<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2022:258</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-04T00:06:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2022-03-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/00379</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:822" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:822, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:258">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:258</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-12T13:05:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2022:258 Parket bij de Hoge Raad , 18-03-2022 / 22/00379</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2022:258:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Procesrecht. Art. 407 lid 1 en lid 3 Rv. Art. 30c lid 1 Rv. Is eiser tot cassatie ontvankelijk in het cassatieberoep dat hij heeft ingesteld zonder tussenkomst van een cassatieadvocaat en zonder de procesinleiding in het portaal van de Hoge Raad in te dienen?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2022:258:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>22/00379</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	18 maart 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>T. Hartlief</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verzoeker]
      </emphasis> (hierna: ‘[verzoeker]’)</para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">de Stichting Trivire</emphasis> (hierna: ‘Trivire’)</para>
    <para />
  </conclusie.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Feiten en procesverloop</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In 2014 heeft Trivire bij de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam een ontbindings- en ontruimingsprocedure tegen [verzoeker] aanhangig gemaakt. Bij eindvonnis van 4 augustus 2016 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen Trivire en [verzoeker] ontbonden en [verzoeker] veroordeeld om het gehuurde te ontruimen.<footnote-ref linkend="_99068dec-ecaf-4056-b125-e7bcc5fafe10" /> Bij arrest van 31 maart 2020 heeft hof Den Haag het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.<footnote-ref linkend="_620f30ef-cef7-4dd8-8952-ec86866c2477" /> Bij arrest van 18 december 2020 heeft Uw Raad [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep, omdat het cassatieberoep niet was ingesteld op de in art. 30c lid 1 Rv voorgeschreven wijze, de procesinleiding niet voldeed aan de eisen van art. 407 lid 3 Rv en [verzoeker] geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om deze verzuimen binnen twee weken te herstellen.<footnote-ref linkend="_f28cc9c4-ca3a-4e0c-9268-5589cc1130bd" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Begin juli 2020 heeft Trivire de ontruiming van de woning aangezegd tegen 10 september 2020. [verzoeker] heeft vervolgens een executiekortgeding tegen Trivire aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam om de ontruiming te voorkomen. Bij vonnis van 9 september 2020 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [verzoeker] afgewezen.<footnote-ref linkend="_7bb71df1-8756-43fb-8c18-1c0711654d59" /> Bij arrest in kort geding van 7 september 2021 (het bestreden arrest) heeft het hof Den Haag het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.<footnote-ref linkend="_26606280-7628-49c6-85c9-a113d1b541d7" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Bij ‘cassatieschriftuur’ van 2 november 2021 (hierna: de ‘procesinleiding’) heeft [verzoeker] cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest, zonder tussenkomst van een advocaat of een andere gemachtigde. In de procesinleiding wordt ook geen advocaat bij de Hoge Raad aangewezen die [verzoeker] zal vertegenwoordigen, zoals bedoeld in art. 9j van de Advocatenwet. In de procesinleiding staat wel vermeld dat [verzoeker] op 22 oktober 2021 een negatief cassatieadvies heeft ontvangen en dat “<emphasis role="italic">het procesmonopolie</emphasis>” moet worden afgeschaft.<footnote-ref linkend="_061e4827-b169-4b3e-ae58-9dca05df4675" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Bij brief van 5 november 2021 heeft de griffie van de Hoge Raad aan [verzoeker] bericht dat het cassatieberoep niet op de voorgeschreven wijze is ingediend, te weten (i) door indiening van een procesinleiding in het portaal van de Hoge Raad door (ii) een cassatieadvocaat die [verzoeker] in het geding zal vertegenwoordigen. De griffie van de Hoge Raad heeft in de brief erop gewezen dat beide verzuimen kunnen worden hersteld door binnen twee weken na binnenkomst van het beroep tot cassatie (op 2 november 2021) dezelfde procesinleiding opnieuw in te dienen, maar nu door een advocaat bij de Hoge Raad en via het webportaal van de Hoge Raad.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Bij e-mail van 28 januari 2022 heeft [verzoeker] aan (de griffie van) de Hoge Raad te kennen gegeven dat hij zijn “<emphasis role="italic">pro se ingediende cassatieberoep niet heeft ingetrokken</emphasis>.” Bij email van 4 februari 2022 heeft de waarnemend griffier bij de Hoge Raad dit bevestigd door aan [verzoeker] te berichten dat hij zijn cassatieberoep doorzet zonder tussenkomst van een cassatieadvocaat, dat de griffie een zaaknummer zal aanmaken en het verschuldigde griffierecht in rekening zal brengen. [verzoeker] heeft het griffierecht vervolgens voldaan.