<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2021:889</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-28T16:33:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2021-06-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/05469</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2021:1389" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1389</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2021:889">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2021:889</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-28T16:31:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2021:889 Parket bij de Hoge Raad , 29-06-2021 / 19/05469</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2021:889:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Schatting w.v.v. toereikend gemotiveerd t.a.v. schijn-huurconstructie en gelet op innerlijke tegenstrijdigheid in nadere bewijsoverweging? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/05468.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2021:889:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>PROCUREUR-GENERAAL</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJ DE</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>19/05469 P </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>		29 juni 2021 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>CONCLUSIE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.C. Aben </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [betrokkene] , </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,</para>
      <para>hierna: de betrokkene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 26 november 2019 het jegens de betrokkene gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 januari 2017 bevestigd. Bij dat vonnis is het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 93.966,86 en is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat. </para>
    <para />
    <para>2. Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene (19/05468). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. </para>
    <para />
    <para>3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.</para>
    <para />
    <para>4. Het <emphasis role="underline">middel</emphasis> behelst de klacht dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend, althans onbegrijpelijk, is gemotiveerd.</para>
    <para />
    <para>5. De door het hof bevestigde uitspraak van de rechtbank houdt, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:</para>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">“De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- de schriftelijke vordering ten bedrage van € 169.147,20 van 14 november 2016, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- het strafdossier onder parketnummer 16/659190-16, waaruit blijkt dat veroordeelde op 27 januari 2017 door de meervoudige kamer van deze rechtbank is veroordeeld ter zake van onder meer het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 5 februari 2016, pagina 97 tot en met 108 van het proces-verbaal met nummer PL0900-2015021615;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 januari 2017.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De rechtbank overweegt dat sprake was van een schijn-huurconstructie tussen de medeverdachte en veroordeelde vanaf 1 januari 2013. De medeverdachte heeft verklaard dat hij vanaf eind maart 2013 niet meer in de woning verbleef en er andere mensen in zijn gegaan. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde in ieder geval vanaf eind maart 2013 is begonnen met het kweken van hennep.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank in zoverre bevestigd en geen aanvullende overwegingen opgenomen ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    <para />
    <para>7. In de toelichting betoogt de steller van het middel allereerst dat de vaststelling van de rechtbank dat er sprake is geweest van een schijn-huurconstructie geen steun vindt in de bewijsmiddelen die aan de ontnemingsbeslissing ten grondslag zijn gelegd. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel onder meer doen steunen op het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 5 februari 2016’. In dit rapport wordt op pagina 8 onder meer melding gemaakt van diverse huurcontracten tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] die in het dossier zijn opgenomen. Uit het rapport kan worden afgeleid dat twee van die contracten identiek zouden moeten zijn omdat de huurperiode overeenkomt met elkaar. Beide contracten zijn echter niet identiek aangezien de parafen van de huurder (medeverdachte [medeverdachte]) steeds anders zijn. Tevens wordt in één van de huurcontracten een huurbedrag van € 1.000,- vermeld terwijl de huurder heeft verklaard dat hij een bedrag van € 900,- per “<emphasis role="italic">brievenbus</emphasis>” betaalde. Hieruit heeft de rechtbank niet onbegrijpelijk kunnen afleiden dat sprake is geweest van een schijn-huurconstructie. In zoverre faalt het middel. </para>
    <para />
    <para>9. In de tweede plaats betoogt de steller van het middel dat de nadere bewijsoverweging van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig is. Deze innerlijke tegenstrijdigheid vermag ik niet in te zien. De rechtbank heeft volgens zijn bewijsoverweging vastgesteld dat de medeverdachte heeft verklaard dat hij vanaf eind maart 2013 niet meer in de woning verbleef en er andere mensen zijn ingegaan. Mijns inziens is die vaststelling niet in strijd met het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een schijn-huurconstructie. Integendeel, het zeer korte verblijf van de medeverdachte in de woning vormt juist een extra indicatie dat sprake was van schijn-huurconstructie. Ook in zoverre faalt het middel. </para>
    <para />
    <para>10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.</para>
    <para />
    <para>11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
    <para />
    <para>12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
</conclusie>
</open-rechtspraak>