<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2020:422</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-06T04:13:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2020-04-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/00234</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_goederenrecht">Civiel recht; Goederenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2020:1785" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gedeeltelijk contrair">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1785, Gedeeltelijk contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOR 2021/53 met annotatie van Tweehuysen, V.</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:422">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:422</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-13T15:50:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2020:422 Parket bij de Hoge Raad , 24-04-2020 / 19/00234</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2020:422:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Goederenrecht. Bestanddeelvorming (art. 3:4 lid 2 BW). Fysieke verbondenheid met hoofdzaak. Is gestold aluminium in ovens van elektrolysefabriek bestanddeel geworden van de ovens en elektrolysefabriek? Beschadiging van betekenis. Fysieke of vermogensrechtelijke gevolgen van afscheiding? Ingangsdatum wettelijke rente. Samenhang met zaak 19/00263 en 19/00271.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2020:422:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>19/00234</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting </emphasis>24 april 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>E.B. Rank-Berenschot</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">UTB Holding B.V.</emphasis>,</para>
      <para>eiseres tot cassatie, </para>
      <para>verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,</para>
      <para>adv.: mr. G.R. den Dekker</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Glencore AG</emphasis>,</para>
      <para>verweerster in cassatie,</para>
      <para>eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,</para>
      <para>adv.: mrs. J.W.H. van Wijk en G.C. Nieuwland</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opnieuw leidt het in 2011 uitgesproken faillissement van Zeeland Aluminium Company N.V. (hierna: <emphasis role="bold">Zalco</emphasis>) tot een procedure in cassatie.<footnote-ref linkend="_0d799316-e2e4-4876-8c75-e15e57e33685" /></para>
      <para>In dit geval gaat het onder meer om de vraag of het aluminium dat in de ovens van de door Zalco geëxploiteerde aluminiumsmelterij is gestold nadat het productieproces door de curatoren van Zalco gefaseerd is stilgelegd, een bestanddeel van die ovens is geworden op de voet van art. 3:4 lid 2 BW. Voorafgaand aan het faillissement had Glencore AG (hierna: <emphasis role="bold">Glencore</emphasis>) een pandrecht bedongen op het door Zalco te produceren aluminium. De elektrolysefabriek waarvan de ovens onderdeel uitmaken behoort in eigendom toe aan  North Sea Port Netherlands N.V. (hierna: <emphasis role="bold">ZSP</emphasis><footnote-ref linkend="_475ac2df-b0eb-4927-838d-fe4a48bd0a30" />). De curatoren zijn met UTB Holding B.V. (hierna: <emphasis role="bold">UTB</emphasis>) overeengekomen dat UTB de elektrolysefabriek zou slopen. ZSP en Amtrust International Underwriters DAC (hierna: <emphasis role="bold">NB</emphasis><footnote-ref linkend="_9284d505-0bf9-42d6-a409-80170c0fe0d6" />, en samen met ZSP: <emphasis role="bold">NB c.s.</emphasis>) hebben een overeenkomst gesloten krachtens welke NB zal delen in de opbrengst van het aluminium. Het aluminium is door ZSP verkocht aan UTB, die het aluminium in het kader van de sloop van de fabriek uit de ovens heeft verwijderd. Op grond van een vaststellingsovereenkomst tussen curatoren en een aantal betrokken partijen is het verwijderde aluminium vervolgens op een veiling verkocht en is de opbrengst op een escrowrekening geplaatst. </para>
      <para>Het hof heeft geoordeeld dat het aluminium geen bestanddeel is geworden van de ovens omdat bij afscheiding geen sprake is van ‘beschadiging van betekenis’ als bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW. Daarbij heeft het hof onder meer belang gehecht aan de oorzaak en het nut van de verbinding, alsmede de waarde van de ovens en het aluminium vóór en ná het verwijderen van het aluminium. In het principale cassatieberoep wordt door UTB geklaagd dat het hof daarmee een onjuiste, namelijk niet louter fysieke maatstaf heeft gehanteerd. Het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van Glencore ziet eveneens op het oordeel van het hof omtrent bestanddeelvorming.</para>
      <para>Verder is het hof tot het oordeel gekomen dat UTB onrechtmatig heeft gehandeld door de executie van het pandrecht door Glencore te verhinderen. Tegen dit oordeel worden in cassatie eveneens klachten gericht. </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen het bestreden arrest van het hof hebben ook de overige geïntimeerden beroep in cassatie ingesteld. In zaak 19/00263 (NB c.s./Glencore) worden eveneens klachten gericht tegen het natrekkingsoordeel van het hof. Zie voorts zaak 19/00271 (curatoren/Glencore). In deze samenhangende zaken wordt thans eveneens geconcludeerd. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </conclusie.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Feiten en procesverloop</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:<footnote-ref linkend="_0df26800-04fb-45f5-82ec-bcc251fc5f3b" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(i) Bij vonnis van de rechtbank Middelburg van 13 december 2011 is Zalco in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. B. van Leeuwen en mr. R.E. Butterman als curatoren (hierna: <emphasis role="bold">curatoren</emphasis>).</para>
        <para>(ii) Zalco hield zich bezig met de productie van aluminium en exploiteerde daartoe in de haven van Vlissingen een aluminiumsmelterij (hierna: <emphasis role="bold">de elektrolysefabriek</emphasis>), een aluminiumgieterij en een anodefabriek. Het aluminium werd geproduceerd door elektrolyse van aluinaarde. Aluinaarde werd bij een temperatuur van 900 tot 1.000 graden Celsius opgelost in vloeibaar kryoliet. Deze oplossing werd door middel van elektrolyse gesplitst, een proces waarbij onder andere vloeibaar aluminium vrijkomt.</para>
        <para>(iii) Tot 29 oktober 2007 was Zalco eigenaar van de elektrolysefabriek en van het perceel grond waarop de elektrolysefabriek was gebouwd (de ondergrond en het omliggende fabrieksterrein). Zalco heeft het perceel grond verkocht en op 29 oktober 2007 geleverd aan ZSP onder voorbehoud van een recht van erfpacht en opstal. Dit betekent dat het terrein waarop de elektrolysefabriek is gebouwd met ingang van deze datum eigendom werd van ZSP. Zalco was vanaf die datum uit hoofde van het opstalrecht eigenaar van de elektrolysefabriek en op grond van het erfpachtrecht gerechtigd tot het gebruik van het terrein.</para>
        <para>(iv) Zalco diende met enige regelmaat zekerheid te verschaffen aan haar handelsrelaties. Dat deed zij veelal met bankgaranties. NB verstrekte aan Zalco een kredietfaciliteit ter financiering van de bankgaranties. Het in 2007 door NB verstrekte krediet van ca. € 20.000.000 was ongedekt. Nadat Zalco in 2009 financiële moeilijkheden kreeg, heeft NB een pandrecht bedongen op de voorraden van Zalco.<footnote-ref linkend="_dd051d9a-9cfd-42f5-8580-d8db37c8dddf" /> Daarnaast is ten behoeve van NB een eerste hypotheekrecht verstrekt op Zalco’s opstalrecht en erfpachtrecht.</para>
        <para>(v) ZSP had een tweede hypotheekrecht op Zalco’s opstalrecht en erfpachtrecht.</para>
        <para>(vi) Glencore heeft met (het inmiddels eveneens failliet verklaarde) Basemet B.V. (hierna: <emphasis role="bold">Basemet</emphasis>) en Panther Trading AG (hierna: <emphasis role="bold">Panther</emphasis>), respectievelijk een moeder- en zustervennootschap van Zalco, een overeenkomst gesloten op grond waarvan Glencore aluinaarde leverde aan Zalco.</para>
        <para>(vii) Zalco heeft met een onderhandse pandakte van 21 november 2011, geregistreerd op 23 november 2011<footnote-ref linkend="_7fea1276-9536-4be1-9181-fa63e699b714" />, een derdenpandrecht (hierna: <emphasis role="bold">het pandrecht</emphasis>) ten gunste van Glencore gevestigd op, kort gezegd, het aluminium waarvan Zalco eigenaar is of zou worden. Het pandrecht strekte tot zekerheid van al hetgeen Glencore te vorderen had van Basemet en/of Panther.</para>
        <para>(viii) Ten tijde van de faillietverklaring van Zalco (13 december 2011) bevond zich aluminium in vloeibare toestand in 427 van de in totaal 512 elektrolysebakken/-ovens (hierna: <emphasis role="bold">ovens</emphasis>) van de elektrolysefabriek. Kort na het uitspreken van het faillissement, in de periode van 16 tot en met 19 december 2011, is het productieproces bij Zalco door curatoren gefaseerd stilgelegd. Gedurende de periode van stillegging is aluminium uit 10 ovens getapt. Het vloeibare aluminium dat zich toen nog in de overige 417 ovens bevond, is gestold. Het gestolde aluminium zal hierna <emphasis role="bold">het aluminium</emphasis> worden genoemd.</para>
        <para>(ix) Op 23 december 2011 hebben curatoren met Glencore een overeenkomst<footnote-ref linkend="_0e2f47db-ded6-492d-8c59-b5278d6c82a6" /> gesloten, waarin onder meer het pandrecht van Glencore op het aluminium in de ovens door curatoren is erkend. Deze overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“II. Pledged goods</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Liquidators are recognizing and will not challenge/nullify the right of pledge securing the claims Glencore has on the secured obligations by Basemet/Panther as described in the NON-POSSESSORY DEED OF PLEDGE OF MOVEABLE ASSETS of 15 November 2011. Liquidators are not recognizing Glencore’s pledge on finished goods made after bankruptcy date and Glencore agrees to this.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Glencore and liquidators are in agreement that work in progress (aluminium in the pots and ovens) will be removed by Glencore as Pledgee and proceeds will be kept in escrow until a possible dispute between mortgagees Zeeland Seaports and/or N.V. Nationale Borg Maatschappij. On liquidators’ side, this agreement is subject to confirmation by mortgagees.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(...)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Both parties will take all reasonable efforts to enable Glencore to bring the pledged goods including work in progress under control of Glencore in the manner set forth in Article 3:237 of the Dutch Civil Code in the course of December 2011 and January 2012.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">III. 752 mt Aluminium</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Liquidators recognize Glencore’s right of Ownership on the arrested approximately 752 mt Aluminium as arrested on Thursday 22 December 2011. The goods will be brought under control of Glencore as set out in Article II.”</emphasis>
        </para>
        <para>(x) Bij e-mail van 26 april 2012<footnote-ref linkend="_3f9ff117-58f5-405c-90fa-47b0ffafdd4b" /> hebben curatoren Glencore op de voet van artikel 58 Faillissementswet (Fw) een termijn gesteld tot 15 juni 2012 voor het executeren van haar pandrecht. Glencore heeft bij verzoekschrift van 18 mei 2012<footnote-ref linkend="_53d4a9dc-a607-41f7-99f8-c7a0ec6f4bec" /> de rechter-commissaris verzocht de termijn te verlengen tot 15 juni 2014.</para>
        <para>(xi) Op 11 juni 2012 is tussen curatoren, ZSP, NB, UTB en een derde, Century Anodes B.V. (hierna: <emphasis role="bold">Century</emphasis>), een overeenkomst<footnote-ref linkend="_cf1b6ba9-b73b-4c57-b42b-ad09b448150a" /> tot stand gekomen ter zake van de verkoop van een aantal bedrijfsonderdelen van Zalco. In het kader van deze verkoopovereenkomst zijn de aluminiumgieterij en de anodefabriek overgedragen aan respectievelijk UTB en Century. NB en ZSP hebben in het kader van deze overeenkomst afstand gedaan van hun hypotheekrechten. Verder zijn het genoemde recht van erfpacht en het recht van opstal beëindigd. ZSP is daardoor onbezwaard eigenaar geworden van de elektrolysefabriek, terwijl het perceel waarop deze fabriek staat niet langer was bezwaard met beperkte rechten. In de overeenkomst van 11 juni 2012 is voorts onder meer bepaald dat UTB de elektrolysefabriek - waar zich op dat moment het aluminium bevond - volledig zal gaan slopen en het gehele terrein zal gaan saneren.</para>
        <para>(xii) In mei of juni 2012 hebben NB en ZSP een overeenkomst gesloten waarin zij hebben afgesproken dat NB zal delen in de opbrengst van het aluminium (hierna ook: <emphasis role="bold">de winstdelingsovereenkomst</emphasis>). NB c.s. hebben geweigerd een afschrift van deze overeenkomst aan Glencore te verstrekken. </para>
        <para>(xiii) Met daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg heeft Glencore op 30 juni 2012 pandhoudersbeslag (derdenbeslag tot afgifte) gelegd op het aluminium in de ovens op het (voormalige) terrein van Zalco.</para>
        <para>(xiv) Glencore heeft op 17 augustus 2012 UTB, ZSP en curatoren in kort geding gedagvaard en in conventie gevorderd UTB te verbieden het aluminium uit de ovens te halen (althans niet zonder dat voldaan is aan een aantal voorwaarden), om te smelten, te verkopen en/of anderszins daarover te beschikken, alsmede te gehengen en te gedogen dat Glencore het aluminium uit de ovens laat verwijderen. In reconventie hebben UTB en ZSP onder meer opheffing van het pandhoudersbeslag gevorderd.</para>
        <para>(xv) Op 5 september 2012 heeft Glencore aangekondigd het aluminium te gaan veilen. De door Glencore georganiseerde veiling was vastgesteld tegen 10 september 2012.</para>
        <para>(xvi) NB en ZSP hebben Glencore en curatoren vervolgens in kort geding gedagvaard en gevorderd Glencore te verbieden om de executie van het aluminium voort te zetten. Bij vonnis van 10 september 2012<footnote-ref linkend="_be76886f-3327-4746-ae71-82742a53fa3e" /> heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg de vordering van NB en ZSP toegewezen en Glencore verboden de executie van (haar pandrecht op) het aluminium voort te zetten op grond van onder meer de overweging:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“4.3 (...) dat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het aluminium op grond van artikel 3:4 lid 2 BW door de ovens is nagetrokken, en dat, nu de ovens als onroerend kwalificeren, het zich daarin bevindende aluminium ook als onroerend moet worden aangemerkt. Omdat een pandrecht op onroerende zaken niet bestaanbaar is, moet het er voorshands voor gehouden worden dat Glencore geen pandrecht op het aluminium heeft en derhalve de verkoop daarvan ongeoorloofd is.”</emphasis>
        </para>
        <para>(xvii) Bij beschikking van 10 september 2012<footnote-ref linkend="_8b56351d-61e5-469a-8a6f-8a9a1c61a79b" /> heeft de rechter-commissaris op het in (x) genoemde verzoek van Glencore om verlenging van de termijn ex artikel 58 Fw de termijn verlengd tot en met 10 september 2012 en iedere verdere verlenging afgewezen. Glencore heeft tegen deze beschikking cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.</para>
        <para>(xviii) Bij vonnis van 11 september 2012<footnote-ref linkend="_eaa58240-25b3-4201-a486-b2cb86105c44" /> heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg in het onder (xiv) vermelde kort geding de vorderingen van Glencore afgewezen en in reconventie het pandhoudersbeslag opgeheven en Glencore verboden om op de voet van haar vermeende pandrecht tot sloop van de in de aluminiumsmelterij aanwezige ovens over te gaan en het daarin aanwezige aluminium te laten omsmelten en/of te (doen) verkopen, voor zover er niet in een bodemprocedure een onherroepelijk voor Glencore positief vonnis zou zijn gewezen.</para>
        <para>(xix) Bij overeenkomst van 19 oktober 2012 heeft UTB het aluminium gekocht, althans het recht verworven om dit uit de ovens te verwijderen en de opbrengst te behouden tegen betaling van een bedrag van € 5.125.000 aan ZSP en/of NB. NB c.s. en UTB hebben geweigerd Glencore een afschrift te verstrekken van deze overeenkomst van 19 oktober 2012.</para>
        <para>(xx) UTB en/of UTB Industry B.V. (hierna gezamenlijk: <emphasis role="bold">UTB c.s.</emphasis>) heeft/hebben in het kader van de sloop van de elektrolysefabriek het aluminium uit de ovens laten verwijderen.</para>
        <para>(xxi) Glencore heeft tegen de onder (xvi) en (xviii) genoemde vonnissen hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Bij arrest van 5 november 2013<footnote-ref linkend="_8943c4fe-0b0b-484a-88e9-5120762b1a5d" /> zijn deze vonnissen bekrachtigd onder aanvulling van gronden.</para>
        <para>(xxii) Op 14 en 15 oktober 2013 heeft Glencore op basis van op 14 oktober 2013 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant verleend verlof opnieuw conservatoir (derden)beslag gelegd op het aluminium.</para>
        <para>(xxiii) Glencore heeft NB c.s., UTB c.s. en curatoren in kort geding gedagvaard en onder meer gevorderd dat het aluminium onder bewind, althans in gerechtelijke bewaring, wordt gesteld. In reconventie hebben UTB c.s. onder meer opheffing van de door Glencore ten laste van UTB c.s. op basis van het verlof van 14 oktober 2013 gelegde conservatoire beslagen gevorderd.</para>
        <para>(xxiv) Bij vonnis van 5 november 2013<footnote-ref linkend="_3c2edc62-774c-4218-9e70-7b2016129a7a" /> heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in conventie de vorderingen van Glencore afgewezen en in reconventie onder meer de onder (xxii) genoemde door Glencore gelegde conservatoire beslagen opgeheven. Glencore heeft hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld bij het hof Amsterdam.<footnote-ref linkend="_be26ec3b-3c38-4116-9ab7-9bab1cbd7d2c" /></para>
        <para>(xxv) De Hoge Raad heeft bij [uitspraak]<footnote-ref linkend="_961f3031-2fe8-4aa4-87c3-e27dd7e91c68" /> van 20 december 2013 het onder (xvii) genoemde cassatieberoep van Glencore verworpen. </para>
        <para>(xxvi) De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 augustus 2015<footnote-ref linkend="_46a7d840-b2d2-417a-a5be-3eab85421ec2" /> het onder (xxi) genoemde arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 5 november 2013 vernietigd.<footnote-ref linkend="_9bf8272f-278a-447b-81ab-60f3950a05db" /></para>
        <para>(xxvii) Glencore heeft (op 10 december 2012) NB c.s., UTB c.s. en curatoren in de onderhavige bodemzaak gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en onder meer gevorderd voor recht te verklaren dat het aluminium geen bestanddeel is geworden van de elektrolysefabriek en dat haar pandrecht op het aluminium niet is vervallen (hierna ook: <emphasis role="bold">het geding in de hoofdzaak</emphasis>).</para>
        <para>(xxviii) In de loop van het geding in de hoofdzaak zijn verschillende incidentele vorderingen ingesteld. Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 14 juli 2015<footnote-ref linkend="_01ca6df1-05f1-477c-937f-4a635c0dc8cc" /> het incidentele vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2014 gedeeltelijk vernietigd en bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv curatoren verboden het aluminium op te eisen en te verkopen tot de einduitspraak van de rechtbank in de hoofdzaak. Het eindvonnis waarvan beroep in het geding in de hoofdzaak is vervolgens de volgende dag, op 15 juli 2015<footnote-ref linkend="_e0763e92-246c-47ad-98ec-70d95229c924" />, door de rechtbank uitgesproken.</para>
        <para>(xxix) Na de sloop van de elektrolysefabriek zijn de uit de ovens verwijderde plakken aluminium door UTB opgeslagen in en nabij de Brasquagehal op het voormalige terrein van Zalco. Enkele plakken aluminium zijn in opdracht van UTB omgesmolten om de omvang van het smeltverlies te kunnen bepalen.</para>
        <para>(xxx) Nadat op 15 juli 2015 eindvonnis was gewezen in het geding in de hoofdzaak, hebben Glencore, curatoren, UTB c.s. en Zalco B.V.<footnote-ref linkend="_62e67b91-83b7-4691-82a7-8873b57b6c30" /> met toestemming van de rechter-commissaris op 9 november 2017 een vaststellingsovereenkomst<footnote-ref linkend="_7acf330e-a1b6-4986-8448-f621c7376295" /> gesloten. Afgesproken is dat curatoren het aluminium onbezwaard mogen verkopen en dat de opbrengst op een escrowrekening zal worden gestort. In de vaststellingsovereenkomst is bepaald, kort gezegd, dat de positie tussen Glencore, curatoren en UTB c.s. onderling zal worden behandeld alsof hun rechten, vorderingen, aanspraken en beslagen op het aluminium onveranderd blijven en dat zij hun rechten en vorderingen jegens elkaar zullen behouden.</para>
        <para>(xxxi) Op 27 november 2017 heeft een veiling plaatsgevonden van het aluminium. In de veilingvoorwaarden is uitgegaan van een partij aluminium met een geschat gewicht van 6.424 metrische ton (hierna: <emphasis role="bold">mt</emphasis>). Het aluminium is onder de leveringsvoorwaarde <emphasis role="italic">Free Carrier (Truck)</emphasis> verkocht aan Glencore voor een verkoopprijs van USD 1.250 per mt, dat is totaal USD 8.030.000. Dit was de door partijen bij de vaststellingsovereenkomst overeengekomen bodemprijs. Voor die prijs zou het aluminium aan Glencore gegund worden als geen koper een hogere prijs zou bieden. </para>
        <para>(xxxii) Het aluminium is aan Glencore als koper geleverd. Na weging is het totaal gewicht van het aluminium vastgesteld op 6.404,48 mt. Het verschil in koopprijs (USD 24.400) vanwege dit lagere gewicht dan aanvankelijk was ingeschat, heeft Glencore teruggestort gekregen. </para>
        <para>(xxxiii) Bij het verwijderen van de plakken aluminium uit de ovens zijn brokstukken aluminium vrijgekomen. Curatoren hebben deze brokstukken verkocht voor € 6.000. Dit bedrag (omgerekend USD 7.423,80) is op 14 maart 2018 door curatoren op de escrowrekening gestort. De totale opbrengst van het aluminium op de escrowrekening bedroeg aldus USD 8.013.023,80. </para>
        <para>(xxxiv) UTB had het aluminium feitelijk onder zich nadat het uit de ovens is verwijderd. Zij heeft zich in verband met de door haar gemaakte kosten beroepen op een retentierecht. Zij stelde kosten te hebben gemaakt voor een bedrag van € 2.367.990. Curatoren, UTB c.s. en Glencore zijn in het kader van de vaststellingsovereenkomst van 9 november 2017 overeengekomen dat de kosten van UTB c.s. en/of Zalco in verband met de verwijdering, verwerking en opslag van aluminium worden vastgesteld op € 1.500.000. Dit bedrag is aan UTB betaald van het bedrag op de escrowrekening. UTB heeft in het kader van deze regeling afstand gedaan van haar retentierecht en over en weer is volledige kwijting verleend.</para>
        <para>(xxxv) Curatoren hebben € 50.000 betaald gekregen voor hun werkzaamheden en kosten met betrekking tot de veiling van het aluminium.</para>
        <para>(xxxvi) Na aftrek van de hiervoor genoemde bedragen en overige kosten resteerde op de escrowrekening een bedrag van USD 6.034.096,18 (hierna ook: <emphasis role="bold">het escrowbedrag</emphasis>).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Glencore heeft bij exploot van 10 december 2012 UTB c.s., NB c.s. en curatoren gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <parablock>
        <para>Glencore heeft (na eiswijziging) ten aanzien van UTB en de andere gedaagden gevorderd – onder meer en voor zover in deze cassatieprocedure van belang – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis voor recht verklaart dat:</para>
        <para>- het aluminium door de stolling in december 2011 geen bestanddeel is geworden van het elektrolysefabrieksgebouw; </para>
        <para>- Glencore’s pandrecht op het aluminium niet is vervallen ten gevolge van de stolling in december 2011; </para>
        <para>- enige overdracht of bezwaring van het aluminium door ZSP aan UTB of enige andere derde niet geldig is; en</para>
        <para>- Glencore’s pandrecht op het aluminium niet is vervallen ten gevolge van enige verkoop, overdracht, of bezwaring van het aluminium door ZSP aan UTB of enige andere derde.</para>
        <para>Daarnaast heeft Glencore ten aanzien van UTB gevorderd, onder meer:</para>
        <para>- verklaring voor recht dat UTB onrechtmatig heeft gehandeld jegens Glencore door haar te belemmeren in de uitoefening van haar pandrecht op het aluminium en dat zij verplicht is de schade te vergoeden die Glencore daardoor heeft geleden; en </para>
        <para>- hoofdelijke veroordeling van UTB en NB c.s. tot vergoeding van bedoelde schade ad USD 16.459.200 te vermeerderen met wettelijke rente.<footnote-ref linkend="_6ba5d2dc-fd52-4de4-b24e-fb8df381d8a3" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>UTB heeft, evenals de overige gedaagden, verweer gevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Er hebben meerdere zittingen plaatsgevonden. Van deze zittingen is (verkort) proces-verbaal opgemaakt.<footnote-ref linkend="_95b5a2f8-44cf-4d5a-bb0a-dff18b2b3032" /><footnote-ref linkend="_f583df8e-f66a-4d93-a319-f7f43b0c0315" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <parablock>
        <para>Bij (eind)vonnis van 15 juli 2015<footnote-ref linkend="_e2eb94c8-bbfa-4ee2-8472-dde803248251" /> is de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, tot het oordeel gekomen dat het gestolde aluminium in de ovens een zelfstandige roerende zaak is gebleven en niet op basis van artikel 3:4 lid 2 BW een bestanddeel is gaan vormen van de ovens en dat dit tot gevolg heeft dat geen hypotheekrecht van ZSP of NB op het aluminium is komen te rusten, dat de eigendom van het aluminium evenmin door het tot stand komen van de overeenkomst van 11 juni 2012 is nagetrokken door ZSP als eigenaar van het fabrieksgebouw en dat Glencore in beginsel een pandrecht op het aluminium heeft behouden.<footnote-ref linkend="_51487b7e-7a2d-4717-9057-509b198e3749" /></para>
        <para>Volgens de rechtbank is niet in te zien op grond waarvan UTB onrechtmatig jegens Glencore zou hebben gehandeld. Het aluminium maakte geen onderdeel uit van de overeenkomst tot sloop die UTB op 11 juni 2012 is aangegaan. Dat UTB in oktober 2012 het aluminium heeft gekocht van ZSP terwijl ZSP niet tot verkoop bevoegd was, is niet relevant, omdat Glencore op dat moment ook niet meer over het aluminium kon beschikken omdat zij haar separatistenpositie had verloren, zodat van een inbreuk op haar rechten volgens de rechtbank geen sprake is.<footnote-ref linkend="_1a8f1412-aa1e-426e-8e81-023bb1a7daff" /></para>
        <para>		De rechtbank heeft alle vorderingen jegens UTB afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <parablock>
        <para>Glencore is in hoger beroep gekomen van dit vonnis.<footnote-ref linkend="_586be0e4-cb32-417f-9064-481ab98c34da" /> Na wijziging van eis<footnote-ref linkend="_ef5f3d02-b148-44d3-9640-aa27d4fbcaf6" /> heeft zij gevorderd dat het hof, na (gedeeltelijke) vernietiging van het vonnis van 15 juli 2015 – onder meer en voor zover in cassatie van belang –:</para>
        <para>I. ten aanzien van UTB en alle andere geïntimeerden voor recht verklaart dat:</para>
        <para>- het aluminium door de stolling in december 2011 geen bestanddeel is geworden van het elektrolysefabrieksgebouw; </para>
        <para>- Glencore’s pandrecht op het aluminium niet is vervallen ten gevolge van de stolling in december 2011; </para>
        <para>- enige overdracht of bezwaring van het aluminium door ZSP aan UTB of enige andere derde niet geldig is; en</para>
        <para>- Glencore’s pandrecht op het aluminium niet is vervallen ten gevolge van enige verkoop, overdracht, of bezwaring van het aluminium door ZSP aan UTB of enige andere derde; </para>
        <para>II. ten aanzien van UTB en curatoren (onder meer) voor recht verklaart dat:</para>
        <para>- UTB en/of curatoren geen recht heeft/hebben op uitbetaling van enig deel van het escrowbedrag; en</para>
        <para>- Glencore recht heeft op het volledige, althans een door het hof in goede justitie te bepalen gedeelte van, het escrowbedrag, te vermeerderen met de daarop gecumuleerde rente, welk bedrag is uit te keren door de escrow agent en welke uitkering geïntimeerden dienen te dulden; </para>
        <para>III. ten aanzien van UTB onder meer:</para>
        <para>- voor recht verklaart dat UTB onrechtmatig heeft gehandeld jegens Glencore door haar te belemmeren in de uitoefening van haar pandrecht op het aluminium en dat zij verplicht is de schade te vergoeden die Glencore daardoor heeft geleden; en</para>
        <para>- UTB, hoofdelijk met NB c.s., veroordeelt tot vergoeding van bedoelde schade ad USD 7.825.499,40 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 19 december 2011, althans een door het hof in goede justitie te bepalen datum.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8</nr>
