<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2021:785</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-05T00:05:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2021-09-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/03263</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:122" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#contrair">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:122, Contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NTHR 2021, afl. 5/6, p. 274</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2021:785">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2021:785</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-24T17:12:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2021:785 Parket bij de Hoge Raad , 03-09-2021 / 20/03263</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2021:785:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervoerrecht. Rompbevrachtingsovereenkomst binnenvaarttanker ‘Bonova’. Vordering tot schadevergoeding tegen rompbevrachter wegens naheffing accijns gasolie. Verjaring rechtsvordering op voet art. 8:1730 BW (verjaringstermijn één jaar)?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2021:785:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>20/03263</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting </emphasis>3 september 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>P. Vlas</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Iris Shipping B.V., gevestigd te Elst</para>
      <para>(hierna: Iris Shipping)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Somtrans N.V., gevestigd te Wijnegem, België</para>
      <para>(hierna: Somtrans) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Somtrans heeft op grond van een rompbevrachtingsovereenkomst de binnenvaarttanker Bonova, eigendom van Iris Shipping, in gebruik gehad. Aan Iris Shipping is door de Belastingdienst een naheffingsaanslag accijns opgelegd. Iris Shipping stelt zich op het standpunt dat deze naheffingsaanslag is opgelegd, omdat Somtrans, in strijd met de wet, de Bonova witte gasolie heeft laten bunkeren. In deze procedure tracht Iris Shipping deze naheffing op Somtrans te verhalen door zich te beroepen op onrechtmatig handelen van Somtrans en op ongerechtvaardigde verrijking. Het hof heeft de vordering afgewezen, omdat zij is verjaard. Volgens het hof is de vordering gegrond op de rompbevrachtingsovereenkomst, zodat daarvoor een verjaringstermijn van één jaar geldt (art. 8:1730 BW). Iris Shipping komt daartegen in cassatie op.</para>
      <para />
    </parablock>
  </conclusie.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Feiten en procesverloop</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>In cassatie kan, samengevat, van het volgende worden uitgegaan.<footnote-ref linkend="_3199a3e9-6c79-4760-a990-c8bfea030bc4" /> Partijen hebben een rompbevrachtingsovereenkomst gedateerd 3 september 2009 gesloten, op grond waarvan het motortankschip Somtrans XXVII (thans genaamd Bonova, hierna ook aangeduid als het schip) door Iris Shipping voor de duur van vijf jaren is verhuurd aan Somtrans, ingaande 11 juni 2009. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:</para>
        <para />
        <para> ‘Artikel I - Het motortankschip de Somtrans XXVII</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>1.1. De Somtrans XXVII betreft een dubbelwandig chemicaliën motortankschip, type C 2.2ADNR met tien centertanks, bij Huurder genoegzaam bekend.</para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>1.2. De Somtrans XXVII zal worden opgeleverd conform het opleveringsprotocol dat als bijlage I aan deze overeenkomst wordt gehecht. (...)</para>
        <para />
        <para> Artikel 3 - Exploitatie</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>Huurder mag de Somtrans XXVII gebruik [lees: gebruiken, A-G] voor bunker- en transportwerkzaamheden van alle zaken overeenkomstig de klasse en typering van het schip, met uitzondering van zuren en zaken buiten de stoffenlijst van het classificatiebureau.</para>
        <para />
        <para> (...)</para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>3.3. Huurder is gehouden de exploitatie van de Somtrans XXVII zodanig uit te voeren dat:</para>
        <para> - niet in strijd wordt gehandeld met enige wet. verordening of ander overheidsvoorschrift;</para>
        <para />
        <para> (...)</para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr />
      <parablock>
