<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2022:162</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-09T00:04:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2022-02-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/00003</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:558" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:558, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:162">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:162</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-15T13:03:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2022:162 Parket bij de Hoge Raad , 18-02-2022 / 22/00003</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2022:162:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Cassatieprocesrecht. Niet-ontvankelijkheid. Procesinleiding niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad en niet langs elektronische weg ingediend. Art. 426a lid 1 Rv en art. 30c lid 1 Rv.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2022:162:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Nummer 22/00003</title>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	18 februari 2022</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>T. Hartlief</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In het cassatieberoep van </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verzoekster] B.V.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>gericht tegen de beslissing van 13 december 2021 <?linebreak?>van de wrakingskamer van het hof Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Bij ‘verzoekschrift’ van 15 december 2021 (hierna: ‘procesinleiding’)<footnote-ref linkend="_f7979689-736f-4c52-90d0-f79ee3f82bfd" /> heeft [betrokkene 1] namens<footnote-ref linkend="_4185dbcc-15c4-45a7-8fbb-7c51889a735c" />[verzoekster] B.V. cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing van 13 december 2021 van de wrakingskamer van het hof Amsterdam, waarin zij het verzoek tot wraking van de leden van de wrakingskamer van het hof (in een andere samenstelling) buiten behandeling heeft gesteld.<footnote-ref linkend="_6448e118-c378-431a-9d04-83d3522ee39b" /> [betrokkene 1] is geen advocaat bij de Hoge Raad als bedoeld in art. 9j van de Advocatenwet.</para>
    <para>2. In de procesinleiding wordt betoogd dat een uitzondering op de rechtspraak van Uw Raad<footnote-ref linkend="_f071f670-8d61-4103-85b4-980161f3f98d" /> moet worden aangenomen, in die zin dat géén procesvertegenwoordiging (door een advocaat bij de Hoge Raad) is vereist “<emphasis role="italic">indien zich een doorbrekingsgrond van een appelverbod voordoet en op basis daarvan hoger beroep c.q. cassatieberoep is ingesteld</emphasis>.” Ik verwijs naar de verwante zaak met nummer 21/04774, waarin [betrokkene 1] namens [verzoekster] B.V. een vergelijkbaar betoog heeft gevoerd, dat Uw Raad in een beschikking van 4 februari 2022 heeft verworpen.<footnote-ref linkend="_ebd384f7-e385-4931-993b-94c8f4dcf606" /></para>
    <para>3. Bij brief van 17 december 2021 heeft de griffie van de Hoge Raad aan [betrokkene 1] gemeld dat het cassatieberoep niet op de voorgeschreven wijze is aangebracht, namelijk niet door tussenkomst van een civiele cassatieadvocaat (advocaat bij de Hoge Raad). De griffie van de Hoge Raad heeft in de brief erop gewezen dat het verzuim kan worden hersteld door binnen twee weken na binnenkomst dezelfde procesinleiding opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en via het webportaal van de Hoge Raad.</para>
    <para>4. Bij brief van 30 december 2021 heeft [betrokkene 1] aan de griffie van de Hoge Raad bericht dat [verzoekster] B.V. het cassatieberoep doorzet zonder tussenkomst van een cassatieadvocaat (advocaat bij de Hoge Raad).</para>
    <para>5. De vraag die moet worden beantwoord, is of [verzoekster] B.V. ontvankelijk is in haar cassatieberoep. Een cassatieberoep in een burgerlijke zaak kan alleen worden ingesteld met tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad.<footnote-ref linkend="_02c02ff9-71ef-4c62-b6b2-a42977cfa3f4" /> In een verzoekprocedure, zoals deze procedure, moet het cassatieberoep op grond van art. 426a lid 1 Rv worden aangebracht bij een procesinleiding, die wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. De procesinleiding moet op grond van art. 30c in verbinding met art. 407 lid 1 Rv langs elektronische weg worden ingediend. Daarvoor is het webportaal van de Hoge Raad aangewezen.<footnote-ref linkend="_fa325ba0-6e92-4eb7-b30c-6d8c62678841" /> Volgens de rechtspraak van de Uw Raad leidt het niet in acht nemen van deze voorschriften tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker tot cassatie in zijn cassatieberoep.<footnote-ref linkend="_8422f14a-ffe0-4c33-ba14-a968a4bcbb36" /> Dat is alleen anders indien de verzuimen zijn hersteld doordat dezelfde procesinleiding met inachtneming van de voorschriften opnieuw is ingediend. In dat verband hanteert Uw Raad een termijn van twee weken.<footnote-ref linkend="_419970d3-301d-47e1-a4be-4a58511a82a0" /></para>
