c21d967f16" label="27">
    <para> 	Vonnis rechtbank, rov. 4.11.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_872c603c-a352-4619-bccc-907041e1112e" label="28">
    <para> 	Idem, rov. 4.39 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b6b2335f-9934-4525-9084-d7de0ff2476a" label="29">
    <para> 	Petitum IV (een veroordeling tot terugbetaling van hetgeen de Woonbond op grond van het bestreden vonnis had voldaan) speelt in cassatie geen zelfstandige rol.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_92e343cd-d7f2-422b-9601-63aea586185a" label="30">
    <para> 	Zie de weergave van het petitum in rov. 3.1 van het bestreden arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2d78a5d2-cd3f-4bf1-baed-ac6b788379ab" label="31">
    <para> 	Wet van 20 maart 2019 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken (Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie), <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2019/130.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ce23945a-5c7a-4faa-b23c-02c8210900d9" label="32">
    <para> 	Besluit van 20 november 2019 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie en het besluit register collectieve acties, <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2019/447. Vgl. ook HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, rov. 3.1.4 over de temporele werkingssfeer van de Wamca.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_86880ff7-46dc-4c98-82c6-3fe963856fc8" label="33">
    <para> 	Zie p. 7 van het proces-verbaal van de pleidooizitting d.d. 26 september 2019.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0b3f038-7b3f-4edd-af96-f667b155bb9e" label="34">
    <para> 	Zie rov. 3.2 en 5.3 van het bestreden arrest (onbestreden in cassatie). Zie ook nr. 1.10 en 3.5.2 van de ST namens de Staat. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_49cec428-0b36-47ec-8e42-3694d3cb4a1c" label="35">
    <para> 	Hof Den Haag 22 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2605, <emphasis role="italic">JHV </emphasis>2021/11, m.nt. T. Gardenbroek.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3408525f-d12e-4d22-9404-00a9111c27d4" label="36">
    <para> 	Het hof verwijst in voetnoot 5 naar HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296 (<emphasis role="italic">Staat/Privacy First</emphasis>), HR 3 juli 2016, ECLI:NL:HR:1049 (<emphasis role="italic">SCAU/Universiteiten</emphasis>) en HR 20 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:58 (<emphasis role="italic">Alcoholslot</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_30ff2167-0cc5-4750-913c-a1b9c33eab3d" label="37">
    <para> 	Het hof verwijst in voetnoot 6 naar een niet bestaand arrest. Bedoeld is kennelijk HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4548, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2006/271 (<emphasis role="italic">Abacus/Staat</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_20cbb1e4-6726-42f1-871a-5f8a4db353e4" label="38">
    <para> 	Het hof verwijst in voetnoot 7 naar het arrest <emphasis role="italic">Changoe/Staat</emphasis>, hierna besproken in 4.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_80e58f4c-c29d-4509-ad22-25e342fb13d2" label="39">
    <para> 	Het hof verwijst in voetnoot 8 (tweemaal) naar ABRvS 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2751, rov. 5 (lees: rov. 9.5), laatste alinea. Deze zaak betrof echter geen gegevensverwerking <emphasis role="italic">door</emphasis> de Belastingdienst, zoals het hof vermeldt, maar een verstrekking van politiegegevens <emphasis role="italic">aan </emphasis>de Belastingdienst. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bbf32077-3f0c-4cfc-b43b-9d08c4d39f34" label="40">
    <para> 	Het hof verwijst hierbij naar ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1375, rov. 3.3, hierna besproken in 6.40.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_07b77395-0ad1-48a4-b664-998250c2207e" label="41">
    <para> 	Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten), <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2013/50.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1d09105c-62b1-498a-a551-e6b163542d51" label="42">
    <para> 	Dit artikellid luidt: ‘Indien een overeenkomst tot wijziging van de huurprijs tot stand komt naar aanleiding van een voorstel daartoe, dat niet voldoet aan lid 3, is de verhoging van de huurprijs op basis van een voorstel als bedoeld in lid 1 niet mogelijk, tenzij blijkt dat de huurder niet door het verzuim is benadeeld.’</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e49f6144-6899-4f11-910b-28012745c51b" label="43">
    <para> 	Het hof verwijst hierbij naar ABRvS 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3215, hierna besproken in 6.37.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fac1e226-5646-470f-b8c1-eff64413fd95" label="44">
    <para> 	Met ‘de hiervoor genoemde doeleinden’ verwijst het hof naar de in rov. 5.15 (in het kader van de toetsing aan art. 8 EVRM) genoemde doeleinden van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aac40011-56de-44e1-a394-b5a8a7ce86a3" label="45">
    <para> 	Hof Den Haag 22 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2605, <emphasis role="italic">JHV </emphasis>2021/11, m.nt. T. Gardenbroek.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_02a7733e-9d92-40bd-b0cf-3f373eeafb25" label="46">
    <para> 	Zie laatstelijk HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2019/413, m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans (<emphasis role="italic">[…]</emphasis>), rov. 3.5.2 (in de strafrechtelijke sfeer). Zie in de bestuursrechtelijke sfeer bijv. HR 20 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:58, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/50 (<emphasis role="italic">Alcoholslot</emphasis>), rov. 3.4.1. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a7f07303-8047-4466-816b-d1ae4e83d8c5" label="47">
    <para> 	Zie bijv. HR 28 februari 1992, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1992/687, m.nt. M. Scheltema (<emphasis role="italic">Changoe/Staat</emphasis>), rov. 3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e3f23e9c-2187-4ec2-8cdd-f7a3bef7388f" label="48">
    <para> 	Zie over deze rechtspraak bijv. G. Snijders, <emphasis role="italic">Overheidsprivaatrecht. Algemeen deel </emphasis>(Mon. BW nr. A26a), Deventer: Kluwer 2011, nr. 8; R.J.N. Schlössels, R.J.B. Schutgens en S.E. Zeilstra, <emphasis role="italic">Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat. Band 2 </emphasis>(HSB), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 783 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_653928bc-0e94-4f36-86b0-ac8e73d12b09" label="49">