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De vraag die moet worden beantwoord is of [verzoeker] ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. Bij het beantwoorden van deze vraag is het volgende van belang.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Een cassatieberoep in een burgerlijke zaak kan alleen worden ingesteld met tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad.<footnote-ref linkend="_927a48f7-1a4d-47be-9eaa-bc9fdaf8e61c" /> In een vorderingsprocedure, zoals deze procedure, moet het cassatieberoep op grond van art. 407 lid 1 en lid 3 Rv worden ingesteld door middel van een procesinleiding, waarin een advocaat bij de Hoge Raad wordt aangewezen die eiser(es) tot cassatie in het geding zal vertegenwoordigen. De procesinleiding moet op grond van art. 30c lid 1 in verbinding met art. 407 lid 1 Rv langs elektronische weg worden ingediend. Daarvoor is het webportaal van de Hoge Raad aangewezen.<footnote-ref linkend="_2adc2429-d9c0-4a71-a669-eb0a6e2d4918" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het niet in acht nemen van deze voorschriften leidt tot een niet-ontvankelijkverklaring van eiser(es) tot cassatie in het cassatieberoep.<footnote-ref linkend="_4c19f935-b292-4299-b7c4-c7ec4d3aec4b" /> Dat is alleen anders indien de verzuimen zijn hersteld doordat dezelfde procesinleiding met inachtneming van de voorschriften opnieuw is ingediend. In dat verband hanteert de Hoge Raad een termijn van twee weken.<footnote-ref linkend="_b97ebbdb-3768-4d41-b681-e0bc64f57c51" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Herstel heeft in deze procedure niet plaatsgevonden (randnummer 1.5 hiervoor). [verzoeker] dient daarom op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn cassatieberoep.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Ten aanzien van het betoog van [verzoeker] dat “<emphasis role="italic">het procesmonopolie</emphasis>” (de verplichting om in cassatie door een advocaat bij de Hoge Raad te worden vertegenwoordigd) moet worden afgeschaft,<footnote-ref linkend="_569c7f9e-5c45-40fd-8213-28da44bc27c6" /> geldt dat dit aan het verkeerde adres is gericht. Eventuele afschaffing is aan de wetgever, niet aan de Hoge Raad. Ik volsta hier met de opmerking dat de wetgever afschaffing niet overweegt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <parablock>
        <para>Voor zover [verzoeker] ervan uitgaat dat hij recht heeft op een inhoudelijke behandeling door de Hoge Raad van de klachten in de door hemzelf zonder tussenkomst van een cassatieadvocaat ingediende procesinleiding, vindt zijn standpunt geen steun in het recht. Ik verwijs hiervoor, net als A-G Wissink heeft gedaan in zijn conclusie voor het arrest van Uw Raad in de eerdere procedure tussen [verzoeker] en Trivire (randnummer 1.1 hiervoor),<footnote-ref linkend="_43acd1b0-91ec-40de-9b2c-ed53f15a463c" /> naar twee conclusies van de plaatsvervangend Procureur-Generaal Langemeijer.<footnote-ref linkend="_e2327e0c-997b-4f5f-9aa6-34be569be953" /> Aan die conclusies ontleen ik onder meer het volgende:<footnote-ref linkend="_3c53ae00-6828-4118-931e-fc986e5a82bc" /></para>
        <para>(i) gelet op de bijzondere aard van de cassatieprocedure − kort gezegd: de cassatierechter berecht niet zelf het geschil, maar beoordeelt klachten over schending van rechtsregels en/of vormfouten van de lagere rechter − accepteert het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het ‘EHRM’) dat in het nationale recht aan rechtzoekenden de eis wordt gesteld dat zij zich in cassatie laten bijstaan door een daartoe gekwalificeerde cassatieadvocaat;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(ii) het Nederlandse stelsel van verplichte procesvertegenwoordiging en gefinancierde rechtsbijstand in cassatie is in lijn met de EHRM-rechtspraak. Art. 407 lid 3 Rv schrijft voor dat cassatieberoep wordt ingesteld door tussenkomst van een cassatieadvocaat. Volgens de Hoge Raad is dit vereiste niet in strijd met art. 6 EVRM. De omstandigheid dat de rechtzoekende niet erin is geslaagd een cassatieadvocaat bereid te vinden om cassatieberoep voor hem in te stellen, rechtvaardigt volgens de Hoge Raad geen uitzondering op het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(iii) bij de herziening van het cassatieprocesrecht is door de wetgever benadrukt dat de cassatieadvocaat mede de functie heeft om door middel van het cassatieadvies te voorkomen dat de Hoge Raad met kansloze zaken wordt overvoerd. Ook de tuchtrechter voor advocaten gaat ervan uit dat het instellen van kansloze cassatieberoepen in strijd is met de gedragsnorm voor advocaten;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(iv) de advocaat heeft een eigen verantwoordelijkheid bij het aannemen en behandelen van zaken. Hij mag – en moet soms – dienst weigeren, mits op goede gronden en rekening houdend met de belangen van de cliënt, dus tijdig en zonder de cliënt onnodig op kosten te jagen; en</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(v) art. 17 Grondwet<footnote-ref linkend="_8fba8ae1-d2fe-42bf-8484-d60b801cd264" /> (hierna: ‘Gw’) houdt niet in dat een wet in formele zin, zoals het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geen vormvereisten zou mogen stellen aan een cassatieverzoekschrift, zoals het vereiste (in art. 407 Rv) van tussenkomst door een cassatieadvocaat. Evenmin behelst deze grondwetsbepaling een verbod van wettelijke maatregelen om kansloos te achten klachten weg te houden bij de cassatierechter dan wel deze op een vereenvoudigde wijze af te doen. Voorts staat art. 120 Gw in de weg aan een toetsing door de rechter van het bepaalde in art. 407 Rv aan art. 17 Gw.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Conclusie</title>
