<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2022:325</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-01T15:20:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2022-04-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/02701</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:814" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:814</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:325">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:325</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-01T15:19:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2022:325 Parket bij de Hoge Raad , 05-04-2022 / 21/02701</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2022:325:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Profijtontneming. Falende motiveringsklacht over oordeel hof dat betrokkene kosten niet aannemelijk heeft gemaakt. Strekt tot verwerping.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2022:325:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Nummer21/02701 P </title>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>		5 april 2022 (bij vervroeging)</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.C. Aben </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [betrokkene], </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,</para>
      <para>hierna: de betrokkene.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De procedure in cassatie</title>
    <para />
    <para>1. Bij arrest van 15 juni 2021 heeft het gerechtshof Den Haag de hoogte van het voordeel dat de betrokkene wederrechtelijk heeft verkregen vastgesteld op een bedrag van € 8.000,- en aan de betrokkene ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.  </para>
    <para />
    <para>2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. I.A. van Straalen, advocaat te Den Haag, heeft een middel van cassatie voorgesteld.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het middel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het middel komt met een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het hof dat de betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten heeft gemaakt in relatie tot het wederrechtelijk verkregen voordeel.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De ontnemingszaak</title>
    <para />
    <para>4. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting van 1 juni 2021 is door en namens de betrokkene het volgende is aangevoerd met betrekking tot de door hem gemaakte kosten: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Ik heb deze laptops van een mij bekende verkoper op de Zwarte Markt te Beverwijk gekocht voor € 500,00 per stuk. Die man ken ik als '[betrokkene 1]'. Ik heb geen andere gegevens van hem. De laptops die ik van deze '[betrokkene 1]' heb gekocht heb ik voor dezelfde prijs – € 500,00 per stuk – verkocht aan [betrokkene 2]. </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">U vraagt mij of het kan kloppen dat de nieuwwaarde van zo'n laptop € 1.200,00 á € 1.300,00 is. Ja, dat kan wel. Achteraf bezien heb ik dus een onjuiste zakelijke inschatting gemaakt; ik heb er geen cent aan overgehouden. </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">Nu ik er nog eens over nadenk, is de nieuwwaarde van zo'n laptop volgens mij ongeveer € 900,00.</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">Ik ben later nog teruggegaan naar Beverwijk om verhaal te halen bij '[betrokkene 1]', maar ik heb hem niet meer gezien of gesproken. U vraagt mij of ik een bon of een ander aankoopbewijs kan tonen van de aankoop van de laptops bij '[betrokkene 1]'. Nee, ik heb geen bon of een ander aankoopbewijs van hem gehad.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De raadsman voert het woord tot verdediging. Hij voert aan: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het is naar mijn mening algemeen bekend dat je op de Zwarte Markt nooit een bon krijgt bij een aankoop van een product. De betrokkene heeft nog geprobeerd om verhaal te halen bij '[betrokkene 1]' maar hij heeft hem niet meer kunnen vinden. </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">Het staat vast dat de betrokkene 16 laptops aan [betrokkene 2] heeft verkocht. Ook staat vast dat de politierechter de betrokkene in de strafzaak heeft veroordeeld voor opzetheling van bedoelde laptops. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat, hij de laptops niet om niet heeft verkregen. </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">Het is mijns inziens redelijk om uit te gaan van een winkelprijs van € 900,00 per laptop en een 'heler-prijs' van zo'n 50% van dat bedrag.” </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Het hof heeft ten aanzien van de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende overwogen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“</emphasis>
        <emphasis role="underline italic">Grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof is van oordeel dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk is geworden dat de betrokkene door middel van of uit baten van het in de strafzaak onder 1 bewezenverklaarde, de opzetheling van 16 laptops, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dat de betrokkene, zoals hij ter terechtzitting in hoger, beroep heeft verklaard, geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, omdat hij deze laptops van de hem bekende verkoper '[betrokkene 1]' op de Zwarte Markt te Beverwijk heeft gekocht voor € 500,00 per stuk, wat de betrokkene op geen enkele wijze heeft onderbouwd, en naderhand voor diezelfde prijs per stuk heeft verkocht aan [betrokkene 2] – er zou sprake zijn geweest van een achteraf bezien onjuiste zakelijke inschatting bij de aankoop van de laptops door de betrokkene –, acht het hof niet geloofwaardig.