    <para> 	Deze bepaling is met name van belang voor zgn. ‘bestuurswetgeving’ die aan bestuursorganen is gedelegeerd. Zie daarover bijv. R.M. van Male, ‘Aanvullende rechtsbescherming tegen bestuurswetgeving’, in: R.J.N. Schlössels e.a. (red.), <emphasis role="italic">De burgerlijke rechter in het publiekrecht</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 165 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2b71ed09-00f7-4420-a293-f3d50b479cba" label="50">
    <para> 	Vgl. HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2016/262, m.nt. H.J. Snijders <emphasis role="italic">(Staat/Privacy First</emphasis>), rov. 3.3.2, onder verwijzing naar vaste ABRvS-jurisprudentie (o.m. ABRvS 28 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8644, <emphasis role="italic">AB</emphasis> 2013/183, m.nt. A.M. Klingenberg).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fdb6ba3f-006a-4e16-ace8-0f9b2dcd6484" label="51">
    <para> 	Zie HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9556, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2005/152, m.nt. T. Koopmans (<emphasis role="italic">OZB/Staat</emphasis>), rov. 3.3.1 (m.b.t. de situatie dat de belanghebbende ná verlies van een bestuursrechtelijke procedure een civiele procedure entameert) en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2314, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2012/241, (<emphasis role="italic">Staat/Vreemdelingenorganisaties</emphasis>), rov. 4.4 en 4.6 (m.b.t. de situatie dat de belanghebbende zónder het aanwenden van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen een civiele procedure entameert). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f9aa8016-0637-41ff-8e45-3650ba357433" label="52">
    <para> 	HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2314, m.nt. H.J. Snijders (<emphasis role="italic">Staat/Vreemdelingenorganisaties</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9982780d-a879-462f-90ee-00dfcd0f4e2e" label="53">
    <para> 	HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2016/262, m.nt. H.J. Snijders <emphasis role="italic">(Staat/Privacy First</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_48442a0b-5a97-4e75-8100-7be3224c3cc3" label="54">
    <para> 	HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/46, m.nt. T. Barkhuysen en M. Claessens (<emphasis role="italic">SCAU/Universiteiten</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e1a64ae-b46d-41dc-a1bd-43d513b46016" label="55">
    <para> 	HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049, (<emphasis role="italic">SCAU/Universiteiten</emphasis>), rov. 4.2.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b4e02495-81c1-476f-a8f4-882e4c414045" label="56">
    <para> 	HR 11 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2169, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1997/165, m.nt. M. Scheltema (<emphasis role="italic">Leenders/Ubbergen</emphasis>), rov. 3.4.3-3.4.4, aangehaald in HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049, (<emphasis role="italic">SCAU/Universiteiten</emphasis>), rov. 4.2.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e9869d0-6820-4872-9fe0-8db4cb16687d" label="57">
    <para> 	Vgl. de geschillen over de Regeling fosfaatreductieplan 2017; zie hof Den Haag 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3067 en HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2375 (81 RO). De bestuursrechter (het CBb) had te oordelen over de toepassing van die regeling op individuele gevallen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_db6af04b-4a67-46cd-98ae-c7fec83b2790" label="58">
    <para> 	Zie bijv. H.J. Snijders, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2016/262 (<emphasis role="italic">Staat/Privacy  First</emphasis>), onder 5; T. Barkhuysen en M. Claessens, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/46 (<emphasis role="italic">SCAU/Universiteiten</emphasis>), onder 9. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b306e1ec-77f3-427c-bd55-457746488de2" label="59">
    <para> 	HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2314 (<emphasis role="italic">Staat/Vreemdelingenorganisaties</emphasis>), rov. 4.4; HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, <emphasis role="italic">(Staat/Privacy First</emphasis>), rov. 3.3.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2483075e-467b-496d-ae66-83ebd619e7a4" label="60">
    <para> 	HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, <emphasis role="italic">(Staat/Privacy First</emphasis>), rov. 3.3.5; HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049 (<emphasis role="italic">SCAU/Universiteiten</emphasis>), rov. 4.3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1f2d6ec0-24c3-4650-ba22-f1c5fc34e5f6" label="61">
    <para> 	HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, <emphasis role="italic">(Staat/Privacy First</emphasis>), rov. 3.4.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_426bb492-18ac-4b5b-a41e-c77fd63808f1" label="62">
    <para> 	HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, <emphasis role="italic">(Staat/Privacy First</emphasis>), rov. 3.4.1. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fe3a0bcc-fe20-49f1-b72d-1accab1c1b97" label="63">
    <para> 	HR 3 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7808, (<emphasis role="italic">Staat/VAJN en NJCM</emphasis>), rov. 3.4.2, zoals verduidelijkt in HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, <emphasis role="italic">(Staat/Privacy First</emphasis>), rov. 3.4.1. Vgl. nog HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2314 (<emphasis role="italic">Staat/Vreemdelingenorganisaties</emphasis>), rov. 4.5, waar werd overwogen dat de belangenorganisaties in <emphasis role="italic">Staat/VAJN en NJCM </emphasis>opkwamen voor een <emphasis role="italic">eigen belang </emphasis>(de onder (ii) bedoelde situatie).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b69b24f7-1c30-466b-bcc6-d7ad08611bc9" label="64">
    <para> 	Overigens stelt het bestuursrecht – via het belanghebbendebegrip – ook grenzen aan de mogelijkheid voor het voeren van collectieve acties. Zie bijv. J.C.A. de Poorter, <emphasis role="italic">T&amp;C Awb</emphasis>, art. 1:2 Awb (2021), aant. 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_db7ac66f-30b0-43c5-bdec-f5ebb1b41e77" label="65">