        <para>3.11. Bij beëindiging van de huurovereenkomst moet Huurder de Somtrans XXVII volledig leeg van lading en slops en in gereinigde toestand terug opleveren zoals omschreven in het opleveringsprotocol. behoudens normale slijtage als gevolg van het ouder worden van het schip en in het normaal gebruik volgens deze overeenkomst. (...)</para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>3.14. Huurder vrijwaart Verhuurder voor eventuele claims van derden met betrekking tot schade als gevolg van het gebruik van de Somtrans XXVII in verband met de exploitatie en het uitvoeren van de onderhavige huurovereenkomst.’</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 11 juni 2014 is de rompbevrachtingsovereenkomst beëindigd en is het schip weer in gebruik genomen door Iris Shipping.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 24 juni 2014 heeft de Belastingdienst (douane) vier monsters van de gasolie in de tank van het schip genomen en vastgesteld dat de waarden in de gasolietank hoogstwaarschijnlijk afweken van de gebruikelijke waarden in gasolietanks van het type schepen zoals het schip. Op diezelfde dag heeft Iris Shipping door SGS Nederland B.V. monsters van de gasolie laten nemen, waarna op 25 juni 2014 bleek dat de waarden van de gasolie afweken van de gebruikelijke waarden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij brief van 26 juni 2014 heeft de advocaat van Iris Shipping Somtrans medegedeeld dat de gasolie aan boord van het schip niet aan de geldende wetgeving voldeed en Somtrans aansprakelijk gesteld voor de mogelijke gevolgen daarvan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij brief van 1 juli 2014 aan de advocaat van Iris Shipping heeft de advocaat van Somtrans de aansprakelijkheid van de hand gewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Bij brief van 17 juli 2014 aan de advocaat van Somtrans heeft de advocaat van Iris Shipping rechtsmaatregelen aangekondigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>De Belastingdienst heeft Iris Shipping op 4 augustus 2014 een e-mail gestuurd naar aanleiding van de uitgevoerde douanecontrole, waarbij ten aanzien van de gasolie in de bunkertanks onregelmatigheden werden vastgesteld. Iris Shipping is aangemerkt als verdachte wegens het overtreden van art. 34 Uitvoeringsbesluit Accijns, strafbaar gesteld bij art. 70 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR), waarin wordt verwezen naar art. 42, onder a. van het Uitvoeringsbesluit Accijns. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>Op 25 januari 2018 heeft Iris Shipping een kennisgeving van het voornemen van de Belastingdienst ontvangen om een naheffingsaanslag van € 14.639,00 op te leggen op grond van art. 20 AWR in verband met de verschuldigdheid van accijns op minerale oliën naar aanleiding van de controle op 24 juni 2014. Tijdens die controle is vastgesteld dat een hoeveelheid van 30.137 liter gasolie aan boord van het schip aanwezig was, waarvoor de vereiste bescheiden niet konden worden overgelegd. Omdat de herkomst niet kon worden aangetoond, moet accijns worden betaald.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title />
    <paragroup>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9.</nr>
      <para>Bij brief van 6 maart 2018 aan de advocaat van Somtrans heeft de advocaat van Iris Shipping rechtsmaatregelen aangekondigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.10.</nr>
      <para>De Belastingdienst heeft Iris Shipping op 7 maart 2018 een naheffingsaanslag van € 16.496,00 opgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.11.</nr>
      <para>Bij brief van 30 maart 2018 aan de advocaat van Iris Shipping heeft de advocaat van Somtrans de aansprakelijkheid betwist en zich beroepen op verjaring.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.12.</nr>
      <para>Bij dagvaarding van 16 mei 2018 heeft Iris Shipping een procedure tegen Somtrans aanhangig gemaakt bij de rechtbank Gelderland (team kanton en handelsrecht) en gevorderd dat Somtrans zal worden veroordeeld tot betaling van € 16.496,00, vermeerderd met rente en kosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.13.</nr>
      <para>Somtrans heeft verweer gevoerd en zich onder meer beroepen op verjaring op grond van art. 8:1730 lid 1 BW.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.14.</nr>