      <parablock>
        <para>UTB heeft op haar beurt incidenteel hoger beroep ingesteld, met conclusie tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden eindvonnis en tot afwijzing van de vorderingen van Glencore, met veroordeling van Glencore in de proceskosten, vermeerderd met kosten en rente.<footnote-ref linkend="_f04a083a-5e0b-4171-b9a7-7e87f86aa379" /></para>
        <para>Met grief I in incidenteel hoger beroep komt UTB op tegen het oordeel van de rechtbank dat het gestolde aluminium in de ovens een zelfstandige roerende zaak is gebleven en niet op basis van artikel 3:4 lid 2 BW een bestanddeel is gaan vormen van de ovens<footnote-ref linkend="_ef03b4a4-3741-4119-bb36-693d770ec6cb" />, waarbij UTB betoogt dat dit tweede lid een louter fysiek criterium behelst. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9</nr>
      <para>Op 16 april 2018 heeft een pleidooizitting plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.<footnote-ref linkend="_627e0d05-9d9a-49c6-ae3a-cb1c3f00be51" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.10</nr>
      <parablock>
        <para>Bij eindarrest van 16 oktober 2018<footnote-ref linkend="_71979542-f468-43f2-89f5-30ca7e5f39be" /> heeft het hof het bestreden vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende – onder meer en voor zover thans van belang –: </para>
        <para>	- voor recht verklaard dat het aluminium door stolling in december 2011 geen bestanddeel is geworden van het elektrolysefabrieksgebouw;</para>
        <para>	- voor recht verklaard dat Glencore recht heeft op het volledige escrowbedrag;</para>
        <para>	- voor recht verklaard dat UTB geen recht heeft op uitbetaling van enig deel van het escrowbedrag; en </para>
        <para>	- UTB en curatoren hoofdelijk veroordeeld USD 6.068.963,88 aan Glencore te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2011. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.11</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof heeft daartoe – samengevat en zover in deze cassatieprocedure van belang – als volgt geoordeeld.</para>
        <para>Tussen partijen is niet in geschil dat het aluminium dat in de ovens is gestold en daarin vast is komen te zitten naar verkeersopvattingen geen bestanddeel is van de ovens en/of de elektrolysefabriek. Uitgangspunt is daarmee dat de ovens met daarin het gestolde aluminium naar verkeersopvattingen niet als één zaak kunnen worden beschouwd in de zin van artikel 3:4 lid 1 BW (rov. 4.19). Het hof is van oordeel dat het aluminium zonder beschadiging van betekenis van de ovens kon worden afgescheiden. Het aluminium is daarmee geen bestanddeel van de ovens en/of de elektrolysefabriek geworden in de zin van artikel 3:4 lid 2 BW (rov. 4.22). Het aluminium is nadat het in de ovens is gestold een roerende zaak gebleven. Dit heeft tot gevolg dat geen hypotheekrecht van ZSP of NB op het aluminium is komen te rusten, dat het aluminium evenmin is nagetrokken door ZSP als eigenaar van het fabrieksgebouw en dat het mogelijk is dat Glencore een pandrecht heeft op het aluminium, althans op een aandeel in het nieuw gevormde aluminium (rov. 4.23).</para>
        <para>Het hof komt – op overeenkomstige gronden als geldt voor NB c.s. – tot het oordeel dat UTB onrechtmatig jegens Glencore heeft gehandeld door de executie van het pandrecht te verhinderen. UTB kon geen recht op het aluminium geldend maken. Zij heeft jegens Glencore gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt en dus onrechtmatig gehandeld door Glencore te laten verbieden haar rechten als separatist uit te oefenen (rov. 4.60).</para>
        <para>De schade die als een gevolg van de fout kan worden aangemerkt, dient te worden bepaald door de situatie waarin Glencore zich thans bevindt te vergelijken met de hypothetische situatie waarin zij zich had bevonden als zij ongehinderd in staat was geweest zich als separatist op het aluminium te verhalen. Deze moet worden geschat (rov. 4.69). De schade die aan UTB kan worden toegerekend is USD 6.068.963,88 (rov. 4.85). Bij pleidooi is door UTB voor het eerst verweer is gevoerd tegen de gestelde ingangsdatum van de wettelijke rente (19 december 2011). Dit verweer dient buiten beschouwing te worden gelaten omdat het te laat is aangevoerd. Geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een uitzondering op de in hoger beroep geldende twee-conclusieregel kunnen rechtvaardigen (rov. 4.88). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.12</nr>
      <para>UTB heeft bij procesinleiding van 15 januari 2019 – tijdig – (deels voorwaardelijk) beroep in cassatie ingesteld. Glencore heeft in het principale cassatieberoep geconcludeerd tot verwerping (ten aanzien van onderdeel 5 tot referte) en op haar beurt voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. UTB heeft in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht, waarna UTB heeft gerepliceerd en Glencore heeft gedupliceerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Bespreking van het principale cassatieberoep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel bestaat uit zeven onderdelen, waaronder een voorwaardelijk ingesteld onderdeel en een voortbouwklacht.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 1: natrekking (rov. 4.15-4.23)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 1</emphasis> ziet op het natrekkingsoordeel van het hof (rov. 4.15-4.23), waarin het hof (samengevat) tot de slotsom komt dat het gestolde aluminium in de ovens een zelfstandige roerende zaak is gebleven en niet op basis van art. 3:4 lid 2 BW een bestanddeel is gaan vormen van de ovens. Het onderdeel bestaat uit twee subonderdelen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 1.1</emphasis> klaagt dat het hof in rov. 4.21-4.23 miskent dat de maatstaf voor het zijn van bestanddeel in de zin van art. 3:4 lid 2 BW wordt ingevuld aan de hand van een <emphasis role="italic">fysiek</emphasis> criterium, gebaseerd op de schade die het (voorzienbare) gevolg is van, in dit geval, de verwijdering van het gestolde aluminium uit de ovens.<footnote-ref linkend="_c32516d6-d93b-40d0-8756-db28718f77d4" /> UTB voert aan dat vaststaat dat de ovens gesloopt zouden worden door hak- en breekwerk, ter verwijdering van het aluminium (rov. 4.20). Door dit slopen/tenietgaan van de ovens te kwalificeren als een afscheiding “zonder dat beschadiging van betekenis” aan de ovens wordt toegebracht, hanteert het hof volgens UTB de (verhoudingsgewijze) economische waarde of de ‘gebruikswaarde’ van (elk der) zaken ten onrechte als het enige, althans het doorslaggevende, criterium voor de vraag naar de bestanddeelvorming. Dat waarde-criterium valt niet meer als een invulling van het fysieke criterium te begrijpen. Het hof is daarmee buiten de maatstaf van art. 3:4 lid 2 BW getreden, aldus de klacht.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 1.2 </emphasis>voegt daaraan toe dat het hof in rov. 4.22 voor de toetsing aan art. 3:4 lid 2 BW ten onrechte in feite de verkeersopvattingen van art. 3:4 lid 1 BW hanteert. Het hof overweegt immers dat de oorspronkelijk te identificeren zaken “onbedoeld en ongelukkigerwijs” aan elkaar zijn verbonden, dat de verbinding tussen de ovens en het aluminium “geen enkele functie of meerwaarde” heeft, en dat met de instandhouding van die verbinding “geen enkel redelijk, praktisch of economisch belang” is gediend. De toepassing die het hof aldus geeft aan art. 3:4 lid 2 BW ontneemt – volgens de klacht ten onrechte (waarbij wordt verwezen naar rov. 4.19) – alsnog zelfstandige betekenis aan dit tweede lid als <emphasis role="italic">alternatief</emphasis> criterium voor bestanddeelvorming. Geklaagd wordt dat het hof voor de vraag of er sprake is van bestanddeelvorming had moeten uitgaan van de (aard- en nagelvaste) verbinding van de ovens met het gestolde aluminium als feitelijk gegeven na het staken van het productieproces bij Zalco, ongeacht of die verbinding beoogd en/of functioneel was of als zodanig meerwaarde had in het economisch verkeer. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Alvorens op de klachten in te gaan, schets ik het juridisch kader met betrekking tot bestanddeelvorming.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Juridisch kader – bestanddeelvorming algemeen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Art. 3:4 BW bepaalt wat als bestanddeel van een zaak moet worden aangemerkt. Deze bepaling luidt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">1. Al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak. </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">2. Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak</emphasis>.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Kwalificatie van een zaak als bestanddeel – onzelfstandig zaaksdeel – heeft in de eerste plaats tot gevolg dat natrekking plaatsvindt: de eigenaar van de hoofdzaak wordt eigenaar van het bestanddeel (art. 5:3 BW). Wanneer de eigendom van de hoofdzaak en het bestanddeel zich vóór de bestanddeelvorming in verschillende handen bevonden, leidt dit derhalve tot eigendomsverlies aan de zijde van de eigenaar van de zaak die bestanddeel is geworden. Beperkte rechten op de hoofdzaak (zoals een hypotheek- of pandrecht) komen van rechtswege op het bestanddeel te rusten (art. 3:227 lid 2 BW); een pandrecht dat was gevestigd op een zaak die bestanddeel wordt van een andere zaak, gaat door bestanddeelvorming verloren. Goederenrechtelijke rechtshandelingen met betrekking tot de hoofdzaak (vervreemden, bezwaren) omvatten ook haar bestanddelen. <footnote-ref linkend="_8a596c9e-a057-4d72-a012-cb1d1d9b3990" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bestanddelen onder oud BW</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Onder vigeur van het BW van 1838 was – in navolging van een “vanaf de oudste tijden geldende regel”<footnote-ref linkend="_b3bca31a-6adc-44b1-966a-26888f19e32f" /> – van bestanddeelvorming oorspronkelijk slechts sprake in geval van een organische of mechanische verbinding tussen het onzelfstandig onderdeel en de hoofdzaak.<footnote-ref linkend="_1fe21291-351f-492a-9dfe-f7bbfbd28085" />  Vereist was dat het onzelfstandig onderdeel (volgens de toenmalige terminologie: bijzaak of oneigenlijk bestanddeel<footnote-ref linkend="_fda8cde7-fdd3-4e07-bd37-db8a45bd04d5" />) <emphasis role="italic">aard- of nagelvast</emphasis> met de hoofdzaak was verbonden (art. 562 (oud) BW), dat wil zeggen: daaraan was vastgehecht door aard-, timmer- of metselwerk<footnote-ref linkend="_e90da4c8-a2ff-4e36-801d-4a56ffe620b5" /> of daarvan niet kon worden losgemaakt zonder het bestanddeel of de hoofdzaak te <emphasis role="italic">breken of te beschadigen</emphasis> (art. 563 lid 2 (oud) BW).<footnote-ref linkend="_c77eeb41-e9c6-452b-9ff6-9dc29a059e58" /> In de literatuur werd dit destijds opgevat als een criterium dat zag op de hechtheid van de verbinding en de vraag of afscheiding beschadiging aan een der samenstellende zaken zou toebrengen.<footnote-ref linkend="_f05e885c-2277-4d6a-92d2-0d6d957bfbb7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <parablock>
        <para>Het begrip bestanddeel heeft onder het oude recht een sterke uitbreiding gekregen met het <emphasis role="italic">Egbertha</emphasis>-arrest van 26 maart 1936.<footnote-ref linkend="_65b7f887-7975-4c03-8d21-a4c0b5627037" /> Daarin opende uw Raad de mogelijkheid tot natrekking op de grond dat naar de <emphasis role="italic">verkeersopvatting</emphasis> een voorwerp door verbinding een “wezenlijk bestanddeel” is geworden van de hoofdzaak, waaraan niet in de weg staat dat de bijzaak (het bestanddeel) zonder beschadiging van de hoofdzaak kan worden gescheiden.<footnote-ref linkend="_76123844-1340-4303-8026-9526b25b770a" /> In 1953 werd in het <emphasis role="italic">Stafmateriaal</emphasis>-arrest bevestigd dat van natrekking ook dan sprake kan zijn, indien een “aard- of nagelvaste” verbinding ontbreekt.<footnote-ref linkend="_3e402662-b003-48e4-9e0f-272f1e6f442a" /></para>
        <para>In de literatuur werd uitgegaan van de verkeersopvatting als een alternatief criterium, naast dat van de hechtheid van de materiële verbinding.<footnote-ref linkend="_9e64e7a1-6b19-4a60-8911-ffd252aac964" /> Dit brengt mee dat wanneer een voorwerp zodanig aan een hoofdzaak is verbonden dat het niet zonder beschadiging kan worden losgemaakt, het om die reden reeds een bestanddeel is.<footnote-ref linkend="_85060452-7a39-4e52-950c-68e546c90e9b" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verhouding tussen art. 3:4 lid 1 en lid 2 BW</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het huidige art. 3:4 BW valt af te leiden dat met het bepaalde in lid 1 van die bepaling is bedoeld voort te bouwen op het verkeersopvattingscriterium zoals dat was geïntroduceerd in het <emphasis role="italic">Egbertha</emphasis>-arrest: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Bestanddeel van een zaak is al wat volgens verkeersopvatting daarvan een wezenlijk<footnote-ref linkend="_cdfca849-e770-4c10-a33e-ceffa6232b12" /> onderdeel uitmaakt. Niet nodig is, dat het onderdeel aard- of nagelvast aan de hoofdzaak verbonden is. De Hoge Raad heeft dit voor roerende zaken uitdrukkelijk beslist bij het arrest van 26 Maart 1936, N.J. 1936 no. 757.”<footnote-ref linkend="_d30bb30e-5a38-4879-b321-394a26bf66de" /></para>
        <para>Over de verhouding tussen het eerste en het tweede lid wordt door Meijers opgemerkt (met mijn onderstreping): </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Het tweede lid bepaalt, dat <emphasis role="italic">bijzaken </emphasis><emphasis role="underline">in ieder geval</emphasis> als bestanddeel zijn aan te merken. Bijzaken zijn zaken, die – onverschillig door wie of door welke oorzaak – met een hoofdzaak zodanig zijn verbonden, dat zij niet kunnen worden afgescheiden zonder beschadiging of verbreking van de hoofdzaak. <emphasis role="underline">Wat aard- en nagelvast is, is dus bestanddeel, maar niet ieder bestanddeel is aard- of nagelvast.</emphasis>”<footnote-ref linkend="_4f6c0200-ab81-46dd-9cb1-cc520a8b0ab6" /></para>
        <para>De minister merkt voorts op (met mijn onderstreping):</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Het eerste lid van dit artikel heeft verschillende wijzigingen ondergaan. In de eerste plaats wekte de vorm die in het ontwerp aan dit lid werd gegeven<footnote-ref linkend="_e5714a8b-1512-4641-ae10-f4002f54c8bb" />, de indruk dat het hier zou gaan om een definitie van het begrip bestanddeel. Dit zou ten onrechte tot de conclusie kunnen leiden dat er geen bestanddeel denkbaar ware dat niet voldoet aan de omschrijving van dit lid. <emphasis role="underline">Dit is evenwel, reeds gelet op lid 2, niet juist.</emphasis></para>
        <para>(…)</para>
        <para>Met het door de Commissie aangevoerde bezwaar tegen het dwingend karakter van het tweede lid<footnote-ref linkend="_9cee9a0c-161d-46d1-947d-f8df209e0baf" /> kan de ondergetekende zich niet verenigen. Het tweede lid stelt <emphasis role="underline">buiten twijfel</emphasis> dat hetgeen op de daar aangegeven wijze aan een (hoofd)zaak is verbonden, <emphasis role="underline">steeds</emphasis> bestanddeel van die (hoofd)zaak is. Hier wordt de ruimte welke het eerste lid aan de verkeersopvatting toestaat, dus niet verleend. Deze ruimte zou voor aard- of nagelvaste onderdelen ongewenst zijn. De regel geldt van de oudste tijden af en de ondergetekende ziet geen aanleiding hem te wijzigen.”<footnote-ref linkend="_28d1a89c-80a5-440e-ae32-246f4b1be1de" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <parablock>
        <para>In de literatuur wordt in dit verband gesproken van bestanddeelvorming hetzij op grond van een hechte ideële band (art. 3:4 lid 1 BW), hetzij op grond van een hechte materiële band (art. 3:4 lid 2 BW).<footnote-ref linkend="_32c9b4a3-d0e7-41bd-b16b-c8a839d0de99" />  Volgens de heersende leer gaat het om twee <emphasis role="italic">zelfstandige, alternatieve</emphasis> criteria, die niet cumulatief werken: indien aan één van de criteria is voldaan, is (reeds) sprake van bestanddeelvorming.<footnote-ref linkend="_064338c3-d307-499e-b140-105e6942f553" /></para>
        <para>Daarbij wordt uit de zojuist aangehaalde passage in de parlementaire geschiedenis wel afgeleid dat het materiële criterium van lid 2 kan worden beschouwd als een (dwingende) invulling van de verkeersopvatting.<footnote-ref linkend="_5c0e40e6-d374-43d8-9def-fffedc72512d" /></para>
        <para>Verder wordt aangetekend dat het uit praktisch oogpunt voor de hand ligt om eerst te toetsen aan het tweede lid van art. 3:4 BW (omdat het in veel gevallen vrij evident is of wel of niet sprake is van een dergelijke fysieke verbinding en een onderzoek naar de verkeersopvatting bij een positieve uitkomst achterwege kan blijven) en pas als die toets negatief uitvalt te toetsen aan de verkeersopvatting van het eerste lid.<footnote-ref linkend="_7e2100d1-9dd1-466f-b919-de1c9d8ca82f" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <parablock>
        <para>Enkele schrijvers lijken echter (uiteindelijk) toch het primaat toe te kennen aan de verkeersopvatting (het criterium zoals neergelegd in 3:4 lid 1 BW). </para>
        <para>Wolfert<footnote-ref linkend="_8a952ffc-637b-4d53-995e-c267dc8b50ba" /> neemt tot uitgangspunt dat de verkeersopvatting bepaalt wat als een zaak heeft te gelden. Daarvan uitgaande meent zij dat de verkeersopvatting ook als eindtoets moet worden gehanteerd bij de vraag of sprake is van bestanddeelvorming. Art. 3:4 lid 2 moet dan ook slechts als een <emphasis role="italic">vermoeden</emphasis> worden beschouwd; als een aanwijzing van wat de verkeersopvatting op dit punt inhoudt. Als er sterkere aanwijzingen zijn die in een andere richting wijzen, dan geven die volgens haar de doorslag.  </para>
        <para>Van der Plank<footnote-ref linkend="_bfa7e71c-7b1e-402e-9e3a-426f3d17136b" /> betoogt dat de heersende opvatting dat de twee criteria zelfstandige, nevengeschikte criteria zijn, niet in alle gevallen opgaat en dat de verkeersopvatting bestanddeelvorming op grond van het tweede lid van art. 3:4 BW kan doorkruisen. Hiervan is sprake als iets wat op grond van het tweede lid aan te merken is als bestanddeel, op grond van de verkeersopvatting toch als zelfstandige zaak geldt (zij noemt als voorbeeld een rijtjeshuis<footnote-ref linkend="_a98e683b-402f-4c05-9a7c-4a2729c8d393" />). Daarmee is volgens haar de verkeersopvatting het leidende criterium voor bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 BW.  </para>
        <para>Van enigszins andere orde is de stelling van Hoofs<footnote-ref linkend="_7bd0f8d2-d507-47b8-84a6-87b71258981c" /> dat partijen bij het beoordelen van de beschadiging in de zin van art. 3:4 lid 2 BW zullen terugvallen op de verkeersopvatting en dat het verbondenheidscriterium van lid 2 daarom kan worden gezien als een nadere invulling van het verkeersopvattingscriterium. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12</nr>
      <para>Ik sluit mij aan bij de heersende leer. Naar mijn mening valt uit hiervoor geciteerde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3:4 BW af te leiden dat naar de bedoeling van de wetgever het eerste en tweede lid van art. 3:4 BW twee zelfstandige, niet cumulatieve, criteria bevatten die elk afzonderlijk tot bestanddeelvorming kunnen leiden. Dit vindt bevestiging in het feit dat het voorstel van de Commissie om het tweede lid, nu dat naast het eerste lid zou kunnen worden gemist, te schrappen<footnote-ref linkend="_1a75cacd-b99b-4335-a157-32f793681460" />, door de wetgever niet is gevolgd. Dat impliceert dat het zich in de visie van de wetgever kan voordoen dat op de voet van het beschadigingscriterium van lid 2 wordt geconcludeerd tot bestanddeelvorming, ook al zou toepassing van de verkeersopvatting op de voet van lid 1 tot een ander oordeel leiden.<footnote-ref linkend="_37433a18-f763-4a8f-bb54-cc492b1a3425" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Art. 3:4 lid 2 BW: ‘beschadiging van betekenis aan een der zaken’</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13</nr>
      <para>In het bestreden arrest heeft het hof bestanddeelvorming op grond van het tweede lid van art. 3:4 BW afgewezen. Zoals gezegd is het toepasselijke criterium of een zaak zodanig met een hoofdzaak wordt verbonden dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat <emphasis role="italic">beschadiging van betekenis</emphasis> wordt toegebracht <emphasis role="italic">aan een der zaken.  </emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof heeft bij zijn oordeel of sprake is van een dergelijke ‘beschadiging van betekenis’ onder andere van belang geacht wat de omvang is van de schade (c.q. waardevermindering) die door de afscheiding ontstaat, in verhouding tot de waarde van de betrokken zaak of zaken, naar objectieve maatstaven beoordeeld. Het hof volgt daarmee niet het standpunt van UTB (en NB c.s.) dat het bij de toepassing van art. 3:4 lid 2 BW gezien de wettekst slechts gaat om de vraag of de afsplitsing al of niet leidt tot een <emphasis role="italic">fysieke</emphasis> beschadiging van betekenis, onafhankelijk van het antwoord op de vraag hoe die beschadiging in <emphasis role="italic">economische</emphasis> of <emphasis role="italic">vermogensrechtelijke</emphasis> zin als schade kan worden gekwantificeerd of begroot (rov. 4.21). Wat een ‘beschadiging van betekenis’ is, hangt volgens het hof af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder andere betekenis toekomt aan de waarde van de zaak en de daarvan af te scheiden zaak (rov. 4.21). </para>
        <para>In concreto neemt het hof als omstandigheden in aanmerking dat de oorspronkelijk te identificeren zaken onbedoeld en ongelukkigerwijs aan elkaar zijn verbonden en dat de ontstane verbinding tussen de ovens en het aluminium geen enkele functie of meerwaarde heeft (rov. 4.22). Naar objectieve maatstaven beoordeeld hadden de ovens op het moment dat het aluminium daarin was gestold geen enkele waarde meer. De afscheiding van het aluminium leidt daarom niet tot een waardevermindering van de ovens. Dit geldt ook voor het aluminium. Het aluminium vertegenwoordigde naar objectieve maatstaven beoordeeld geen waarde zo lang het in de ovens vast bleef zitten. Het aluminium heeft na de afscheiding een substantiële marktwaarde. Het afscheiden van het aluminium van de ovens leidt niet tot een waardevermindering van het aluminium. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het aluminium zonder ‘beschadiging van betekenis’ van de ovens kan worden afgescheiden in de zin van art. 3:4 lid 2 BW (rov. 4.22). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15</nr>
      <parablock>
        <para>De vraag is of ‘beschadiging van betekenis aan een der zaken’ als een zuiver <emphasis role="italic">fysiek</emphasis> criterium moet worden beschouwd (zoals bepleit door UTB) of als een <emphasis role="italic">economisch</emphasis> of <emphasis role="italic">vermogensrechtelijk</emphasis> (schade)criterium (zoals gehanteerd door het hof). </para>
        <para>Ik zal trachten deze vraag te beantwoorden aan de hand van achtereenvolgens (a) wetsgeschiedenis en tekst van de bepaling, (b) de ratio van de regel, (c) rechtspraak en (d) opvattingen in de literatuur. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(a) <emphasis role="italic">Wetsgeschiedenis en tekst </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16</nr>
      <para>In het Ontwerp Meijers luidde het tweede lid van het toenmalige art. 3.1.1.3 (thans art. 3:4 BW) als volgt: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Een zaak, die met een hoofdzaak zodanig verbonden is, dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder de hoofdzaak te beschadigen of te breken, is een bijzaak en vormt een bestanddeel van die hoofdzaak</emphasis>”.<footnote-ref linkend="_74252ec2-9092-410f-b57c-746304bbd78a" /></para>
        <para>Meijers baseerde de regeling op  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“de vanouds in ons land geldende eenvoudige regel, dat al wat aard- en nagelvast is (…) het lot van de hoofdzaak volgt.”<footnote-ref linkend="_44f13d06-30c4-4585-91be-80739913f23d" /></para>
        <para>De bepaling werd door Meijers als volgt toegelicht:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Het tweede lid bepaalt, dat <emphasis role="italic">bijzaken</emphasis> in ieder geval als bestanddeel zijn aan te merken. Bijzaken zijn zaken, die – onverschillig door wie of door welke oorzaak – met een hoofdzaak zodanig zijn verbonden, dat zij niet kunnen worden afgescheiden zonder beschadiging of verbreking van de hoofdzaak. Wat aard- en nagelvast is, is dus bestanddeel, maar niet ieder bestanddeel is aard- of nagelvast. Naast de “beschadiging van de hoofdzaak”[<emphasis role="italic">voetnoot 4</emphasis>] is “verbreking” afzonderlijk genoemd, om te doen uitkomen, dat ook al zou na de verbreking, de hoofdzaak weer geheel in onbeschadigde toestand worden hersteld, toch de bepaling van toepassing is.</para>
        <para>Een gevolg van dit tweede lid is, dat vruchten tot het ogenblik dat zij worden geplukt of afvallen, een bestanddeel van de plant uitmaken, eveneens in de grond geplaatste bollen die daar wortel hebben geschoten (H.R. 10 December 1937, N.J. 1938 no. 335), niet echter een verborgen schat of ingekuilde aardappelen (gemis aan verband), ook niet mosselschelpen die zich op palen hebben vastgehecht (H.R. 6 October 1902, W. 7811, mogelijkheid deze af te steken zonder beschadiging van de palen).”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">voetnoot 4</emphasis>: “Aard- en nagelvast moet men hier dus opvatten in de zin van datgene, wat zo vast is, dat het niet zonder beschadiging of verbreking van de hoofdzaak is los te maken; een ingeschroefd voorwerp kan zeer vast zitten, zonder in de hier bedoelde zin aard- of nagelvast te zijn.”<footnote-ref linkend="_93b55bb4-e31f-46ee-b781-b96ed6a8f956" /></para>
        <para>In het Voorlopig Verslag van de vaste Commissie voor Justitie uit de Tweede Kamer werd hierover het volgende opgemerkt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De commissie vraagt zich af, of het tweede lid niet te zeer een dwingend karakter draagt. Voor de verkeersopvatting is hier geen ruimte meer gelaten; onder omstandigheden kan deze bepaling tot een rem voor een ontwikkeling van de rechtspraak worden. Is zij reeds van toepassing, als de breuk slechts gering is?”<footnote-ref linkend="_7d50e73d-7bf2-4a98-9c79-1bb2db82b9ae" /></para>
        <para>Hierop werd door de minister in de Memorie van Antwoord als volgt gerespondeerd: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Met het door de Commissie aangevoerde bezwaar tegen het dwingend karakter van het tweede lid kan de ondergetekende zich niet verenigen. Het tweede lid stelt buiten twijfel dat hetgeen op de daar aangegeven wijze aan een (hoofd)zaak is verbonden, steeds bestanddeel van die (hoofd)zaak is. Hier wordt de ruimte welke het eerste lid aan de verkeersopvatting toestaat, dus niet verleend. Deze ruimte zou voor aard- of nagelvaste onderdelen ongewenst zijn. De regel geldt van de oudste tijden af en de ondergetekende ziet geen aanleiding hem te wijzigen.”</para>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Wanneer iets enkel met schroeven aan een zaak verbonden is, is het tweede lid niet van toepassing en kan derhalve niet worden gesproken van een “bijzaak” in de betekenis welke dat lid daaraan gaf. (…) het begrip “bijzaak” [is] uit het tweede lid (…) geschrapt.”</para>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“In de in het gewijzigd ontwerp voorgestelde tekst is “zonder de hoofdzaak te beschadigen of te breken” vervangen door “zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken”. Daarover is het volgende op te merken. </para>
        <para>De Commissie heeft de vraag gesteld of de bepaling van het tweede lid reeds van toepassing is als de breuk slechts gering is. Uit de vraagstelling meent de ondergetekende te begrijpen dat dit, indien het inderdaad zo zou zijn, ongewenst wordt geacht. De ondergetekende is het hiermede eens. In de gewijzigde tekst brengen thans de woorden “beschadiging van betekenis” tot uitdrukking dat voor de toepasselijkheid van lid 2 meer nodig is, dan dat de hoofdzaak of het bestanddeel niet geheel gaaf meer zou zijn. </para>
        <para>Voorts wordt in de voorgestelde tekst de beschadiging niet meer uitsluitend op de hoofdzaak betrokken: ook wanneer datgene wat met de hoofdzaak verbonden is door afscheiding beschadiging van betekenis zou ondergaan, zal het wenselijk zijn dit als bestanddeel te beschouwen. Aldus ook Asser-Beekhuis, Algemeen Deel p. 61, en H.R. 18 mei 1951, N.J. 1951 no. 548. </para>