    <para> 	Zie bijv. T. Barkhuysen, ‘Inspraak en rechtsbescherming bij algemeen verbindende voorschriften’, <emphasis role="italic">NJB </emphasis>2015/1949 (afl. 39), p. 2729; G.A. van der Veen en C.N.J. Kortmann, <emphasis role="italic">AB </emphasis>2016/267 (<emphasis role="italic">Staat/Privacy First</emphasis>), onder 5; T. Barkhuysen en M. Claessens, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/46 (<emphasis role="italic">SCAU/Universiteiten</emphasis>), onder 3 en 10; R.J.B. Schutgens, ‘Rechtsbescherming tegen algemene regels: tijd om de Awb te voltooien’, in: W.J.M. Voermans e.a., <emphasis role="italic">Algemene regels in het bestuursrecht </emphasis>(Preadviezen VAR 2017), Den Haag: Boom juridisch 2017, p. 111 e.v.; P.J. Huisman en G.A. van der Veen, ‘Bestuursproces(recht) als partijengeding’, in: R.J.N. Schlössels e.a. (red.), <emphasis role="italic">In het nu… wat worden zal. Over toekomstig bestuursrecht</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 94 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_03420e2d-129d-42b9-8bc6-c6429524da83" label="66">
    <para> 	Zie F.J. van Ommeren en C.N.J. Kortmann, <emphasis role="italic">AB </emphasis>2016/268 (<emphasis role="italic">SCAU/Universiteiten</emphasis>), onder 13; T. Barkhuysen en M. Claessens, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/46 (<emphasis role="italic">SCAU/Universiteiten</emphasis>), onder 8. De schriftelijke toelichting namens Woonbond verwijst daarnaar onder 2.11-2.14.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9441c7db-a95e-4341-a18c-3100ab795c56" label="67">
    <para> 	Zie rov. 5.1, tweede volzin, van het bestreden arrest (onbestreden in cassatie). Zie over de kwalificatie van (de inhoud van) inkomensverklaringen als persoonsgegevens R.C.H. Burgers en M.B.J. Thijssen, ‘Bescherming van persoonsgegevens bij verhuur van woonruimte’, <emphasis role="italic">HIP </emphasis>2018/44 (afl. 2), p. 17-24.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc9fbfea-c90c-415f-9d28-ae89abb9ea3d" label="68">
    <para> 	Vgl. art. 94 en 99 AVG, in verbinding met onderdeel 171 van de considerans.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dd328c64-4a69-48d9-b9ab-dce169cf35fc" label="69">
    <para> 	Zie MvT (UAVG), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2017/18, 34 851, nr. 3, p. 2. Zie nader over de verschillen tussen de Richtlijn en de AVG het handboek H.R. Kranenborg en L.F.M. Verheij, <emphasis role="italic">De Algemene Verordening Gegevensbescherming in Europees en Nederlands perspectief</emphasis> (MM SBR), Deventer: Kluwer 2018, p. 66 e.v. Vgl. ook rov. 5.16 van het bestreden arrest (toegespitst op het doelbindingsbeginsel).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_83cd7bc2-31ce-4034-82a4-c2a3050d1aea" label="70">
    <para> 	Zie MvT (UAVG), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2017/18, 34 851, nr. 3, p. 34.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c7c5fdab-7f1b-406f-87bb-73625724fed8" label="71">
    <para> 	Zie MvT (Wbp), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1997/98, 25 892, nr. 3, p. 83. Vgl. thans onderdeel 45 van de considerans van de AVG en MvT (UAVG), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2017/18, 34 851, nr. 3, p. 35.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1a33fec0-1717-486b-8419-4bd5d50d4f8b" label="72">
    <para> 	‘Advies 06/2014 over het begrip “gerechtvaardigd belang van de door de gegevensverwerking verantwoordelijke” in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG’, 844/14/NL WP 217, 9 april 2014, p. 24. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9763cd2b-a42d-4247-a28e-f128fe76e541" label="73">
    <para> 	Zie Kranenborg en Verheij, <emphasis role="italic">De AVG in Europees en Nederlands perspectief</emphasis>, 2018, p. 152.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5de7bb8b-cc4d-4eb8-af3a-e7e6035bf759" label="74">
    <para> 	Zie ook HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814 (<emphasis role="italic">Prejudiciële vragen bkr</emphasis>), rov. 3.1.5 en 3.1.9.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b1a1ace7-73d6-417d-bb5b-ea78f9d1aa58" label="75">
    <para> 	Art. 6 lid 1 onder e AVG spreekt, conform art. 7 onder e van de Privacyrichtlijn, van ‘een taak van algemeen belang’ of ‘een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag’. De in art. 8 onder e Wbp gebruikte terminologie ‘publiekrechtelijke taak’ houdt, richtlijnconform uitgelegd, dus hetzelfde in.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a772a108-e421-404f-a2fb-b5e0294e0257" label="76">
    <para> 	Zie het advies genoemd in voetnoot 72, p. 26-27; MvT (Wbp), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1997/98, 25 892, nr. 3, p. 85-86. Vgl. thans art. 6 lid 3 AVG, punt 45 van de considerans en MvT (UAVG), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2017/18, 34 851, nr. 3, p. 35-36.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6588e139-d726-4470-958b-ed2eb08f7ed8" label="77">
    <para> 	Zie Kranenborg en Verheij, <emphasis role="italic">De AVG in Europees en Nederlands perspectief</emphasis>, 2018, p. 155.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_946c5712-d5d9-40c8-90ed-380e6ebe093c" label="78">
    <para> 	Zie MvT (Wbp), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1997/98, 25 892, nr. 3, p. 163. Vgl. MvT (UAVG), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2017/18, 34 851, nr. 3, p. 35, waar staat dat de e-grond ‘dynamisch en veranderlijk door de tijd heen’ is.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fbbd420c-0889-425d-9944-0845806027aa" label="79">
    <para> 	Zie Kranenborg en Verheij, <emphasis role="italic">De AVG in Europees en Nederlands perspectief</emphasis>, 2018, p. 154.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_463f47c9-e7b8-462d-8a82-f851c1ec18eb" label="80">
    <para> 	Zie nogmaals de ‘legitimate interest opinion’ (voetnoot 72), p. 27, waar wordt opgemerkt dat de e-grond een ‘breed toepassingsgebied’ heeft, ‘gelijkenissen’ vertoont met de f-grond en ‘in sommige omstandigheden, met name voor overheidsinstanties, artikel 7, onder f), [kan] vervangen’.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef0b6848-c6b4-431f-8a33-1282b42b4650" label="81">
    <para> 	Zie MvT (Wbp), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1997/98, 25 892, nr. 3, p. 86. Zie nader de conclusie van A-G Rank-Berenschot voor HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814 (<emphasis role="italic">Prejudiciële vragen bkr</emphasis>), onder 2.30.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_858d3e92-569d-453f-907e-7d9e5a086630" label="82">
