<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2022:1080</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-21T09:31:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2022-11-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/02340</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:1840" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1840</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:1080">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:1080</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-21T09:30:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2022:1080 Parket bij de Hoge Raad , 22-11-2022 / 21/02340</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2022:1080:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Klaagschrift ex art. 552a Sv tegen voornemen van OvJ het in beslag genomene ex art. 116 lid 3 Sv aan een derdebelanghebbende, de bestolene, terug te geven. In casu niet relevant dat de klager het in beslag genomen voorwerp, te goeder trouw heeft verkregen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2022:1080:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>21/02340 B </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>		22 november 2022 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>T.N.B.M. Spronken </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [klager] , </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,</para>
      <para>hierna: de klager.</para>
    </parablock>
    <para />
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het cassatieberoep</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 11 februari 2021 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag gelegd op een camper en teruggave van de camper aan de klager, ongegrond verklaard.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Tilburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het middel </title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In het middel wordt geklaagd dat de rechtbank het klaagschrift ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Daartoe houdt de toelichting in dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat de klager dient te worden aangemerkt als verkrijger te goeder trouw en dat gelet daarop het oordeel van de rechtbank dat niet de klager als redelijkerwijs rechthebbende is te beschouwen maar [betrokkene] , omdat de betreffende camper van deze [betrokkene] is gestolen, zonder nadere motivering onjuist, onterecht, althans ondeugdelijk en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het klaagschrift is gericht tegen het voornemen van de officier van justitie om de onder de klager inbeslaggenomen camper op de voet van art. 116 lid 3 Sv aan een derde-belanghebbende terug te geven en houdt tevens een verzoek in tot teruggave aan de klager van de camper.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:</para>
      <parablock>
        <para> “Vervolgens rijst de vraag aan wie de camper dient te worden teruggeven. Hoofdregel is dat een voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd, dan zal de teruggave aan die rechthebbende worden gelast. </para>
        <para> Bij de beoordeling van de vraag of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt zal de rechter niet hoeven te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar zal daarbij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken (vgl, HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3826, NJ 2003, 459). Dat uitgangspunt van terughoudendheid geldt naar het oordeel van de rechtbank te meer indien voor de beoordeling van die kwesties het recht van een ander land van belang kan zijn. De opvatting van de raadsman dat naar Frans recht had moeten worden vastgesteld of klager redelijkerwijs als rechthebbende van de inbeslaggenomen personenauto kan worden aangemerkt, vindt derhalve geen steun in het recht. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>Het gaat in de beslagprocedure om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp (HR 3 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6983). Hierbij zijn alle omstandigheden van belang. </para>
      <para />
      <para>De rechtbank overweegt dat uit de stukken is gebleken dat de camper op 24 maart 2019 in Frankrijk is gestolen en dat daarvan aangifte is gedaan. Klager heeft de camper via een Franse internetsite (Marktplaats) gezien en heeft vervolgens informatie over de camper opgevraagd, waaronder foto’s van het kentekenbewijs en Certificat de Situation administrative detaille. Nadat klager is gebleken dat de status van de camper op dat moment in orde was, zijn klager en de verkoper overgegaan tot een onderhandeling. Vervolgens is klager op 22 september 2020 naar Frankrijk afgereisd en heeft hij de betreffende camper bekeken. Hij heeft naar eigen zeggen alle belangrijke documenten ingezien zoals het paspoort van de verkoper, het Certificat de Situation administrative detaille, het kentekenbewijs en de bankgegevens van de verkoper waarin onder andere staat wie de verkoper is, waar hij woont en wat zijn bankrekening is. Hiervan heeft hij ook een afschrift ontvangen. Klager heeft de camper uiteindelijk gekocht voor een bedrag van 40.000,00 euro. Vervolgens zijn alle papieren in orde gemaakt en heeft klager samen met de verkoper het Certificat de Cession D'un véhiculé d'occasion ingevuld, hetgeen een Frans staatsdocument is voor de overschrijving van het voertuig van de verkoper naar de koper. Klager heeft via de bank 30.000,00 euro naar de rekening van de verkoper overgemaakt en heeft 10.000,00 euro contant betaald. Hij heeft de camper direct overgedragen gekregen en meegenomen naar Nederland. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para> Vervolgens heeft klager op 7 oktober 2020 de camper ter keuring aangeboden bij de RDW. Uit onderzoek door de RDW is gebleken dat de camper in Frankrijk als gestolen stond gesignaleerd en dat het chassisnummer vervalst was. </para>