        <para>Tenslotte is de ondergetekende van mening dat aan een afzonderlijke vermelding van “breken” naast “beschadiging van betekenis” geen behoefte bestaat, omdat het eerste zonder het tweede zich niet laat denken. Volgens de toelichting van Meijers (p. 163, tweede alinea) was deze vermelding in het ontwerp opgenomen ten einde te doen uitkomen dat, ook al zou na de verbreking de hoofdzaak weer geheel in onbeschadigde toestand worden hersteld, toch de bepaling van toepassing is. In het gewijzigd ontwerp is dit evenwel ook zonder het bezigen van de term “breken” voldoende duidelijk. Is afscheiding niet mogelijk zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht, dan is immers reeds aan de eis van deze bepaling voldaan. Het al dan niet bestaan van de mogelijkheid na afscheiding de daardoor ontstane beschadiging te herstellen speelt bij dit criterium geen rol.”<footnote-ref linkend="_c597884c-b8ff-40dc-865b-a088b2b6cea9" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17</nr>
      <para>Meijers hanteerde in verband met bestanddeelvorming door verbinding als criterium ook de “<emphasis role="italic">ernstige beschadiging</emphasis>” van de af te scheiden zaken.<footnote-ref linkend="_c9f7accd-8256-480e-9986-0cd4cb552ffc" /> Door de minister worden bestanddelen als bedoeld in lid 2 getypeerd als </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“bestanddelen die zeer moeilijk van de hoofdzaak zijn los te maken (…) zoals de bakstenen van een huis (…)”,</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>ten aanzien waarvan </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“opheffing van (de) verbinding (niet) zonder bezwaar kan geschieden.”<footnote-ref linkend="_e0bdb934-9ef3-4f34-89d7-c1b55c1c222e" /></para>
        <para>Als voorbeelden van bestanddelen in de zin van lid 2 worden elders in de wetsgeschiedenis onder meer genoemd: beplantingen en opstallen “<emphasis role="italic">wegens hun organische of mechanische verbinding</emphasis>” , zoals zaden en bollen waarbij “<emphasis role="italic">door het uitlopen van de wortels een organisch verband is gelegd</emphasis>”<footnote-ref linkend="_69aa185a-be56-4318-9ab4-5a0de83d46e5" />, respectievelijk planten in kwekerijen voor zover die “<emphasis role="italic">in bepaalde jaargetijden zodanig met de grond zijn verbonden dat zij niet kunnen worden losgemaakt zonder schade van betekenis te lijden</emphasis>.”<footnote-ref linkend="_cb83a140-b08b-4d59-ace5-39e8bb8c27b5" /> Daarentegen zijn in de grond gefundeerde directieketen “<emphasis role="italic">zeker</emphasis>” geen bestanddeel omdat “<emphasis role="italic">bij verwijdering in het algemeen niet zal kunnen worden gezegd dat aan het toch nog te egaliseren bouwterrein daardoor ‘schade van betekenis’ zou worden toegebracht.</emphasis>”<footnote-ref linkend="_0a3a74f0-d704-4f22-88bf-5eceec182851" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van de genoemde passages uit de parlementaire geschiedenis kan worden geconcludeerd dat de wetgever bij ‘beschadiging van betekenis’ de volgende situatie voor ogen heeft gehad: </para>
        <para>	- de opheffing van een <emphasis role="italic">aard- en nagelvaste</emphasis> verbinding tussen het onderdeel en de hoofdzaak</para>
        <para>	- met als gevolg de <emphasis role="italic">beschadiging </emphasis></para>
        <para>	- van één der betrokken <emphasis role="italic">zaken</emphasis> (hoofdzaak en/of onderdeel)</para>
        <para>	- welke beschadiging in ieder geval het <emphasis role="italic">breken</emphasis> van een zaak omvat en</para>
        <para>	- welke beschadiging<emphasis role="italic"> meer</emphasis> inhoudt dan dat de hoofdzaak of het bestanddeel <emphasis role="italic">niet meer geheel gaaf</emphasis> is</para>
        <para>	- en waarbij de mogelijkheid van <emphasis role="italic">herstel</emphasis> van de zaak in de <emphasis role="italic">onbeschadigde toestand</emphasis> geen rol speelt. </para>
        <para>Mede in het licht van de gegeven voorbeelden valt hieruit mijns inziens niet anders af te leiden dan dat de wetgever met ‘beschadiging van betekenis’ een louter <emphasis role="italic">fysiek</emphasis> beschadigingscriterium op het oog heeft gehad.<footnote-ref linkend="_dfc3f988-5f87-4ca9-ab95-ffb81b15bc50" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19</nr>
      <para>Dit vindt ondersteuning in de <emphasis role="italic">tekst</emphasis> van de bepaling. Deze eist immers niet dat afscheiding enigerlei vorm van vermogensrechtelijke ‘schade’ in het algemeen tot gevolg heeft, maar spreekt met zoveel woorden van ‘<emphasis role="italic">beschadiging</emphasis>’, die bovendien moet worden toegebracht ‘<emphasis role="italic">aan een der zaken</emphasis>.’ Dit duidt op schade aan de fysieke zaak zelf, en niet aan haar waarde.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(b) <emphasis role="italic">Ratio natrekking ex art. 3:4 BW</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20</nr>
      <para>Natrekking wordt gehonoreerd uit overwegingen die geïnspireerd worden door het <emphasis role="italic">eenheidsbeginsel</emphasis>.<footnote-ref linkend="_0b17340b-ce4e-4450-9c39-05c71148f16f" /> Dit beginsel van goederenrecht houdt in dat goederenrechtelijke rechten slechts een zaak als geheel kunnen betreffen, niet een of meer onzelfstandige onderdelen ervan.<footnote-ref linkend="_f177d9ca-7fce-4947-aac3-0617f53f9aac" /> Over de ratio achter het eenheidsbeginsel wordt verschillend gedacht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21</nr>
      <parablock>
        <para>In de literatuur wordt de ratio van natrekking op de voet van art. 3:4 BW niet alleen gevonden in de eisen van <emphasis role="italic">rechtszekerheid</emphasis> en het handelsverkeer – hetgeen als een eenheid oogt, wordt ook rechtens als zodanig gekwalificeerd –, maar ook (of: uitsluitend) in de gedachte dat de waarde van het geheel veelal groter is dan die van de som der delen (het <emphasis role="italic">waardemotief</emphasis> of <emphasis role="italic">kapitaalvernietigingsmotief</emphasis>) en/of dat afscheiding van het bestanddeel tegeldemaking in geval van beslag en faillissement bemoeilijkt.<footnote-ref linkend="_a62b08a1-71f3-4782-8394-5119af7ea991" /></para>
        <para>Bepleit wordt wel dat het materiële criterium van art. 3:4 lid 2 BW vooral moet worden herleid tot het waardemotief.<footnote-ref linkend="_2ca34525-118b-48fe-a66a-47139e491f63" /></para>
        <para>Recentelijk is betoogd dat in het licht van de nieuwe circulaire economie het waardemotief als achterhaald moet worden beschouwd. De mogelijkheid om bestanddelen terug te kunnen halen – bijvoorbeeld in het kader van duurzame woningbouw – is juist gewenst vanuit een oogpunt van het behoud van economische waarden. Het argument dat afscheiding leidt tot waardeverlies staat haaks op een circulaire economie.<footnote-ref linkend="_99420197-73ab-4c5b-bf39-bd2c81fd5100" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.22</nr>
      <para>In de parlementaire geschiedenis bij de regeling van de natrekking (art. 5:3, 5:14 en 5:20 BW) en de bestanddeelvorming op voet van de leden 1 en 2 van art. 3:4 BW zoekt men tevergeefs naar een uitspraak over de ratio ervan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.23</nr>
      <para>Een impliciete verwijzing naar motieven voor bestanddeelvorming wordt slechts aangetroffen in de passages met betrekking tot het door Meijers voorgestelde derde lid van art. 3:4 BW, dat voorzag in een inschrijfbaar eigendomsvoorbehoud ter voorkoming van bestanddeelvorming.<footnote-ref linkend="_5a136312-3793-4f6e-825a-2b86a5e6f700" /> Deze regeling werd uiteindelijk niet ingevoerd om redenen die refereren aan zowel het zekerheids- als het waardemotief:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Een stelsel waarin men zich onbeperkt zijn recht op een bestanddeel van een zaak zou kunnen voorbehouden, zou immers tot grote onzekerheid leiden, met name voor de crediteuren van degene aan wie de hoofdzaak toebehoort, waaronder hen die zich op de hoofdzaak een zakelijke zekerheid bedongen. Zo zou b.v. de hypotheekhouder er nimmer zeker van kunnen zijn dat bestanddelen als een centrale verwarmingsinstallatie of een scheepsmotor onder zijn onderpand zijn begrepen. Zij kunnen in dit stelsel immers aan een derde toebehoren; en deze situatie zou zelfs eerst na vestiging van de hypotheek kunnen ontstaan b.v. omdat het oorspronkelijke bestanddeel moet worden vervangen en de vervangende zaak wordt geleverd onder eigendomsvoorbehoud of zelfs alleen verhuurd. En dit bezwaar klemt te meer, wanneer het gaat om bestanddelen die zeer moeilijk van de hoofdzaak zijn los te maken of waarvan het verdwijnen de hoofdzaak wezenlijk zou aantasten, zoals de bakstenen of de dakpannen van een huis, de huidplaten van een schip.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>De waarde die de hier aan het eigendomsvoorbehoud gegeven versterking voor de crediteur zou kunnen hebben, is uitsluitend gelegen in de mogelijkheid om bij uitblijven van betaling het verkochte terug te nemen. Deze waarde is echter geringer dan zij schijnt. Het teruggenomene, aangepast als het is aan het onroerend goed waarvoor het oorspronkelijk bestemd was - men denke bij voorbeeld aan een centrale verwarmingsinstallatie -, zal dikwijls na de afscheiding slechts een naar verhouding geringe waarde vertegenwoordigen. Daarentegen zal de waardevermindering van het gebouw en daarmee het nadeel voor de eigenaar, diens overige schuldeisers en, in groter verband bezien, voor de gemeenschap, meestal onevenredig groter zijn.” <footnote-ref linkend="_18b6dfa3-83b6-4b29-86a4-1aa3058b61a8" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Deze schrapping wordt in de memorie van antwoord, kort samengevat, als volgt gemotiveerd: (a) bedoelde mogelijkheid zou tot grote onzekerheid leiden, met name voor de crediteuren van degene aan wie de hoofdzaak toebehoort, waaronder hen die zich op de hoofdzaak een zakelijke zekerheid bedongen, (b) een roerende zaak die aan een onroerende wordt toegevoegd  en vervolgens  weer wordt afgescheiden zal dikwijls, in verband met haar aanpassing aan de hoofdzaak, na deze afscheiding relatief weinig waarde bezitten terwijl daarentegen de hoofdzaak, ten nadele van de eigenaar, diens andere schuldeisers en de gemeenschap, onevenredig in waarde zal dalen (…)”<footnote-ref linkend="_6391f869-2520-47c1-9136-b87d9ce61bb4" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.24</nr>
      <para>Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet of een van de motieven prevaleert, laat staan welk motief dat zou zijn.<footnote-ref linkend="_bd6af84c-71a4-48df-aac6-a49ede659b3b" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(c) Rechtspraak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.25</nr>
      <para>Anders dan met betrekking tot het verkeersopvattingscriterium uit het eerste lid van art. 3:4 BW het geval is<footnote-ref linkend="_086f75ee-4eb8-4ada-a04d-e8b346005912" />, is er weinig rechtspraak over het beschadigingscriterium van 3:4 lid 2 BW. Een aantal uitspraken kan in dit verband vermeld worden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.26</nr>
      <para>In de parlementaire geschiedenis wordt als voorbeeld genoemd een arrest van uw Raad uit 1902<footnote-ref linkend="_6c0d4ec9-2eec-4545-93ab-fcad3e6d7ddc" />, waaruit zou volgen dat mosselschelpen die zich op palen hebben vastgehecht geen bestanddelen zijn, omdat deze zonder beschadiging van de palen kunnen worden afgestoken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.27</nr>
      <para>In de arresten <emphasis role="italic">Dépex/Bergel</emphasis><footnote-ref linkend="_10c99f79-b002-4208-bbac-5c0223b7cd77" />en <emphasis role="italic">Ontvanger/Rabo</emphasis><footnote-ref linkend="_55e1d6fa-faa7-48f5-84f6-07142b82f197" />werd de verkeersopvatting als criterium voor bestanddeelvorming door uw Raad afgezet tegen het criterium van “<emphasis role="italic">de mate van fysieke verbondenheid</emphasis>” van het potentiële bestanddeel met de hoofdzaak. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.28</nr>
      <para>In het arrest <emphasis role="italic">Gouderak/'t Delftsche Huys</emphasis><footnote-ref linkend="_9b3e2056-4487-48f6-81a9-94f0ec81ee78" /> stelde uw Raad vast dat de feitenrechter bestanddeelvorming had aangenomen op grond van ”<emphasis role="italic">materiële verbinding” </emphasis>als bedoeld in art. 563 lid 2 (oud) BW, waarin een omschrijving wordt gegeven van het – tot bestanddeelvorming leidende<footnote-ref linkend="_228a9f30-1a7e-47d5-a397-ec25ca75d149" /> – “aard- of nagelvast” zijn in de zin van art 562 (oud) BW-slot.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.29</nr>
      <para>In de uitspraak van het hof, kenbaar uit het arrest <emphasis role="italic">ABN Amro/Ontvanger</emphasis><footnote-ref linkend="_9d06bf14-fc14-4020-9a7d-5e63ba546cfd" />, werd geoordeeld dat met bouten en moeren vastgezette machines zonder breken of beschadigen van hetzij de machines hetzij het gebouw kunnen worden verwijderd, terwijl voor de vraag naar bestanddeelvorming c.q. aard- en nagelvastheid volgens het hof <emphasis role="italic">niet</emphasis> relevant is: de vraag of de machines slechts met grote inspanning en kosten kunnen worden losgemaakt en de kostbaarheid van herstel van het gebouw in de oude toestand. Dit oordeel was in cassatie niet aan de orde.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.30</nr>
      <para>In 1996<footnote-ref linkend="_8875eb8a-1eaf-4d2c-a281-7512bfca7bee" /> (toen art. 3:4 BW in werking was getreden) oordeelde uw Raad in het <emphasis role="italic">Straalcabine</emphasis>-arrest (in rov. 3.3.4) dat het hieronder geciteerde oordeel van het hof geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het bepaalde in art. 3:4 lid 2 BW en voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid kon worden getoetst. Dit oordeel van het hof luidde (met mijn onderstrepingen):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“9. Hendriks heeft onbestreden gesteld, dat de straalcabine c.a. met bouten met de muren aan de vloer was verbonden. Uit deze <emphasis role="underline">wijze van bevestiging</emphasis> volgt niet, dat verwijdering van de demontabele straalcabine c.a. tot beschadiging van betekenis van de bedrijfshal leidt. Evenmin volgt dit uit de omstandigheid dat bij verwijdering van de straalcabine c.a. enkele gaten in het dak en de muren zijn achtergebleven op de plaats waar openingen ten behoeve van de afzuiginrichtingen van de straalcabine c.a. waren aangebracht of uit de omstandigheid dat in de vloer kanalen voor een afzuiginrichting zijn achtergebleven. Daargelaten of die beschadigingen niet veeleer zijn ontstaan door het plaatsen van de straalcabine c.a. dan door het verwijderen daarvan, kan van beschadiging van betekenis niet worden gesproken. Hoewel dit voor Hendriks kosten meebrengt, is aannemelijk dat bedoelde gaten <emphasis role="underline">op eenvoudige wijze kunnen worden gedicht</emphasis>, terwijl genoemde kanalen in de vloer <emphasis role="underline">geen belemmering voor gewoon gebruik</emphasis> van de vloer opleveren, nu daarop – naar  door de President is vastgesteld en door Hendriks niet is bestreden – roosters liggen.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.31</nr>
      <para>In <emphasis role="italic">ECCL Associates Inc./Claassen q.q.</emphasis><footnote-ref linkend="_32b14ac1-aa4b-4d9d-a060-6379738134f6" />overwoog uw Raad (rov. 3.8) dat het hof geen onjuiste maatstaf had gehanteerd en ook overigens niet blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat de gestelde feiten en omstandigheden niet voldoende zijn om aan te nemen dat de spuitcabine-unit op zodanige wijze met de hal verbonden was dat zij niet zonder “<emphasis role="italic">schade van wezenlijke betekenis aan de bedrijfshal”</emphasis> – waarmee het hof volgens uw Raad niets anders bedoelt dan beschadiging van betekenis in de zin van art. 3:4 lid 2 BW – uit de hal kon worden verwijderd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.32</nr>
      <para>Uit deze spaarzame rechtspraak, waarin uw Raad zich beperkt tot de aanduiding van het criterium van art. 3:4 lid 2 BW als dat van “<emphasis role="italic">de mate van fysieke verbondenheid</emphasis>” c.q. “<emphasis role="italic">materiële verbinding</emphasis>”, kan vooralsnog niet met zekerheid worden afgeleid hoe ruim het begrip ‘beschadiging van betekenis aan een der zaken’ naar het oordeel van uw Raad kan worden opgevat. In de door uw Raad gesanctioneerde oordelen ging het de facto steeds om <emphasis role="italic">fysieke</emphasis> beschadiging van de betrokken zaken (zie onder 2.26, 2.30 en 2.31). In de feitenrechtspraak is daar een enkele keer aan toegevoegd dat de inspanning/kosten van het losmaken en de kosten van herstel niet relevant zijn (zie onder 2.29), hetgeen wijst op een zeer restrictieve, louter fysieke uitleg. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(d) <emphasis role="italic">Literatuur</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.33</nr>
      <para>De literatuur omtrent het begrip ‘beschadiging van betekenis’ toont verschillende schakeringen tussen enerzijds een zuiver <emphasis role="italic">fysieke</emphasis> opvatting en anderzijds een <emphasis role="italic">vermogensrechtelijke of economische</emphasis> opvatting van dit begrip.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.34</nr>
      <parablock>
        <para>Om deze tegenstelling in het juiste perspectief te plaatsen, merk ik op dat kennisneming van de literatuur leert dat het criterium van art. 3:4 lid 2 BW veelal slechts wordt geparafraseerd zónder dat specifiek wordt ingegaan op het begrip ‘beschadiging van betekenis’.<footnote-ref linkend="_ef4f7a43-f9cd-484d-a7e3-15e86962a57d" /> In die gevallen lijkt door de auteur impliciet van een zuiver <emphasis role="italic">fysiek</emphasis> beschadigingsbegrip te worden uitgegaan, met name wanneer de bepaling wordt geïllustreerd met voorbeelden van fysieke schade en op de mogelijkheid van niet-fysieke beschadiging niet wordt gezinspeeld. </para>
        <para>Zo spreken Reehuis en Heisterkamp van “het fysieke criterium” van art. 3:4 lid 2 BW, dat meebrengt dat wanneer een zaak niet van de hoofdzaak kan worden losgemaakt zonder aan een der zaken schade van betekenis toe te brengen, sprake is van bestanddeelvorming, waarbij als voorbeeld wordt genoemd een baksteen uit de muur van een huis.<footnote-ref linkend="_f4bc85dd-77d9-40d0-8550-f409246d7f96" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.35</nr>
      <parablock>
        <para>Een enkele auteur gaat expliciet uit van fysieke beschadiging.</para>
        <para>Zo plaatst Beuving<footnote-ref linkend="_b9c3f293-8099-4687-9b8f-f5828805a6a5" /> de “economische schade” als gevolg van afscheiding van een bestanddeel op de voet van lid 1 uitdrukkelijk tegenover de “<emphasis role="italic">fysieke</emphasis> schade” als bedoeld in lid 2. </para>
        <para>Fikkers<footnote-ref linkend="_8996556c-4e91-4606-abcb-fe0e5ae6a316" /> betoogt dat het bij de hechte verbinding in de zin van lid 2 gaat om de aard van de verbondenheid en vindt een aanwijzing voor bestanddeelvorming met name in de onbruikbaarheid van de hoofdzaak na de afscheiding, waarbij zij als voorbeeld noemt het achterblijven van grote gaten in de hoofdzaak.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.36</nr>
      <parablock>
        <para>Incidenteel wordt de fysieke schade <emphasis role="italic">afgemeten</emphasis> aan haar verhouding tot de waarde van de betrokken zaken. </para>
        <para>Kortmann<footnote-ref linkend="_00d4253c-9078-476e-83bc-5fa594ca5103" /> gaat ervan uit dat de <emphasis role="italic">fysieke</emphasis> schade waarnaar de bepaling verwijst, ‘van betekenis’ moet zijn in die zin dat zij substantieel is in verhouding tot de waarde van de hoofdzaak of de waarde van de toegevoegde zaak. </para>
        <para>Volgens Snijders<footnote-ref linkend="_3a292c74-ba03-43d2-8d66-302b67e1ef1b" /> gaat het om de vraag of de waarde van de nieuwe zaak die door de verbreking van de hoedanigheid van bestanddeel ontstaat, opweegt tegen de schade die door de verbreking wordt veroorzaakt, welke afweging ten aanzien van een ingemetseld ligbad uitvalt ten gunste van bestanddeelvorming.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.37</nr>
      <parablock>
        <para>Van een (meer) <emphasis role="italic">vermogensrechtelijk</emphasis> of <emphasis role="italic">economisch</emphasis> getint beschadigingsbegrip – al of niet naast een louter fysiek begrip – wordt uitgegaan door de hieronder genoemde auteurs.<footnote-ref linkend="_fc74806d-bba2-4d67-9f71-cd94f8407de4" /> In dit verband wordt dan ook doorgaans gesproken van ‘schade’ (en niet: beschadiging) van betekenis. </para>
        <para>Als relevante factoren worden onder meer genoemd, al of niet in combinatie en/of onderlinge relatie: de kosten van afscheiding, de waarde(vermindering) van de betrokken zaken als gevolg van de afscheiding en de (on)doelmatigheid of (on)gebruikelijkheid van het verbonden zijn van de zaken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.38</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens Kortmann<footnote-ref linkend="_8262e43a-e495-442c-b6d9-b93b830aa65b" /> zou – naast het geval van fysieke beschadiging van betekenis – eveneens van ‘schade van betekenis’ kunnen worden gesproken indien het verwijderen van een toegevoegde zaak in economische zin niet verantwoord is. Hij tekent daarbij aan dat men bij het hanteren van dit “verbindingscriterium in deze niet-fysieke zin” wel zal moeten uitgaan van de situatie waarin de toegevoegde zaak nog min of meer <emphasis role="italic">nieuw</emphasis> is. Het verwijderen van een drukmachine uit een gebouw kan bijvoorbeeld economisch verantwoord zijn, indien deze machine onlangs is geplaatst, maar zal wellicht niet meer de moeite waard zijn, indien de machine na tien jaren is afgeschreven. Het is niet in overeenstemming met de rechtszekerheid dat men de machine kort na plaatsing als een zelfstandige roerende zaak duidt, maar deze als een bestanddeel aanmerkt vanaf het moment dat verwijdering van de machine niet meer lonend is, aldus Kortmann. </para>
        <para>Om deze laatste reden – dat de kwalificatie als bestanddeel zou afhangen van het waardeverloop in de tijd – verwerpt Fikkers<footnote-ref linkend="_dfd49ade-8152-4cd7-8643-0e00c9d7bc72" /> de opvatting dat de omvang van de verwijderingskosten in relatie tot de baten doorslaggevend is voor bestanddeelvorming op de voet van art. 3:4 lid 2 BW. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.39</nr>
      <para>Ploeger<footnote-ref linkend="_bf24f632-3fe6-454a-a69b-e1c9e40af759" /> stelt aan de hand van de rechtspraak<footnote-ref linkend="_b8f52be8-7607-4308-bde2-65f1721f078e" /> vast dat in het kader van art. 3:4 lid 2 BW niet de aard van de verbinding beslissend is, maar de schade die het verbreken van de verbinding veroorzaakt. Aangezien vrijwel elke verbinding door het investeren van voldoende tijd, moeite en geld zonder ernstige fysieke aantasting te verbreken is, zullen onder het begrip ‘schade’ ook de kosten voor een schadeloze verbreking gerekend moeten worden. Het gaat volgens Ploeger dus niet om de fysieke aard van de verbinding, maar om een <emphasis role="italic">afweging</emphasis> van de bij de opheffing van de verbinding verbonden <emphasis role="italic">kosten en baten</emphasis>. Hieruit volgt dat het begrip ‘schade’ relatief is: het gaat om de hoogte van de te verwachten schade in verhouding tot de waarde van de zaken. Dit betekent dat hoe kostbaarder de af te scheiden zaak is, des te groter de kosten mogen zijn die verbonden zijn aan het verbreken van de verbinding. In zo’n geval weegt de waarde van het voorwerp als zelfstandige zaak op tegen de schade die het losbreken veroorzaakt. Slechts wanneer de baten van het afscheiden niet meer opwegen tegen de kosten die daarmee gepaard gaan, kan men spreken van ‘beschadiging van betekenis’ en moet de conclusie volgen dat er een eenheidszaak bestaat. Daarom zal volgens Ploeger ook niet te snel aangenomen worden dat er een eenheidszaak is ontstaan wanneer de verbinding leidt tot een volledig zinloos of ongebruikelijk geheel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.40</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens Heyman en Bartels sluit deze meer rechtseconomisch gefundeerde opvatting van Ploeger het beste aan bij de ratio van de regel. Het technische criterium (d.w.z.: de vraag of iets technisch niet zonder ernstige schade kan worden verwijderd) blijft huns inziens echter wel in zoverre van betekenis dat wat normaliter technisch niet zonder beschadiging is te verwijderen bestanddeel is. Dat is niet anders indien die schade via uiterst kostbare technische hoogstandjes kan worden vermeden. Daarbij moet onzekerheid over de vraag wanneer de kosten zo hoog zijn dat de regel van toepassing wordt, maar worden aanvaard.<footnote-ref linkend="_972fe682-d703-4ee5-92be-91e0b07dc61e" /></para>
        <para>Deze visie komt er dus, kort gezegd, op neer dat ook sprake is van een eenheidszaak indien losmaking technisch wel mogelijk is zónder of met slechts geringe (lees: fysieke) beschadiging, maar alleen tegen onevenredig hoge kosten.<footnote-ref linkend="_b7734053-7b9a-4251-a1a4-8e634d741fc5" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.41</nr>
      <para>Ook Wichers<footnote-ref linkend="_02f32705-a2ac-4357-81b5-1d5b5b8ea0e3" /> kijkt ter beantwoording van de vraag of een beschadiging ‘van betekenis’ is naar de omvang van de schade in vergelijking met de waarde van de betrokken zaak, waarbij deze factoren alle naar objectieve maatstaven (ofwel de verkeersopvatting) moeten worden bezien.<footnote-ref linkend="_f235384e-fe8a-4515-a1e6-f80fc704f4d6" /> Wanneer de waarde van de zaak niet meer opweegt tegen de schade die het verbreken veroorzaakt, is de beschadiging één van betekenis. Bepalend zijn volgens haar de meer of minder bijzondere omstandigheden van het geval. Als factoren worden onder andere genoemd: de omvang van de fysieke aantasting van de zaak (te begroten op de gebruikelijke herstelkosten), de met die fysieke aantasting verband houdende waardevermindering van de zaak<footnote-ref linkend="_66878482-ada1-4753-a9ed-f1f58ff5a144" />, alsmede de aan een schadeloze afscheiding verbonden onevenredige kosten of arbeid. Zij lijkt daarentegen het ‘volledig zinloos’ of ‘ongebruikelijk’ zijn van de verbinding niet relevant te vinden.<footnote-ref linkend="_a6a6e1f7-97bd-4204-92e5-4337027ec939" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.42</nr>
      <para>In hun annotatie bij het vonnis van de rechtbank in de hier voorliggende zaak van 15 juli 2015 wordt door Hummelen en Breeman voorop gesteld dat (i) de wet spreekt van ‘beschadiging’ en niet van ‘schade’, (ii) de wetgever uitdrukkelijk heeft bepaald dat geen ruimte bestaat voor de verkeersopvatting bij toetsing aan art. 3:4 lid 2 BW<footnote-ref linkend="_8baf8c31-8ae2-4101-a7c8-8f93b33783e9" />, en (iii) in de rechtspraak slechts aandacht wordt besteed aan de mate van fysieke beschadiging bij afscheiding. In dat licht had volgens de annotatoren toelichting verdiend op welke grondslag de rechtbank meende het criterium van art. 3:4 lid 2 BW ruim te kunnen uitleggen door, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval (waaronder de verkeersopvatting en de economische realiteit) niet alleen de fysieke ‘beschadiging’ maar ook de mate van economische ‘schade’ in aanmerking te nemen. Zij achten die aanpak echter wel terecht, nu een puur fysiek criterium tot onbillijke uitkomsten kan leiden. Zij bepleiten een billijkheidscorrectie, bestaande in het aannemen van een uitzondering op bestanddeelvorming als de door de fysieke schade ontstane economische schade aan één der zaken disproportioneel laag is ten opzichte van de waarde van de andere zaak als zelfstandige zaak.<footnote-ref linkend="_f70b645c-2b4a-41a2-9530-ac638d71307d" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>	‘<emphasis role="italic">Beschadiging van betekenis aan een der zaken’ – slotsom</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.43</nr>
      <para>Uit het voorgaande blijkt dat geen duidelijkheid bestaat omtrent de uitleg c.q. reikwijdte van het begrip ‘beschadiging van betekenis aan een der zaken’ in de zin van art. 3:4 lid 2 BW. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.44</nr>
      <parablock>
        <para>Wat betreft de rechtspraak (zie hiervoor onder (c), m.n. 2.32) is vastgesteld dat uw Raad het criterium van art. 3:4 lid 2 BW aanduidt als dat van “<emphasis role="italic">de mate van fysieke verbondenheid</emphasis>” en dat daaruit vooralsnog niet met zekerheid lijkt te kunnen worden afgeleid of het begrip ‘beschadiging van betekenis aan een der zaken’ naar het oordeel van uw Raad naast zuiver fysieke schade ook vermogensrechtelijke of economische schade kan omvatten. De feitenrechter lijkt van een restrictieve lezing uit te gaan.</para>