      <para>Bij vonnis van 13 februari 2019 heeft de rechtbank het beroep op verjaring afgewezen. Volgens de kantonrechter is in dit geval weliswaar sprake van een overeenkomst van rompbevrachting, maar vordert Iris Shipping geen nakoming van de verbintenis tot betaling en evenmin schadevergoeding wegens voortijdige beëindiging van de overeenkomst. Art. 8:1730 BW is daarom volgens de kantonrechter niet van toepassing. De vordering tot vergoeding van schade is gegrond op niet nakoming van een bepaling in de rompbevrachtingsovereenkomst, onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking. Voor zodanige vorderingen geldt ex art. 3:310 BW een verjaringstermijn van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Volgens de kantonrechter was die termijn op het moment van dagvaarden, 16 mei 2018, nog niet verstreken (rov. 4.4-4.5). De kantonrechter heeft de vordering echter afgewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat Somtrans afwijkende gasolie heeft gebunkerd ten tijde van de looptijd van de rompbevrachtingsovereenkomst. Dat Somtrans in strijd met art. 3.3 van de rompbevrachtingsovereenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld of ongerechtvaardigd is verrijkt, is dus niet komen vast te staan (rov. 4.12).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.15.</nr>
      <para>Iris Shipping heeft hoger beroep ingesteld en Somtrans voorwaardelijk incidenteel appel. Bij arrest van 14 juli 2020 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en geoordeeld dat de vorderingen op grond van art. 8:1730 BW zijn verjaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.16.</nr>
      <para>Daartoe heeft het hof, kort weergegeven, het volgende overwogen. Voor rechtsvorderingen die zijn gegrond op een overeenkomst tot rompbevrachting geldt een verjaringstermijn van een jaar (art. 8:1370 lid 1 BW). De vordering die Iris Shipping heeft ingesteld, is gegrond op de rompbevrachtingsovereenkomst, omdat die strekt tot vergoeding van schade die het gevolg is van het mengen van witte gasolie met rode gasolie, en volgens Iris Shipping is dat gebeurd tijdens het gebruik dat Somtrans maakte van het schip op grond van de rompbevrachtingsovereenkomst. Iris Shipping verwijt dus aan Somtrans wanprestatie door het schip witte diesel te laten bunkeren, omdat hierdoor Somtrans in strijd met haar contractuele verplichtingen uit de rompbevrachtingsovereenkomst zou hebben gehandeld. Hieraan doet niet af dat het handelen van Somtrans in strijd was met overheidsvoorschriften en daarmee eveneens onrechtmatig. Dit betekent niet dat de speciale verjaringstermijn van artikel 8:1730 BW daarmee kan worden omzeild (rov. 4.3-4.4). Ingevolge art. 8:1717 BW is de verjaring gaan lopen op de dag na die waarop de uitvoering van de overeenkomst is geëindigd, nu het hier een overeenkomst van tijdbevrachting betreft. De verjaringstermijn is dus op 12 juni 2014 gaan lopen, en niet pas toen Iris Shipping een aanslag van de belastingdienst ontving. De verjaringstermijn liep al toen Iris Shipping op 24 juni 2014 door de douanecontrole reden had om te vermoeden dat zij schade zou lijden doordat er witte gasolie in de bunkertanks van het schip werd gevonden. Iris Shipping werd daardoor overigens in staat gesteld om Somtrans aansprakelijk te stellen (en heeft dat ook gedaan). Zij kon toen dus een rechtsvordering instellen of ervoor kiezen om jaarlijks de verjaring te stuiten, maar heeft geen van beide gedaan. Iris Shipping heeft de verjaring gestuit door haar brieven van 26 juni 2014 en 17 juli 2014, maar van latere stuitingshandelingen tot aan de dagvaarding van 16 mei 2018 blijkt niets, aldus het hof (rov. 4.5). De vordering van Iris Shipping was al verjaard toen de dagvaarding in eerste aanleg aan Somtrans werd uitgebracht (rov. 4.6). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.17.</nr>
      <para>Iris Shipping heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Somtrans is niet verschenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Bespreking van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het cassatiemiddel bevat na een inleiding, een weergave van de feiten en het oordeel van het hof, een aantal klachten, die zijn opgenomen in de onderdelen 4 en 5.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 4</emphasis> is gericht tegen rov. 4.4 van het bestreden arrest. Het onderdeel klaagt dat het  hof met zijn oordeel dat de vorderingen van Iris Shipping zijn gegrond op de rompbevrachtingsovereenkomst is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Volgens het onderdeel is het handelen van Somtrans dat Iris Shipping aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, ook los van de overeenkomst onrechtmatig, omdat het in strijd is met de wet. De vordering is dus niet gegrond op de rompbevrachtingsovereenkomst, maar op onrechtmatig handelen door Somtrans, waarop de verjaringstermijn van art. 3:310 BW van toepassing is (subonderdeel 4.1.1). Het onderdeel richt dezelfde klacht tegen het oordeel van het hof over ongerechtvaardigde verrijking (subonderdeel 4.1.2).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Ik merk over deze klachten het volgende op. Art. 8:1730 BW luidt als volgt:</para>
