<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2021:505</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-05-26T00:10:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-05-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2021-03-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/00393</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2021:771" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:771</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2021:505">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2021:505</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-05-25T17:06:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-05-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2021:505 Parket bij de Hoge Raad , 30-03-2021 / 20/00393</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2021:505:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Belaging, art. 285b Sr. Hof betrekt bij strafmotivering dat uit uittreksel justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Die vaststelling is niet begrijpelijk. Dat uittreksel bevat immers slechts één veroordeling, maar dat betreft de veroordeling door de Rb in de onderhavige zaak. Verder maakt het uittreksel melding van een transactie, maar anders dan een strafbeschikking, kan, mede gelet op art. 78b Sr, een transactie niet worden gelijkgesteld met een veroordeling. Volgt vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2021:505:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>PROCUREUR-GENERAAL</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJ DE</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>20/00393 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>		30 maart 2021 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>CONCLUSIE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>A.E. Harteveld </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte], </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>De verdachte is bij arrest van 29 januari 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens “belaging”, veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Ook heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het middel </emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het middel klaagt dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:</para>
      <parablock>
        <para> “Oplegging van straf en/of maatregel</para>
        <para> De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.</para>
        <para> In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.</para>
        <para> Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin. Gedurende een periode van ongeveer een jaar heeft hij stelselmatig contact met haar gezocht, ondanks dat aangeefster zijn sms’jes negeerde en hem uiteindelijk een stopbrief heeft gestuurd. Door aldus te handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Verdachte heeft tevens een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de familie van aangeefster door op eenzelfde vervelende wijze contact te zoeken met haar vader en broer. Het hof betrekt hierbij ook de omstandigheid - zoals blijkt uit het dossier - dat verdachte niet alleen berichten stuurde, maar ook op 16 juni 2017 achter en vervolgens naast aangeefster is blijven rijden op de snelweg en dat hij op 29 juli 2017 op de parkeerplaats van een hotel heeft gestaan waar aangeefster op dat moment verbleef en op dat moment net geparkeerd had.</para>
        <para> Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 december 2019, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het hof heeft voorts rekening gehouden met het rapport van de reclassering Nederland van 9 oktober 2018. Uit dit rapport blijkt dat verdachte een wrok koestert richting aangeefster, maar sinds april 2018 geen contact meer met haar heeft opgezocht.</para>
        <para> Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 50 dagen, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden. De voorwaardelijke straf dient daarbij tevens als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten” </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat ’s Hofs vaststelling dat uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 december 2019 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten geen steun vindt in dat uittreksel en deze vaststelling daarom niet zonder meer begrijpelijk is. Uit genoemd uittreksel zou alleen blijken van een transactie d.d. 28 maart 2018 wegens winkeldiefstal op diezelfde datum. Dat betreft geen onherroepelijke veroordeling, terwijl het ook slechts gaat om één feit en niet om meerdere strafbare feiten. Nu het ervoor moet worden gehouden dat het hof deze omstandigheid in strafverzwarende zin in de strafoplegging heeft betrokken, heeft de verdachte volgens de steller van het middel belang bij het middel. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Het hof heeft overwogen dat het bij de strafoplegging (onder meer) rekening houdt met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 december 2019, waaruit zou blijken dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Genoemd uittreksel bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Anders dan het hof overweegt blijkt uit dit uittreksel inderdaad niet dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het uittreksel noemt onder het hoofdje “Volledig afgedane zaken betreffende misdrijven” enkel een beslissing van 28 maart 2018 (deels vallend in de periode van het in het onderhavige geval bewezenverklaarde feit<footnote-ref linkend="_e7526221-e86d-437e-9454-08a39461994c" />) inhoudende dat aan de verdachte wegens een winkeldiefstal op 28 maart 2018 een transactie<footnote-ref linkend="_7d050c7c-4d83-48cc-ae32-675b6aeffbf5" /> is opgelegd van 10 uren werkstraf en deze transactie door de verdachte is voldaan. Deze beslissing kan - anders dan een strafbeschikking<footnote-ref linkend="_cac40b23-9fab-4fd3-be50-ff4a224f71fc" /> - niet worden gelijkgesteld met een veroordeling. De motivering van de opgelegde straf is daarom niet zonder meer begrijpelijk.<footnote-ref linkend="_f06842b4-0549-4095-aaef-d7a13f87641d" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Daarbij merk ik nog op dat - aangezien het tegendeel niet blijkt - er vanuit mag worden gegaan dat het hof de niet tenlastegelegde feiten in strafverzwarende zin heeft betrokken in de strafoplegging<footnote-ref linkend="_f1848ebf-4b62-48c5-84b1-962374d8031f" />, zodat niet gezegd kan worden dat deze onvolkomenheid in de strafmotivering van ondergeschikt belang is en de verdachte daarom geen belang bij het middel zou hebben.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het middel slaagt.</para>
      <para>4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
      <para>5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Procureur-Generaal</para>
        <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>AG</title>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_e7526221-e86d-437e-9454-08a39461994c" label="1">
    <para> 	3 juli 2017 t/m 11 mei 2018.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7d050c7c-4d83-48cc-ae32-675b6aeffbf5" label="2">
    <para> 	Als bedoeld in art. 74 lid 1 en 2 onder f Sr. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cac40b23-9fab-4fd3-be50-ff4a224f71fc" label="3">
    <para> 	Art. 78b Sr.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f06842b4-0549-4095-aaef-d7a13f87641d" label="4">
    <para> 	Vgl. HR 2 oktober 2007, ECLI:NLHR:2007:BA8512.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f1848ebf-4b62-48c5-84b1-962374d8031f" label="5">
    <para> 	HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391, NJ 2017/400, rov. 2.4.3.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>