        <para>In de literatuur – voor zover daarin expliciet op het begrip wordt ingegaan – zijn verschillende opvattingen terug te vinden, variërend van, enerzijds, een zuiver fysieke uitleg tot, anderzijds, een door economische en/of doelmatigheidsoverwegingen bepaalde uitleg (zie hiervoor onder (d)). </para>
        <para>Ook de verschillende rationes van de bepaling – waaraan in de wetsgeschiedenis slechts indirect wordt gerefereerd – wijzen niet eenduidig in de richting van een bepaalde uitleg (zie hiervoor onder (b)). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.45</nr>
      <para>Wat resteert, zijn de tekst en de wetsgeschiedenis van de bepaling. Als gezegd (hiervoor onder (a), m.n. 2.18) wijzen deze naar mijn mening onmiskenbaar op een zuiver <emphasis role="italic">fysieke</emphasis> maatstaf: de vraag of sprake is van een ‘beschadiging van betekenis aan een der zaken’  moet worden beantwoord aan de hand van de fysieke beschadiging van de betrokken zaken (waarvoor in ieder geval meer nodig is dan dat de hoofdzaak of het bestanddeel ‘niet geheel gaaf’ meer zou zijn). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.46</nr>
      <para>Ik meen dat het criterium van art. 3:4 lid 2 BW in deze zuiver fysieke zin moet worden opgevat.<footnote-ref linkend="_6c39ba76-9471-4ed5-af84-fc15aeb8537f" /> De bepaling behelst immers een zelfstandig, alternatief criterium: zij stelt buiten twijfel dat hetgeen op de daar aangegeven wijze aan een (hoofd)zaak is verbonden, <emphasis role="italic">steeds</emphasis> bestanddeel van die (hoofd)zaak is, waarbij uitdrukkelijk geen ruimte is voor de verkeersopvatting als bedoeld in het eerste lid. In dit stelsel ligt besloten dat het zich kan voordoen dat op grond van lid 2 tot bestanddeelvorming moet worden geconcludeerd, al zou dat tegen de verkeersopvatting indruisen (zie hiervoor onder 2.12). Hieruit kan de bedoeling van de wetgever worden afgeleid om een heldere (fysieke) maatstaf te creëren, waarbij de verkeersopvatting omtrent hetgeen onderdeel van een zaak uitmaakt, niet relevant is. Nu de verkeersopvatting deze ruimte uitdrukkelijk is ontzegd, moet het mijns inziens ook niet mogelijk zijn haar de (aloude) maatstaf van art. 3:4 lid 2 BW binnen te loodsen in de gedaante van een niet-fysiek ‘beschadigings’criterium, zoals de verhouding tussen de kosten en baten van de afscheiding, of zelfs het nut en/of de gebruikelijkheid dan wel de toevalligheid van de verbinding. Wat dat laatste betreft, wijs ik erop dat de wetgever de oorzaak van de verbinding uitdrukkelijk als niet relevant aanmerkt.<footnote-ref linkend="_a91547ef-c628-41a5-90d5-cd4b73d02057" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.47</nr>
      <para>Men kan mij tegenwerpen dat het hanteren van een louter fysieke maatstaf in bepaalde gevallen zou kunnen leiden tot ongewenste resultaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.48</nr>
      <para>Te dien aanzien kan in de eerste plaats worden opgemerkt dat dergelijke gevallen betrekkelijk spaarzaam zullen voorkomen. Zoals in de literatuur ook veelvuldig wordt aangetekend, zal in de meeste gevallen van een hechte verbinding als bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW ook naar verkeersopvatting sprake zijn van bestanddeelvorming. Niet moet uit het oog worden verloren dat het in de onderhavige procedure gaat om een zeer uitzonderlijke casus, waarin afscheiding zou leiden tot waardevermeerdering van de met geweld van elkaar losgehakte zaken; een vergelijkbare casus zal zich niet snel aandienen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.49</nr>
      <para>Het is mede ter voorkoming van mogelijke ongerijmde resultaten dat in de literatuur wordt bepleit het criterium ‘beschadiging van betekenis’ op te rekken tot buiten de zuiver fysieke beschadiging en bestanddeelvorming (mede) te doen afhangen van de financiële gevolgen van de afscheiding en zelfs van de (on)doelmatigheid van de verbinding. Ik meen dat deze methode, hoezeer zij op het eerste gezicht wellicht aanlokkelijk voorkomt, geen voorkeur verdient. Reeds het palet van door de verschillende auteurs gegeven factoren illustreert dat een duidelijk criterium zich moeilijk laat afbakenen. Het zou daardoor gemakkelijk kunnen uitmonden in de doorslaggevendheid van de ‘omstandigheden van het geval’. Daarmee zou het criterium van lid 2 naast lid 1 de facto niet of nauwelijks zelfstandige betekenis hebben, hetgeen uitdrukkelijk in strijd is met de bedoeling van de wetgever. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.50</nr>
      <para>In de tweede plaats is van belang dat natrekking niet primair op overwegingen van billijkheid berust.<footnote-ref linkend="_3ece6e0d-bc9c-4a94-ace2-51ceca7a710f" /> Bij natrekking gaat het om een ordeningsregel; het goederenrechtelijk gevolg – de eigendomsovergang – treedt rechtens in, ook als dat niet billijk uitpakt.<footnote-ref linkend="_45303049-c1b1-4f54-9707-cbde4ae62480" /> Eventuele onbillijke consequenties van natrekking op de voet van art. 3:4 lid 2 BW – zoals in geval van natrekking van een gestolen zaak<footnote-ref linkend="_bb5fa976-e6f9-43e8-9afa-f0c3ac2f0838" /> of een onbedoeld verbonden zaak – kunnen naar de bedoeling van de wetgever echter worden gecompenseerd door verbintenisrechtelijke acties tegen de verkrijger, zoals uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW).<footnote-ref linkend="_320b69a3-307f-4b6e-90dd-f08bc3fdd6bd" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.51</nr>
      <parablock>
        <para>Wat betreft de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking geldt volgens de toelichting in het algemeen dat indien de wet aan bepaalde feiten een vermogensverschuiving verbindt, aan de hand van de strekking van de betreffende regeling dient te worden vastgesteld of de daaruit resulterende verrijking (die in zoverre niet ‘ongegrond’ of ‘zonder rechtsgrond’ genoemd kan worden) ook gerechtvaardigd is. Voor regels van natrekking geldt nu dat deze volgens de wetgever slechts uitsluitsel geven omtrent de eigendomsvraag; daarom kan toch sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking.<footnote-ref linkend="_fa8eded4-0895-4459-8842-89d400d15805" /> Er wordt in de wetsgeschiedenis zelfs van uitgegaan dat in geval van natrekking de verrijking in beginsel ongerechtvaardigd is.<footnote-ref linkend="_35c8c939-37df-4564-9ef1-887a97581cba" /></para>
        <para>In overeenstemming daarmee wordt ook in de literatuur<footnote-ref linkend="_6b4245ce-32da-4591-a692-d8bba5e2b16b" />  en de rechtspraak<footnote-ref linkend="_81c07d9e-67d9-46e5-9d5c-df168ad5bf92" />  aangenomen dat in geval van natrekking (alsmede vermenging en zaaksvorming) een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking toegelaten kan zijn. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.52</nr>
      <para>Hiervoor gaf ik reeds aan dat een remedie tegen onwenselijk geachte gevolgen van bestanddeelvorming op de voet van art. 3:4 lid 2 BW naar mijn mening bij voorkeur niet ‘van binnenuit’ – door oprekking van de maatstaf ‘beschadiging van betekenis’ – moet worden bewerkstelligd. In de – uitzonderlijke – gevallen dat bestanddeelvorming tot onbillijke resultaten lijdt, moet en kan een remedie ‘buitenom’ uitkomst bieden, zoals een actie wegens ongerechtvaardigde verrijking. Deze benadering is in het goederenrecht – dat vraagt om heldere regels – niet ongebruikelijk. Ik wijs erop dat het in goederenrechtelijke kwesties vaker voorkomt dat de nadelige gevolgen van heldere, maar daardoor in sommige gevallen onbillijk uitpakkende regels langs andere wegen moeten worden aangepakt. In het recente verleden heeft uw Raad bijvoorbeeld in het kader van het burenrecht en de verkrijgende verjaring een dergelijke benadering gehanteerd: niet de wettelijke norm zelf werd versoepeld, maar verwezen werd naar een buiten die norm gelegen remedie, zoals een beroep op misbruik van recht of strijd met de redelijkheid en billijkheid<footnote-ref linkend="_062e65ee-7ecf-4e52-b018-4bf89c960fb3" /> respectievelijk aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.<footnote-ref linkend="_1aa407f9-897d-4c93-9090-48df15ac4ea6" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Bespreking klachten onderdeel 1</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.53</nr>
      <para>Het voorgaande brengt mij tot de volgende beoordeling van de klachten van onderdeel 1. Deze kan kort zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.54</nr>
      <para>Onderdeel 1 klaagt, kort samengevat, (i) dat het hof heeft miskend dat ‘beschadiging van betekenis’ als bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW een zuiver <emphasis role="italic">fysiek</emphasis> criterium behelst, dat ziet op <emphasis role="italic">materiële</emphasis> beschadiging van betekenis, en (ii) door zijn toepassing van art. 3:4 lid 2 BW daaraan ten onrechte alsnog zelfstandige betekenis ontneemt als alternatief criterium voor bestanddeelvorming naast dat van art. 3:4 lid 1 BW.<footnote-ref linkend="_7ac932db-e18a-446b-ab74-52d360e76c97" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.55</nr>
      <parablock>
        <para>Zoals volgt uit het hiervoor geschetste juridisch kader, moet het begrip ‘beschadiging van betekenis aan een der zaken’ als bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW naar mijn mening inderdaad worden opgevat als een zuiver <emphasis role="italic">fysieke</emphasis> beschadiging van betekenis. Het hof heeft dat miskend door de vraag of een beschadiging van betekenis is opgetreden als bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW niet te beantwoorden aan de hand van een fysieke maatstaf, maar een vermogensrechtelijk en economisch (schade)criterium tot uitgangspunt te nemen en in dat kader relevantie toe te kennen aan de in rov. 4.22 genoemde omstandigheden, te weten dat (i) de verbinding tussen het aluminium en de ovens onbedoeld en zonder reden tot stand is gekomen, (ii) de afscheiding van het aluminium in de gegeven omstandigheden “koste wat kost” diende te gebeuren en (iii) met de instandhouding van de verbinding tussen het aluminium en de ovens geen enkel redelijk, praktisch of economisch belang is gediend. </para>
        <para>De daarop gerichte klachten van onderdeel 1 treffen dan ook doel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 2: vermenging (rov. 4.40-4.51)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.56</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 2</emphasis> keert zich tegen de oordelen van het hof:</para>
        <para>(a) (onder het kopje “Vermenging”) dat <emphasis role="italic">UTB c.s. de in rov. 4.40 genoemde vermengingsdiscussie en het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015 niet in hun memorie van antwoord aan de orde hebben gesteld </emphasis>(rov. 4.41), en </para>
        <para>(b) (onder het kopje “Begroting schade; uitgangspunten”) dat <emphasis role="italic">de genoemde hypothetische situatie </emphasis>(waarin Glencore ongehinderd in staat was geweest zich als separatist op het aluminium te verhalen, en wel, gelet op de vaststellingsovereenkomst van 23 december 2011 tussen Glencore en curatoren, op <emphasis role="italic">al </emphasis>het aluminium in de ovens) <emphasis role="italic">niet alleen geldt in de verhouding tussen Glencore en curatoren, maar ook in de relatie tussen Glencore en NB c.s. en UTB</emphasis> (rov. 4.70). </para>
        <para>Het onderdeel bestaat uit twee subonderdelen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.57</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.1</emphasis> klaagt dat de genoemde oordelen (a) en (b) onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn in het licht van het in eerste aanleg ingenomen<footnote-ref linkend="_5f69e9d8-8610-4ffa-b849-e343fe3cb05e" /> en vervolgens in appel gehandhaafde<footnote-ref linkend="_1c97ec63-421d-494e-84cd-2a073e854cdf" /> (subsidiaire) standpunt van UTB betreffende de <emphasis role="italic">beperking</emphasis> van het pandrecht van Glencore, waaraan het hof ten onrechte voorbij is gegaan. </para>
        <para>Dit standpunt houdt volgens het middel in dat (i) Glencore louter een pandrecht heeft op het aluminium dat zich op 13 december 2011 te 0.00 uur in de ovens bevond, en dat (ii) als wordt aangenomen dat Glencore van rechtswege een aandeel heeft in het aluminium dat in de ovens aanwezig op het moment van het staken van de productie, (iii) het aan Glencore is om nauwkeurig de omvang van dat aandeel te duiden, hetgeen niet mogelijk is, zodat (iv) bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid van een pandrecht op een deel van het aluminium (v) van een rechtsgeldig pandrecht geen sprake is, althans (vi) Glencore daardoor niet in staat was van een recht van parate executie gebruik te maken.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.58</nr>
      <para>Volgens <emphasis role="underline">subonderdeel 2.2</emphasis> is althans oordeel (b) onjuist, dan wel bij gebrek aan (nadere) motivering onbegrijpelijk, omdat het hof heeft miskend dat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst van 23 december 2011 tussen de curatoren en Glencore in zoverre niet kan worden tegengeworpen aan UTB. Ook in de hypothetische situatie (zonder fout) immers blijft staan dat UTB zich in het geding op het standpunt heeft gesteld dat Glencore louter een pandrecht heeft op het aluminium dat zich op 13 december 2011 te 0:00 uur in de ovens bevond. Voor zover het hof zijn oordeel (b) (mede) heeft doen rusten op zijn overweging (a) dat UTB niet bij memorie van antwoord is ingegaan op de vermengingsdiscussie, heeft het hof volgens UTB over het hoofd gezien dat UTB in appel haar standpunt uit de eerste aanleg over de vermengingsdiscussie heeft gehandhaafd, dan wel heeft het hof de devolutieve werking van het hoger beroep miskend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.59</nr>
      <parablock>
        <para>Voorafgaand aan de behandeling van deze klachten merk ik op dat het vermengingsoordeel van het hof (in rov. 4.40-4.51) voortbouwt op zijn oordeel dat het aluminium <emphasis role="italic">niet</emphasis> door de ovens is nagetrokken (rov. 4.15-4.23). Zie ook de openingszin van rov. 4.40: “<emphasis role="italic">Ervan uitgaande dat het aluminium niet door de ovens is nagetrokken, is tussen partijen niet in geschil dat Glencore een pandrecht had op het aluminium dat zich in de ovens heeft gevormd tot aan het moment van het intreden van het faillissement.</emphasis>”. Vervolgens gaat het hof in op de vraag of – en in hoeverre – Glencore ook een pandrecht heeft verkregen op het aluminium dat zich na faillietverklaring heeft gevormd.</para>
        <para>Er bestaat bij onderdeel 2 dus alleen belang indien uw Raad, anders dan hiervoor door mij is bepleit, tot het oordeel mocht komen dat onderdeel 1 (dat ziet op het natrekkingsoordeel van het hof; rov. 4.15-4.23) faalt, of indien, na gegrondbevinding van onderdeel 1 en vernietiging, het verwijzingshof met toepassing van de juiste maatstaf alsnog tot het oordeel mocht komen dat geen sprake is van bestanddeelvorming. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.60</nr>
      <para>Op de in het middel aangegeven vindplaatsen in de procedure in <emphasis role="italic">eerste aanleg</emphasis> heeft UTB aangevoerd dat zij op basis van voortschrijdend inzicht van oordeel is dat het pandrecht van Glencore reeds voorafgaand aan de stolling is tenietgegaan, en wel door een combinatie van zaaksvorming en vermenging (akte uitlating gerechtelijke plaatsopneming tevens houdende akte aanvulling conclusie van antwoord<footnote-ref linkend="_86182780-756c-42f4-aaff-b6702cc92728" />, onder 66). Onder 73 voert UTB aan: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Zalco N.V. was eigenaar het van vloeibaar aluminium dat zich om 0:00 uur in de ovens bevond. Tevens werd zij eigenaar van het vloeibare aluminium dat na 0:00 uur werd geproduceerd. Het vloeibare aluminium dat zich om 0:00 uur in de ovens bevond, was verpand aan Glencore. Het aluminium dat ná 0:00 uur werd gevormd is niet aan Glencore verpand. Te gelden heeft namelijk dat Zalco N.V. vanaf 13 december 2011 te 0:00 uur niet langer beschikkingsbevoegd was. Bij gebreke van beschikkingsbevoegdheid kon het aluminium dat na 0:00 uur werd gevormd niet meer ten gunste van Glencore worden verpand, noch kon het bij voorbaat gevestigde pandrecht op dit aluminium tot stand komen.</emphasis>”,</para>
        <para>om onder 81-82 tot de volgende slotsom te komen:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">81. Primair stellen UTB c.s. zich aldus op het standpunt dat het pandrecht van Glencore op het vloeibare aluminium dat zich om 0:00 uur in de ovens bevond teniet is gegaan door vermenging c.q. zaaksvorming van na 0:00 uur gevormd aluminium. Subsidiair nemen UTB c.s. het standpunt in dat Glencore louter een pandrecht heeft op het aluminium dat zich om 0:00 uur in de ovens bevond. (…) Het is aan Glencore om te duiden wat de omvang van het aandeel is, waarop haar pandrecht rust. Indien zij daarin niet slaagt heeft te gelden dat zij überhaupt geen pandrecht geldend kan maken. (…)</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">82. Het pandrecht van Glencore op een deel van het aluminium is in casu onvoldoende bepaalbaar. Bij gebreke van [bepaalbaarheid] is van een rechtsgeldig pandrecht geen sprake. (…)</emphasis>”</para>
        <para>In haar conclusie van dupliek tevens houdende conclusie van antwoord in incident, tevens antwoordakte vermeerdering van eis<footnote-ref linkend="_590dec97-cb0d-4ef7-90bd-2015a2c0659a" /> voert UTB (onder 42) wederom aan dat het pandrecht van Glencore volgens haar reeds is tenietgegaan ten gevolge van het feit dat het zich op het moment van faillietverklaring in de ovens bevindende aluminium is vermengd met aluminium dat later is geproduceerd. Indien dit pandrecht deze vermenging onverhoopt zou hebben overleefd dan laat dat volgens UTB onverlet dat de plakken aluminium worden gevormd door een verpand deel en een onverpand deel. Nu Glencore niet zal kunnen aanwijzen welk deel van het aluminium voor en na faillissement is geproduceerd, zodat het verpande deel niet kan worden geïndividualiseerd, zal van een pandrecht geen sprake zijn, aldus UTB. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.61</nr>
      <para>Nadat in deze zaak op 15 juli 2015 het vonnis in eerste aanleg was gewezen, heeft uw Raad in het <emphasis role="italic">Zalco</emphasis>-arrest van 14 augustus 2015<footnote-ref linkend="_59d3413c-7547-49b9-81fe-40fdb02e9c0d" /> met betrekking tot vermenging als volgt geoordeeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“3.7.4 Art. 5:15 in verbinding met art. 5:14 BW kunnen in ieder geval worden toegepast indien één van de vermengde zaken als hoofdzaak kan worden aangemerkt. In dat geval zal het pandrecht vervallen indien het rustte op een zaak die door de vermenging bestanddeel wordt, en zal het komen te rusten op de hoofdzaak met inbegrip van de bestanddelen daarvan indien het rustte op de zaak die in het kader van de vermenging als hoofdzaak wordt aangemerkt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor het geval dat geen van de zaken als hoofdzaak kan worden aangewezen, bepaalt art. 5:14 lid 2 BW dat een nieuwe zaak ontstaat. Art. 5:15 BW brengt in verbinding met art. 5:14 BW in een zodanig geval mee dat van rechtswege een nieuw pandrecht ontstaat op een aandeel in de nieuwe zaak ten behoeve van degene die het pandrecht op de door vermenging tenietgegane zaak had gevestigd. Weliswaar is dit niet met zoveel woorden in de genoemde artikelen geregeld, maar het strookt met de inhoud en strekking van die bepalingen dat zij ook het hier aan de orde zijnde geval bestrijken van vermenging van gelijksoortige zaken, op één waarvan een pandrecht rust.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.7.5</nr>
        <para>Indien sprake is van vermenging van twee of meer roerende zaken, dient de vraag of een hoofdzaak kan worden aangewezen te worden beantwoord aan de hand van de criteria van art. 5:14 lid 3 BW. Volgens die criteria kan een hoofdzaak worden aangewezen indien de waarde van één van de zaken die van de andere aanmerkelijk overtreft of indien één van de zaken volgens verkeersopvatting als hoofdzaak kan worden beschouwd. In een geval van vermenging van gelijksoortige zaken geeft de verkeersopvatting geen bruikbaar criterium, en is dus uitsluitend beslissend of één van de zaken de andere aanmerkelijk in waarde overtreft. Mede gelet op de mogelijke rechtsgevolgen – verlies van recht, zie hiervoor in 3.7.4, tweede zin – dient niet spoedig te worden aangenomen dat het waardeverschil tussen de zaken ‘aanmerkelijk’ is.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.6</nr>
        <para>Het hiervoor in 3.7.4 (tweede alinea) bedoelde pandrecht op het aandeel in de nieuwe zaak ontstaat, onder de eerder vermelde voorwaarden, van rechtswege. Dat is niet anders in geval van faillissement van de eigenaar van die zaak. (…) ”</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.62</nr>
      <para>In <emphasis role="italic">hoger beroep</emphasis> (nadat uw Raad het <emphasis role="italic">Zalco</emphasis>-arrest had gewezen) heeft UTB in haar memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel<footnote-ref linkend="_c687de06-0e34-465a-b6df-a9347bf775ca" /> op de in het middel genoemde vindplaatsen aangevoerd (onder 37): </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Alle partijen onderkennen dat Glencore er vanuit gaande dat geen natrekking heeft plaatsgevonden een pandrecht heeft op het Aluminium dat zich op 13 december 2011 te 0:00 uur in de ovens bevond”</emphasis>, </para>
        <para>waarbij de volgende voetnoot (3) is geplaatst: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Het aluminium dat na de faillietverklaring werd geproduceerd is vanzelfsprekend niet aan Glencore verpand.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.63</nr>
      <para>Voor de in de <emphasis role="underline">subonderdelen 2.1 en 2.2</emphasis> geformuleerde klachten betekent dit het volgende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.64</nr>
      <para>In het licht van de zojuist (onder 2.62) aangehaalde stellingen van UTB in appel is het bestreden oordeel (a) – dat UTB c.s. in hun memorie van antwoord niet de vermengingsdiscussie en het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015 aan de orde hebben gesteld (rov. 4.41) – niet onbegrijpelijk. In zoverre faalt het onderdeel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.65</nr>
      <parablock>
        <para>Voor zover geklaagd wordt dat het hof <emphasis role="underline">in rov. 4.41</emphasis>, gelet op de devolutieve werking van het appel, ten onrechte niet is ingegaan op de hiervoor (onder 2.60) weergegeven stellingen van UTB in eerste aanleg, faalt de klacht reeds bij gebrek aan belang. Dat laat zich als volgt toelichten.</para>
        <para>In de rov. 4.40-4.51 (“Vermenging”) beoordeelt het hof het vraagstuk van de vermenging van het vóór en ná de faillietverklaring gevormde aluminium en de gevolgen daarvan voor het bestaan en de omvang van het pandrecht van Glencore met het oog op de vaststelling van de goederenrechtelijke aanspraken van betrokkenen zoals die vereist is voor de uitkering van het escrowbedrag (vgl. rov. 4.52, “Hoogte toewijsbaar escrowbedrag”). Zoals het hof overweegt, hebben ZSP en NB, gelet op zijn oordeel dat het aluminium niet is nagetrokken door de ovens (rov. 4.15-4.23), geen goederenrechtelijke aanspraak op het aluminium en is om die reden de door hen aangesneden discussie over vermenging alleen relevant in verband met de vordering van Glencore uit onrechtmatige daad (rov. 4.40, slot). Hetzelfde geldt a fortiori voor UTB, die het aluminium bij overeenkomst van 19 oktober 2012 van ZSP – als beschikkingsonbevoegde – heeft gekocht.<footnote-ref linkend="_bac29e23-3c7c-499e-ba19-f7adfd36b605" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.66</nr>
      <parablock>
        <para>Voor zover geklaagd wordt dat het hof ook <emphasis role="underline">in rov. 4.70</emphasis> ten onrechte is voorbijgegaan aan het beroep van UTB op vermenging, faalt de klacht eveneens bij gebrek aan belang. Dat houdt verband met het volgende. </para>
        <para>In rov. 4.70 bepaalt het hof de uitgangspunten voor de begroting van de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van onder meer UTB en NB c.s., bestaande in het onrechtmatig verhinderen van de executie van het pandrecht door Glencore (rov. 4.69, eerste volzin). Het hof stelt vast dat Glencore in de hypothetische situatie waarin die executie niet was verhinderd, verhaal had kunnen nemen op <emphasis role="italic">al</emphasis> het aluminium in de ovens. Dit is het geval, omdat curatoren in de vaststellingsovereenkomt van 23 december 2011 het pandrecht onvoorwaardelijk hebben erkend en zich daarom ten tijde van de executie niet meer op het standpunt zouden hebben kunnen stellen dat het pandrecht als gevolg van vermenging was tenietgegaan of slechts op een aandeel in het aluminium rustte. Dit geldt, aldus het hof in het bestreden oordeel (b), niet alleen in de verhouding tussen Glencore en curatoren, maar ook in de relatie tussen Glencore en NB c.s. en UTB. </para>
        <para>In het oordeel van het hof ligt besloten dat het hierbij gaat om een materieel oordeel, waarvoor een eventueel vermengingsverweer van UTB <emphasis role="italic">niet relevant</emphasis> is. Het hof verwerpt immers – in cassatie onbestreden – het (wél opgevoerde) standpunt van NB c.s. dat de vraag naar vermenging bepalend is voor de omvang van de jegens NB c.s. toewijsbare schade. Volgens het hof staat de vaststellingsovereenkomst van 23 december 2011 daaraan in de weg, waarbij het hof kennelijk uitgaat van de begrijpelijke gedachte dat NB c.s., nu zij geen goederenrechtelijke aanspraak op het aluminium hebben (rov. 4.15-4.23), zich niet tegen verhaal overeenkomstig de afspraak tussen de rechthebbende op het aluminium (de boedel/curatoren) en de pandhouder zouden hebben kunnen verzetten. Dit geldt eveneens voor UTB, die door het hof in het bestreden oordeel (b) dan ook met NB c.s. op één lijn wordt gesteld.      </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 3: onrechtmatig handelen UTB (rov. 4.59-4.60 en 4.69)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.67</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 3</emphasis> keert zich tegen 4.60 (en het daaraan voorafgaande rov. 4.59 en in het verlengde daarvan, rov. 4.69) waarin het hof oordeelt dat UTB onrechtmatig heeft gehandeld jegens Glencore door (kort gezegd) de executie van het pandrecht te verhinderen. Het onderdeel richt door middel van zeven subonderdelen klachten tegen dit onrechtmatigheidsoordeel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.68</nr>
      <parablock>
        <para>Ook voorafgaand aan de behandeling van deze klachten (alsmede de klachten van het opvolgende <emphasis role="underline">onderdeel 4</emphasis> met betrekking tot het causaal verband), merk ik op dat het oordeel van het hof omtrent het onrechtmatig handelen van UTB en de daardoor ingetreden schade (in rov. 4.56-4.62) voortbouwt op zijn oordeel dat het aluminium niet door de ovens is nagetrokken (rov. 4.15-4.23). De vordering die is ingesteld tegen UTB ziet immers op de schade die is ingetreden doordat UTB de executie van <emphasis role="italic">het pandrecht van Glencore</emphasis> heeft verhinderd (rov. 4.58), hetgeen het hof onrechtmatig acht onder meer omdat <emphasis role="italic">UTB zelf geen recht op het aluminium geldend kon maken</emphasis> (rov. 4.60). </para>
        <para>Ook ten aanzien van de onderdelen 3 en 4 geldt dus dat daarbij alleen belang bestaat indien onderdeel 1 faalt, of indien, na gegrondbevinding van onderdeel 1 en vernietiging, het verwijzingshof met toepassing van de juiste maatstaf alsnog tot het oordeel mocht komen dat geen sprake is van bestanddeelvorming.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Procesverloop</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.69</nr>
      <para>Voordat ik inhoudelijk op de verschillende subonderdelen inga, schets ik kort het procesverloop (in appel) met betrekking tot de vordering van Glencore jegens UTB uit hoofde van onrechtmatige daad.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.70</nr>
      <para>De rechtbank heeft in haar vonnis i.e.a. als volgt geoordeeld ten aanzien van het verweten onrechtmatig handelen van UTB (rov. 4.13)<footnote-ref linkend="_a4460d96-17da-4786-a5aa-eeaa2561d8c9" />:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Evenmin is in te zien op grond waarvan UTB onrechtmatig jegens Glencore zou hebben gehandeld. Zoals hiervoor uiteen is gezet, maakte het aluminium geen onderdeel uit van de overeenkomst tot sloop die UTB op 11 juni 2012 is aangegaan. Dat UTB in oktober 2012 het aluminium heeft gekocht van ZSP terwijl ZSP niet tot verkoop bevoegd was moge zo zijn, maar op dat moment kon Glencore ook niet meer over het aluminium beschikken (zie rov. 4.9 hierboven<footnote-ref linkend="_677707e0-e2fb-4c7b-ba31-4a1b305520a4" />) en dus is van een inbreuk op haar rechten geen sprake.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.71</nr>