    <para> 	Zie ook punt 47 van de considerans van de AVG en MvT (UAVG), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2017/18, 34 851, nr. 3, p. 34-35, 37.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c3c5c66-eb38-4632-bddd-ded091db067b" label="83">
    <para> 	Zie de legitimate interest opinion (voetnoot 72), p. 32 (m.b.t. de ontwerptekst van art. 6 lid 1 onder f AVG), waar onder verwijzing naar EHRM-rechtspraak wordt opgemerkt dat, ‘ook krachtens de huidige richtlijn’, ‘voldoende gedetailleerde en specifieke wettelijke toestemming noodzakelijk [is] indien de verwerking door overheidsinstanties inmenging in de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen met zich brengt’. Vgl. ook H.R. Kranenborg en L.F.M. Verheij, <emphasis role="italic">Wet bescherming persoonsgegevens in Europees perspectief</emphasis>, Deventer: Kluwer 2011, p. 89, die opmerken dat de f-grond ‘specifiek van belang is voor de particuliere sector’.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bc1f1474-f8b2-4666-9554-ca4235d6c610" label="84">
    <para> 	Zie MvT (Wbp), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1997/98, 25 892, nr. 3, p. 83. Zie ook de conclusie van A-G Rank-Berenschot voor HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814 (<emphasis role="italic">Prejudiciële vragen bkr</emphasis>), onder 2.26.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9d66ea8f-2a2a-484f-a9f4-b91e76612808" label="85">
    <para> 	Zie voor het oude recht MvT (Wbp), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1997/98, 25 892, nr. 3, p. 83. Vgl. voor de AVG  Kranenborg en Verheij, <emphasis role="italic">De AVG in Europees en Nederlands perspectief</emphasis>, 2018, p. 151.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9fe59ff2-d36b-4f45-b82e-de00388a4757" label="86">
    <para> 	G. Overkleeft-Verburg, <emphasis role="italic">JB</emphasis> 2016/87, onder 10.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_32b28ee1-ca68-4eb6-a53c-2a04440f308a" label="87">
    <para> 	Zie Kranenborg en Verheij, <emphasis role="italic">Wet bescherming persoonsgegevens in Europees perspectief</emphasis>, 2011, p. 89. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b523ef86-80eb-4539-a650-8a2454da2f07" label="88">
    <para> 	Zie nader de conclusie van A-G Rank-Berenschot voor HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814 (<emphasis role="italic">Prejudiciële vragen bkr</emphasis>), onder 2.16 en 2.32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_91f9aac0-06ac-47b7-90a9-49836d415e4f" label="89">
    <para> 	Het recht op <emphasis role="italic">schadevergoeding</emphasis> (art. 49 Wbp en 82 AVG) laat ik buiten beschouwing omdat de Woonbond haar vordering tot schadevergoeding heeft ingetrokken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dd8dc088-9506-41e4-acaa-bc68e4f6427e" label="90">
    <para>
      <emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 2018/144.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a69dfa5-bd2c-4b00-946f-a4a5c5ed0c31" label="91">
    <para> 	Zie MvT (UAVG), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2017/18, 34 851, nr. 3, p. 1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_806b206f-3a99-4e99-b209-c12e26da6656" label="92">
    <para> 	Zie MvT (Wbp), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1997/98, 25 892, nr. 3, p. 164 en p. 174 (waar de kwalificatie als besluit vanuit bestuursrechtelijk oogpunt overbodig wordt genoemd). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_80aee25a-2825-41cf-a8ba-8dba98aed9d3" label="93">
    <para> 	Zie MvT (UAVG), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2017/18, 34 851, nr. 3, p. 117.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d217cdcb-bc46-4384-8c11-4c597a24e23b" label="94">
    <para> 	Zie voor het oude recht MvT (Wbp), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1997/98, 25 892, nr. 3, p. 87-88 en 163.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_405b823e-d681-464f-a437-332444518d91" label="95">
    <para> 	MvT (Wbp), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1997/98, 25 892, nr. 3, p. 163.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_88d1a4e4-90f7-4802-a534-cc02a4024c1b" label="96">
    <para> 	Kranenborg en Verheij, <emphasis role="italic">Wet bescherming persoonsgegevens in Europees perspectief</emphasis>, 2011, p. 132.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d731f56c-f0b8-4868-9cf7-d1a4164e9923" label="97">
    <para> 	MvT (Wbp), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1997/98, 25 892, nr. 3, p. 164.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a01175f8-5c5d-4477-bdf4-88a00d8fd70c" label="98">
    <para> 	MvT (Wbp), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1997/98, 25 892, nr. 3, p. 85-86.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b6c0fc76-64c2-4ae2-92c6-732907c92573" label="99">
    <para> 	Zie voor de huidige regeling in de AVG ook mijn conclusie in de zaak <emphasis role="italic">X/Google LLC</emphasis>, ECLI:NL:PHR:2021:531, onder 4.21 e.v. voor HR 26 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:329.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d6f9e6f3-0e04-47e4-98aa-e70b5ad68eed" label="100">
    <para> 	Zie punt 65 van de considerans van de AVG.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a0a6bd3a-d6e7-4ce5-8844-083131d8f7f6" label="101">
    <para> 	Art. 12 onder b van de Privacyrichtlijn, waarvan art. 36 Wbp de implementatie vormde, sprak over een recht op rectificatie, uitwissing of afscherming van gegevens waarvan de verwerking ‘niet overeenstemt met de bepalingen van deze richtlijn, met name op grond van het onvolledige of onjuiste karakter van de gegevens’. Zie hierover MvT (Wbp), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1997/98, 25 892, nr. 3, p. 160. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2b41ca6c-278f-4edc-bf35-56c12b667a80" label="102">
    <para> 	Wet van 27 september 2007, houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van enige andere wetten, in het kader van het versterken van de fiscale rechtshandhaving en het verkorten van beslistermijnen (Versterking fiscale rechtshandhaving), <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2007/376.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e97b1c72-e7e2-4f02-aa77-16ae5a261616" label="103">
