<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2022:143</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-07T12:57:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2022-02-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/03650</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:502" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:502</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:143">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:143</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-01T13:42:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2022:143 Parket bij de Hoge Raad , 15-02-2022 / 20/03650</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2022:143:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Profijtontneming. De schriftuur bevat geen middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Samenhang met 20/03652 en 20/03783.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2022:143:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>PROCUREUR-GENERAAL</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJ DE</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>20/03650 P </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>		15 februari 2022 (bij vervroeging)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>CONCLUSIE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>B.F. Keulen </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [betrokkene] , </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,</para>
      <para>hierna: de betrokkene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 november 2020 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 140.000,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 540 dagen bepaald.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Er bestaat samenhang met de zaken 20/03652 en 20/03783. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>In het <emphasis role="underline">middel</emphasis> wordt geklaagd dat art. 36e, eerste lid, Sr is geschonden nu de toewijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel berust op onjuiste gronden. De toelichting begrijp ik aldus dat indien de middelen ingediend in de strafzaak doel zouden treffen, de grondslag van het arrest in de ontnemingszaak zou komen te vervallen.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Als een middel van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.<footnote-ref linkend="_2996b3b6-3127-4235-bebc-1d8542edcce2" /> Dat betekent dat in een ontnemingszaak niet kan worden aangevoerd dat eventuele gebreken in het arrest in de hoofdzaak moeten leiden tot cassatie in de ontnemingszaak. Ik wijs in dit verband op de voorschriften van art. 6:1:16, tweede lid, Sv en art. 511i Sv, en op de mogelijkheid om de rechter te verzoeken het in de opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag te verminderen of kwijt te schelden (art. 6:6:26, eerste lid, Sv).<footnote-ref linkend="_af11e7a1-bf17-4e95-be64-c2e36f2296cd" /> Het namens de betrokkene aangevoerde is niet aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para>6. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij Uw Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.</para>
    <para>7. Deze conclusie strekt ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>AG</title>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2996b3b6-3127-4235-bebc-1d8542edcce2" label="1">
    <para>   A.J.A. van Dorst, <emphasis role="italic">Cassatie in strafzaken</emphasis>, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 179 e.v., onder verwijzing naar HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2434, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2001/296 en HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2881, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2001/605.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_af11e7a1-bf17-4e95-be64-c2e36f2296cd" label="2">
    <para> 	Art. 6:1:16 Sv is ingevoerd bij de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2017, 82 per 1 januari 2020 (<emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 2019, 507). Zie voordien art. 557 (oud) Sv en daarover HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1016, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1999/75 m.nt. Knigge en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM8030, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2011/315 m.nt. Mevis.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>