      <parablock>
        <para>In appel richt Glencore haar grief V.I tegen dit oordeel.<footnote-ref linkend="_56cac05e-5b28-4d13-8694-859556c8a328" /></para>
        <para>Glencore voert onder meer aan dat UTB met de koop van het aluminium van ZSP per definitie inbreuk heeft gemaakt op haar pandrecht. Na het sluiten van de overeenkomst van 19 oktober 2012 is UTB zich ten onrechte als eigenaar van het aluminium gaan gedragen, terwijl zij het pandrecht van Glencore niet erkende (MvG, nr. 355). </para>
        <para>Door te weigeren het aluminium op haar verzoek aan Glencore af te geven, het instellen van de vordering in reconventie in het door Glencore aanhangig gemaakte kort geding d.d. 17 augustus 2012, in alle procedures over het aluminium waarin UTB is verschenen te betwisten dat Glencore een pandrecht heeft op het aluminium, het aluminium na de overeenkomst van 11 juni 2012 voor een ander te gaan houden en vervolgens, na de overeenkomst van 19 oktober 2012, alsof zij daarvan de onbezwaarde eigenaar is, een aantal aluminium plakken door omsmelting teniet te doen gaan, heeft UTB op onrechtmatige wijze inbreuk gemaakt op Glencore’s rechten als pandhouder (nr. 364).</para>
        <para>Volgens Glencore heeft de rechtbank niet alle relevante omstandigheden in acht genomen bij haar oordeel. De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat UTB ook voor het sluiten van voornoemde koopovereenkomst met ZSP Glencore – kennelijk in het licht van de met curatoren gesloten overeenkomst op 11 juni 2012 – reeds in ernstige mate heeft belet in haar pandrecht uit te oefenen, door (onder meer) haar de toegang tot het terrein te ontzeggen, een monopolypositie aan te nemen ten aanzien van de verwijdering van het aluminium en druk uit te oefenen op ZSP om het aluminium aan haar over te dragen (nr. 366). De onrechtmatige houding van UTB bereikte het toppunt toen zij in juli 2012 weigerde op verzoek van Glencore te bevestigen dat zij het aluminium niet uit de ovens zou verwijderen en te gelde zou maken (nr. 367). In MvG nr. 368 gaat Glencore in op het kort geding waarin UTB in reconventie opheffing van het pandhoudersbeslag van Glencore vorderde als ook dat Glencore zou moeten worden veroordeeld te gehengen en gedogen dat UTB het aluminium zou verwijderen en te gelde zou maken. Het daaropvolgende vonnis van de rechtbank Middelburg van 11 september 2012 stond in de weg aan de executie van het aluminium en derhalve aan de realisatie van Glencore’s recht op de verkoopopbrengst, aldus Glencore (MvG nr. 369). Glencore wijst ook nog op de aankondiging van UTB op 5 september 2012 dat zij een kort geding jegens Glencore zou initiëren om de doorgang van de executieveiling op 10 september 2012 te voorkomen, welk kort geding door UTB op het laatste moment werd ingetrokken (nr. 372).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.72</nr>
      <parablock>
        <para>UTB reageert op deze grief in haar memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel (nr. 10-34).<footnote-ref linkend="_2b568a5f-855b-4cc0-87e7-73213e670b44" /></para>
        <para>UTB voert onder meer aan dat er maar één reden is dat de door Glencore beoogde veiling op 10 september 2012 geen doorgang heeft gevonden, te weten dat de voorzieningenrechter de veiling op instigatie van ZSP en NB verbood. Indien dit verbod niet was uitgevaardigd, had Glencore op 10 september 2012 geveild. Dit betekent dat welke gestelde gedraging van UTB dan ook, niet in enig causaal verband kan staan met de schade die Glencore pretendeert (MvA/MvG inc., nr. 24). </para>
        <para>UTB heeft Glencore naar eigen zeggen niet belet in de uitoefening van haar pandrecht door haar de toegang tot het Zalco-terrein te ontzeggen, noch heeft zij een monopolypositie ingenomen dan wel druk op ZSP uitgeoefend om het aluminium aan haar over te dragen (nr. 25, 26). Ook de door Glencore aangevoerde weigering van UTB in juli 2012 om te bevestigen dat zij het aluminium niet uit de ovens zou verwijderen en te gelde zou maken, wordt door UTB weersproken (nr. 27).</para>
        <para>In MvA/MvG inc. nr. 28 gaat UTB in op het kort geding dat leidde tot het vonnis van 11 september 2012, waarin op vordering van UTB de opheffing van het door Glencore gelegde pandhoudersbeslag werd uitgesproken. Niet dit vonnis was de reden dat Glencore niet meer tot parate executie van het aluminium kon overgaan; dat waren het feit dat de door curatoren gestelde termijn was verlopen en het feit dat ZSP en NB in kort geding een verbod tot veilen uitlokten. </para>
        <para>Ten slotte wordt ingegaan op het door UTB in het vooruitzicht gestelde kort geding dat op 5 september 2012 werd ingetrokken. Volgens UTB valt niet in te zien dat dit tot schade aan de zijde van Glencore heeft geleid (nr. 30). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.73</nr>
      <para>In haar spreekaantekeningen ten behoeve van het pleidooi op 16 april 2018<footnote-ref linkend="_fb764e27-cac3-4cec-a9bb-2899ca043470" /> heeft Glencore (onder meer) aangevoerd dat UTB zich vanaf 11 juni 2012 heeft gedragen als feitelijk rechthebbende op het aluminium. Zij weigerde aan Glencore te bevestigen dat zij niet over het aluminium zou beschikken en eigende zich in feite geheel zonder rechtsgrond het aluminium toe, dat zich bevond op het terrein dat zij beheerde. Glencore heeft ook schade geleden door de vertraging die optrad in de uitoefening van haar pandrecht door de onrechtmatige tegenwerking van UTB (nr. 32 sub iii). Glencore stelt op meerdere fronten actief te zijn tegengewerkt om haar pandrecht te executeren, onder meer door de indiening van een reconventionele vordering door ZSP en UTB in het kort geding van 28 augustus 2012 (nr. 32 sub iv). Uit het samenstel van de genoemde feiten zou blijken dat ongeacht wanneer Glencore een executieveiling zou hebben georganiseerd – linksom of rechtsom – door NB/ZSP en/of UTB maatregelen zouden zijn genomen om dit te verhinderen (nr. 32 sub v).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel hof</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.74</nr>
      <para>In het bestreden arrest heeft het hof als volgt geoordeeld ten aanzien van de vordering van Glencore uit onrechtmatige daad jegens UTB:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“4.58. De vordering tegen UTB Holding ziet op de schade die is ingetreden doordat UTB Holding de executie van het pandrecht van Glencore heeft verhinderd. UTB Holding heeft het aluminium gekocht van ZSP en was op de hoogte van het door Glencore gepretendeerde pandrecht daarop. UTB Holding heeft niet bestreden dat als in dit geding wordt vastgesteld dat het aluminium niet door de ovens is nagetrokken ZSP niet beschikkingsbevoegd was om het aluminium aan haar over te dragen, zodat daarvan uitgaande UTB Holding geen rechten op het aluminium geldend kan maken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.59.</nr>
      <parablock>
        <para>De concrete schade die Glencore van UTB vordert beloopt het verschil tussen hetgeen Glencore bij een executie zou hebben verkregen en hetgeen uiteindelijk als opbrengst is gerealiseerd. UTB Holding heeft er terecht op gewezen dat de veiling van 10 september 2012 op vordering van NB c.s. door de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg is verboden. Onvoldoende is gesteld of gebleken dat UTB Holding daarmee bemoeienis heeft gehad. Dit laat echter onverlet dat UTB en ZSP op 17 augustus 2012 door Glencore zijn gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg. Glencore heeft gevorderd, kort gezegd en voor zover van belang, dat het UTB Holding wordt verboden het aluminium uit de ovens te halen en dat UTB Holding wordt veroordeeld te gehengen en te gedogen dat Glencore als pandhouder het aluminium daaruit verwijdert, omsmelt en verkoopt. UTB Holding heeft tegen deze vorderingen (samen met ZSP) verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat Glencore geen rechtsgeldig pandrecht op het aluminium heeft. Zij heeft in reconventie opheffing van het pandhoudersbeslag gevorderd en een verbod voor Glencore om het aluminium uit de ovens te verwijderen en/of het te verkopen.</para>
        <para>Bij vonnis van 11 september 2012 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Glencore afgewezen en de reconventionele vordering van UTB Holding toegewezen, onder oplegging van een dwangsom (zie 3.18). Bij arrest van 5 november 2013 is dit vonnis onder verbetering van gronden door het hof ’s-Hertogenbosch bekrachtigd (zie 3.21). Deze uitspraak in kort geding is naar het oordeel van het hof in resultaat minstens zo verregaand als het verbod op de veiling die op vordering van NB c.s. is toegewezen. De reconventionele vordering van UTB Holding heeft immers geleid tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.60.</nr>
      <para>Op overeenkomstige gronden als geldt voor NB c.s. is het hof van oordeel dat UTB Holding onrechtmatig jegens Glencore heeft gehandeld door de executie van het pandrecht te verhinderen. UTB Holding kon geen recht op het aluminium geldend maken. Zij heeft jegens Glencore gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeert betaamt en dus onrechtmatig gehandeld door Glencore te laten verbieden haar rechten als separatist uit te oefenen. Dat UTB Holding ten onrechte ervan uit is gegaan dat Glencore geen pandrecht had en - op een later moment - dat Glencore door toepassing van artikel 58 Fw hoe dan ook haar positie als separatist was verloren, komt krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening. Degene die door (dreiging met) executie van het kort-gedingvonnis zijn wederpartij dwingt om zich aan dat vonnis te houden, weet of behoort te weten dat hij zich baseert op een voorlopige maatregel. Dat rechtvaardigt dat hij als in de bodemzaak anders wordt beslist aansprakelijk is voor de schade die bij zijn wederpartij is ontstaan doordat deze zich aan het vonnis heeft gehouden. (…)”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.75</nr>
      <parablock>
        <para>Uit dit oordeel volgt dat UTB volgens het hof onrechtmatig heeft gehandeld jegens Glencore “<emphasis role="italic">door de executie van het pandrecht te verhinderen</emphasis>”, terwijl zij zelf “<emphasis role="italic">geen recht</emphasis>” op het aluminium geldend kon maken (rov. 4.60). UTB heeft de verhindering van de executie van het pandrecht bewerkstelligd door een reconventionele vordering in te stellen in de kortgedingprocedure bij de rechtbank Middelburg, waarin zij, naast opheffing van het pandhoudersbeslag, een verbod voor Glencore om het aluminium uit de ovens te verwijderen en/of te verkopen heeft gevorderd, welke vordering is toegewezen en heeft “<emphasis role="italic">geleid tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore</emphasis>” (rov. 4.59). </para>
        <para>Het hof legt geen andere – door Glencore in feitelijke instanties wel aangevoerde<footnote-ref linkend="_b304b7fa-7a0e-4e1d-bbc4-6027b726c66f" /> – omstandigheden ten grondslag aan zijn oordeel dat UTB jegens Glencore onrechtmatig heeft gehandeld. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kortgedingprocedure bij de rechtbank Middelburg</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.76</nr>
      <para>Uit het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 11 september 2012<footnote-ref linkend="_163290c0-865b-462a-8d74-d0575169919b" /> blijkt dat dit kort geding is geïnitieerd door Glencore. Zij heeft zowel UTB, ZSP als de curatoren gedagvaard. UTB en ZSP hebben op hun beurt een reconventionele vordering ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.77</nr>
      <para>Glencore vordert in conventie onder meer dat de voorzieningenrechter UTB verbiedt het gestolde aluminium uit de ovens te halen, althans niet zonder dat voldaan is aan daaraan door de voorzieningenrechter in goede justitie te stellen voorwaarden, om te smelten, te verkopen en/of er anderszins over te beschikken, welk verbod zal gelden totdat bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis is vastgesteld dat het gestolde aluminium ZSP in eigendom toebehoort. Ook vordert Glencore dat de voorzieningenrechter UTB veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van het vonnis, althans van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis waarin is vastgesteld dat het gestolde aluminium ZSP niet in eigendom toebehoort, te gehengen en te gedogen dat Glencore het gestolde aluminium uit de ovens laat verwijderen (rov. 3.1). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.78</nr>
      <para>In reconventie vordert UTB (rov. 4.1):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">1. het door Glencore op 30 juli 2012 gelegde (pandhouders)beslag op te heffen,</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">2. Glencore te veroordelen om te gehengen en gedogen dat UTB het aluminium uit de ten processe geduide ovens verwijder[t] en te gelde maakt onder gehoudenheid van UTB om de door haar te realiseren verkoopopbrengst verminderd met de kosten van verwijdering af te storten op de derdenrekening van de procesadvocaat van Glencore,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">3. te bepalen dat Glencore een dwangsom verbeur[t] van € 150.000,00 voor iedere dag dat zij in strijd handelt met de op grond van het onder sub 2 gevorderde uit te spreken veroordeling,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">4. Glencore te veroordelen in de proceskosten.</emphasis>”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.79</nr>
      <para>ZSP vordert in reconventie eveneens opheffing van het door Glencore gelegde (pandhouders)beslag (rov. 5.1 onder 1). Daarnaast vordert ZSP (onder meer):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Glencore te verbieden om op voet van haar vermeende pandrecht tot sloop van de in de aluminiumsmelterij aanwezige ovens over te gaan en het daarin aanwezige gestolde aluminium om te laten smelten en/of te verkopen</emphasis>”, </para>
        <para>versterkt met een dwangsom (rov. 5.1 onder 3 en 4). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.80</nr>
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat het aluminium op grond van art. 3:4 lid 2 BW door de ovens is nagetrokken, en dat, nu de ovens als onroerend kwalificeren, het zich daarin bevindende aluminium ook als onroerend moet worden aangemerkt. Omdat een pandrecht op onroerende zaken niet bestaanbaar is, moet het er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook voor worden gehouden dat Glencore geen pandrecht heeft (rov. 6.6). </para>
        <para>Omdat de vorderingen in reconventie van ZSP en UTB in grote mate gelijkluidend zijn, behandelt de voorzieningenrechter deze vorderingen gezamenlijk (rov. 7.1). De vorderingen tot opheffing van het gelegde pandhoudersbeslag worden toegewezen, nu summierlijk aannemelijk is aangetoond dat Glencore zich niet op haar pandrecht kan beroepen. Dit heeft volgens de voorzieningenrechter tot gevolg dat het door Glencore gelegde beslag zal moeten worden opgeheven (rov. 7.2). </para>
        <para>De voorzieningenrechter oordeelt als volgt over de tweede reconventionele vordering van UTB (rov 7.4):</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Behalve opheffing van het beslag vordert UTB tevens dat Glencore dient te gehengen en te gedogen dat UTB het aluminium verwijdert en verkoopt. Indachtig het hiervoor gegeven voorlopige oordeel dat Glencore geen pandrecht heeft op het aluminium in de ovens, heeft UTB naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen belang meer bij haar vordering. Met name valt niet in te zen op welke grond er voor UTB nog enige gehoudenheid bestaat om de door haar te realiseren verkoopopbrengst af te storten op de derdenrekening van de advocaat van Glencore. De vordering zal dan ook worden afgewezen.”</para>
        <para>Ten slotte oordeelt de rechtbank dat de vordering van ZSP die ertoe strekt Glencore te verbieden om tot sloop van de in de aluminiumsmelterij aanwezige ovens over te gaan, zal worden toegewezen, nu deze voortvloeit uit de afwijzing van de conventionele vorderingen van Glencore. De mede gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd (rov. 7.5).</para>
        <para>Dit leidt ertoe dat de voorzieningenrechter, in reconventie, het door Glencore op 30 juni 2012 gelegde pandhoudersbeslag opheft (rov. 8.4) en Glencore verbiedt op om voet van haar vermeende pandrecht tot sloop van de in de aluminiumsmelterij aanwezige ovens over te gaan en het daarin aanwezige gestolde aluminium om te laten smelten en/of te verkopen, althans door tussenkomst van derden, voor zover er in een bodemprocedure niet een onherroepelijk voor Glencore positief vonnis is gewezen (rov. 8.5), waarbij Glencore voor iedere dag dat zij niet aan dit verbod voldoet een dwangsom verbeurt van € 20.000,00 per dag, met een maximum van € 500.000,00 (rov. 8.6).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.81</nr>
      <para>Bij arrest van 5 november 2013<footnote-ref linkend="_8932e6fb-a23d-4821-9593-b5bf7e1b435a" /> is dit vonnis onder aanvulling en verbetering van gronden bekrachtigd. Dit arrest is vervolgens door uw Raad bij het <emphasis role="italic">Zalco</emphasis>-arrest van 24 augustus 2015<footnote-ref linkend="_0c62fdaa-c7ba-4836-b865-81cbd93a6992" /> vernietigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bespreking klachten onderdeel 3</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.82</nr>
      <para>Het bovenstaande brengt mij tot de volgende behandeling van de zeven subonderdelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.83</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 3.1</emphasis> klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 4.59-4.60 (en rov. 4.69) onbegrijpelijk is omdat het berust op feitelijke misslagen. UTB voert aan dat zij in de procedure bij de voorzieningenrechter die eindigde in het vonnis van 11 september 2012, in reconventie niet een verbod heeft gevorderd voor Glencore om het aluminium uit de ovens te verwijderen en/of het te verkopen (onder verwijzing naar rov. 4.1 van genoemd vonnis van 11 september 2012). Het is volgens UTB (uitsluitend) de mede-gedaagde ZSP geweest die de door het hof bedoelde vordering in reconventie heeft ingesteld (onder verwijzing naar rov. 5.1 en rov. 7.5 van genoemd vonnis). De enige reconventionele vordering van UTB die is toegewezen door de voorzieningenrechter in die zaak betreft de opheffing van het pandhoudersbeslag (zonder dwangsom) (waarbij UTB wijst op rov. 7.4 en 8.4 van genoemd vonnis).<footnote-ref linkend="_ff286647-6ee5-449a-af2c-c5cc8e647e71" /> In hoger beroep is dit niet anders, zo vervolgt UTB, hetgeen zou blijken uit rov. 4.3.1-4.3.2 van het arrest van het Hof Den Bosch van 5 november 2013. </para>
        <para>Volgens UTB valt daarom onmogelijk in te zien hoe UTB door het hof een verwijt kan worden gemaakt dat deze uitspraak in kort geding minstens zo verregaand is als het verbod van de veiling dat NB en ZSP hebben gevorderd. Eveneens onbegrijpelijk is volgens UTB dat haar reconventionele vordering zou hebben geleid tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore, aangezien van de toegewezen vorderingen in reconventie immers enkel het door de voorzieningenrechter opheffen van het pandhoudersbeslag (mede) van UTB afkomstig is. Voor zover het hof zijn oordeel louter op het dictum van het genoemde vonnis van 11 september 2012 heeft gebaseerd (m.n. rov. 8.5-8.6 daarvan), heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven, zo klaagt UTB, omdat het dictum van een rechterlijke uitspraak altijd in het licht van de overwegingen in het lichaam ervan moet worden uitgelegd, en de overwegingen van het vonnis van 11 september 2012 (waarbij UTB wijst op rov. 4.1, 7.4, 8.4) zonder meer duidelijk maken dat UTB het door het hof genoemde verbod in rechte noch heeft gevorderd noch heeft toegewezen gekregen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.84</nr>
      <parablock>
        <para>Dit subonderdeel slaagt. Uit de uiteenzetting van de kortgedingprocedure bij de rechtbank Middelburg (hiervoor onder 2.76-2.80) blijkt dat het verbod dat volgens de vaststelling van het hof door UTB zou zijn gevorderd (“<emphasis role="italic">een verbod voor Glencore om het aluminium uit de ovens te verwijderen en/of het te verkopen</emphasis>”) en waarvan de toewijzing, versterkt met een dwangsom, zou hebben geleid “<emphasis role="italic">tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore</emphasis>” (rov. 4.59), in werkelijkheid niet door UTB maar door ZSP is gevorderd. Het oordeel van het hof in rov. 4.59 berust derhalve op een feitelijke misslag en is daarmee onbegrijpelijk. Eveneens is daarom onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.60 tot het oordeel komt dat UTB onrechtmatig jegens Glencore heeft gehandeld door de executie van het pandrecht te verhinderen. De betreffende kortgedingprocedure heeft immers voor wat betreft UTB slechts geleid tot de opheffing van het door Glencore gelegde pandhoudersbeslag, hetgeen – zonder nadere motivering die ontbreekt – niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat sprake is van een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore.</para>
        <para>Indien het hof de vaststelling van de reconventionele vordering van UTB slechts op het dictum van het kortgedingvonnis van 11 september 2012 heeft gebaseerd – de verwijzing in rov. 4.59 naar zijn vaststellingen in rov. 3.18 jo. 3.14 (aangehaald hiervoor onder 1.1-(xviii) en (xiv)) zou daar op kunnen wijzen – heeft het hof hetzij miskend dat het dictum moet worden uitgelegd in het licht van de overwegingen van het lichaam, hetzij, gelet op rov. 4.1, 5.1, 7.4 en 7.5 van het vonnis, een onbegrijpelijk oordeel gegeven. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.85</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 3.2</emphasis> berust op de lezing dat het hof met zijn oordeel heeft bedoeld dat wat betreft de kortgedingprocedure die eindigde met het vonnis van 11 september 2012, zoals bekrachtigd bij arrest van het hof Den Bosch van 5 november 2013, de zaken c.q. de procesposities van UTB en ZSP vereenzelvigd zouden mogen of moeten worden. Het klaagt dat het hof in dat geval (bovendien) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de processuele zelfstandigheid van de partijen en hun zaken c.q. vorderingen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.86</nr>
      <para>Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu uit het oordeel van het hof niet valt af te leiden dat het hof heeft bedoeld dat de zaken c.q. procesposities van UTB en ZSP vereenzelvigd zouden mogen of moeten worden. Zoals bij de behandeling van het voorgaande subonderdeel is uiteengezet, lijkt eerder sprake te zijn van een feitelijke misslag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.87</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 3.3</emphasis> neemt tot uitgangspunt dat het oordeel van het hof (mede) rust op het feit dat UTB zich heeft verweerd tegen de vorderingen van Glencore in de kortgedingprocedure en zich op het standpunt heeft gesteld dat Glencore geen rechtsgeldig pandrecht heeft. Het klaagt dat in dat geval het hof heeft miskend dat UTB het volste recht had om zich te verdedigen in een procedure waarin zij werd betrokken. Dit is volgens UTB niet onrechtmatig. Daar komt volgens UTB dan nog bij dat het hof heeft miskend dat UTB geen ten deze relevante consequenties heeft verbonden aan haar standpunt in de kortgedingprocedure dat Glencore geen rechtsgeldig pandrecht heeft. UTB was immers bereid om de verplichting op zich te nemen de door haar te realiseren verkoopopbrengst van het aluminium uit de ovens af te storten op de derdenrekening van de advocaat van Glencore (waarbij UTB wijst op rov. 4.1 en 7.4 van het vonnis van 11 september 2012).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.88</nr>
      <para>Ook de klacht vervat in dit subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Zoals hiervoor (onder 2.75) reeds werd uiteengezet, verwijt het hof UTB onrechtmatig te hebben gehandeld jegens Glencore “<emphasis role="italic">door de executie van het pandrecht te verhinderen</emphasis>” terwijl zij zelf “<emphasis role="italic">geen recht</emphasis>” op het aluminium geldend kon maken, welke verhindering UTB heeft bewerkstelligd door het instellen van een reconventionele vordering in de kortgedingprocedure, waarin zij (onder meer) een verbod voor Glencore om het aluminium uit de ovens te verwijderen en/of te verkopen heeft gevorderd, welke vordering is toegewezen en aldus heeft “<emphasis role="italic">geleid tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore</emphasis>”. Hieruit valt niet af te leiden dat het hof aan dit onrechtmatigheidsoordeel mede ten grondslag heeft gelegd dat UTB verweer heeft gevoerd in de kortgedingprocedure en zich op het standpunt heeft gesteld dat Glencore geen rechtsgeldig pandrecht heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.89</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 3.4</emphasis> klaagt dat het daarnaast onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.60 oordeelt dat “<emphasis role="italic">op overeenkomstige gronden als geldt voor NB c.s.</emphasis>” UTB onrechtmatig heeft gehandeld “<emphasis role="italic">door de executie van het pandrecht te verhinderen</emphasis>” ofwel “<emphasis role="italic">door Glencore te laten verbieden haar rechten als separatist uit te oefenen</emphasis>”. Anders dan geldt voor NB c.s., waarover het hof oordeelt in rov. 4.54-4.55, heeft UTB (zoals blijkt uit rov. 4.59) noch in rechte gevorderd dat de veiling van 10 september 2012 zou worden verboden noch heeft zij daarmee bemoeienis gehad, zo voert UTB aan. UTB heeft de executie van het pandrecht naar eigen zeggen dus niet verhinderd, noch heeft zij laten verbieden dat Glencore haar rechten als separatist zou uitoefenen. UTB heeft het er in de kortgedingprocedure enkel toe geleid dat de voorzieningenrechter het door Glencore op 30 juni 2012 gelegde pandhoudersbeslag heeft opgeheven, terwijl Glencore haar recht van parate executie/als separatist ook zonder voorafgaand pandhoudersbeslag had kunnen uitoefenen.<footnote-ref linkend="_1e292769-9c17-40a3-8055-70cf9c16a3ff" /> Glencore kon uitwinning en de daarmee gepaard gaande verkoop tot stand brengen terwijl de zaak zich nog bij de pandgever bevond.<footnote-ref linkend="_90928d39-d0e4-442e-823d-8bca04c38335" /> Glencore was ook niet in staat om zelf het aluminium uit de ovens te verwijderen, reeds omdat Glencore, anders dan UTB, niet in aanmerking kwam voor de benodigde vergunningen van overheidswege om tot verwijdering van het aluminium (met het toxische kryoliet) uit de ovens over te mogen gaan.<footnote-ref linkend="_ab8d0a85-7358-4f4f-b9ec-7309ed879d45" /> Tegen deze achtergrond valt volgens UTB zonder nadere motivering, die ontbreekt, geenszins in te zien dat UTB onrechtmatig (in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt) jegens Glencore zou hebben gehandeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.90</nr>
      <para>Bij de behandeling van subonderdeel 3.1 is reeds uiteengezet dat het verbod voor Glencore om het aluminium uit de ovens te verwijderen en/of het te verkopen (waarvan de toewijzing in de kortgedingprocedure bij de rechtbank Middelburg zou hebben geleid tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore) niet door UTB maar door ZSP is gevorderd en dat de kortgedingprocedure voor wat betreft UTB slechts heeft geleid tot het opheffing van het door Glencore gelegde pandhoudersbeslag. Dit maakt het oordeel van het hof in rov. 4.60 dat “<emphasis role="italic">op overeenkomstige gronden als geldt voor NB c.s.</emphasis>” UTB onrechtmatig heeft gehandeld “<emphasis role="italic">door de executie van het pandrecht te verhinderen</emphasis>” ofwel “<emphasis role="italic">door Glencore te laten verbieden haar rechten als separatist uit te oefenen</emphasis>” onbegrijpelijk, zodat ook subonderdeel 3.4 slaagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.91</nr>
      <parablock>
        <para>De resterende <emphasis role="underline">subonderdelen 3.5, 3.6 en 3.7</emphasis> lenen zich voor gezamenlijke behandeling.</para>