    <para> 	De in art. 67 lid 2 onder b Awr bedoelde ministeriële regeling is de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, <emphasis role="italic">Stcrt</emphasis>. 1994/114. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a2f01ca-979d-4673-97bd-f80095eb7025" label="104">
    <para> 	Zie uitvoerig over art. 67 Awr en de totstandkomingsgeschiedenis ervan B.M. van der Sar, <emphasis role="italic">Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld</emphasis> (diss. Leiden) (Fiscale monografieën 168), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 65 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8734ed79-47a8-4169-8d7f-2558da163fe3" label="105">
    <para> 	MvT (Versterking fiscale rechtshandhaving), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2005/06, 30 322, nr. 3, p. 13.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_327ce2d5-4829-4595-b209-4bd6764faa37" label="106">
    <para> 	MvT (Versterking fiscale rechtshandhaving), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2005/06, 30 322, nr. 3, p. 12. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_072f13b0-3a8f-410b-ba9f-9004e51099bc" label="107">
    <para> 	HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1992/277, m.nt. J.B.M. Vranken (<emphasis role="italic">Verschueren/Kloosterboer</emphasis>), rov. 3.2 (genoemd op p. 19 van de MvT).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_af28e9f1-b9a0-4450-bb97-ae82500711ca" label="108">
    <para> 	MvT (Versterking fiscale rechtshandhaving), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2005/06, 30 322, nr. 3, p. 13.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_731a1536-83f8-4c50-88c5-eb0d682b9266" label="109">
    <para> 	Privacyrechtelijk is dit een vorm van ‘verdere verwerking’ als hierna besproken in 5.12 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7b6ce05c-f022-413e-85f8-45790360cbc1" label="110">
    <para> 	MvT (Versterking fiscale rechtshandhaving), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2005/06, 30 322, nr. 3, p. 18. Zie ook p. 13-14 (over verdere verwerking van fiscale gegevens in het licht van het doelbindingsbeginsel). Zie over doorlevering van fiscale gegevens aan derden ook Van der Sar, <emphasis role="italic">Fiscale geheimhoudingsplicht</emphasis>, 2021, p. 298 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a03adec5-f068-4eb6-ba80-ac96df63f5db" label="111">
    <para> 	Nota n.a.v. Verslag (Versterking fiscale rechtshandhaving), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2005/06, 30 322, nr. 7, p. 25.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6cf171f2-11a4-4853-a577-f22fe966f30f" label="112">
    <para> 	Wet van 27 juni 2008 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet waardering onroerende zaken en enige andere wetten in verband met de invoering van een basisregistratie inkomen en een basisregistratie waarde onroerende zaken, <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2008/269.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_73493fb6-875c-4bda-b515-2d0a9dfa432e" label="113">
    <para> 	Zie nader MvT (Basisregistratie inkomen en basisregistratie waarde onroerende zaken), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2006/07, 31 085, nr. 3, p. 3 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a1be7d35-616e-4ba2-b9ff-24196d10d9b1" label="114">
    <para> 	MvT (Basisregistratie inkomen en basisregistratie waarde onroerende zaken), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2006/07, 31 085, nr. 3, p. 21-22.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4959cdfd-2865-490d-8978-37f688ce029a" label="115">
    <para> 	MvT (Basisregistratie inkomen en basisregistratie waarde onroerende zaken), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2006/07, 31 085, nr. 3, p. 27.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf339cb1-d714-4520-b650-a0161d0a3bc4" label="116">
    <para> 	Vgl. Van der Sar, <emphasis role="italic">Fiscale geheimhoudingsplicht</emphasis>, 2021, p. 291-292.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eb80fa61-662b-41c3-88a3-a3f4e566459b" label="117">
    <para> 	Vgl. onderdeel 2 van het incidentele cassatiemiddel.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c0de669b-adbe-4e4f-b249-818e75803e79" label="118">
    <para> 	Zie ook punt 50 van de considerans van de AVG.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6bac7f19-9f6c-4a60-b429-2a33aa8698be" label="119">
    <para> 	Vgl. rov. 5.16 van het bestreden arrest, voor de als zodanig onbestreden vaststelling dat de AVG t.a.v. het doelbindingsbeginsel ‘geen significante wijziging’ heeft meegebracht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_90740228-2a33-417c-aeb9-e3d3e8259b7b" label="120">
    <para> 	Zie mijn conclusie voor HR 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:985 (<emphasis role="italic">Dutch Filmworks/Ziggo</emphasis>) onder 3.9 e.v. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_09c58766-1028-4d83-858d-3cbd81722d51" label="121">
    <para> 	Zie MvT (UAVG), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2017/18, 34 851, nr. 3, p. 38. Zie ook Kranenborg en Verheij, <emphasis role="italic">De AVG in Europees en Nederlands perspectief</emphasis>, 2018, p.163.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ec646423-2d66-45a2-bf74-1dc23f329d77" label="122">
    <para> 	Zie Kranenborg en Verheij, <emphasis role="italic">De AVG in Europees en Nederlands perspectief</emphasis>, 2018, p. 164-165.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_42d53c15-7d2c-4e4a-9b95-0a74f70ebf43" label="123">
    <para> 	Zie MvT (UAVG), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2017/18, 34 851, nr. 3, p. 37.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ab00d89d-04b0-45e5-9322-b0fc7df3742d" label="124">
    <para> 	Vgl. voor het niet-limitatieve karakter de woorden ‘in elk geval’ (art. 9 lid 2 Wbp) en ‘onder meer’ (art. 6 lid 4 AVG).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_72ae74f6-3d21-4197-8397-fcd2243375da" label="125">
    <para> 	Zie Kranenborg en Verheij, <emphasis role="italic">De AVG in Europees en Nederlands perspectief</emphasis>, 2018, p. 164.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_11b0d341-d0a2-4653-b845-e95ab01f3e4c" label="126">
    <para> 	Zie Kranenborg en Verheij, <emphasis role="italic">De AVG in Europees en Nederlands perspectief</emphasis>, 2018, p. 164-165.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c7243867-e8a4-4483-8daf-5faf54f1ba2a" label="127">
    <para> 	MvT (Versterking fiscale rechtshandhaving), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2005/06, 30 322, nr. 3, p. 26.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8195c833-9129-4a7a-95da-8ea13ebf7ed9" label="128">