        <para> De rechtbank is van oordeel dat klager onder de geschetste omstandigheden voldoende onderzoek heeft verricht naar de herkomst van de in Frankrijk aangeboden camper en daarmee kan worden aangemerkt als een verkrijger te goeder trouw. Dit betekent evenwel niet dat klager ook als redelijkerwijs rechthebbende is te beschouwen, omdat duidelijk is geworden dat de betreffende camper in Frankrijk is gestolen van [betrokkene] die daarmee een groter recht lijkt te hebben op teruggave van de camper aan hem. De rechtbank merkt [betrokkene] om die reden - bij deze stand van zaken - aan als redelijkerwijs rechthebbende van de camper.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat in een geval als het onderhavige – waarin het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en de officier van justitie heeft medegedeeld voornemens te zijn de inbeslaggenomen zaak te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene – de rechtbank zal moeten beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende op de zaak kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar daarbij zal hij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken.<footnote-ref linkend="_2770f508-b132-446b-83e2-c84c740f6744" /> Dat uitgangspunt van terughoudendheid geldt te meer indien voor de beoordeling van die kwesties het recht van een ander land van belang kan zijn.<footnote-ref linkend="_5c99dd1f-09d8-4aff-a725-b1ac5f760d6e" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft vastgesteld dat de camper op 24 maart 2019 is gestolen in Frankrijk en dat de camper in Frankrijk als gestolen stond gesignaleerd. Ook heeft zij vastgesteld dat de klager de camper via een Franse internetsite (Marktplaats) heeft gezien en gekocht en dat hij via de bank € 30.000,00 euro naar de rekening van de verkoper heeft overgemaakt en dat hij € 10.000,00 euro contant heeft betaald aan de verkoper. De rechtbank is er dus klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk van uitgegaan dat de klager de camper niet heeft verkregen van een vervreemder die in de uitoefening van zijn bedrijf handelde, maar van een particulier.<footnote-ref linkend="_831a8ccb-fad2-4329-9e45-10abd4783753" /> De rechtbank is er klaarblijkelijk tevens van uitgegaan dat in een dergelijk geval op grond van art. 3:86 lid 3 aanhef BW<footnote-ref linkend="_1cf5858a-f65e-44c1-8a5b-4fd5288ff75a" /> aan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren – in dit geval [betrokkene] – het recht toekomt de camper als haar eigendom op te eisen gedurende drie jaren na de diefstal.<footnote-ref linkend="_d1bf179e-90d1-48e8-8198-ef1048a36ff9" /> Anders dan de steller van het middel veronderstelt, is in een dergelijk geval niet relevant of de klager de camper te goeder trouw heeft verkregen.<footnote-ref linkend="_73b8fb4d-4947-491b-a54b-846136403423" /> De overweging van de rechtbank: <emphasis role="italic">“Dit betekent evenwel niet dat klager ook als redelijkerwijs rechthebbende is te beschouwen, omdat duidelijk is geworden dat de betreffende camper in Frankrijk is gestolen van [betrokkene] die daarmee een groter recht lijkt te hebben op teruggave van de camper aan hem”,</emphasis> is gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk en berust evenmin op een onjuiste rechtsopvatting. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Het middel faalt. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Slotsom</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De procureur-generaal</para>
        <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>AG</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_2770f508-b132-446b-83e2-c84c740f6744" label="1">
    <para> 	Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2010/654 m.nt. Mevis, rov 2.12 en 2.13.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5c99dd1f-09d8-4aff-a725-b1ac5f760d6e" label="2">
    <para> 	Vgl. HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2151, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2018/477, rov. 2.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_831a8ccb-fad2-4329-9e45-10abd4783753" label="3">
    <para> 	Vgl. mijn conclusie van 2 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1044 onder 5. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1cf5858a-f65e-44c1-8a5b-4fd5288ff75a" label="4">
    <para> 	Art. 3:86 BW luidt, voor zover van belang: “1. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. 3. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij: a. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde; of b. het geld dan wel toonder- of orderpapier betreft.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d1bf179e-90d1-48e8-8198-ef1048a36ff9" label="5">
    <para> 	Vgl. HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0634, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1997/390 en HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ8590.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_73b8fb4d-4947-491b-a54b-846136403423" label="6">
    <para> 	Vgl. HR 24 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0530, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1997/87 m.nt. ’t Hart en HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9074 </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>