        <para>Onjuist, althans onbegrijpelijk, is volgens <emphasis role="underline">subonderdeel 3.5</emphasis> dat het hof in rov. 4.60 oordeelt dat UTB door “<emphasis role="italic">(dreiging met) executie van het kort-gedingvonnis</emphasis>” Glencore heeft “<emphasis role="italic">gedwongen</emphasis>” om zich aan dat vonnis te houden. UTB heeft het er naar eigen zeggen in de kortgedingprocedure immers enkel toe geleid dat de voorzieningenrechter het door Glencore op 30 juni 2012 gelegde pandhoudersbeslag heeft opgeheven (zonder een dwangsom of ander drukmiddel), zodat wat UTB betreft van executie van het kortgedingvonnis of het dreigen daarmee helemaal geen sprake kán zijn, laat staan dat daarvan sprake is geweest. Glencore heeft daarbij op 14 en 15 oktober 2013 opnieuw beslag gelegd op het aluminium (UTB wijst in dit verband op rov. 3.22 (aangehaald hiervoor onder 1.1-(xxii)), zodat ook in dat licht volgens UTB niet valt in te zien dat UTB Glencore zou hebben “<emphasis role="italic">gedwongen</emphasis>” om zich aan het kort-gedingvonnis te houden.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 3.6</emphasis> klaagt dat daarnaast onjuist is dat het hof in rov. 4.60 het processuele standpunt van UTB dat zij een recht op het aluminium geldend kon maken, dat Glencore geen (rechtsgeldig) pandrecht had, en dat Glencore’s positie als separatist was geëindigd door toepassing van art. 58 Fw door de curatoren, koppelt aan (de maatstaf voor) de aansprakelijkheid wegens (dreiging met) executie van een kortgedingvonnis waarvan de juistheid door een bodemprocedure wordt achterhaald. De inzet van UTB in de kortgedingprocedure, waar zij in werd betrokken door Glencore, was volgens UTB immers niet om Glencore haar pandrecht dan wel haar positie als separatist te ontnemen of te ontzeggen, noch om zich de opbrengst van het aluminium uit de ovens toe te eigenen. Het gestolde aluminium is na de verwijdering uit de ovens opgeslagen en beschikbaar gebleven.<footnote-ref linkend="_ab5cefd2-1a9a-46fd-aca5-259c7b217961" /> UTB klaagt dat zij niet op grond van, kort gezegd, de volgens het hof naar verkeersopvattingen voor rekening van UTB komende rechtsdwaling van de voorzieningenrechter en het hof in de kortgedingprocedure, aansprakelijkheid jegens Glencore kan dragen voor een voorlopige maatregel die UTB niet heeft uitgelokt noch ten uitvoer heeft gelegd, en waar UTB zich ook niet anderszins op heeft gebaseerd. UTB klaagt dat het hof dit alles heeft miskend, en ten onrechte een (vorm van) risicoaansprakelijkheid van UTB heeft aangenomen waar wet noch jurisprudentie in voorziet. </para>
        <para>Ten slotte klaagt UTB door middel van <emphasis role="underline">subonderdeel 3.7</emphasis> dat het hof in rov. 4.60 tevens heeft miskend dat het <emphasis role="italic">op een andere grondslag</emphasis> dan de (wel degelijk) verstreken termijn van art. 58 Fw (die door Glencore tot in cassatie vergeefs is bestreden, waarbij UTB wijst op rov. 3.17, 3.25, 4.32-4.33) waarvan UTB is uitgegaan – namelijk, op grond van misbruik van bevoegdheid door de curatoren – alsnog tot de slotsom is gekomen dat Glencore haar positie als separatist heeft behouden (onder verwijzing naar rov. 4.35-4.38), zodat onbegrijpelijk is dat het hof oordeelt dat UTB ten onrechte is uitgegaan van het verlies van de positie als separatist door de toepassing van art. 58 Fw. Ook klaagt UTB dat onbegrijpelijk is dat het hof (de gevolgen van) misbruik van bevoegdheid door de curatoren naar verkeersopvattingen voor rekening van UTB laat komen. UTB heeft met de termijnstelling door de curatoren immers niets van doen gehad, zo betoogt zij.<footnote-ref linkend="_9369fa81-b0fb-43ac-a1d3-a918f4a65fd8" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.92</nr>
      <para>Deze subonderdelen richten zich tegen de volgende overweging in rov. 4.60 (met mijn onderstreping): </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“4.60. (…) Dat UTB Holding ten onrechte ervan uit is gegaan dat Glencore geen pandrecht had en – op een later moment – dat Glencore door toepassing van artikel 58 Fw hoe dan ook haar positie als separatist was verloren, <emphasis role="underline">komt krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening.</emphasis> Degene die door (dreiging met) executie van het kort-gedingvonnis zijn wederpartij dwingt om zich aan dat vonnis te houden, weet of behoort te weten dat hij zich baseert op een voorlopige maatregel. Dat rechtvaardigt dat hij als in de bodemzaak anders wordt beslist aansprakelijk is voor de schade die bij zijn wederpartij is ontstaan doordat deze zich aan het vonnis heeft gehouden. (…)”</para>
        <para>Het hof bespreekt in deze overweging kennelijk het (denkbare) verweer van UTB dat de (eerder door het hof in rov. 4.60 vastgestelde) onrechtmatige daad niet aan haar (als dader) kan worden <emphasis role="italic">toegerekend</emphasis> (art. 6:162 lid 3 BW) op de grond dat zij er bij het instellen van de reconventionele vordering respectievelijk ten tijde van de uitspraak in kort geding van mocht uitgaan dat Glencore – wegens natrekking van het gestolde aluminium door de ovens<footnote-ref linkend="_0ca5913e-31f6-4308-9778-d15105041d51" /> – geen pandrecht had respectievelijk dat Glencore door toepassing van art. 58 Fw hoe dan ook haar positie als separatist had verloren<footnote-ref linkend="_4982522e-2e1b-4efd-8352-3b124ce32767" />, welk verweer het hof verwerpt met een argument ontleend aan het leerstuk van de aansprakelijkheid voor (dreiging met) executie van een later door een uitspraak in de bodemzaak achterhaald gebleken kort gedingvonnis: het behoren te weten dat het om een voorlopige uitspraak gaat.<footnote-ref linkend="_e0d8f46e-ec5b-4ae3-82d9-5558590c3321" /></para>
        <para>De klachten falen bij gebrek aan belang, nu uit het slagen van de subonderdelen 3.1 en 3.4 volgt dat reeds het oordeel van het hof betreffende de <emphasis role="italic">onrechtmatigheid</emphasis> van het handelen van UTB niet in stand kan blijven. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 4: causaal verband (rov. 4.59-4.60, 4.69, 4.70 en 4.85)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.93</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 4</emphasis> richt zich tegen het oordeel van het hof over de aan de onrechtmatige daad van UTB verbonden schade. Het bestaat uit zes subonderdelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.94</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 4.1</emphasis> betoogt terecht dat de (lees: slagende) klachten van het voorgaande onderdeel – gericht tegen het onrechtmatigheidsoordeel – reeds meebrengen dat het oordeel van het hof met betrekking tot de aan de vermeende onrechtmatige daad toerekenbare schade evenmin stand kan houden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.95</nr>
      <para>Met <emphasis role="underline">subonderdeel 4.2</emphasis> wordt geklaagd dat onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.59 <emphasis role="italic">in relatie tot UTB</emphasis> de uitspraak in kort geding kwalificeert als “<emphasis role="italic">in resultaat minstens zo verregaand als het verbod op de veiling [dat] op vordering van NB c.s. is toegewezen</emphasis>”. UTB voert hiertoe aan dat van de reconventionele vordering van UTB enkel de opheffing van het pandhouderbeslag is toegewezen<footnote-ref linkend="_24d01b42-33bb-482b-9779-87dff21ed238" />, hetgeen evident minder verregaand is dan het veilingverbod dat op vordering van andere partijen dan UTB door de rechter is toegewezen. Onbegrijpelijk is volgens UTB ook het oordeel van het hof dat de reconventionele vordering van UTB heeft geleid tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore; volgens UTB heeft het slechts geleid tot opheffing van het pandhoudersbeslag (en niet tot doorkruising van verkoop van het aluminium via een voorgenomen veiling).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.96</nr>
      <para>Deze klacht slaagt op de gronden zoals aangegeven bij de behandeling van de subonderdelen 3.1 en 3.4. Op die plaats is immers reeds uiteengezet dat sprake is van feitelijke misslagen in rov. 4.59 (en 4.60), omdat UTB geen reconventionele vordering heeft ingesteld die heeft geleid tot (kort gezegd) een veilingverbod voor Glencore. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.97</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 4.3</emphasis> bepleit dat onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.59-4.60 (kennelijk) oordeelt dat de uitspraak in kort geding van 11 september 2012 ondanks het verbod van de veiling door N.B. c.s. nog gevolgen had voor de executie van het pandrecht door Glencore en de uitoefening van de rechten van Glencore als separatist. Het veilingverbod werd immers door de rechter op 10 september 2012 op vordering van N.B. c.s. uitgesproken, zodat het door de rechter in kort geding opheffen van het pandhoudersbeslag op vordering in reconventie van UTB en ZSP en het toewijzen van het verkoopverbod op vordering in reconventie van ZSP <emphasis role="italic">een dag later</emphasis> geen gevolgen meer heeft kunnen hebben voor de executie door Glencore als pandhouder en separatist.<footnote-ref linkend="_4e1e663d-afac-4934-bdf1-5caed8db7ed1" /> Het eigen standpunt van Glencore is ook dat haar schade is ontstaan doordat de executieveiling van 10 september 2012 geen doorgang heeft kunnen vinden, aldus UTB (waarbij zij wijst op rov. 4.71).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.98</nr>
      <parablock>
        <para>Ook de klacht aangevoerd met dit subonderdeel slaagt. In het licht van de vaststellingen door het hof dat:</para>
        <para>(i) de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg bij vonnis van 10 september 2012 de vordering van NB en ZSP heeft toegewezen en Glencore heeft verboden de executie van (haar pandrecht op) het aluminium voort te zetten (rov. 3.16);</para>
        <para>(ii) de rechter-commissaris bij beschikking van 10 september 2012 de termijn ex art. 58 Fw heeft verlengd tot en met 10 september 2012 en iedere verdere verlenging heeft afgewezen (rov. 3.17);</para>
        <para>(iii) de onrechtmatige daad van NB c.s., UTB en curatoren daaruit bestaat dat zij de executie van het pandrecht door Glencore onrechtmatig hebben verhinderd (rov. 4.69); en</para>
        <para>(iv) Glencore als uitgangpunt voor de begroting van de schade neemt hetgeen de door haar geplande executieveiling op 10 september 2012 zou hebben opgebracht (rov. 4.71), </para>
        <para> 	is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat het hof tot het oordeel komt dat de uitspraak in kort geding van 11 september 2012 nog gevolgen had voor de executie van het pandrecht door Glencore en de uitoefening van de rechten van Glencore als separatist. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.99</nr>
      <para>Door middel van <emphasis role="underline">subonderdeel 4.4</emphasis> wordt geklaagd dat onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.60 (kennelijk) oordeelt dat het door UTB ingenomen standpunt dat Glencore door toepassing van art. 58 Fw hoe dan ook haar positie als separatist was verloren, niet in de weg staat aan aansprakelijkheid van UTB voor door Glencore geleden schade. De door de curatoren gestelde termijn van art. 58 Fw liep af op 10 september 2012 (zie rov. 3.17), en Glencore heeft hiertegen tevergeefs gestreden tot in cassatie (zie rov. 3.25, 4.32-4.33), zodat in relatie tot UTB het kortgedingvonnis van 11 september 2012 ook om die reden niet tot schade bij Glencore heeft kunnen leiden, zo voert UTB aan.<footnote-ref linkend="_26a0c983-2f47-473b-bc2d-35a4d509a322" /> Daaraan kan volgens de klacht niet afdoen dat het hof in het bestreden arrest alsnog tot de slotsom is gekomen dat Glencore haar positie als separatist heeft behouden, nu dit oordeel van het hof rust op een <emphasis role="italic">andere grondslag</emphasis> – misbruik van bevoegdheid door de curatoren (rov. 4.35-4.38) – dan de (wel degelijk) verstreken termijn van art. 58 Fw waarvan UTB is uitgegaan.<footnote-ref linkend="_64f26230-fe04-4bf0-ae5d-f05fcc3215a9" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.100	In de kern, zo begrijp ik uit de s.t. zijdens UTB (nr. 31), wil UTB met deze klacht betogen dat (het hof heeft miskend dat) het causaal verband tussen (i) het (juist gebleken) standpunt van UTB dat de termijn van art. 58 Fw was verstreken enerzijds en (ii) de door Glencore geleden schade anderzijds, rechtens is <emphasis role="italic">doorbroken</emphasis> doordat het door het hof vastgestelde behoud van Glencore’s positie als separatist berust op het handelen van <emphasis role="italic">derden</emphasis>, te weten het misbruik van bevoegdheid door curatoren van hun bevoegdheden ex art. 58 Fw. De gevolgen van misbruik van bevoegdheid door curatoren kunnen immers rechtens niet aan UTB worden toegerekend, aldus UTB. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.101	Deze klacht faalt. Zij ziet eraan voorbij dat het hof in rov. 4.60 kennelijk het (denkbare) verweer van UTB bespreekt dat de (eerder door het hof in rov. 4.60 vastgestelde) onrechtmatige daad niet aan haar kan worden toegerekend – in de zin van <emphasis role="italic">art. 6:162 lid 3 BW – </emphasis>op de grond dat zij ervan mocht uitgaan dat Glencore door toepassing van art. 58 Fw hoe dan ook haar positie als separatist had verloren (zie hiervoor onder 2.92). Het hof beschouwt dit standpunt van UTB derhalve niet als een onrechtmatige daad waaraan de door Glencore gestelde schade kan worden toegerekend in de zin van <emphasis role="italic">art. 6:98 BW</emphasis> (causaal verband). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.102	<emphasis role="underline">Subonderdeel 4.5</emphasis> neemt tot uitgangspunt dat UTB onrechtmatig zou hebben gehandeld met de bij vonnis van 11 september 2012 door de voorzieningenrechter toegewezen reconventionele vordering. Voor dat geval bestempelt het als onjuist, althans onbegrijpelijk, dat het hof in rov. 4.70 <emphasis role="italic">in relatie tot UTB</emphasis> in het kader van de vergelijkingsmaatstaf beslissend acht op welk aluminium Glencore zich op 10 september 2012 – ten tijde van het veilingverbod op vordering van N.B. c.s. – had kunnen verhalen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.103	Deze klacht slaagt. In het licht van de overweging van het hof dat de voorzieningenrechter de reconventionele vordering van UTB op 11 september 2012 heeft toegewezen, hetgeen zou hebben geleid tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore (rov. 4.59), is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat in het kader van de vergelijkingsmaatstaf (voor het bepalen van de omvang van de schade) ten aanzien van UTB beslissend is op welk aluminium Glencore zich op 10 september 2012 had kunnen verhalen (rov. 4.70). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.104	Ten slotte wordt met <emphasis role="underline">subonderdeel 4.6</emphasis> geklaagd dat ook de conclusie die het hof in rov. 4.85 bereikt – de vaststelling van de aan de gedragingen van UTB toerekenbare schade, toev. A-G<footnote-ref linkend="_a8d8423d-fccf-43f5-a761-90900d5242c9" /> – geen stand kan houden: met het afblazen van de veiling van 10 september 2012<footnote-ref linkend="_e02c57a2-c87f-463d-b080-2bf7f28c218a" /> heeft UTB naar eigen zeggen geen bemoeienis gehad (zie rov. 4.59), zodat causaal verband tussen de vermeende fout van UTB en de door het hof begrote schade (gebaseerd op de hypothetische situatie zonder fout waarin de geplande veiling van 10 september 2012 doorgang had gevonden), ontbreekt. Daar komt volgens UTB bij dat het hof ten onrechte de hypothetische situatie waarin Glencore zich zou hebben bevonden zonder fout <emphasis role="italic">van UTB</emphasis> gelijkstelt met het doorgang hebben kunnen vinden van de aangekondigde veiling van 10 september 2012. UTB klaagt dat niet valt in te zien waarom het handhaven van het pandhoudersbeslag noodzakelijk was voor Glencore teneinde haar verkooprecht alsof er geen faillissement was, te kunnen uitoefenen.<footnote-ref linkend="_8da1741a-3ffc-4448-957a-af41af00f43a" /> Het hof had dat laatste ten minste moeten onderzoeken, hetgeen het heeft verzuimd te doen, zodat zijn oordeel dat de (vermeende) fout van UTB in causaal verband staat met de gestelde schade van Glencore hoe dan ook onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, aldus UTB.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.105	Deze klacht, die voortbouwt op de klachten gericht tegen het onrechtmatigheidsoordeel ten aanzien van UTB zoals weergegeven in rov. 4.59-4.60, slaagt eveneens. Hiervoor is immers reeds uiteengezet dat sprake is van feitelijke misslagen in rov. 4.59 (en 4.60), omdat UTB geen reconventionele vordering heeft ingesteld die heeft geleid tot (kort gezegd) een veilingverbod voor Glencore.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 5: ingangsdatum wettelijke rente (rov. 4.88)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.106	<emphasis role="underline">Onderdeel 5</emphasis> keert zich tegen rov. 4.88. Daarin overweegt het hof ten aanzien van de ingangsdatum van de door Glencore in appel gevorderde wettelijke rente:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Glencore vordert van (…) UTB Holding wettelijke rente vanaf 19 december 2011. (…) Bij pleidooi is door UTB Holding voor het eerst verweer gevoerd tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente. Dit verweer dient buiten beschouwing te worden gelaten omdat het te laat is aangevoerd. Geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een uitzondering op de in hoger beroep geldende twee-conclusieregel kunnen rechtvaardigen.”</para>
        <para>Dit onderdeel bestaat uit twee subonderdelen. </para>
        <para>Volgens <emphasis role="underline">subonderdeel 5.1</emphasis> is dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat (zoals volgt uit rov. 4.56) Glencore schadevergoeding van UTB heeft gevorderd over de periode vanaf 10 september 2012. Het hof relateert in rov. 4.59 zelf de onrechtmatig geachte handeling van UTB aan het kortgedingvonnis van 11 september 2012. Het hof heeft in rov. 4.88 dan ook miskend dat de verschuldigdheid van de wettelijke rente niet op een eerder moment kan ingaan dan het (gestelde) aanvangsmoment van de onrechtmatige gedraging van UTB en de daaruit (beweerdelijk) ontstane schade bij Glencore. Dat is dus ook niet afhankelijk (te stellen) van het moment in de procedure waarop UTB voor het eerst verweer tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente heeft gevoerd, aldus de klacht.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 5.2</emphasis> vervolgt dat het oordeel van het hof tevens onjuist althans onbegrijpelijk is omdat UTB niet te laat was met haar verweer. UTB voert hiertoe aan (i) dat uit haar feitenrelaas reeds blijkt dat UTB pas vanaf april 2012 in beeld was bij de curatoren als onderhandelingspartner, hetgeen Glencore ook wist omdat UTB toen nog optrok met Glencore’s dochtermaatschappij Century<footnote-ref linkend="_05506b4b-b138-47ef-b318-d21f0ff2bf82" />, en (ii) dat UTB zich bij MvA/MvG inc., nr. 4-5, in verband met grief III van Glencore (die de in rov. 5.1 van het eindvonnis op 10 september 2012 bepaalde ingangsdatum tevergeefs bestrijdt, zie rov. 4.86-4.87 van het bestreden arrest) heeft aangesloten bij het verweer van NB en ZSP tegen die grief, met benadrukking dat Glencore schade pretendeert ten gevolge van het feit dat zij op 10 september 2012 niet heeft kunnen veilen (vanaf welk moment het hof NB en ZSP heeft veroordeeld tot betaling van wettelijke rente). De opmerking ter gelegenheid van het pleidooi zijdens UTB waar het hof het oog op heeft, namelijk dat UTB pas enkele maanden na het faillissement ten tonele is verschenen zodat gemaakte verwijten over de eerdere periode, met rente vanaf december 2011, UTB niet aangaan, hield dus geen ‘nieuw’ verweer in dat te laat is gevoerd, maar was een herinnering aan of hooguit een nadere precisering van het verweer van UTB waartegen de twee-conclusieregel zich niet verzet, aldus UTB.<footnote-ref linkend="_0e4676e7-ca4e-4984-ac7f-d9f3f16e8929" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.107	Bij de behandeling van onderdeel 5 stel ik het volgende voorop.</para>
        <para>Wettelijke rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening van de geldsom in verzuim is.<footnote-ref linkend="_4b6c0f4e-f8c6-460c-ac81-ef6e91e3c2e8" /> Bij een schadevergoedingsverbintenis op grond van onrechtmatige daad (zoals in deze zaak) treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in (art. 6:83, aanhef en sub b, BW). De wettelijke rente loopt dan vanaf het moment dat de verbintenis <emphasis role="italic">opeisbaar</emphasis> is.<footnote-ref linkend="_1bebc67a-db69-4273-bb87-74fb050b9a0d" /></para>
        <para>Wanneer de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is, zal in de regel worden bepaald door de vraag wanneer de schade geacht moet worden te zijn geleden. De wijze waarop de schade wordt begroot kan daarbij van doorslaggevend belang zijn. Wordt de schade vastgesteld op bepaalde in concreto gemaakte kosten dan ontstaat zij pas op het moment dat deze kosten door de benadeelde moeten worden voldaan. Wordt de schade abstract berekend naar het tijdstip waarop de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust plaatsvond, dan wordt zij terstond <emphasis role="italic">op het moment dat de schade wordt toegebracht</emphasis> opeisbaar, ook al staat het bedrag van de schade op dat moment nog niet vast.<footnote-ref linkend="_f39860ae-49b8-4299-bb98-9db2b2708533" /> De wettelijke rente begint dan terstond, op het moment van schadetoebrenging, te lopen.<footnote-ref linkend="_998a7454-e3be-443e-b458-c12580d4957e" /> De vordering tot vergoeding van schade door onrechtmatig handelen kan niet opeisbaar zijn geworden vóór de onrechtmatige gedraging, zodat de wettelijke rente dus ook niet verschuldigd kan zijn vóór de datum van de verweten onrechtmatige daad, zo volgt uit rechtspraak van uw Raad.<footnote-ref linkend="_9a5129eb-a033-4daf-8936-66e501a7316f" /></para>
        <para>De rechter dient na te gaan of de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten het gevorderde kunnen dragen. Een afwijzing van de vordering door aanvulling van rechtsgronden kan plaatsvinden op basis van door eiser zelf gestelde feiten.<footnote-ref linkend="_ae72eeae-418f-4ccf-8ca1-0ed2b252c95f" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.108	Het voorgaande brengt mee dat <emphasis role="underline">subonderdeel 5.1</emphasis> slaagt. Nu het hof:</para>
        <para>- in rov. 4.56 vaststelt dat Glencore schadevergoeding van UTB vordert over de periode vanaf 10 september 2012 tot aan de datum van verkoop van het aluminium;</para>
        <para>- in rov. 4.58 vaststelt dat de vordering van Glencore ziet op de schade die is ingetreden doordat UTB de executie van het pandrecht heeft verhinderd; </para>
        <para>- in rov. 4.59 de onrechtmatige gedraging van UTB relateert aan het kortgedingvonnis van 11 september 2012;</para>
        <para>- in rov. 4.60<footnote-ref linkend="_c35feceb-79bb-43b8-9432-8da3e542d486" /> oordeelt dat UTB onrechtmatig jegens Glencore heeft gehandeld door de executie van het pandrecht (die gepland stond op 10 september 2012) te verhinderen; en</para>
        <para>- overeenkomstig het uitgangspunt van Glencore in rov. 4.71-4.72 de datum van de door Glencore geplande executieveiling (10 september 2012) als peildatum neemt voor de (abstracte) schadebegroting,</para>
        <para>heeft het hof met het bestreden oordeel in rov. 4.88 miskend dat de verschuldigdheid van de wettelijke rente niet op een eerder moment kan ingaan dan het (gestelde) aanvangsmoment van de onrechtmatige gedraging van UTB en de daaruit (beweerdelijk) ontstane schade bij Glencore. </para>
        <para>Het hof had zelfstandig moeten onderzoeken of de door Glencore aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten haar vordering tot toekenning van wettelijke rente vanaf 19 december 2011 konden dragen. Gelet op de hiervoor aangehaalde overwegingen had het hof bij gebreke van een toereikende onderbouwing Glencore’s vordering tot toekenning van wettelijke rente vanaf 19 december 2011 moeten afwijzen en had het – op basis van hetgeen Glencore wél gesteld heeft – de wettelijke rente niet eerder kunnen doen ingaan dan per 10 september 2012.<footnote-ref linkend="_b36f3994-9c87-4a22-8247-9fdcb1a871a0" /> Niet relevant is of UTB (tijdig) verweer heeft gevoerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.109	Daarmee behoeft <emphasis role="underline">subonderdeel 5.2</emphasis> geen bespreking meer. Ten overvloede merk ik op dat UTB mijns inziens niet te laat was met haar verweer.</para>
        <para>In eerste aanleg<footnote-ref linkend="_899e1e4e-ba4b-4ade-811a-a4434f343653" /> zet UTB uiteen dat zij op 22 december 2011 aan de curatoren kenbaar heeft gemaakt dat zij geïnteresseerd was in een overname van activa en activiteiten van Zalco. Vanaf 11 januari 2012 (nadat UTB een bieding had uitgebracht op de activa van Zalco, welke bieding volgens de curatoren geen basis bood voor verder overleg) kwam UTB gedurende een aantal maanden buiten spel te staan omdat er door de curatoren exclusief werd onderhandeld met andere partijen. Eerst medio/eind april 2012 kwam UTB weer in beeld bij de curatoren, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de overeenkomst van 11 juni 2012. In appel herhaalt UTB dit.<footnote-ref linkend="_196c6aad-ecf3-46f9-b65a-4c345a319e79" /></para>
        <para>In appel voert UTB tevens aan dat zij aansluit bij al hetgeen NB en ZSP in reactie op grief III van Glencore<footnote-ref linkend="_f9ed4d8d-b491-43c3-bf8c-3bf73d00d48a" /> naar voren zullen brengen en dat zij die argumenten tot de hare maakt.<footnote-ref linkend="_e481868f-2eea-42a2-a582-8a46236f772a" /> NB en ZSP voeren in reactie op grief III van Glencore (onder meer) het volgende aan:<footnote-ref linkend="_d662b5dd-d722-439e-b53c-244e35294785" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">12.18	Glencore stelt in de randnummers 295 tot en met 309 dat NB en ZSP reeds sinds 19 december 2011 rente is verschuldigd omdat per die datum de executie is aangezegd.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.19</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Glencore heeft tot 10 september 2012 geen executiemaatregelen getroffen. Eerst op 10 september 2012 hebben NB en ZSP Glencore mogelijk verhinderd in de executie van haar vermeende pandrechten. Pas per die datum kan dan ook enige rente verschuldigd zijn.</emphasis>”</para>
        <para>Ook voert UTB in appel aan dat de hoeveelheid gestold aluminium een cruciale rol speelt bij de vraag “<emphasis role="italic">wat de omvang van de schade is die Glencore pretendeert ten gevolge van het feit dat zij op 10 september 2012 niet heeft kunnen veilen</emphasis>”.<footnote-ref linkend="_b7d2ec5b-81f1-4fc0-b5a7-7d3daa81de96" /> Tijdens het pleidooi van 16 april 2018 merkt UTB vervolgens op:<footnote-ref linkend="_17319dc6-acd5-4b3e-9bfe-04362ea00a17" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para> “<emphasis role="italic">UTB is pas een paar maanden na faillissement ten tonele verschenen, dus de gemaakte verwijten over de eerdere periode, met rente vanaf december 2011, gaan UTB Holding niet aan c.q. UTB Holding betwist haar aansprakelijkheid en gehoudenheid tot schadevergoeding.</emphasis>”</para>
        <para>Gelet op de door UTB voorafgaand aan het pleidooi ingenomen stellingen is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.88 heeft geoordeeld dat UTB pas bij pleidooi voor het eerst verweer heeft gevoerd tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente en heeft het hof dit verweer ten onrechte om die reden als tardief buiten beschouwing gelaten. Subonderdeel 5.2 slaagt eveneens. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Voorwaardelijk onderdeel 6: art. 5 lid 2 RO (rov. 2.2-2.3)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.110	<emphasis role="underline">Onderdeel 6</emphasis> is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer van de andere partijen in het geding bij het hof die daar mogelijk belang bij hebben (NB, ZSP en/of curatoren) in hun cassatieprocedure(s) een onvoorwaardelijke klacht richt(en) tegen rov. 2.2-2.3 van het bestreden arrest met de strekking dat het eindvonnis nietig is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.111	Nu geen van de genoemde partijen (NB, ZSP en/of curatoren) in de samenhangende zaken (19/00263 resp. 19/00271) een onvoorwaardelijke klacht heeft gericht tegen rov. 2.2-2.3 van het bestreden arrest met de strekking dat het eindvonnis nietig is, is de voorwaarde waaronder onderdeel 6 is ingesteld niet in werking getreden en wordt aan een bespreking van de klachten niet toegekomen. UTB bevestigt in haar schriftelijke toelichting dat deze klachten vervallen.<footnote-ref linkend="_3757e7d5-68c1-42c1-b536-e8dd48168db4" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 7: voortbouwende oordelen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.112	<emphasis role="underline">Onderdeel 7</emphasis> behelst twee voortbouwklachten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.113	<emphasis role="underline">Subonderdeel 7.1</emphasis> betoogt dat als een of meer van de voorgaande klachten doel treft/treffen, ook de voortbouwende overwegingen en oordelen van het hof in rov. 5 (o.a. rov. 5.1, 5.6, 5.12-5.14) en het dictum (rov. 6) die op UTB betrekking hebben, geen stand kunnen houden. </para>