      <para />
      <para>1. Een rechtsvordering gegrond op een overeenkomst, als bedoeld in afdeling 4 van titel 5 of afdeling 4 van titel 10, verjaart door verloop van één jaar.</para>
      <para>2. De artikelen 1710, 1713 tot en met 1722 en 1750 tot en met 1754 zijn van overeenkomstige toepassing.</para>
      <para />
      <para>Onder de overeenkomsten bedoeld in het eerste lid valt ook de rompbevrachtingsovereenkomst (zie art. 8:990 BW, de overeenkomst tot rompbevrachting van een binnenvaartschip).<footnote-ref linkend="_54b41f57-f16e-4e25-a863-df93c7959aa2" />  In deze procedure staat niet ter discussie dat sprake is van een rompbevrachtingsovereenkomst. Volgens art. 8:1730 BW verjaren vorderingen die op een dergelijke overeenkomst zijn gegrond door verloop van één jaar. Voor het nationale en internationale vervoersrecht, het zeerecht en het binnenvaartrecht gelden aanzienlijk kortere verjaringstermijnen dan in het overige burgerlijk recht.<footnote-ref linkend="_e4281201-bb44-4c71-9262-f4f40e671b67" /> Deze kortere termijnen zijn gegeven met het oog op het belang van de vervoerder.<footnote-ref linkend="_a38cc311-8d9a-41cb-8093-4b4029164957" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Art. 8:1730 lid 1 BW vereist dat een vordering is ‘gegrond op’ een van de in dat artikellid bedoelde overeenkomsten. In welke gevallen daarvan sprake is, blijkt niet uit de wettekst en evenmin uit de wetsgeschiedenis.<footnote-ref linkend="_11c99a31-e271-40ba-ae5e-2e731944c5da" /> Wel is duidelijk dat met art. 8:1730 lid 1 BW is bedoeld aan te sluiten bij de regeling voor goederenvervoer (art. 8:1711 BW). Laatstgenoemde bepaling ziet op alle rechtsvorderingen die zijn ‘gegrond’ op een vervoerovereenkomst, ongeacht of zij worden ingesteld door de vervoerder zelf of door een wederpartij.<footnote-ref linkend="_58a27404-c2e1-4f75-87bf-f634a0fcc5d3" /> Hieruit kan worden afgeleid dat de woorden ‘gegrond op’ uit art. 8:1711 BW en art. 8:1730 lid 1 BW een ruim toepassingsbereik hebben. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Het hof is er blijkens rov. 4.4 van het bestreden arrest vanuit gegaan, dat de vorderingen van Iris Shipping zijn gegrond op de rompbevrachtingsovereenkomst, nu Iris Shipping Somtrans wanprestatie verwijt, omdat zij in strijd met haar contractuele verplichtingen uit de rompbevrachtingsovereenkomst heeft gehandeld. De vraag of een vordering is ‘gegrond op’ een rompbevrachtingsovereenkomst, is een kwestie van uitleg van de gedingstukken. De uitleg van de gedingstukken en de stellingen van partijen is in hoge mate feitelijk van aard en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst.<footnote-ref linkend="_7787361f-382c-4400-bf20-9ccf4981b500" /> De door het hof gegeven uitleg is niet onbegrijpelijk. Iris Shipping heeft immers haar vordering primair uitdrukkelijk op (art. 3 van) de rompbevrachtingsovereenkomst gebaseerd.<footnote-ref linkend="_07894327-5f77-4fae-b88d-dad6e3e854a5" /> Een vordering uit wanprestatie is een vordering die in de zin van art. 8:1730 BW is ‘gegrond op’ de rompbevrachtingsovereenkomst. Daaraan doet niet af, zoals het hof terecht heeft overwogen, dat de verweten gedragingen ook een onrechtmatige daad kunnen opleveren. Uit de tekst van art. 8:1730 BW noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat art. 8:1730 BW moet worden opgevat in de door het onderdeel bepleite zin. Dat ligt ook niet voor de hand, nu in veel zaken geldt dat de daartoe aanleiding gevende gedragingen op zichzelf zowel een onrechtmatige daad als wanprestatie kunnen opleveren. Op het voorgaande stuiten de klachten van onderdeel 4 af.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Voor zover onderdeel 4.1.2 nog klaagt dat het hof zou hebben miskend dat de vorderingen van Iris Shipping op ongerechtvaardigde verrijking zijn gebaseerd, geldt dat in het oordeel van het hof in rov. 4.4 besloten ligt dat ook deze vordering is ‘gegrond op’ de rompbevrachtingsovereenkomst en daarmee onder de verjaringsregel van art. 8:1730 lid 1 BW valt. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk, zodat de klacht faalt.</para>