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Motivering van de op te leggen maatregel</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof gaat bij de berekening van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel uit van het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakte ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e, 2e lid Sr’ d.d. 28 juni 2017.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit de verklaring van [betrokkene 2] is gebleken dat hij op 15 maart 2017 6 laptops heeft gekocht voor € 500,00 per stuk.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">6 x € 500,00 = € 3.000,00</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voorts is uit de verklaring van [betrokkene 2] gebleken dat hij op 22 maart 2017 10 laptops heeft gekocht voor € 500,00 per stuk.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">10 x € 500,00 = € 5.000,00</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het totaal is € 3.000,00 + € 5.000,00 = € 8.000,00</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij kosten heeft gemaakt in relatie tot het wederrechtelijk verkregen voordeel.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 8.000,00.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof zal de betrokkene de verplichting opleggen dit bedrag aan de Staat te betalen.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Een nadere omschrijving van het middel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof – ondanks zijn oordeel dat de verklaring van de betrokkene over de gemaakte kosten niet geloofwaardig is – de kosten had kunnen schatten. De steller van het middel wijst in dat verband op de verklaring van de betrokkene dat hij de laptops heeft gekocht en het feit van algemene bekendheid dat “<emphasis role="italic">een heler (van laptops) gemiddeld 25% van de dagwaarde betaalt voor de inkoop van goederen en bij verkoop ongeveer 50% van diezelfde dagwaarde rekent</emphasis>”<footnote-ref linkend="_4038aada-69b9-4129-be59-fb3149944b37" /> in samenhang met de verklaring van de betrokkene dat de door hem gekochte laptops een nieuwwaarde hebben van € 1.200,- á € 1.300,- per stuk. Het hof heeft daarmee over voldoende gegevens beschikt om de kosten te schatten, zo begrijp ik de steller van het middel, waardoor het oordeel dat de kosten niet aannemelijk zijn gemaakt, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De beoordeling van het middel</title>
    <para />
    <para>7. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en, zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Indien evenwel namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij – al dan niet gedeeltelijk – voor rekening van de betrokkene dienen te blijven.<footnote-ref linkend="_53ba6ad7-9172-4424-b6cd-0986a5bdb31a" /></para>
    <para />
    <para>8. In deze zaak is, kort gezegd, aangevoerd dat de betrokkene kosten heeft gemaakt die bestaan uit de aanschafprijs van € 500,- per stuk van de door hem verkochte laptops. </para>
    <para />
    <para>9. Het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene niet heeft onderbouwd dat hij de laptops voor € 500,- per stuk heeft ingekocht. Verder heeft het hof niet geloofwaardig geacht dat de betrokkene de laptops tegen de aanschafprijs heeft verkocht. De steller van het middel heeft het oordeel van het hof in zoverre niet aangevochten, zodat in cassatie daarvan kan worden uitgegaan. </para>
    <para />
    <para>10. In de overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat het aan de betrokkene is om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt die in directe relatie staan tot het delict dat aan de ontneming ten grondslag ligt, en dat het eveneens aan de betrokkene is om die stelling zo nodig te onderbouwen. Aangezien de bewijslast ter zake van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het OM en de betrokkene,<footnote-ref linkend="_1d09e5b5-45ac-4147-82d9-47dfafa87d9d" /> getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. </para>
    <para />
    <para>11. Het oordeel van het hof dat de betrokkene heeft verzuimd om de door hem gestelde kosten aannemelijk te maken en te onderbouwen, acht ik niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het van de zijde van de betrokkene is gebleven bij uitsluitend de ongeloofwaardige stelling dat hij de laptops heeft verkocht tegen inkoopprijs. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Slotsom</title>
    <para />
    <para>12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.</para>
    <para />
    <para>13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
    <para />
    <para>14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4038aada-69b9-4129-be59-fb3149944b37" label="1">
    <para> De steller van het middel baseert zich daarbij op het arrest van het hof dat ten grondslag ligt aan de uitspraak HR 14 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4092.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_53ba6ad7-9172-4424-b6cd-0986a5bdb31a" label="2">
    <para> HR 6 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1560; zie ook HR 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2913, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2008/288, en HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3200, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2002/124.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1d09e5b5-45ac-4147-82d9-47dfafa87d9d" label="3">
    <para> Vgl. HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1182, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2003/96; HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2021/46, rov. 2.4.2.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>