        <para>		Deze voortbouwklacht slaagt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.114	Met <emphasis role="underline">subonderdeel 7.2</emphasis> klaagt UTB dat voor zover het hof in het dictum in rov. 6, derde, vierde en zesde alinea, heeft bedoeld dat Glencore recht heeft op uitbetaling van <emphasis role="italic">zowel</emphasis> het volledige escrowbedrag (van USD 6.034.096,18, rov. 4.13) <emphasis role="italic">als</emphasis> de (hoofdelijke) schadevergoeding van UTB (van USD 6.068.963,88), dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is, omdat de schade van Glencore hoe dan ook niet méér omvat dan het bedrag waarop de hoofdelijke veroordeling ziet (rov. 4.85).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.115	Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in het dictum in rov. 6 kennelijk niet bedoeld dat Glencore recht heeft op uitbetaling van zowel het volledige escrowbedrag als de hoofdelijke schadevergoeding van UTB. Dat volgt uit de volgende overwegingen in het lichaam van het bestreden arrest, in het licht waarvan het dictum moet worden begrepen. </para>
        <para>In rov. 4.71 stelt het hof vast dat Glencore haar schade baseert op hetgeen de geplande executieveiling in september 2012 zou hebben opgebracht, en dat zij begroot op een bedrag van USD 7.825.499,40. Daarbij stelt het hof tevens vast dat volgens Glencore de te verkrijgen schadevergoeding uit onrechtmatige daad kan worden <emphasis role="italic">verminderd</emphasis> met het bedrag dat zij uitgekeerd krijgt van de escrowrekening (welk standpunt wordt aangetroffen in de gedingstukken<footnote-ref linkend="_7bf190fb-83f8-487f-bbcd-9b946311e338" />). Nadat het hof de (van de fictieve veilingopbrengst afgeleide, rov. 4.84) aan UTB toerekenbare schade heeft vastgesteld op USD 6.068.963,88 (rov. 4.85) en heeft gerecapituleerd dat Glencore recht heeft op het volledige escrowbedrag (rov. 5.13 jo. 4.52), benadrukt het hof, alvorens het dictum te formuleren, met zoveel woorden (rov. 5.20, met mijn onderstreping):</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“dat in de uitspraak in hoger beroep ligt besloten dat Glencore de schadevergoeding die zij van één of meer geïntimeerden verkrijgt dient te <emphasis role="underline">verminderen</emphasis> met hetgeen zij van de escrowrekening heeft ontvangen.”</para>
        <para>In deze overwegingen ligt besloten dat het hof ervan uitgaat dat Glencore jegens geïntimeerden, waaronder UTB, alleen recht heeft op betaling van het <emphasis role="italic">verschil</emphasis> tussen de toegewezen schadevergoeding en het op instructie van o.m. UTB vrij te geven escrowbedrag.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.116	Uit het voorgaande volgt dat de onderdelen 1 en 5 alsmede de subonderdelen 3.1, 3.4, 4.1, 4.2, 4.3, 4.5, 4.6 en 7.1 van het principale cassatieberoep slagen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het incidentele cassatieberoep – dat net als onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel ziet op het oordeel van het hof over natrekking – is ingesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel van UTB gegrond wordt bevonden. Nu deze voorwaarde naar mijn mening is vervuld, dient het incidentele beroep te worden behandeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 1</emphasis> richt zich tegen rov. 4.15 tot en met 4.23, waarin het hof beoordeelt of het aluminium een zelfstandige roerende zaak is gebleven en dus <emphasis role="italic">niet</emphasis> op basis van art. 3:4 BW een bestanddeel is gaan vormen van de ovens. Glencore kan zich vinden in de uitkomst van die beoordeling – dat van bestanddeelvorming geen sprake is – maar kan zich niet verenigen met een aantal specifieke schakels van de daartoe gebezigde redenering. Glencore richt door middel van vier subonderdelen klachten tegen deze schakels.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 1.1</emphasis> ziet op de overweging van het hof (in rov. 4.19) dat “<emphasis role="italic">anders dan Glencore verdedigt, (…) lid 2 van artikel 3:4 BW ook toegepast (kan) worden als een zaak naar verkeersopvattingen niet als bestanddeel van een andere zaak kan worden beschouwd</emphasis>.”. </para>
        <para>Het subonderdeel neemt tot uitgangspunt dat het hof er met dit oordeel van is uitgegaan dat Glencore (alleen) in algemene zin heeft betoogd dat (het criterium van) art. 3:4 lid 2 BW niet toegepast kan worden als een zaak naar verkeersopvatting niet als bestanddeel van een andere zaak kan worden beschouwd, en niet (tevens) dat onder <emphasis role="italic">bepaalde (bijzondere) omstandigheden</emphasis> bij de beoordeling van het natrekkingsvraagstuk de verkeersopvatting leidend is en dat dergelijke (bijzondere) omstandigheden zich in het onderhavige geval voordoen. Het klaagt dat zulks onbegrijpelijk is, omdat Glencore dit laatste standpunt namelijk wel degelijk (ook) heeft ingenomen.<footnote-ref linkend="_a3ef6efa-a87a-47bf-b164-bfdf34c958c2" /></para>
        <para>Indien het hof dit standpunt van Glencore heeft <emphasis role="italic">verworpen</emphasis>, getuigt dit volgens Glencore van een onjuiste rechtsopvatting, althans is die verwerping ontoereikend gemotiveerd. Het hof zou in dat geval hebben miskend dat bij de beoordeling of zich bestanddeelvorming heeft voorgedaan in de bijzondere omstandigheden van een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een <emphasis role="italic">gemis aan verband</emphasis> tussen de beide zaken, de verkeersopvatting (mede gelet op de ratio van art. 3:4 BW) leidend is en – na de constatering dat van bestanddeelvorming op grond van art. 3:4 lid 1 BW geen sprake is – aan toepassing van art. 3:4 lid 2 BW niet wordt toegekomen, zodat met genoemde constatering reeds gegeven is dat geen bestanddeelvorming (en dus ook geen natrekking) heeft plaatsgevonden.<footnote-ref linkend="_ad456b17-755a-4a59-9680-abf752ef7e69" /> Indien het hof dit niet heeft miskend, is de verwerping van het standpunt van Glencore onbegrijpelijk, nu Glencore heeft gesteld dat er in casu een gebrek aan verband bestaat tussen enerzijds het aluminium en anderzijds de ovens/het fabrieksgebouw en dat om die reden voor bestanddeelvorming op de voet van art. 3:4 lid 2 BW geen plaats is, op welke essentiële stelling het hof niet (voldoende kenbaar) heeft gerespondeerd.<footnote-ref linkend="_1ef73b94-06cb-4a35-a28a-5219f3c87777" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>In het oordeel van het hof ligt de verwerping besloten van Glencores stelling dat onder bepaalde (bijzondere) omstandigheden bij de beoordeling van het natrekkingsvraagstuk de verkeersopvatting leidend is en dat dergelijke (bijzondere) omstandigheden zich in het onderhavige geval voordoen. Voor zover subonderdeel 1.1 uitgaat van een andere lezing van het oordeel van het hof, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>De verwerping van voornoemde stelling getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Glencore baseert de door haar geformuleerde (uitzonderings)regel op een passage in de toelichting bij art. 3:4 lid 2 BW betreffende een “<emphasis role="italic">gemis aan verband</emphasis>” dat aan bestanddeelvorming in de weg staat. Ik citeer deze toelichting nogmaals (met mijn onderstreping):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Het tweede lid bepaalt, dat <emphasis role="italic">bijzaken</emphasis> in ieder geval als bestanddeel zijn aan te merken. Bijzaken zijn zaken, die – onverschillig door wie of door welke oorzaak – met een hoofdzaak zodanig zijn verbonden, dat zij niet kunnen worden afgescheiden zonder beschadiging of verbreking van de hoofdzaak. Wat aard- en nagelvast is, is dus bestanddeel, maar niet ieder bestanddeel is aard- of nagelvast. Naast de “beschadiging van de hoofdzaak”[<emphasis role="italic">voetnoot 4</emphasis>] is “verbreking” afzonderlijk genoemd, om te doen uitkomen, dat ook al zou na de verbreking, de hoofdzaak weer geheel in onbeschadigde toestand worden hersteld, toch de bepaling van toepassing is.</para>
        <para>Een gevolg van dit tweede lid is, dat vruchten tot het ogenblik dat zij worden geplukt of afvallen, een bestanddeel van de plant uitmaken, eveneens in de grond geplaatste bollen die daar wortel hebben geschoten (H.R. 10 December 1937, N.J. 1938 no. 335), niet echter een verborgen schat of ingekuilde aardappelen (<emphasis role="underline">gemis aan verband</emphasis>), ook niet mosselschelpen die zich op palen hebben vastgehecht (H.R. 6 October 1902, W. 7811, mogelijkheid deze af te steken zonder beschadiging van de palen).”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">voetnoot 4</emphasis>: “Aard- en nagelvast moet men hier dus opvatten in de zin van datgene, wat zo vast is, dat het niet zonder beschadiging of verbreking van de hoofdzaak is los te maken; een ingeschroefd voorwerp kan zeer vast zitten, zonder in de hier bedoelde zin aard- of nagelvast te zijn.”<footnote-ref linkend="_eb7baeb2-9c50-4fa3-a9ae-408294ea4d2b" /></para>
        <para>De zinsnede “gemis aan verband” moet naar mijn mening in deze context worden gelezen als een gemis aan <emphasis role="italic">fysieke </emphasis>verbondenheid zoals die voor de toepassing van art. 3:4 lid 2 BW vereist is. Dit blijkt heel duidelijk uit de tegenstelling die in het citaat wordt gemaakt tussen enerzijds <emphasis role="italic">wortel geschoten</emphasis> hebbende bollen (die wel fysiek met de grond zijn verbonden) en anderzijds <emphasis role="italic">ingekuilde</emphasis> aardappelen (niet fysiek verbonden). Ik wijs ook op vindplaatsen in de toelichting waar duidelijk wordt gemaakt dat aardappels en andere knol- of bolgewassen die ter bewaring zijn ingekuild geacht worden niet met de grond te zijn ‘verenigd’; eerst nadat zij wortel hebben geschoten zijn zij wel met de grond verenigd en vindt onder meer bestanddeelvorming plaats.<footnote-ref linkend="_2615ee4d-adc4-4d75-a84e-aca946cb39b1" /> Het “gemis aan verband” doelt dus (slechts) op een gebrek aan fysieke verbondenheid, en niet op een gemis aan verband volgens verkeersopvatting (ideëel verband). </para>
        <para>Uit de hier geciteerde passage kan de in het middel voorgestane regel – die neerkomt op een uitzondering op de regel dat de in art. 3:4 leden 1 en 2 BW vervatte criteria volstrekt nevengeschikt zijn<footnote-ref linkend="_5f6b750b-c8a4-4810-a0bd-e60e657f1051" /> – dus niet worden afgeleid. Ik meen dat zij ook anderszins geen steun vindt in het recht. Verwezen zij naar de bespreking van het juridisch kader (met name onder 2.9 e.v.). </para>
        <para>In het kielzog van de rechtsklacht faalt ook de subsidiaire motiveringsklacht. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 1.2</emphasis> wijst erop dat het hof in rov. 4.19 (en rov. 4.16 en 4.22) tot uitgangspunt lijkt te nemen dat het aluminium (hecht) verbonden is geraakt met de ovens. Indien daarin een verwerping besloten ligt van het standpunt van Glencore dat in het onderhavige geval (op het toetsingsmoment, zijnde het moment van stolling<footnote-ref linkend="_14762a59-9e31-41fb-a25f-fb3eaedce907" />) de betrokken zaken <emphasis role="italic">niet</emphasis> fysiek verbonden zijn zoals bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW (althans niet in voldoende mate), heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel dienaangaande ontoereikend gemotiveerd.</para>
        <para>Glencore voert daartoe aan dat zij heeft gesteld dat tussen de ovens en het aluminium geen materiële verbinding bestaat die voor toepassing van art. 3:4 lid 2 BW is vereist, aangezien het aluminium niet alleen in vloeibare toestand, maar ook in gestolde toestand los in de ovens ligt, dat het dus niet aan de ovens is gehecht, daardoor is geabsorbeerd of daarin “vastzit” en dat het feit dat het aluminium is gestold enkel meebrengt dat het in die toestand niet kan worden afgetapt, hetgeen naar haar aard een tijdelijke situatie is (die overigens ongedaan kon worden gemaakt, althans in ieder geval op het toetsingsmoment). Dit betekent, aldus Glencore, dat in het onderhavige geval geen sprake behoeft te zijn van “afscheiding” of “verbreking” van het aluminium van resp. uit de ovens, doch (slechts) van het “verwijderen” of “optillen” van het aluminium uit de ovens, zoals Glencore heeft gesteld.<footnote-ref linkend="_0d4178c6-17fa-4b6e-94e1-ddee41da24f1" /> Glencore klaagt dat het hof in het geheel niet (althans zonder toereikende motivering) op deze stellingen heeft gerespondeerd. </para>
        <para>Voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat genoemde omstandigheden onvoldoende zijn voor de conclusie dat de betrokken zaken niet met elkaar “verbonden” zijn in de zin van art. 3:4 lid 2 BW (althans niet in voldoende mate), getuigt dat oordeel volgens Glencore van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip “verbonden”. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <parablock>
        <para>Deze klacht faalt. Het oordeel van het hof dat het vloeibare aluminium in de ovens is gestold en daarin vast is komen te zitten (rov. 4.16 en 4.19), dat het aluminium hecht verbonden is geraakt met de ovens (rov. 4.19) en dat de ovens en het aluminium (onbedoeld en ongelukkigerwijs) aan elkaar zijn verbonden (rov. 4.22), getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.</para>
        <para>Glencore heeft in feitelijke instanties inderdaad betoogd dat (kort gezegd) tussen de ovens en het aluminium geen materiële verbinding bestaat zoals die voor de toepassing van art. 3:4 lid 2 BW is vereist, nu het aluminium los in de ovens zou liggen en eruit getild zou kunnen worden. </para>
        <para>NB c.s. hebben hier echter (herhaaldelijk) tegen ingebracht dat afscheiding van het aluminium uit de oven enkel kon worden bewerkstelligd door het aluminium los te bikken.<footnote-ref linkend="_4f71c359-7dc9-4e06-b5cf-fe6413eb7ce6" /> Zij hebben aangevoerd dat de voorbereidende werkzaamheden voor het verwijderen van het aluminium uit de oven (in het kader van een wegneemproef tijdens de descente op 21 februari 2014) “gepaard gingen met uitgebreid hak- of breekwerk”.<footnote-ref linkend="_2b14438a-312d-45f8-a076-236bff90ec96" /> Glencore is volgens NB c.s. anderhalve dag bezig geweest om de aluminiumplakken rondom met een pneumatische hamer los te bikken van de ovenwanden. Daarbij werd niet alleen het zogenaamde ‘badmateriaal’<footnote-ref linkend="_bc051d1f-04b0-4d7a-a661-2e656b2e5118" /> weggebikt, maar ook de kathode-zijwanden van de oven moesten eraan geloven.<footnote-ref linkend="_4fe53c4e-274e-4628-b6ac-1d34880f5b66" /> Reeds door bij alle vier de ovens de kathode zijwanden volledig weg te bikken, is “beschadiging van betekenis” aangebracht aan één der zaken, te weten de smeltovens, aldus NB c.s.<footnote-ref linkend="_93d62856-79ff-416d-8a0c-2e1d9705f8ee" /> De afscheiding van het aluminium van de ovens ging volgens NB c.s. dan ook gepaard met uitgebreid hak- en breekwerk en leidde tot grote beschadigingen aan (onderdelen van) de ovens.<footnote-ref linkend="_3be83afb-1bed-44bd-82c8-ac5eeeeb38f5" /> Ook UTB heeft uitgebreid uiteengezet dat de wegneemproef tijdens de descente heeft laten zien dat het aluminium “muurvast in de ovens zat”<footnote-ref linkend="_5120c3d9-5ac1-4e78-8635-2ea237a553e6" />, evenals een eerder door haar, UTB, uitgevoerd onderzoek dat had aangetoond.<footnote-ref linkend="_1eb6494b-da16-4958-bb0b-7264966fd6f1" /></para>
        <para>Deze stellingen van UTB en van NB c.s. – die door UTB tot de hare zijn gemaakt<footnote-ref linkend="_46922cb0-9eb0-4ac1-9442-f9af64b0c1a5" /> – zijn door Glencore niet weersproken, waardoor het hof in rov. 4.20 dan ook (niet onbegrijpelijk) heeft kunnen concluderen dat niet in geschil is dat het aluminium, nadat het proces van stolling geheel was voltooid, “<emphasis role="italic">alleen met hak- en breekwerk</emphasis>” uit de ovens kon worden verwijderd. Het daarin besloten liggende oordeel dat de betrokken zaken – anders dan Glencore betoogt – wel fysiek verbonden zijn zoals bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip ‘verbonden’. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <parablock>
        <para>Met <emphasis role="underline">subonderdeel 1.3</emphasis> richt Glencore haar pijlen op rov. 4.20, waarin het hof tot uitgangspunt neemt dat het toetsingsmoment voor het bepalen of het aluminium al of niet is nagetrokken, het moment is waarop het aluminium is gestold in de ovens en vervolgens oordeelt:</para>
        <para>(a) Op detailniveau verschillen de stellingen van deze partijen van elkaar. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of en wanneer het nog mogelijk was het elektrolyseproces op enig moment na het stilleggen daarvan weer op te starten door een zogenaamde <emphasis role="italic">crash-restart</emphasis> van de ovens uit te voeren.</para>
        <para>(b) Voor de te geven beslissingen acht het hof deze nuances niet relevant.</para>
        <para>(c) Partijen gaan er overigens van uit dat een <emphasis role="italic">crash-restart</emphasis> in wezen niet meer mogelijk was vanwege de daaraan verbonden hoge kosten, de aanmerkelijke kans dat de ovens daardoor beschadigd zouden raken en het ontbreken van de daarvoor vereiste vergunningen.</para>
        <para>(d) Niet in geschil is dat het aluminium nadat het proces van stolling geheel was voltooid alleen met hak- en breekwerk uit de ovens kon worden verwijderd.</para>
        <para>Het subonderdeel richt klachten tegen elk van deze overwegingen afzonderlijk. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <parablock>
        <para>Het <emphasis role="underline">oordeel achter (a)</emphasis> is volgens Glencore onbegrijpelijk, nu UTB niet heeft betwist dat een dergelijke <emphasis role="italic">crash-restart</emphasis> mogelijk was. Meer concreet heeft zij niet betwist (de stellingen van Glencore) dat (i) het technisch mogelijk was om nadat het aluminium was gestold in de ovens het elektrolyseproces op enig moment na het stilleggen daarvan weer op te starten, (ii) de methode van <emphasis role="italic">crash-start</emphasis><footnote-ref linkend="_0909e602-0fc0-49ca-99bb-5a00f3ef42d9" /> in de praktijk in de industrie ook wordt toegepast en (iii) een <emphasis role="italic">crash-start</emphasis> in concreto door betrokkenen ten tijde van de stolling van het aluminium ook werd gezien als een reële mogelijkheid.<footnote-ref linkend="_fac9a669-026f-42a0-93e7-d0f102ac9fea" /></para>
        <para>Deze klacht faalt reeds nu zij is gericht tegen een niet-dragende overweging. Het hof heeft immers – in cassatie niet bestreden – overwogen de stellingen van partijen omtrent de (on)mogelijkheid van een <emphasis role="italic">crash-start</emphasis> niet relevant te achten voor de te geven beslissingen (zie onder (b)). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <parablock>
        <para>De <emphasis role="underline">oordelen onder (c) en (d)</emphasis> zijn volgens Glencore (eveneens) onbegrijpelijk<footnote-ref linkend="_062bf6d1-4e90-4ae7-aa3e-4cc089a32f2a" />, aangezien Glencore nu juist heeft gesteld dat <emphasis role="italic">op het toetsingsmoment</emphasis> wel degelijk een <emphasis role="italic">crash-start</emphasis> mogelijk was, dat het aluminium op die manier zonder beschadiging (van betekenis) uit de ovens kon worden verwijderd, dat daar minimale kosten mee gepaard zouden gaan en dat een <emphasis role="italic">crash-start</emphasis> kon worden uitgevoerd onder de vigerende vergunningen.<footnote-ref linkend="_88d7b44d-a374-4fc1-b64e-d3a02fffeba2" /> Glencore gaat dus níet uit van het achter (c) gestelde; en het achter (d) gestelde is dus wél in geschil. </para>
        <para>De klacht gericht tegen het oordeel onder (c) faalt bij gebrek aan belang, nu dit oordeel een overweging ten overvloede betreft (het hof oordeelt immers dat partijen er <emphasis role="italic">overigens</emphasis> van uitgaan dat een <emphasis role="italic">crash-restart</emphasis> in wezen niet meer mogelijk was), die bovendien betrekking heeft op een niet-dragende factor (zie hiervoor onder 3.9).</para>
        <para>De klacht gericht tegen oordeel (d) faalt op grond van hetgeen bij de beoordeling van subonderdeel 1.2 is uiteengezet. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <parablock>
        <para>Glencore klaagt verder dat het <emphasis role="underline">oordeel van het hof onder (a)-(d)</emphasis> blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, indien het hof daarmee zou hebben geoordeeld dat de mogelijkheid van een <emphasis role="italic">crash-start</emphasis> niet relevant is voor beantwoording van de vraag of sprake is van bestanddeelvorming <emphasis role="italic">wegens de daaraan verbonden kosten en/of het ontbreken van de vereiste vergunningen</emphasis>. Volgens Glencore miskent het hof in dat geval dat de vraag of sprake is van bestanddeelvorming, naar Glencore heeft gesteld<footnote-ref linkend="_925449af-8e09-47f9-8254-651601848922" />, moet worden beoordeeld naar objectieve maatstaven, zodat van dergelijke concrete omstandigheden moet worden geabstraheerd. </para>
        <para>Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu in het bestreden oordeel niet valt te lezen dat het hof zijn oordeel dat de mogelijkheid van een <emphasis role="italic">crash-start</emphasis> niet relevant is voor de te nemen beslissingen (onder (a) en (b)) heeft gebaseerd op de daaraan verbonden kosten en/of het ontbreken van de vereiste vergunningen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <parablock>
        <para>De laatste klacht berust op de lezing dat in het <emphasis role="underline">achter (d) weergegeven oordeel</emphasis> besloten ligt dat volgens het hof niet in geschil is dat bij verwijdering van het aluminium na de stolling (anders dan door een <emphasis role="italic">crash-start</emphasis>) substantiële fysieke beschadigingen (aan de ovens en/of het aluminium) optreden. Geklaagd wordt dat dat oordeel (in zoverre) onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. Glencore heeft naar eigen zeggen immers gesteld en uitvoerig onderbouwd dat bij verwijdering van het aluminium uit de ovens hooguit <emphasis role="italic">geringe</emphasis> fysieke beschadigingen zullen optreden.<footnote-ref linkend="_d3e2237c-ad01-47d0-83ec-a12c95b038f3" /> Indien in rov. 4.20 een verwerping van die stelling besloten zou liggen, is die verwerping volgens Glencore ontoereikend gemotiveerd nu het hof niet (voldoende kenbaar) ingaat op de door Glencore aangedragen essentiële argumentatie dienaangaande.</para>
        <para>Deze klacht faalt mijns inziens bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zich in rov. 4.20 (slot) kennelijk beperkt tot de verbondenheid van het aluminium met de ovens. Het heeft, mede gelet op rov. 4.21-4.22, (de stellingen van partijen omtrent) de <emphasis role="italic">omvang</emphasis> van de fysieke schade die het gevolg zou zijn van een met ‘hak- en breekwerk’ te verrichten verwijdering kennelijk in het midden gelaten. De enkele verwijzing – in het kader van de economische benadering van het hof – naar “de fysieke beschadiging van de ovens” (rov. 4.22) maakt dit naar mijn mening niet anders. </para>
        <para>Indien het hof de stelling van Glencore zou hebben verworpen, zou dat niet onbegrijpelijk zijn in het licht van de stellingen van partijen. Ik verwijs naar hetgeen bij de beoordeling van subonderdeel 1.2 is uiteengezet. Met name in het daar bedoelde kader van de wegneemproef hebben NB c.s. en UTB gemotiveerd uiteengezet dat daadwerkelijk substantiële fysieke schade aan de ovens is ontstaan door het verwijderen van het aluminium<footnote-ref linkend="_435971b6-c0ae-40ca-8099-309b1e92f528" />, welk betoog door Glencore naar het kennelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van het hof niet toereikend is bestreden.<footnote-ref linkend="_fef4368e-7775-4e0e-b42f-321ba2bc889e" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 1.4</emphasis> keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.22) dat “<emphasis role="italic">alleen na de afscheiding [van het aluminium, toev. A-G] de ovens een functie (kunnen) vervullen en daarmee waarde hebben in het economische verkeer</emphasis>”. Indien in dit oordeel besloten ligt dat volgens het hof de ovens op het moment van stolling nog enige andere waarde hadden dan schrootwaarde mits het aluminium zou worden afgescheiden, is dat volgens Glencore (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk. Het hof zou in dat geval niet (voldoende kenbaar) hebben gerespondeerd op de essentiële stelling van Glencore dat de ovens op het moment van de stolling nog slechts schrootwaarde hadden.<footnote-ref linkend="_0b4f808d-9b63-4c8a-b1e4-8c454b203c78" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14</nr>
      <parablock>
        <para>De klacht vervat in subonderdeel 1.4 faalt.</para>
        <para>Op de in het middel aangegeven vindplaatsen heeft Glencore aangevoerd dat de ovens slechts schrootwaarde hebben.<footnote-ref linkend="_3b9a6120-e370-43be-a67f-abc477a09c17" /> Zij heeft betoogd dat de stelling van NB c.s. dat de ovens in waarde zouden zijn verminderd ten gevolge van de stolling van het aluminium onvoldoende is onderbouwd en ook onjuist is. Op zichzelf hadden de ovens volgens Glencore uitsluitend sloopwaarde. Gesteld noch gebleken is dat deze sloopwaarde is verminderd ten gevolge van de stolling.<footnote-ref linkend="_de3f1313-6e61-4e23-891b-55cc075db319" /> Ook heeft Glencore aangevoerd dat NB c.s. geen bewijs hebben overgelegd van de waarde van de ovens en het fabrieksgebouw ten tijde van de stolling. Weliswaar suggereren NB c.s. dat het de subjectieve bedoeling van betrokkenen was om de fabriek van Zalco te verkopen, maar er is geen bewijs aangevoerd dat gezien de technische staat van de fabriek dit zou moeten leiden tot een hogere waarde van de ovens dan schrootwaarde. Uiteindelijk heeft UTB alle ovens laten slopen, hetgeen volgens Glencore ook een aanwijzing is dat de ovens geen andere waarde dan schrootwaarde hadden.<footnote-ref linkend="_cca59849-e224-4710-b1fd-21cca543749f" /></para>
        <para>Het hof oordeelt in rov. 4.22 ten aanzien van de waarde van de ovens (samengevat) dat:</para>
        <para>- de ovens door het daarin vastzittende aluminium onbruikbaar zijn geworden en naar objectieve maatstaven beoordeeld op het moment dat het aluminium daarin was gestold geen waarde meer hadden;</para>
        <para>- NB c.s. menen dat de ovens na stolling van het aluminium nog wel waarde hadden, omdat het de bedoeling was de elektrolysefabriek <emphasis role="italic">going concern</emphasis> te verkopen, waarna de koper het aluminium in alle rust kon verwijderen en de ovens kon repareren;</para>
        <para>- uit deze stellingen volgt dat de ovens geen gebruikswaarde meer hadden zo lang het aluminium daarin vast bleef zitten;</para>
        <para>- de waarde van de ovens op het moment van stolling van het aluminium gelegen was in de mogelijkheid dat het aluminium nog eruit kon worden gehaald en de ovens vervolgens gerepareerd konden worden;</para>
        <para>- de afscheiding van het aluminium daarom niet tot een waardevermindering van de ovens leidt; “<emphasis role="italic">alleen na de afscheiding kunnen de ovens een functie vervullen en daarmee waarde hebben in het economisch verkeer</emphasis>”;</para>
        <para>- NB c.s. tegen deze achtergrond niet voldoende gemotiveerd hebben gesteld dat de ovens, nadat het aluminium daaruit gecontroleerd zou zijn verwijderd, in objectieve zin een lagere waarde zouden hebben dan op het moment waarop het aluminium daarin vast was komen te zitten, ook als de fysieke beschadiging van de ovens door de afscheiding in aanmerking wordt genomen.</para>
        <para>Het hof komt met dit (goed te volgen) oordeel tot de slotsom dat de afscheiding van het aluminium niet tot een waardevermindering van de ovens leidt (wat uiteindelijk bijdraagt aan de slotsom dat geen sprake is van een beschadiging van betekenis als bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW). De stellingen van Glencore over de schrootwaarde van de ovens op het moment van stolling zijn aangevoerd in het kader van het debat omtrent de vraag of het aluminium uit de ovens kon worden verwijderd zonder daaraan schade toe te brengen (hetgeen volgens Glencore van belang is bij de vraag of sprake is van een ‘beschadiging van betekenis’). Dit debat heeft het hof in het hierboven weergegeven (begrijpelijke) oordeel beslecht, waarbij het hof niet expliciet is ingegaan op de vraag of de ovens slechts schrootwaarde hadden op het moment van stolling. In zoverre zou kunnen worden gezegd dat de klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft (meer in abstracto) bezien of sprake is van een waardevermindering van de ovens, waarmee het in voldoende mate en op begrijpelijke wijze op de stellingen van Glencore heeft gerespondeerd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15</nr>