    <para> 	Zie nrs. 1.5-1.7 van de schriftelijke toelichting namens de Staat.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b37db01-7ce9-456d-82b8-33a4a05aa613" label="129">
    <para> 	Vgl. het principale cassatiemiddel, onderdeel 2.4.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df240636-94f0-4716-8adb-69022e1502e8" label="130">
    <para> 	MvT (huurverhoging op grond van inkomen), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, 33 129, nr. 3, p. 1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be2d014c-50d5-468c-aa62-ceee4564de7d" label="131">
    <para> 	MvT (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, 33 330, nr. 3, p. 1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9d445121-4a6b-41a3-b1ab-533087fb42d7" label="132">
    <para> 	Vgl. Brief van de minister van BZK d.d. 23 augustus 2012, <emphasis role="italic">Kamerstukken I </emphasis>2011/12, 33 129, F, p. 2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8f31cf77-026e-467f-8b9b-89a7c2e6fc78" label="133">
    <para> 	Advies RvS en Nader rapport (huurverhoging op grond van inkomen), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, nr. 4, p. 2 e.v. (met op p. 5 de reactie van de regering).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e3813e07-2b58-46a2-b6c6-3db9131575a0" label="134">
    <para> 	Idem, p. 8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f2fe41ec-fcc9-4bf5-b981-43b705388a81" label="135">
    <para> 	MvT (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, 33 330, nr. 3, p. 5. Zie identiek Nota n.a.v. verslag (huurverhoging op grond van inkomen), <emphasis role="italic">Kamerstukken I </emphasis>2011/12, 33 129, D, p. 20; MvT (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, 33 330, nr. 3, p. 5-6; MvT (Wet doorstroming huurmarkt), <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2015/16, 34 373, nr. 3, p. 27-28.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0517338e-f233-4845-ad1a-3483335b0ad3" label="136">
    <para> 	Nota n.a.v. verslag (huurverhoging op grond van inkomen), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, 33 129, nr. 6, p. 25 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e77c132e-1eb1-4b2f-b736-ddfdb833f615" label="137">
    <para> 	Nota n.a.v. verslag (huurverhoging op grond van inkomen), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, 33 129, nr. 6, p. 28. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c3798499-e5fb-43e7-bd20-82a11c6245b4" label="138">
    <para> 	Handelingen II 2011/12, nr. 72, item 7 d.d. 4 april 2012, p. 95.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_928dcff6-1574-4737-bcc3-0fd101ba7508" label="139">
    <para> 	Voorstel van wet (huurverhoging op grond van inkomen), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, 33 129, nr. 2, art. III. Het artikel is ongewijzigd aangenomen (<emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2013.89).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e3b6cd58-1189-4d04-b80e-633b237a648c" label="140">
    <para> 	Zie Nota n.a.v. verslag (huurverhoging op grond van inkomen), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, 33 129, nr. 6, p. 35. Zie over de beoogde ontheffing van de geheimhoudingsplicht ook (in antwoord op Kamervragen) <emphasis role="italic">Aanhangsel Handelingen II </emphasis>2011/12, 1693, p. 1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_716dd8fd-b1bf-4e35-89a0-ad85e10b79d1" label="141">
    <para> 	Rb. ’s-Gravenhage (vzr.) 13 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2236, <emphasis role="italic">JHV </emphasis>2012/97, m.nt. T. Gardenbroek; NTFR 2012/937, m.nt. E. Thomas. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c52a54a2-4cd8-462d-980b-19c8d96f9bb4" label="142">
    <para> 	Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 19 april 2012, <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2011/12, 33 129, nr. 49.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9bedc95a-44e9-41c9-b3cf-532b12937060" label="143">
    <para> 	Cbp, Brief aan de staatssecretaris van Financiën d.d. 15 mei 2012 (‘Verstrekken inkomensgegevens Belastingdienst’), beschikbaar via &lt;https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/cbp-verstrekken-inkomensgegevens-aan-verhuurder-door-belastingdienst-strijd-met-wet&gt;.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_111c9c8a-740f-4c29-8bdf-00d242cb2e4d" label="144">
    <para> 	Verslag (huurverhoging op grond van inkomen), <emphasis role="italic">Kamerstukken I </emphasis>2011/12, 33 129, C, p. 9 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8b2f373c-9cdb-449d-bf96-870dcc0345b3" label="145">
    <para>
      <emphasis role="italic">Handelingen I </emphasis>2011/12, nr. 33, item 7 d.d. 19 juni 2012, p. 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3bb99dce-4047-40b5-b5cc-119d1354bd65" label="146">
    <para>
      <emphasis role="italic">Handelingen I </emphasis>2011/12, nr. 33, item 7 d.d. 19 juni 2012, p. 43.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_302da782-fb6a-4bbe-a6c0-2b0f2187237e" label="147">
    <para>
      <emphasis role="italic">Handelingen I </emphasis>2011/12, nr. 33, item 10 d.d. 19 juni 2012, p. 81.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8c7e8af-1315-428a-80c3-f8e2a49e786d" label="148">
    <para> 	Brief van de minister van BZK d.d. 24 augustus 2012 (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, 33 330, nr. 5, p. 1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a33d0bdd-b807-442f-b968-77c96679b3e6" label="149">
    <para> 	College bescherming persoonsgegevens, ‘Advies houdende voorstel tot wijziging van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte’ d.d. 24 juli 2012 (Bijlage bij <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, 33 330, nr. 5), p. 3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3cf09c89-ad39-4a4e-af90-a5d7438100ab" label="150">
    <para> 	Brief van de minister van BZK d.d. 23 augustus 2012 (huurverhoging op grond van inkomen), <emphasis role="italic">Kamerstukken I </emphasis>2011/12, 33 129, F, p. 2-3 en 4. Zie identieke Brief van de minister van BZK d.d. 24 augustus 2012 (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, 33 330, nr. 5, p. 2 en 4; Nota n.a.v. verslag (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2012/13, 33 330, nr. 8, p. 20 en 21.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_458a3f66-0ff2-437f-a90c-13035d7ef908" label="151">
