<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2021:1125</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-26T00:03:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2021-11-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/00641</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:77" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:77</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2021:1125">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2021:1125</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-02T12:54:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2021:1125 Parket bij de Hoge Raad , 30-11-2021 / 21/00641</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2021:1125:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Rolconclusie AG. Indiening cassatieschriftuur o.g.v. art. 437 Sv. De aan de rechtbank toegezonden en kennelijk (ook) als cassatieschriftuur bedoelde brief met producties kan niet als een rechtsgeldig ingediende schriftuur worden aangemerkt. Rolconclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van de klager.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2021:1125:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>PROCUREUR-GENERAAL</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJ DE</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>21/00641 B </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>		30 november 2021 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>ROLCONCLUSIE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>E.J. Hofstee </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [klager] , </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,</para>
      <para>hierna: de klager.</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, heeft bij beschikking van 15 juli 2020 het klaagschrift van de klager ( [klager] ) ex art. 552a Sv strekkende tot teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag van € 176.500,- ongegrond verklaard. Dit impliceert dat het verzoek tot teruggave van dit geldbedrag aan de klager is afgewezen. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Er kan in deze zaak van worden uitgegaan dat mr. J. Blakborn, advocaat te Amsterdam, namens de klager op 28 juli 2020 beroep in cassatie heeft ingesteld. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Bij het instellen van het cassatieberoep op 28 juli 2020 is een brief met enkele producties toegezonden aan de rechtbank (hierna: de brief van 28 juli 2020). Kennelijk is met deze brief niet alleen beoogd beroep in cassatie in te stellen, maar is dit schriftelijk stuk ook bedoeld als cassatieschriftuur. In deze rolconclusie ligt de vraag voor of de manier waarop de brief van 28 juli 2020 is ingediend voldoet aan de vormvoorschriften die in acht moeten worden genomen om een cassatieschriftuur op rechtsgeldige wijze in te dienen. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het procesverloop in cassatie is als volgt:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>(i) Namens de advocaat van de klager is op 28 juli 2020 een e-mailbericht verstuurd aan de strafgriffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, met als onderwerp “beroep in cassatie ex artikel 552d Sv inzake Rk-nummer 20-003060”. Daarbij gevoegd is de brief van 28 juli 2020 met een vijftal daarbij behorende producties.</para>
      <para>(ii) Het e-mailbericht houdt in:</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Geachte heer, mevrouw,</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Als bijlage zend ik u een brief met bijlagen namens mr. J. Blakborn aan.</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">Ik vertrouw erop u hiermee naar behoren te hebben geïnformeerd. </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Met vriendelijke groet,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [betrokkene 1] ” </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>(iii) De brief van 28 juli 2020 houdt onder meer in:</para>
    <parablock>
      <para> <emphasis role="italic">“BEROEP IN CASSATIE EX ARTIKEL 552d Sv </emphasis></para>
      <para> <emphasis role="italic">Rk-nummer: 20-003060 </emphasis></para>
      <para> <emphasis role="italic">(Parketnummer: 02/259318-19) </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">In de zaak van:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende aan de [a-straat 1] te [plaats] , en voor deze gelegenheid woonplaats kiezende te (1077 BL) Amsterdam aan het Dijsselhofplantsoen 16-18, ten kantore van Van Diepen van der Kroef Advocaten, van welk kantoor mr. J. Blakborn bepaaldelijk is gevolmachtigd dit beroep in cassatie te ondertekenen en in te dienen in dit beroep in cassatie verder aan te duiden als “klager”, verzoeker tot cassatie van het door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant locatie Breda op 15 juli 2020 onder parketnummer 02/2259318-19 uitgesproken beschikking.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>De brief bevat daarnaast klaarblijkelijk inhoudelijke bezwaren tegen de voormelde beschikking van 15 juli 2020.</para>
      <para>(iv) De rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, heeft op 28 juli 2020 een eerste cassatieakte opgemaakt. Deze akte houdt onder meer in:</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">“Op 28 juli 2020 kwam ter griffie van deze rechtbank, locatie Middelburg, [betrokkene 2] die - daartoe gemachtigd blijkens de aan deze akte gehechte brief welke dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht - verklaarde namens [betrokkene 3] […]</emphasis>
      <footnote-ref linkend="_e127b51e-b315-4c32-a16f-34d9b97950f6" />
      <emphasis role="italic"> beroep in cassatie in te stellen tegen de beschikking […]”. </emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para>
        [betrokkene 2] is kennelijk een medewerker van de griffie die aldaar is verschenen. De brief waarnaar wordt verwezen betreft kennelijk de brief van 28 juli 2020 (met producties). </para>