      <para> </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 5</emphasis> klaagt dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan art. 8:1720 lid 1 BW. Het onderdeel betoogt dat op grond van deze bepaling, die een bijzondere regeling biedt voor regresvorderingen<footnote-ref linkend="_1c93293f-0f10-4dc6-ab94-d4c8c94e745f" />, een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen op de dag na die van ontvangst van de naheffingsaanslag van 7 maart 2018 (subonderdeel 5.1), althans op het moment van de kennisgeving door de Belastingdienst op 25 januari 2018 (subonderdeel 5.2). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Het onderdeel faalt reeds omdat Iris Shipping in feitelijke instanties geen beroep heeft gedaan op art. 8:1720 lid 1 BW. Het onderdeel verwijst op dit punt ook niet naar enige vindplaats in de processtukken.<footnote-ref linkend="_482fbab7-f58a-438d-89bf-b391396717c3" /> Het onderdeel betoogt dat het hof art. 8:1720 lid 1 BW ambtshalve had moeten toepassen. Dit betoog faalt, omdat ook in het vervoerrecht de regels omtrent verjaring niet ambtshalve worden toegepast, maar slechts nadat een van de partijen daarop een beroep heeft gedaan.<footnote-ref linkend="_c118af2a-f7ff-4c05-848a-ee72109a08d5" /> Dat geldt ook voor de regels met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Conclusie</title>
    <para>De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_3199a3e9-6c79-4760-a990-c8bfea030bc4" label="1">
    <para> 	Zie rov. 2.1-2.14 van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 13 februari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:632 en rov. 3 van het in cassatie bestreden arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5465.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_54b41f57-f16e-4e25-a863-df93c7959aa2" label="2">
    <para> 	Zie T&amp;C BW, art. 8:1730 BW (J.H.J. Teunissen).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e4281201-bb44-4c71-9262-f4f40e671b67" label="3">
    <para> 	Zie Parl. Gesch. BW Boek 8 1992, p. 1174 (nr. 5) (M.H. Claringbould).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a38cc311-8d9a-41cb-8093-4b4029164957" label="4">
    <para> 	Zie M.W.E. Koopmann, Bevrijdende verjaring, 1993, p. 131.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_11c99a31-e271-40ba-ae5e-2e731944c5da" label="5">
    <para> 	Zie Parl. Gesch. BW Boek 8 1992, p. 1191 (nr. 5) (M.H. Claringbould).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_58a27404-c2e1-4f75-87bf-f634a0fcc5d3" label="6">
    <para> 	T&amp;C BW, art. 8:1711 BW (J.H.J. Teunissen); Parl. Gesch. BW Boek 8 1992, p. 1181 (nr. 2) (M.H. Claringbould). Zelfs is wel betoogd dat de korte verjaringstermijnen van titel 20 van Boek 8 BW ingevolge art. 8:1701 BW ook gelden wanneer een vervoerder door zijn wederpartij op grond van onrechtmatige daad wordt aangesproken, maar deze vervoerder de vervoerovereenkomst kan tegenwerpen, zie T&amp;C BW, titel 20 Boek 8 BW, Inleidende opmerkingen, aant. 3 (J.H.J. Teunissen), anders: J.G. ter Meer, Privaatrechtelijke aspecten van de sleep- en duwvaart, 1993, p. 331.</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_7787361f-382c-4400-bf20-9ccf4981b500" label="7">
    <para> 	Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/157.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_07894327-5f77-4fae-b88d-dad6e3e854a5" label="8">
    <para> 	Inleidende dagvaarding, nrs. 12 en 13; conclusie van repliek, nrs. 4 en 5. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1c93293f-0f10-4dc6-ab94-d4c8c94e745f" label="9">
    <para> 	Zie Koopmann, a.w., p. 137-138; F.L. Stevens, Verjaring en vervoerrecht, in: D.F.H. Stein, V. Tweehuysen &amp; S.E. Bartels, Verjaring, 2020, nr. 18.6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_482fbab7-f58a-438d-89bf-b391396717c3" label="10">
    <para> 	Wel heeft Iris Shipping in hoger beroep aangevoerd dat de verjaringstermijn niet overeenkomstig art. 8:1717 BW is gaan lopen op de dag nadat de rompbevrachtingsovereenkomst is geëindigd, omdat zij toen nog niet bekend was met de vordering van de Belastingdienst (memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel appel, nr. 6). Hierin is geen beroep op de regeling voor regresvorderingen van art. 8:1720 lid 1 BW te lezen (de procesinleiding voert dat ook niet aan). Het hof heeft dit betoog in rov. 4.5 van het bestreden arrest bovendien gemotiveerd verworpen door te overwegen dat Iris Shipping Somtrans reeds op 26 juni 2014, kort nadat de douane monsters van de gasolie had genomen, aansprakelijk heeft gesteld.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c118af2a-f7ff-4c05-848a-ee72109a08d5" label="11">
    <para> 	Zie Stevens, a.w., nr. 18.1; F.J.P. Lock, Stelplicht &amp; Bewijslast, commentaar op art. 3:322 BW.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>