    <para> 	Zie &lt;https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/33330_huurverhoging_op_grond_van&gt;.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c24c9a8e-f03b-4c57-8887-f82fd87af7ec" label="152">
    <para> 	Zie <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2013/89-90 en <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2013/91.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_99dd6f94-c627-44c5-ab36-b65f5069c687" label="153">
    <para> 	Rb. Den Haag 15 oktober 2014, zaaknummer C/09/458707 / HA ZA 14-126 (prod. 1 bij CvA), rov. 4.7.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0cc14354-3fe2-483f-bacb-c0b507843616" label="154">
    <para> 	Rb. Amsterdam 22 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9902 (naderhand bevestigd in de ABRvS-uitspraak).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_643d1186-6b10-4d36-8e6a-2994d8ad84cf" label="155">
    <para> 	MvT (Gegevensverstrekking Belastingdienst), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2015/16, 34 374, nr. 3, p. 1-2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0184e51b-01e7-4994-98b4-e88df27a5711" label="156">
    <para> 	Advies RvS en Nader rapport (Gegevensverstrekking Belastingdienst), <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2015/16, 34 374, nr. 4, p. 2. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ad9ca770-b119-405c-9906-805cd3b73a7a" label="157">
    <para> 	MvA (Gegevensverstrekking Belastingdienst), <emphasis role="italic">Kamerstukken I </emphasis>2015/16, 34 374, C, p. 3. Zie in gelijke zin MvA (Wet doorstroming huurmarkt), <emphasis role="italic">Kamerstukken I </emphasis>2015/16, 34 373, E, p. 16.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4196fcd5-1476-4e15-935e-620148e555d9" label="158">
    <para> 	Zie &lt;https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/34374_verduidelijking_en&gt;. Het wetsvoorstel heeft overigens op de website van de Eerste Kamer een andere naam heeft gekregen, namelijk ‘<emphasis role="underline">Verduidelijking en aanscherping</emphasis> uitvoeringstechnische elementen van gegevensverstrekking door de Belastingdienst’. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0c0e6eae-6b24-4dde-91b3-42f057242575" label="159">
    <para> 	Zie <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2016/124-125.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2727fd71-0f9d-4fdb-b3d6-d203c1dc5d75" label="160">
    <para> 	ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:253, <emphasis role="italic">JB </emphasis>2016/87, m.nt. G. Overkleeft-Verburg; <emphasis role="italic">JHV </emphasis>2016/1, m.nt. T. Gardenbroek; <emphasis role="italic">JBP </emphasis>2016/10, m.nt. N.W. Groenhart; bevestigt Rb. Amsterdam 22 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9902.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1c19858a-9467-4221-a4ee-0fd07657fa6c" label="161">
    <para> 	G. Overkleeft-Verburg, <emphasis role="italic">JB </emphasis>2016/87, onder 8; N.W. Groenhart, <emphasis role="italic">JBP </emphasis>2016/10, onder ‘Wettelijke plicht: uitzondering en grondslag’; T. Gardenbroek, <emphasis role="italic">JHV </emphasis>2016/1. Groenhart merkt t.a.p. op dat de uitkomst onder het regime van de AVG niet anders zou zijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_953fb3de-835e-4d30-9bc7-a9c450334082" label="162">
    <para> 	Zie fiscaalrechtelijk bijv. Van der Sar, <emphasis role="italic">Fiscale geheimhoudingsplicht</emphasis>, 2021, p. 121-122, 284; R.P.M. Lemmen, <emphasis role="italic">SDU NDFR Commentaar Formeel belastingrecht</emphasis>, art. 21 AWR (2022), aant. 3.1. Zie privacyrechtelijk bijv. Kranenborg en Verheij, <emphasis role="italic">De AVG in Europees en Nederlands perspectief</emphasis>, 2018, p. 151-152. Zie huurrechtelijk bijv. G.J. Scholten, <emphasis role="italic">WR </emphasis>2016/26; R.B. Rouwen, <emphasis role="italic">HIP </emphasis>2018/86 (afl. 4), p. 24; R.B. Rouwen en K.J. van Bergenhenegouwen, <emphasis role="italic">HIP </emphasis>2018/96 (afl. 5), p. 15; A.R. de Jonge, <emphasis role="italic">Huurrecht</emphasis>, Den Haag: BJU 2019, p. 556-557; ; G.J. Scholten, <emphasis role="italic">WR </emphasis>2021/19 (afl. 2), p. 80; H.W. Hielkema, <emphasis role="italic">GS Huurrecht</emphasis>, art. 7:252a BW (2021), aant. 7; Y.A.M. Jacobs, <emphasis role="italic">T&amp;C Burgerlijk Wetboek</emphasis>, art. 7:252a BW (2021), aant. 4b. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_10a7be5d-bb22-4b93-9742-d1ab64c69303" label="163">
    <para> 	MvT (UAVG), <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 35-36 (met verwijzing in voetnoot 18 naar de ABRvS-uitspraak).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a68a08b5-69d5-4bf2-a67c-4f08db87f2e6" label="164">
    <para> 	G. Overkleeft-Verburg, <emphasis role="italic">JB </emphasis>2016/87, onder 2 (e.v.), 7 en 8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_45f119da-816a-4768-af0a-8a225900c465" label="165">
    <para> 	G. Overkleeft-Verburg, <emphasis role="italic">JB </emphasis>2016/87, onder 8 en 10. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4dbf27b2-c57c-4921-9307-3e9c7c6b6d23" label="166">
    <para> 	N.W. Groenhart, <emphasis role="italic">JBP </emphasis>2016/10, onder ‘Ontvankelijkheid verzet en grondslag’ en ‘Verzet en correctierecht’).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e0e51c85-d9fd-4ede-a395-133c8f1ea9f7" label="167">
    <para> 	ABRvS 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:911.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b10d43a8-8d44-49a4-bb19-a595195f07f8" label="168">
    <para> 	Zie in gelijke zin N.W. Groenhart, <emphasis role="italic">JBP </emphasis>2016/10, onder ‘Verzet en correctierecht’); R.B. Rouwen, <emphasis role="italic">HIP </emphasis>2018/86 (afl. 4), p. 24. Zie ook Rb. Den Haag 10 januari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:172, rov. 4.14 e.v.; Rb. Den Haag 26 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5386, <emphasis role="italic">NTFR </emphasis>2018/1480, m.nt. C.M. Dijkstra, rov. 7.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cd0e8f1d-9f11-4b7c-95f4-56affeebfc1f" label="169">
    <para> 	ABRvS 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3215, <emphasis role="italic">AB </emphasis>2018/439, m.nt. T. Mulder, rov. 6.2 e.v.; Rb. Amsterdam 30 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2681.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_69d4c3e0-2cd0-4085-81c0-38ef233ffaf7" label="170">