      <para>(v) Op dezelfde dag, dus 28 juli 2020, is een ‘Herstel Akte instellen cassatie’ opgemaakt nadat was geconstateerd dat de eerste akte abusievelijk op naam van de belanghebbende was opgemaakt in plaats van op naam van de klager. Dit verzuim is hersteld in de herstelakte, waarin het volgende staat vermeld: </para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“De griffier van de strafgriffie heeft geconstateerd dat in de akte instellen cassatie d.d. 28 juli 2020 abusievelijk een fout is gemaakt met de naam van klager. Daar waar staat [betrokkene 3] , geboren op […], wonende te […] moet in plaats van deze gegevens staan: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende aan de [a-straat 1] te [plaats] . </emphasis>
      </para>
      <para> <emphasis role="italic">De rechtbank zal deze misslag herstellen in die zin dat de naam van klager op de akte van cassatie wordt aangepast. </emphasis></para>
      <para> <emphasis role="italic">Overwegende dat [klager] door dit herstel niet in enig rechtens te respecteren belang wordt geschaad.”</emphasis></para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>(vi) In de, aan de (herstel)akte gehechte, brief van 28 juli 2020 is domicilie gekozen op het kantooradres van de advocaat te Amsterdam. </para>
      <para>(vii) Op 11 februari 2021 zijn de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. </para>
      <para>(viii) De aanzegging is op 24 februari 2021 betekend op het BRP-adres van de klager. Deze aanzegging bevat de mededeling dat een advocaat namens de klager binnen dertig dagen na de betekening van de aanzegging een schriftuur moet indienen bij de Hoge Raad.</para>
      <para>(ix) Van deze aanzegging is kennelijk per abuis geen afschrift verzonden aan het opgegeven domicilieadres.</para>
      <para>(x) Op 17 mei 2021 is een afschrift van de kernstukken verzonden aan de advocaat nadat de bij de rechtbank ingediende brief van 28 juli 2020 in de cassatieprocedure impliciet als stelbrief is aangemerkt.</para>
      <para>(xi) Een afschrift van de aanzegging is op 1 juni 2021 alsnog verzonden aan het domicilieadres (t.a.v. de heer mr. J. Blakborn), waarmee het onder (ix) aangestipte verzuim is hersteld. In de begeleidende brief is aan mr. J. Blakborn het volgende meegedeeld:</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para> <emphasis role="italic">“Bijgaand treft u aan een afschrift van de aanzegging in de zaak van [klager] met bovenvermeld zaaknummer. De in het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven aanzegging is op 24 februari 2021 rechtsgeldig uitgereikt. De termijn voor het indienen van een schriftuur is dan ook verstreken. </emphasis></para>
      <para> <emphasis role="italic">Bij een controle van de betekening is evenwel gebleken dat is verzuimd een afschrift van de aanzegging te versturen aan het bovenvermelde (bij het instellen van het beroep in cassatie opgegeven) adres. </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gelet op deze gang van zaken, is in overleg met de rolraadsheer beslist dat in deze zaak een nadere termijn wordt verleend voor het indienen van een schriftuur, houdende middelen van cassatie. Deze termijn loopt tot en met: 1 juli 2021.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">Voor de goede orde deel ik u mede dat in deze zaak tot op heden niet op rechtsgeldige wijze een schriftuur is ingediend.”</emphasis>
    </para>
    <para>(xii) De advocaat van de klager (mr. J. Blakborn) heeft daarna niet alsnog een schriftuur op rechtsgeldige wijze ingediend bij de Hoge Raad der Nederlanden. </para>
    <para>5. Ten aanzien van het indienen van een cassatieschriftuur bevat art. 437, tweede lid, Sv het volgende voorschrift (cursivering van mij, A-G):</para>
    <para>“De verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, is op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht binnen twee maanden nadat de in het eerste lid van artikel 435 bedoelde aanzegging is betekend, <emphasis role="italic">bij de Hoge Raad</emphasis> door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie. Artikel 410, eerste lid, laatste twee volzinnen, zijn van overeenkomstige toepassing.”</para>
    <para>6. Het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden voorziet in de volgende aanvullende bepalingen:</para>
    <parablock>
      <para> “4.3.3. Indienen van cassatiemiddelen</para>
      <para> 4.3.3.1. Middelen van cassatie worden voorgesteld bij schriftuur.<?linebreak?></para>
      <para> […]<?linebreak?></para>
      <para> 4.3.3.3. Indien een procesdeelnemer digitaal procedeert, geschiedt de indiening van de schriftuur door plaatsing in het webportaal. Wordt niet digitaal geprocedeerd, dan geschiedt de indiening van de schriftuur hetzij door inlevering bij de centrale balie, hetzij door verzending per post of koeriersdienst, hetzij door verzending via de fax (mits gevolgd door inlevering of verzending van het originele exemplaar). Een schriftuur die langs elektronische weg maar niet in het webportaal (bijvoorbeeld: per e-mail) is ingediend, wordt niet in behandeling genomen.” </para>
    </parablock>
    <para>7. Uit het hierboven weergegeven procesverloop volgt dat de brief van 28 juli 2020 door de rechtbank is verstaan als een stuk waarmee beroep in cassatie wordt aangetekend. Deze brief kan niet als een rechtsgeldig ingediende schriftuur worden aangemerkt, nu hij niet volgens de daartoe opengestelde weg en op de voorgeschreven wijze bij de Hoge Raad is binnengekomen. Blijkens het hiervoor weergegeven procesverloop (ad viii en ad xi) is een aanzegging verstuurd naar het domicilieadres en is mr. J. Blakborn een nadere termijn verleend ten einde hem in de gelegenheid te stellen op rechtsgeldige wijze een schriftuur in te dienen. Die termijn is verstreken op 1 juli 2021 zonder dat mr. J. Blakborn van de aan hem geboden mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. </para>
    <para>8. Op grond van het vorengaande strekt deze rolconclusie ertoe dat de klager niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>AG</title>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_e127b51e-b315-4c32-a16f-34d9b97950f6" label="1">
    <para> 	A-G: hier volgen de geboorte- en adresgegevens van [betrokkene 3] . </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>