    <para>De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_99068dec-ecaf-4056-b125-e7bcc5fafe10" label="1">
    <para> 	Ktr. Rotterdam 4 augustus 2016, zaaknummer: 2753972 CV EXPL 14-949 (niet gepubliceerd).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_620f30ef-cef7-4dd8-8952-ec86866c2477" label="2">
    <para> 	Hof Den Haag 31 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:483.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f28cc9c4-ca3a-4e0c-9268-5589cc1130bd" label="3">
    <para> 	HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2090, <emphasis role="italic">RvdW</emphasis> 2021/91.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7bb71df1-8756-43fb-8c18-1c0711654d59" label="4">
    <para> 	Vzr. Rb. Rotterdam 9 september 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:9017 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_26606280-7628-49c6-85c9-a113d1b541d7" label="5">
    <para> 	Hof Den Haag 7 september 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1606.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_061e4827-b169-4b3e-ae58-9dca05df4675" label="6">
    <para> 	Randnummer 66. van de procesinleiding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_927a48f7-1a4d-47be-9eaa-bc9fdaf8e61c" label="7">
    <para> 	Dat is een advocaat die over bijzondere kwalificaties beschikt om in civiele cassatieprocedures te mogen optreden. Zie art. 9j van de Advocatenwet en de daarop gebaseerde regelgeving.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2adc2429-d9c0-4a71-a669-eb0a6e2d4918" label="8">
    <para> 	De grondslag daarvoor is te vinden in art. 30f Rv in verbinding met art. 2 van het Besluit elektronisch procederen (<emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 2020/410). In art. 2.2.1 van het Procesreglement van de Hoge Raad (<emphasis role="italic">Stcrt. </emphasis>2021/50896) is bepaald dat een procesdeelnemer die ingevolge een wettelijk voorschrift verplicht is in een procedure bij de Hoge Raad digitaal te procederen daartoe gebruikmaakt van het webportaal van de Hoge Raad.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c19f935-b292-4299-b7c4-c7ec4d3aec4b" label="9">
    <para> 	Zie onder meer – in de eerdere procedure tussen [verzoeker] en Trivire (randnummer 1.1 hiervoor) – HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2090, <emphasis role="italic">RvdW</emphasis> 2021/91 en meer recent HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:257 en HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:125, <emphasis role="italic">RvdW</emphasis> 2022/198. Voor wat betreft het voorschrift van art. 30c lid 1 Rv (indiening langs elektronische weg) volgt de sanctie van niet-ontvankelijkheid uit art. 30c lid 6, tweede volzin, Rv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b97ebbdb-3768-4d41-b681-e0bc64f57c51" label="10">
    <para> 	Zie de rechtspraak die in de voorgaande voetnoot is vermeld. Voor wat betreft het voorschrift van art. 30c lid 1 Rv (indiening langs elektronische weg) volgt uit art. 30c lid 6 Rv dat de rechter de gelegenheid moet geven het verzuim te herstellen binnen een door hem of haar te bepalen termijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_569c7f9e-5c45-40fd-8213-28da44bc27c6" label="11">
    <para> 	Randnummer 66. van de procesinleiding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_43acd1b0-91ec-40de-9b2c-ed53f15a463c" label="12">
    <para> 	Randnummer 2.2. van de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2020:1038) voor HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2090, <emphasis role="italic">RvdW</emphasis> 2021/91.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e2327e0c-997b-4f5f-9aa6-34be569be953" label="13">
    <para> 	Randnummers 2.2 tot en met 2.10 van de conclusie van plaatsvervangend Procureur-Generaal Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2018:754) voor HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1786, <emphasis role="italic">RvdW</emphasis> 2018/1042 en randnummer 2.2 van de conclusie van plaatsvervangend Procureur-Generaal Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2020:310) voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:800, <emphasis role="italic">RvdW</emphasis> 2020/591.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c53ae00-6828-4118-931e-fc986e5a82bc" label="14">
    <para> 	Ik heb in deze opsomming de bronverwijzingen weggelaten, die wél in de hiervoor genoemde conclusies zijn vermeld.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8fba8ae1-d2fe-42bf-8484-d60b801cd264" label="15">
    <para> 	Art. 17 Gw bepaalt: “<emphasis role="italic">Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.</emphasis>”</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>