    <para> 	T. Mulder, <emphasis role="italic">AB </emphasis>2018/439, onder 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0d1706ed-1eee-426d-b403-9f25caa8da0a" label="171">
    <para> 	ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4443, rov. 4.2.2 en 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c59ca310-396a-45ed-bb7e-162198a10a4b" label="172">
    <para> 	Rb. Den Haag 26 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5386, <emphasis role="italic">NTFR </emphasis>2018/1480, m.nt. C.M. Dijkstra, rov. 6.3 en 9.1-9.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_58a81c4c-d7fa-498b-8078-89e13de18077" label="173">
    <para> 	ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1375, <emphasis role="italic">AB </emphasis>2020/312, m.nt. L.M. Koenraad, rov. 3.2 e.v. en 4.1 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_28e7f564-a95a-4e08-8b09-154165fda5f6" label="174">
    <para> 	Zie nader over het bestuursrechtelijke schadevergoedingsrecht van vóór en ná de Wns bijv. Schlössels, Schutgens en Zeilstra, <emphasis role="italic">Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat 2</emphasis>, 2019, nr. 961 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c41c6e88-57ec-4ea3-a1fa-a3b7274cb59c" label="175">
    <para> 	Zie p. 7 van het proces-verbaal van 26 september 2019.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bed2a867-f709-4b2b-82bf-f72ba55402e7" label="176">
    <para> 	ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:898-901, <emphasis role="italic">AB </emphasis>2020/307-310, m.nt. L.M. Koenraad en C.N.J. Kortmann onder <emphasis role="italic">AB </emphasis>2020/307.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_39edd3f8-11ad-4fbf-8f17-03804ce4dc10" label="177">
    <para> 	Zie bijv. L.M. Koenraad en C.N.J.Kortmann, <emphasis role="italic">AB </emphasis>2020/307, onder 7 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_967d540a-bdde-4360-bbdc-a87d39259f31" label="178">
    <para> 	ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1375, <emphasis role="italic">AB </emphasis>2020/312, m.nt. L.M. Koenraad, rov. 4.5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b89d584b-130d-4a10-96b6-aec61724a255" label="179">
    <para> 	Rb. ’s-Gravenhage (vzr.) 13 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2236, <emphasis role="italic">JHV </emphasis>2012/97, m.nt. T. Gardenbroek, <emphasis role="italic">NTFR </emphasis>2012/937, m.nt. E. Thomas.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eff8312c-6ea0-4b9a-9654-8b2323ea1a69" label="180">
    <para> 	Rb. Den Haag 15 oktober 2014, zaaknummer C/09/458707 / HA ZA 14-126 (prod. 1 bij CvA).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_96e6bb73-bfa1-4bcf-9cbb-04f8caf207ca" label="181">
    <para> 	Zie Rb. Midden-Nederland (ktr.) 2 november 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5968, <emphasis role="italic">NJF </emphasis>2017/79, rov. 4.10-4.11; Rb. Den Haag 10 januari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:171, <emphasis role="italic">NJF </emphasis>2018/199 (de uitspraak in eerste aanleg in de zaak van de Woonbond tegen de andere gedaagden), rov. 4.39 e.v. (waarover instemmend G.J. Scholten, <emphasis role="italic">WR </emphasis>2018/19); Rb. Amsterdam (ktr.) 27 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8608, rov. 10; en rov. 5.26 e.v. van het bestreden arrest (in het appel tegen woningcorporatie Lieven de Key).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_52d6174f-d592-4e96-b968-f551d1e0c885" label="182">
    <para> 	G.J. Scholten, <emphasis role="italic">WR </emphasis>2016/26, onder 12-13; R.B. Rouwen, <emphasis role="italic">HIP </emphasis>2018/86, p. 25; R.B. Rouwen en K.J. van Bergenhenegouwen, <emphasis role="italic">HIP </emphasis>2018/96 (afl. 5), p. 18; G.J. Scholten, <emphasis role="italic">WR </emphasis>2021/19 (afl. 2), p. 82.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_545cc331-4fe8-4f22-b586-1a06203bb62f" label="183">
    <para> 	Rb. Den Haag (vzr.) 4 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3632, rov. 4.2-4.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aedd3ecf-ed70-4c26-86c1-f0526df4a78e" label="184">
    <para> 	Randnummer 1 is een inleiding die geen zelfstandige klachten bevat.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fd1043d3-d86f-4aa1-baad-973ab5bcbafd" label="185">
    <para> Vgl. de tweede volzin van de tweede alinea van subonderdeel 2.2.1, waar die vaststelling wordt overgenomen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_334358ae-0e00-45ff-ba5a-931181ac3c4e" label="186">
    <para> 	MvT (huurverhoging op grond van inkomen), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, 33 129, nr. 3, p. 6; Nota n.a.v. verslag (huurverhoging op grond van inkomen), <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2011/12, 33 129, nr. 6, p. 17. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9a44abed-c99b-4642-802d-dcc9e68dfa80" label="187">
    <para> 	Hierin verschilt deze zaak bijvoorbeeld van zaken waarin een belastingmaatregel wordt aangevallen bij de civiele rechter, terwijl de belasting op aangiften moet worden voldaan waartegen bestuursrechtelijk bezwaar en beroep openstaat. Vgl. bijv. Rb. Den Haag 18 december 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:19337 (<emphasis role="italic">Essent en E.ON/Staa</emphasis>t (kolenbelasting)). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6f6fa24e-4cdb-4a54-b10a-ab30bd84bacf" label="188">
    <para> 	Subonderdeel 2.2.6 doet dat wel; zie hierna.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_528940f3-1ed6-4fa8-a26d-3c9a4d842bbe" label="189">
    <para> 	Vgl. de woorden ‘Daar komt bij dat’ aan het begin van rov. 5.9.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_79d77de7-b734-4272-8b61-f59768d37424" label="190">
    <para> 	Vgl. het woord ‘Bovendien’ aan het begin van de derde volzin van rov. 5.8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d9b22aac-44dd-42c9-ab80-e388b2b514f8" label="191">
    <para> 	ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1375, <emphasis role="italic">AB </emphasis>2020/312, m.nt. L.M. Koenraad, rov. 3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_30ac54db-c2cb-4ad2-bafa-123d525208b2" label="192">
    <para> 	Zie de in voetnoot 3 van het cassatiemiddel vermelde vindplaatsen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3541a6a9-4cd3-4852-91ad-55572327eaa8" label="193">
    <para> 	Aldus ook het hof in rov. 5.26 (voorlaatste volzin) van het bestreden arrest (in de appelprocedure tegen Lieven de Key).</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>