<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2021:740</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-05T00:05:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2021-08-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/02968</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:118" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:118, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2021:740">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2021:740</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-07T15:18:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2021:740 Parket bij de Hoge Raad , 06-08-2021 / 20/02968</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2021:740:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vrijwaringszaak. Samenhang met 20/01901.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2021:740:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>20/02968</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting </emphasis>6 augustus 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>B.F. Assink</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para> In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Deloitte Accountants B.V.</para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>1. Harlingen Holding Industries B.V.</para>
    <para>2. [verweerder 2]</para>
    <para>3. [verweerder 3]</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betreft een vrijwaringszaak. In de hoofdzaak, die bij de Hoge Raad aanhangig is onder zaaknummer 20/01901, heeft het hof de aansprakelijkheidsvordering van de curator van een failliete B.V. tegen de accountant afgewezen. Dat arrest houdt m.i. stand, ik verwijs naar mijn conclusie in die zaak. Daaruit volgt dat in de onderhavige zaak het cassatieberoep van de accountant (dat er slechts over klaagt dat als het arrest in de hoofdzaak wordt vernietigd, ook de (door het hof afgewezen) vordering in vrijwaring opnieuw moet worden beoordeeld) faalt. Zie ook de verwante zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder zaaknummer 20/01905 waarin ik vandaag eveneens concludeer, tevens strekkende tot verwerping van het cassatieberoep.</para>
    </parablock>
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De feiten</title>
    <para>In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.2 t/m 2.10 van het arrest van 24 maart 2020 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het <emphasis role="underline">hof</emphasis>).<footnote-ref linkend="_8188b5d4-78c4-4de4-952f-ab6fd489950f" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Harlingen Holding Industries B.V. (hierna: <emphasis role="underline">HHI</emphasis>) staat als moedervennootschap aan het hoofd van een groep vennootschappen waartoe onder meer haar dochtervennootschappen [A] B.V. (hierna: <emphasis role="underline">[A]</emphasis>) en [B] BV. (hierna: <emphasis role="underline">[B]</emphasis>) behoorden. [A] en [B] waren gevestigd in [de Industriehaven] (hierna: de <emphasis role="underline">Industriehaven</emphasis>). Zij hielden zich onder meer bezig met het uitvoeren van onderhouds-, straal-, conserverings- en reparatiewerkzaamheden aan schepen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>In een brief van 16 december 1992 heeft de Staat der Nederlanden (hierna: de <emphasis role="underline">Staat</emphasis>) [B] en [A] aansprakelijk gesteld voor de kosten van sanering van de Industriehaven. Namens de Staat is de aansprakelijkstelling herhaald en is de verjaring van de vordering tot vergoeding van de kosten van sanering gestuit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Sinds 1 januari 2001 is [verweerder 2] (hierna: <emphasis role="underline">[verweerder 2]</emphasis>) enig statutair bestuurder van [A] en is [verweerder 3] (hierna: <emphasis role="underline">[verweerder 3]</emphasis>) als commissaris aan [A] verbonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Deloitte Accountants B.V. (hierna: <emphasis role="underline">Deloitte</emphasis>) is als accountant van [A] betrokken geweest bij de opstelling van de jaarrekeningen van [A] over de jaren 2000 t/m 2009.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>De Staat heeft [A] en [B] gedagvaard voor de toenmalige rechtbank Leeuwarden. Op 9 november 2005 heeft de rechtbank [A] en [B] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de Staat van € 1.292.215,61, vermeerderd met rente en kosten. [A] en [B] zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>In een arrest van 17 mei 2011 heeft het gerechtshof het vonnis van de rechtbank van 9 november 2005 vernietigd voor zover de vordering van de Staat was toegewezen tot meer dan € 1.196.544,08, te vermeerderen met de wettelijke rente.<footnote-ref linkend="_fa62fdaa-de01-4fd7-9e30-502545146dca" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>Op 31 januari 2012 zijn [A] en [B] in staat van faillissement verklaard en is mr. D.C. Poiesz (hierna: de <emphasis role="underline">curator</emphasis>) als curator aangesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8</nr>
      <para>De curator heeft gevorderd HHI, [verweerder 2] en [verweerder 3] (hierna, in vrouwelijk enkelvoud: <emphasis role="underline">HHI c.s.</emphasis>) en Deloitte te veroordelen tot betaling van de schade die de schuldeisers van [A] hebben geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van HHI c.s. en Deloitte, en [verweerder 2] en [verweerder 3] te veroordelen tot betaling van het boedeltekort in het faillissement van [A] wegens onbehoorlijk bestuur.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9</nr>
      <para>In de hoofdzaak heeft de rechtbank Deloitte toegestaan HHI c.s. in vrijwaring op te roepen, waarna Deloitte deze procedure is gestart.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Het procesverloop</title>
    <bridgehead role="italic">In eerste aanleg</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Deloitte vordert dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
