<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2022:1078</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-21T00:05:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2022-11-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/03871</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:1914" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1914</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:1078">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2022:1078</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-20T13:54:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2022:1078 Parket bij de Hoge Raad , 22-11-2022 / 20/03871</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2022:1078:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Beklagzaak ex art. 552a Sv. Cassatieberoep is niet ontvankelijk omdat het beslag op grond van art. 134 lid 2 sub c is geëindigd. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2022:1078:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>20/03871 B</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	22 november 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>T.N.B.M. Spronken</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [klaagster 2] ., gevestigd te [vestigingsplaats]</para>
      <para>
        [klaagster 1] , gevestigd [vestigingsplaats]</para>
      <para>hierna: de klaagsters</para>
    </parablock>
    <para />
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het cassatieberoep</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 3 november 2020 het klaagschrift van de klaagsters, [klaagster 1] (hierna: [klaagster 1] ) en [klaagster 2] (hierna: [klaagster 2] ), strekkende tot opheffing van het beslag op en teruggave aan hen van 458 onder [klaagster 1] inbeslaggenomen lampen, ongegrond verklaard. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagsters. Mr I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Ontvankelijkheid van het cassatieberoep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Uit namens mij ingewonnen inlichtingen blijkt het volgende:</para>
        <para>(i) In het digitale beslagportaal van het openbaar ministerie is geregistreerd dat op 19 maart 2020 beslag is gelegd op 458 Dimlux expert 600W lampen en dat de lampen zijn getaxeerd op een totale waarde van € 70.761,-. </para>
        <para>(ii) In het beslagportaal is voorts geregistreerd dat de “beheersbeslissing” van het openbaar ministerie van 31 maart 2020 inhoudt:  “Deponeren en machtiging vernietigen obv 117”. </para>
        <para>(iii) Tevens is op 31 maart 2020 in het beslagportaal de mededeling geregistreerd dat de goederen door de firma [A] zijn voorzien van “stickers” vermeldend het proces-verbaal nummer en het goednummer. </para>
        <para>(iv) Als “huidige status” houdt het beslagportaal in: “22. Opdracht uitgevoerd door bewaarder – DRZ”.</para>
        <para>(v) Per e-mailbericht heeft het beslagbureau laten weten dat bij beslissing van de officier van justitie van 31 maart 2020, de 458 Dimlux lampen zijn vernietigd door de Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Het beslagbureau heeft verder laten weten dat uit het politiesysteem blijkt dat de lampen behoorden bij een (in een loods aangetroffen) grote partij drugs gerelateerde goederen, die gebruikt worden bij het vervaardigen van softdrugs en bij de opbouw van een hennepplantage, en dat in de regel zulke goederen rechtstreeks worden vernietigd door DRZ.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 134 lid 2 Sv</emphasis> luidt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Het beslag wordt beëindigd doordat hetzij</para>
        <para>(...)</para>
        <para>c. de machtiging als bedoeld in artikel 117 is verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd;</para>
        <para>(...)”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande en gelet op art. 117 Sv blijkt dat het beslag op 31 maart 2020 rechtsgeldig<footnote-ref linkend="_72b90808-a65e-47f2-b895-c9fd7aa7dd0b" /> is beëindigd op grond van art. 134 lid 2 onder c Sv. Dat betekent dat de rechtbank de klaagsters niet ontvankelijk had dienen te verklaren in hun beklag als bedoeld in art. 552a Sv en de klaagsters niet ontvankelijk zijn in het cassatieberoep.<footnote-ref linkend="_9073f806-041d-4a37-ba9c-c6f23c4f989c" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Ik merk ten overvloede op dat de strafrechter in het kader van de behandeling van de strafzaak ten gronde ex. art. 353 Sv een beslissing dient te nemen over de inbeslaggenomen voorwerpen en dat, indien alsnog de teruggave wordt bevolen terwijl dat feitelijk niet meer mogelijk is, de bewaarder van het voorwerp op grond van art. 119 lid 2 Sv overgaat tot betaling van de prijs die de voorwerpen redelijkerwijze bij verkoop zouden hebben opgebracht.<footnote-ref linkend="_fcd07c9d-4704-4c5d-a8ea-2beaf06459a3" /> Indien de officier van justitie besluit de onderliggende strafzaak te seponeren, is het aan hem om de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen te gelasten. Deze last kan zich vertalen naar terugbetaling van de in art. 119 lid 2 Sv bedoelde waarde indien de voorwerpen inmiddels zijn vernietigd.<footnote-ref linkend="_608e7344-b977-4986-acfe-4536ee78d046" /> Mocht een last tot teruggave uitblijven dan rest de klaagsters slechts een procedure bij de burgerlijke rechter.<footnote-ref linkend="_5848a922-3ae4-46aa-8bf5-ea0b5e044427" /></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Slotsom</title>
    <para>Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagsters in hun cassatieberoep.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_72b90808-a65e-47f2-b895-c9fd7aa7dd0b" label="1">
    <para> 	Indien de vervreemding of vernietiging niet rechtsgeldig is geschied, is het beslag nog niet geëindigd en kan daarover ex art. 552a Sv worden geklaagd. Vlg. HR 19 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:949, rov. 2 en HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG1758, rov. 3.3.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9073f806-041d-4a37-ba9c-c6f23c4f989c" label="2">
    <para>
      <emphasis role="underline">ECLI:NL:HR:2015:3710</emphasis>	Vgl. HR 22 december 2015, , rov. 2.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fcd07c9d-4704-4c5d-a8ea-2beaf06459a3" label="3">
    <para> 	Vgl. HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG1758, onder 4.3 en de conclusie van Spronken van 9 juni 2020, 19/04330 (niet gepubliceerd) onder 2.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_608e7344-b977-4986-acfe-4536ee78d046" label="4">
    <para>
      <emphasis role="underline">conclusie AG Knigge van 29 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2458</emphasis> Vgl. , onder 4.8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5848a922-3ae4-46aa-8bf5-ea0b5e044427" label="5">
    <para> 	HR 25 juni 1991, <emphasis role="underline">ECLI:NL:HR:1991:ZC8663</emphasis>.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>