    <para>6. Herstel heeft in deze procedure niet plaatsgevonden.</para>
    <para>7. Er is, anders dan [verzoekster] B.V. betoogt, geen aanleiding voor een uitzondering (op de hiervoor in randnummer 5. genoemde voorschriften en sanctie van niet-ontvankelijkheid) voor het geval waarin het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de wrakingskamer en een beroep wordt gedaan op een zogenoemde doorbrekingsgrond. Ik verwijs – om herhaling te voorkomen – naar de beschikking van Uw Raad van 4 februari 2022, en mijn conclusie die daaraan voorafging, in de verwante zaak met nummer 21/04774.<footnote-ref linkend="_c9f79586-1828-4a8b-a6f1-3823925234e3" /> Voor een andere beoordeling in deze procedure zie ik geen grond.</para>
    <para>8. [verzoekster] B.V. dient op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep.</para>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] B.V. in haar cassatieberoep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f7979689-736f-4c52-90d0-f79ee3f82bfd" label="1">
    <para> 	In burgerlijke zaken kan cassatieberoep immers slechts worden ingesteld door middel van een procesinleiding. Zie art. 407 lid 1 Rv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4185dbcc-15c4-45a7-8fbb-7c51889a735c" label="2">
    <para> 	Als bijlage 1 bij de procesinleiding is een volmacht overgelegd.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6448e118-c378-431a-9d04-83d3522ee39b" label="3">
    <para> 	Zaaknummer: 200.301.985/02.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f071f670-8d61-4103-85b4-980161f3f98d" label="4">
    <para> 	In de procesinleiding wordt verwezen naar HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2977, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1999/271, waarin Uw Raad kort gezegd besliste dat voor wrakingsverzoeken geen uitzondering geldt op de verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ebd384f7-e385-4931-993b-94c8f4dcf606" label="5">
    <para> 	HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:125. In de betreffende zaak heb ik eveneens geconcludeerd (conclusie van 17 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1195).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_02c02ff9-71ef-4c62-b6b2-a42977cfa3f4" label="6">
    <para> 	Dat is een advocaat die over bijzondere kwalificaties beschikt om in civiele cassatieprocedures te mogen optreden. Zie art. 9j van de Advocatenwet en de daarop gebaseerde regelgeving.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa325ba0-6e92-4eb7-b30c-6d8c62678841" label="7">
    <para> 	De grondslag daarvoor is te vinden in art. 30f Rv in verbinding met art. 2 van het Besluit elektronisch procederen. In art. 2.2.1 van het Procesreglement van de Hoge Raad (<emphasis role="italic">Stcrt. </emphasis>2021/50896) is bepaald dat een procesdeelnemer die ingevolge een wettelijk voorschrift verplicht is in een procedure bij de Hoge Raad digitaal te procederen daartoe gebruikmaakt van het webportaal van de Hoge Raad.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8422f14a-ffe0-4c33-ba14-a968a4bcbb36" label="8">
    <para> 	Zie onder meer, <emphasis role="italic">mutatis mutandis</emphasis>, voor wat betreft de verzoekschriftprocedure, HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2010/212 m.nt. H.J. Snijders en HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7586, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2011/479. Zie voor wat betreft de procesinleiding in de verzoekprocedure HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:125. Voor wat betreft het voorschrift van art. 30c lid 1 Rv (indiening langs elektronische weg) volgt de sanctie van niet-ontvankelijkheid uit art. 30c lid 6, tweede volzin, Rv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_419970d3-301d-47e1-a4be-4a58511a82a0" label="9">
    <para> 	Zie de rechtspraak die in de voorgaande voetnoot is vermeld. Voor wat betreft het voorschrift van art. 30c lid 1 Rv (indiening langs elektronische weg) volgt uit art. 30c lid 6 Rv dat de rechter de gelegenheid moet geven het verzuim te herstellen binnen een door hem of haar te bepalen termijn. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c9f79586-1828-4a8b-a6f1-3823925234e3" label="10">
    <para> 	Zie voetnoot 5.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>