        <para />
        <para>- 1. voor recht zal verklaren dat HHI c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens Deloitte;</para>
        <para>- 2. HHI c.s. hoofdelijk, des de één betalende de anderen zullen zijn gekweten, zal veroordelen, ter vrijwaring van Deloitte, tot al hetgeen waartoe Deloitte in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling; en</para>
        <para>- 3. HHI c.s. hoofdelijk, des de één betalende de anderen zullen zijn gekweten, zal veroordelen in de kosten van het geding: onder de bepaling (i) dat de proceskosten voldaan dienen te worden binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, en (ii) voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt, dat de proceskosten worden vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede (iii) met veroordeling van HHI c.s. in de nakosten van € 131--, dan wel, indien betekening plaatsvindt, van € 199,--.</para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>HHI c.s. voert verweer met conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van Deloitte in haar vordering dan wel afwijzing van deze vordering, onder veroordeling van Deloitte in de kosten van de vrijwaringsprocedure, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>Bij vonnis in vrijwaring van 19 juli 2017<footnote-ref linkend="_62e670d3-02bf-404a-aa02-7833c884c58a" /> wijst de rechtbank Noord-Nederland de vordering af en wordt Deloitte, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proceskosten. </para>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="italic">In hoger beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Deloitte is van het vonnis in vrijwaring in hoger beroep gekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <parablock>
        <para>Bij arrest in vrijwaring van 24 maart 2020<footnote-ref linkend="_154abc32-8cf7-4489-8a1d-5ca1af3d72ce" /> (hierna: het <emphasis role="underline">arrest in vrijwaring</emphasis>) bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank van 19 juli 2017, veroordeelt het hof Deloitte, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep, en wijst het hof het meer of anders gevorderde af. Aan deze beslissing ligt, voor zover relevant, de volgende overweging ten grondslag:</para>
        <para />
        <para> “3.3 Deloitte is van het vonnis in vrijwaring in hoger beroep gekomen voor zover door dit hof in de hoofdzaak zou worden geoordeeld dat zij wel gehouden is tot vergoeding van de door de schuldeisers van [A] geleden schade. In het arrest in de zaak tussen de curator en Deloitte van vandaag zijn de vorderingen van de curator tegen Deloitte echter afgewezen en is de curator in de proces- en nakosten van Deloitte veroordeeld. Dit leidt ertoe dat de vordering van Deloitte in deze vrijwaringszaak ook in hoger beroep wordt afgewezen.”</para>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="italic">In cassatie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Bij procesinleiding van 24 september 2020 (en derhalve tijdig)<footnote-ref linkend="_8fac1835-c254-442a-a412-2ae2c78189bb" /> heeft Deloitte cassatieberoep ingesteld van het arrest in vrijwaring. HHI c.s. is niet verschenen; tegen haar is verstek verleend. Deloitte heeft afgezien van schriftelijke toelichting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>De hoofdzaak is bij de Hoge Raad dus aanhangig onder zaaknummer 20/01901, waarin ik vandaag eveneens - tot verwerping - concludeer.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De bespreking van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het middel strekt ertoe dat voor het geval het cassatieberoep in de hoofdzaak slaagt en de Hoge Raad het arrest van het hof in de hoofdzaak vernietigt, ook het arrest in vrijwaring moet worden vernietigd nu de enige grondslag van de afwijzing door het hof van de vorderingen van Deloitte in de vrijwaringszaak was dat de vorderingen van de curator tegen Deloitte in de hoofdzaak waren afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Zoals gezegd, strekt mijn conclusie in de hoofdzaak tot verwerping en aldus tot het in stand laten van het arrest van het hof in de hoofdzaak. Dit in aanmerking genomen, moet het onderhavige cassatieberoep m.i. (bij gebrek aan belang) worden verworpen.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Conclusie</title>
    <para>De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8188b5d4-78c4-4de4-952f-ab6fd489950f" label="1">
    <para> 	Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 24 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2500.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa62fdaa-de01-4fd7-9e30-502545146dca" label="2">
    <para> 	Hof Leeuwarden 17 mei 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5722, <emphasis role="italic">JBO</emphasis> 2011/39. Het tussenarrest van 21 november 2007 en het vonnis van de rechtbank van 9 november 2005 in de verontreinigingsprocedure zijn niet op rechtspraak.nl gepubliceerd.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_62e670d3-02bf-404a-aa02-7833c884c58a" label="3">
    <para> 	Rb. Noord-Nederland (locatie Leeuwarden) 19 juli 2017, zaak-/rolnr. C/17/136561 / HA ZA 14-350 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_154abc32-8cf7-4489-8a1d-5ca1af3d72ce" label="4">
    <para> 	Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 24 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2500.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8fac1835-c254-442a-a412-2ae2c78189bb" label="5">
    <para> 	Van toepassing is de regel van art. 402 lid 3 Rv: indien in de vorige instantie een vordering tot vrijwaring geheel of gedeeltelijk is afgewezen op grond van de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, staat het beroep in cassatie open tot het moment dat in de hoofdzaak in cassatie de conclusie van antwoord wordt genomen. De onderhavige procesinleiding is tegelijk met het verweerschrift in de hoofdzaak ingediend.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>