      <para>De slotsom is dat het voorwaardelijke incidentele beroep faalt.</para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">4.	Conclusie in het principale en het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>De conclusie strekt:</para>
        <para>- in het principale cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing, en</para>
        <para>- in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep tot verwerping.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
        <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>A-G</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_0d799316-e2e4-4876-8c75-e15e57e33685" label="1">
    <para> 	Zie eerder: HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2051, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2014/151 (<emphasis role="italic">Glencore/Van Leeuwen</emphasis>), HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2076, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2014/152 (<emphasis role="italic">NB/Van Leeuwen</emphasis>) en HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2016/263 (<emphasis role="italic">Zalco</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_475ac2df-b0eb-4927-838d-fe4a48bd0a30" label="2">
    <para> 	North Sea Port Netherlands N.V. was voorheen genaamd N.V. Zeeland Seaports en wordt omwille van de leesbaarheid, net als in het bestreden arrest en in de processtukken, (nog steeds) als ZSP aangeduid.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9284d505-0bf9-42d6-a409-80170c0fe0d6" label="3">
    <para> 	AmTrust International Underwriters DAC is de verkrijgende rechtsopvolger door fusie van de verdwijnende naamloze vennootschap N.V. Nationale Borg-Maatschappij en wordt omwille van de leesbaarheid, net als in het bestreden arrest en in de processtukken, (nog steeds) als NB aangeduid.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0df26800-04fb-45f5-82ec-bcc251fc5f3b" label="4">
    <para> 	Ontleend aan rov. 3.1-3.29 en rov. 4.7-4.13 van het in cassatie bestreden arrest van het hof Amsterdam van 16 oktober 2018.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dd051d9a-9cfd-42f5-8580-d8db37c8dddf" label="5">
    <para> 	NB heeft in november 2011 afstand gedaan van dit pandrecht. Zie s.t. Glencore nr. 2.4. Zie ook inl. dagv. nr. 20; CvA zijdens NB en ZSP, nr. 2.16 en 4.115; CvA zijdens curatoren, nr. 31 en de daarbij als prod. 1 overgelegde brief van NB aan Zalco d.d. 18 november 2011; MvA/MvG inc. zijdens NB c.s., nr. 2.17. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7fea1276-9536-4be1-9181-fa63e699b714" label="6">
    <para> 	Prod. 2 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0e2f47db-ded6-492d-8c59-b5278d6c82a6" label="7">
    <para> 	Prod. 4 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3f9ff117-58f5-405c-90fa-47b0ffafdd4b" label="8">
    <para> 	Prod. 10 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_53d4a9dc-a607-41f7-99f8-c7a0ec6f4bec" label="9">
    <para> 	Prod. 10 bij CvA zijdens NB en ZSP.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf1b6ba9-b73b-4c57-b42b-ad09b448150a" label="10">
    <para> 	Prod. 11 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be76886f-3327-4746-ae71-82742a53fa3e" label="11">
    <para> 	Prod. 29 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8b56351d-61e5-469a-8a6f-8a9a1c61a79b" label="12">
    <para> 	Rb. Breda 10 september 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:5250. Zie ook prod. 30 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eaa58240-25b3-4201-a486-b2cb86105c44" label="13">
    <para> 	Prod. 21 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8943c4fe-0b0b-484a-88e9-5120762b1a5d" label="14">
    <para> 	Hof ’s-Hertogenbosch 5 november 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5203, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2014/26, m.nt. E.M. Loesberg.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c2edc62-774c-4218-9e70-7b2016129a7a" label="15">
    <para> 	Prod. 58 bij akte houdende overlegging additionele producties Glencore d.d. 20 december 2013. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_be26ec3b-3c38-4116-9ab7-9bab1cbd7d2c" label="16">
    <para> 	Volgens s.t. Glencore, nr. 2.9, voetnoot 26, zou deze zaak op 10 september 2019 op verzoek van partijen  worden doorgehaald. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_961f3031-2fe8-4aa4-87c3-e27dd7e91c68" label="17">
    <para> 	HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2051, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2014/151, m.nt. F.M.J. Verstijlen, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2014/86, m.nt. A.J. Verdaas (<emphasis role="italic">Glencore/Van Leeuwen</emphasis>). Op het voorblad van de uitspraak wordt deze aangeduid als ‘arrest’, maar in het lichaam (rov. 1.1 en 1.2) als ‘beschikking’.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_46a7d840-b2d2-417a-a5be-3eab85421ec2" label="18">
    <para> 	HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2016/263, m.nt. H.J. Snijders, <emphasis role="italic">AA</emphasis> 2015/0888, m.nt. R.M. Wibier, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2015/252, m.nt. A. Steneker, <emphasis role="italic">NTHR</emphasis> 2017-2, p. 41, m.nt. W.H.B.K. Nieuwesteeg (<emphasis role="italic">Zalco</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9bf8272f-278a-447b-81ab-60f3950a05db" label="19">
    <para> 	Volgens MvG nr. 73 is de zaak tot op dat moment (14 februari 2017) nog niet aangebracht bij het verwijzingshof Arnhem-Leeuwarden. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_01ca6df1-05f1-477c-937f-4a635c0dc8cc" label="20">
    <para> 	Hof Amsterdam 14 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2888, <emphasis role="italic">JOR </emphasis>2015/315, m.nt. J.M. Hummelen en M.S. Breeman. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e0763e92-246c-47ad-98ec-70d95229c924" label="21">
    <para> 	Rb. Amsterdam 15 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:4761, <emphasis role="italic">JOR </emphasis>2015/316, m.nt. J.M. Hummelen en M.S. Breeman.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_62e67b91-83b7-4691-82a7-8873b57b6c30" label="22">
    <para> 	Volgens Glencore is Zalco B.V. een joint venture van UTB en [betrokkene 1] (directeur van het voormalige Zalco), waarin de gieterij wordt geëxploiteerd. Zie pleitaantekeningen zijdens Glencore d.d. 9 juni 2015, nr. 113 jo. nr. 4 (figuur 1) en MvG nr. 48, voetnoot 4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7acf330e-a1b6-4986-8448-f621c7376295" label="23">
    <para> 	Prod. 76 bij akte overlegging producties in principaal en incidenteel appel, tevens wijziging van eis in principaal appel d.d. 16 april 2018 (processtuk 86 in het B-dossier).</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_6ba5d2dc-fd52-4de4-b24e-fb8df381d8a3" label="24">
    <para> 	Ontleend aan rov. 3.1 van het vonnis van 15 juli 2015. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_95b5a2f8-44cf-4d5a-bb0a-dff18b2b3032" label="25">
    <para> 	Zie de volgende processen-verbaal van de Rb. Amsterdam in de zaak met het zaak-/rolnr. C/13/532537 / HA ZA 12-1524: proces-verbaal van comparitie, gehouden op 23 januari 2014; proces-verbaal van descente en van comparitie, gehouden op 21 februari 2014; verkort proces-verbaal van de pleidooizitting, gehouden op 9 juni 2015.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f583df8e-f66a-4d93-a319-f7f43b0c0315" label="26">
    <para> 	Voorafgaand aan het eindvonnis is een aantal incidentele vonnissen gewezen: (i) het vonnis in incident van 3 april 2013, (ii) het vonnis in incident van 17 juli 2013, (iii) het vonnis in incidenten van 16 juli 2014 en (iv) het vonnis in incident van 29 oktober 2014. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e2eb94c8-bbfa-4ee2-8472-dde803248251" label="27">
    <para> 	Rb. Amsterdam 15 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:4761, <emphasis role="italic">JOR </emphasis>2015/316, m.nt. J.M. Hummelen en M.S. Breeman.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51487b7e-7a2d-4717-9057-509b198e3749" label="28">
    <para> 	Ontleend aan rov. 4.1 van het bestreden arrest en rov. 4.4 van het vonnis van 15 juli 2015.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1a8f1412-aa1e-426e-8e81-023bb1a7daff" label="29">
    <para> 	Ontleend aan rov. 4.4 van het bestreden arrest en rov. 4.13 van het vonnis van 15 juli 2015.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_586be0e4-cb32-417f-9064-481ab98c34da" label="30">
    <para> 	Glencore heeft ook een grief (IX) gericht tegen het incidentele vonnis van 3 april 2013. Deze is in cassatie niet van belang. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef5f3d02-b148-44d3-9640-aa27d4fbcaf6" label="31">
    <para> 	Zie akte overlegging producties in principaal en incidenteel appel, tevens wijziging van eis in principaal appel d.d. 16 april 2018 (processtuk 86 in het B-dossier).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f04a083a-5e0b-4171-b9a7-7e87f86aa379" label="32">
    <para> 	Ontleend aan rov. 1 van het bestreden arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef03b4a4-3741-4119-bb36-693d770ec6cb" label="33">
    <para> 	Ontleend aan rov. 4.15 van het bestreden arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_627e0d05-9d9a-49c6-ae3a-cb1c3f00be51" label="34">
    <para> 	Hof Amsterdam, proces-verbaal van pleidooi, zaaknummer: 200.185.196/01.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_71979542-f468-43f2-89f5-30ca7e5f39be" label="35">
    <para> 	Hof Amsterdam 16 oktober 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3709, <emphasis role="italic">JOR </emphasis>2018/319, m.nt. E. Loesberg, <emphasis role="italic">TvCu</emphasis> 2018, nr. 5/6, p. 95 e.v., m.nt. D.G.A. Cox.</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_c32516d6-d93b-40d0-8756-db28718f77d4" label="36">
    <para> 	UTB verwijst naar MvA/MvG inc. zijdens UTB, nr. 49-52.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a596c9e-a057-4d72-a012-cb1d1d9b3990" label="37">
    <para> 	Zie over deze en andere gevolgen van bestanddeelvorming: P.A. Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:4 BW, aant. 6. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b3bca31a-6adc-44b1-966a-26888f19e32f" label="38">
    <para> 	M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 75. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1fe21291-351f-492a-9dfe-f7bbfbd28085" label="39">
    <para> 	Drion/Hijma en Olthof, Compendium van het Nederlands vermogensrecht 1991, nr. 18; H.A.G. Fikkers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, 1999, nr. 28. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fda8cde7-fdd3-4e07-bd37-db8a45bd04d5" label="40">
    <para> 	Zie over deze terminologie ook S. de Groot, GS Zakelijke rechten, art. 5:3 BW, aant. 1 en 4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e90da4c8-a2ff-4e36-801d-4a56ffe620b5" label="41">
    <para> 	In het ontwerp van 1823 werd nog gesproken van bevestiging met “pleister, cement of kalk”. Zie J.C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen der Nederlandsche Wetboeken, deel III, 1838, p. 315-322.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c77eeb41-e9c6-452b-9ff6-9dc29a059e58" label="42">
    <para> 	Art. 563 lid 2 (oud) BW maakt formeel deel uit van een bepaling over zaken die onroerend worden door bestemming (hulpzaken). Algemeen wordt echter aangenomen dat het tweede lid van art. 563 (oud) BW bij art. 562 (oud) BW hoort en over (aard- en nagelvast verbonden) bestanddelen gaat. Zie Suijling V Zakenrecht 1940, nr. 59; Drion/Hijma en Olthof, Compendium van het Nederlands vermogensrecht 1991, nr. 26; H.A.G. Fikkers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, 1999, nr. 11. Zie ook HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0489, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1992/318 (<emphasis role="italic">Gouderak/’t Delftsche Huys</emphasis>), rov. 3.3, alsmede de conclusie van A-G Hartkamp voor dat arrest, nr. 10, met verdere verwijzingen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f05e885c-2277-4d6a-92d2-0d6d957bfbb7" label="43">
    <para> 	Asser-Beekhuis I, 1985, nr. 80.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_65b7f887-7975-4c03-8d21-a4c0b5627037" label="44">
    <para> 	Pitlo/Brahn, Zakenrecht 1980, p. 8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_76123844-1340-4303-8026-9526b25b770a" label="45">
    <para> 	HR 26 maart 1936, ECLI:NL:HR:1936:158, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1936/757 m.nt. P. Scholten (<emphasis role="italic">Sleepboot Egbertha</emphasis>).    </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3e402662-b003-48e4-9e0f-272f1e6f442a" label="46">
    <para> 	HR 11 december 1953, ECLI:NL:HR:1953:185, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1954/115 m.nt. J. Drion (<emphasis role="italic">Stafmateriaal</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9e64e7a1-6b19-4a60-8911-ffd252aac964" label="47">
    <para> 	Pitlo/Brahn, Zakenrecht 1980, p. 10. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_85060452-7a39-4e52-950c-68e546c90e9b" label="48">
    <para> 	J. Drion, <emphasis role="italic">NJ</emphasis>-noot onder het <emphasis role="italic">Stafmateriaal</emphasis>-arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cdfca849-e770-4c10-a33e-ceffa6232b12" label="49">
    <para> 	Het woord ‘wezenlijk’ is later geschrapt. Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 74.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d30bb30e-5a38-4879-b321-394a26bf66de" label="50">
    <para> 	Aldus T.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72. Zie ook M.O., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 77, waar de regeringscommissaris vooropstelt dat het gaat om de vastlegging en voortzetting van een in de praktijk beproefde en bevredigend werkende jurisprudentie.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4f6c0200-ab81-46dd-9cb1-cc520a8b0ab6" label="51">
    <para> 	T.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e5714a8b-1512-4641-ae10-f4002f54c8bb" label="52">
    <para> 	Lid 1 was in het Ontwerp Meijers als volgt geformuleerd: “<emphasis role="italic">Bestanddeel van een zaak is al wat daarvan volgens verkeersopvatting een wezenlijk onderdeel uitmaakt.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9cee9a0c-161d-46d1-947d-f8df209e0baf" label="53">
    <para> 	De Commissie had zich afgevraagd of het tweede lid niet te zeer een dwingend karakter draagt, nu hier voor de verkeersopvatting geen ruimte meer is gelaten, waardoor de bepaling onder omstandigheden tot een rem voor de ontwikkeling van de rechtspraak zou kunnen worden. Zie V.V. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 73. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_28d1a89c-80a5-440e-ae32-246f4b1be1de" label="54">
    <para> 	M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 74  resp. 75.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_32c9b4a3-d0e7-41bd-b16b-c8a839d0de99" label="55">
    <para> 	Snijders, Goederenrecht (SBR 2) 2017/36.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_064338c3-d307-499e-b140-105e6942f553" label="56">
    <para> 	Zie o.a. J.E. Fesevur, Goederenrechtelijke colleges, 2005, p. 41; Heyman &amp; Bartels, Vastgoedtransacties/Koop 2012/19; Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/67; E.F. Verheul, Eigendomsvoorbehoud, bestanddeelvorming en natrekking, WPNR 2015/7053, p. 237; Snijders, Goederenrecht (SBR 2), 2017/36; P.A. Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:4 BW, aant. 10. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5c0e40e6-d374-43d8-9def-fffedc72512d" label="57">
    <para> 	H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom (diss. Leiden) 1997, p. 29.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7e2100d1-9dd1-466f-b919-de1c9d8ca82f" label="58">
    <para> 	Zie o.a. H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom (diss. Leiden) 1997, p. 29; J. Beuving, Bestanddeel en hulpzaak: de stand van zaken, in: Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 5 jaar nieuw burgerlijk recht 1997, p. 67; H.A.G. Fikkers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, 1999, p. 31; Heyman &amp; Bartels, Vastgoedtransacties/Koop 2012/19 en 21 (slot); E.F. Verheul, Eigendomsvoorbehoud, bestanddeelvorming en natrekking, WPNR 2015/7053, p. 237; Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/12. Zie anders: Huijgen, T&amp;C Boek 3 BW, art. 3:4, aant. 1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a952ffc-637b-4d53-995e-c267dc8b50ba" label="59">
    <para> 	E.C.M. Wolfert, Bestanddeel of zaak? Over het onderscheid en de samenhang tussen de artikelen 3:4 en 5:20 BW (II, slot), WPNR 2003/6525, p. 283-284 en 285 (onder 4). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bfa7e71c-7b1e-402e-9e3a-426f3d17136b" label="60">
    <para> 	P.J. van der Plank, De verkeersopvatting als leidend criterium voor bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 BW, WPNR 2015/7086, p. 1036-1037. Zie ook P.J. Van der Plank, Natrekking door onroerende zaken (diss. Nijmegen) 2016, par. 3.5 en 3.6 (m.n. p. 126-127).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a98e683b-402f-4c05-9a7c-4a2729c8d393" label="61">
    <para> 	J. Drion, <emphasis role="italic">NJ</emphasis>-noot onder het <emphasis role="italic">Stafmateriaal</emphasis>-arrest, noemt het huis in een huizenblok als uitzondering op de regel dat een niet zonder beschadiging af te scheiden voorwerp bestanddeel is.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7bd0f8d2-d507-47b8-84a6-87b71258981c" label="62">
    <para> 	K. Hoofs, Doorbreking van de natrekking in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Maastricht) 2013, p. 77.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1a75cacd-b99b-4335-a157-32f793681460" label="63">
    <para> 	V.V. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 74.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_37433a18-f763-4a8f-bb54-cc492b1a3425" label="64">
    <para> 	Vgl. J.E. Wichers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming (diss. Groningen) 2002, p. 77-78; Heyman &amp; Bartels, Vastgoedtransacties/Koop 2012/19.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_74252ec2-9092-410f-b57c-746304bbd78a" label="65">
    <para> 	O.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_44f13d06-30c4-4585-91be-80739913f23d" label="66">
    <para> 	T.M. (bij het vervallen art. 3.1.1.4), Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 85.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_93b55bb4-e31f-46ee-b781-b96ed6a8f956" label="67">
    <para> 	T.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72. Zie voor “aard- of nagelvastheid” als criterium voor bestanddeelvorming ook T.M. (bij het vervallen art. 3.1.1.4), Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 83.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7d50e73d-7bf2-4a98-9c79-1bb2db82b9ae" label="68">
    <para> 	V.V. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 73.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c597884c-b8ff-40dc-865b-a088b2b6cea9" label="69">
    <para> 	M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 75.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c9f7accd-8256-480e-9986-0cd4cb552ffc" label="70">
    <para> 	T.M. bij het inmiddels vervallen lid 2 van art. 5.2.10 O.M. (thans art. 5:14 BW), Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 105.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e0bdb934-9ef3-4f34-89d7-c1b55c1c222e" label="71">
    <para> 	M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 76 resp. p. 77.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_69aa185a-be56-4318-9ab4-5a0de83d46e5" label="72">
    <para> 	T.M. (bij art. 3:3 BW), Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 66-67.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cb83a140-b08b-4d59-ace5-39e8bb8c27b5" label="73">
    <para> 	M.v.A. II (bij art. 3:3 BW), Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 69.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0a3a74f0-d704-4f22-88bf-5eceec182851" label="74">
    <para> 	M.v.A. II (bij art. 3:3 BW), Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 69.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dfc3f988-5f87-4ca9-ab95-ffb81b15bc50" label="75">
    <para> 	Vgl. S.C.J.J. Kortmann, Het object van leasing, in: Van Hees, Hermans &amp; Kortmann, Vermogensrechtelijke aspecten van leasing 1997, p. 19: “<emphasis role="italic">Het verbindingscriterium van art 3:4 lid 2 BW lijkt te verwijzen naar </emphasis>fysieke<emphasis role="italic"> schade van betekenis</emphasis>”, met verwijzing naar het <emphasis role="italic">Depex</emphasis>-arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0b17340b-ce4e-4450-9c39-05c71148f16f" label="76">
    <para> 	Snijders, Goederenrecht (SBR 2) 2017/280.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f177d9ca-7fce-4947-aac3-0617f53f9aac" label="77">
    <para> 	S. de Groot, GS Zakelijke rechten, art. 5:3 BW, aant. 3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a62b08a1-71f3-4782-8394-5119af7ea991" label="78">
    <para> 	Zie mijn eerdere conclusie vóór HR 6 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2013/571, m.nt. H.J. Snijders, <emphasis role="italic">JOR </emphasis>2013/65, m.nt. A. Steneker, <emphasis role="italic">TBR</emphasis> 2013/60, m.nt. H.W.C.M. Moesker, <emphasis role="italic">JIN</emphasis> 2013/11, m.nt. P.H. Bossema-de Greef, onder 2.15, waarbij ik verwijs naar: J.H. Beekhuis, Zaaksbestanddelen naar bestaand en wordend recht, in: Van Opstall-bundel 1972, p. 14-15; J. Hijma, Dépex/curatoren Bergel c.s., <emphasis role="italic">AA</emphasis> 1992/5, p. 286; J. Beuving, Bestanddeel en hulpzaak: de stand van zaken, in: Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 5 jaar nieuw burgerlijk recht 1997, p. 68; H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom (diss. Leiden) 1997, nrs. 45-46; H.W. Heyman, Wanneer is een gebouw of werk 'duurzaam met de grond verenigd'?, in: S.E. Bartels en J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht (2000), p. 102; J.E. Wichers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming (diss. Groningen) 2002, p. 10-20; Asser-Mijnsen-De Haan-Van Dam (2006), nr. 60, en P.A. Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:4, aant. 3 (in fine). Zie ook Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/65, Asser/Bartels &amp; Van Velten 5 2017/69, en  A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (2018), p. 67.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2ca34525-118b-48fe-a66a-47139e491f63" label="79">
    <para> 	Zie H.W. Heyman, De natrekkingscriteria naar huidig en toekomstig recht, WPNR 1974/5270, p. 474; H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, diss. 1997, p. 46, en P.J. van der Plank, Natrekking door onroerende zaken (diss. Nijmegen) 2016, p. 140.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_99420197-73ab-4c5b-bf39-bd2c81fd5100" label="80">
    <para> 	A.J. Mes, H.D. Ploeger en B.A.M. Janssen, Eigendom van  onroerende zaken, met name natrekking, in: Boek 5 van de toekomst, preadvies KNB 2016, p. 164. Zie ook Vonck, GS Zakelijke rechten, art. 5:20 BW, aant. 1.6.1 met verdere verwijzingen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5a136312-3793-4f6e-825a-2b86a5e6f700" label="81">
    <para> 	Art. 3.1.1.3 lid 3 O.M. luidde: “<emphasis role="italic">De verkoper van een roerende zaak, die zich bij akte ondanks de levering de eigendom heeft voorbehouden totdat de koopprijs volledig is voldaan, kan, door de akte in de openbare registers te doen inschrijven, voorkomen dat de verkochte zaak vóór de betaling tot een bestanddeel van een bepaalde onroerende zaak wordt gemaakt.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_18b6dfa3-83b6-4b29-86a4-1aa3058b61a8" label="82">
    <para> 	M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 76. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6391f869-2520-47c1-9136-b87d9ce61bb4" label="83">
    <para> 	M.O., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 78.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bd6af84c-71a4-48df-aac6-a49ede659b3b" label="84">
    <para> 	Vgl. P.J. Van der Plank, Natrekking door onroerende zaken (diss. Nijmegen) 2016, p. 132.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_086f75ee-4eb8-4ada-a04d-e8b346005912" label="85">
    <para> 	Zie o.m. HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0412, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1993/316, m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">Dépex/Bergel</emphasis>), HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0774, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1993/317, m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">Ontvanger/Rabo</emphasis>) – deze arresten zijn gewezen onder vigeur van het vóór 1 januari 1992 geldende recht, maar gelden evenzeer bij de toepassing van het huidige art. 3:4 lid 1 BW, aldus de Hoge Raad in HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2116, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1997/397, m.nt. P. van Schilfgaarde (<emphasis role="italic">Straalcabine</emphasis>) – en HR 6 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2013/571, m.nt. H.J. Snijders, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2013/65 m.nt. A. Steneker, <emphasis role="italic">TBR</emphasis> 2013/60, m.nt. H.W.C.M. Moesker, <emphasis role="italic">JIN </emphasis>2013/11, m.nt. P.H. Bossema-de Greef (<emphasis role="italic">Prorail/Rijswijk Wonen</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c0d4ec9-2eec-4545-93ab-fcad3e6d7ddc" label="86">
    <para> 	HR 6 oktober 1902, W. 7811. Aangehaald in T.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_10c99f79-b002-4208-bbac-5c0223b7cd77" label="87">
    <para> 	HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0412, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1993/316, m.nt. W.M. Kleijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_55e1d6fa-faa7-48f5-84f6-07142b82f197" label="88">
    <para> 	HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0774, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1993/317, m.nt. W.M. Kleijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9b3e2056-4487-48f6-81a9-94f0ec81ee78" label="89">
    <para> 	HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0489, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1992/318.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_228a9f30-1a7e-47d5-a397-ec25ca75d149" label="90">
    <para> 	Zie hiervoor onder 2.7. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9d06bf14-fc14-4020-9a7d-5e63ba546cfd" label="91">
    <para> 	HR 14 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0960, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1993/658 m.nt. W.M. Kleijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8875eb8a-1eaf-4d2c-a281-7512bfca7bee" label="92">
    <para> 	HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2116, <emphasis role="italic">NJ 1</emphasis>997/397, m.nt. P. van Schilfgaarde, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 1996/107 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (<emphasis role="italic">Straalcabine</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_32b14ac1-aa4b-4d9d-a060-6379738134f6" label="93">
    <para> 	HR 6 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7361, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2001/167.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef4f7a43-f9cd-484d-a7e3-15e86962a57d" label="94">
    <para> 	Zie o.m. Huijgen, T&amp;C BW, art. 3:4, aant. 3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f4bc85dd-77d9-40d0-8550-f409246d7f96" label="95">
    <para> 	Aldus Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/12.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b9c3f293-8099-4687-9b8f-f5828805a6a5" label="96">
    <para> 	J. Beuving, Bestanddeel en hulpzaak: de stand van zaken, in: Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 5 jaar nieuw burgerlijk recht 1997, p. 68-69.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8996556c-4e91-4606-abcb-fe0e5ae6a316" label="97">
    <para> 	H.A.G. Fikkers, Recensie: H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, NTBR 1999/6, p. 176-177. Zie ook Fikkers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, 1999, nr. 49 (p. 44-45).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_00d4253c-9078-476e-83bc-5fa594ca5103" label="98">
    <para> 	S.C.J.J. Kortmann, Het object van leasing, in: Van Hees, Hermans &amp; Kortmann, Vermogensrechtelijke aspecten van leasing 1997, p. 19.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a292c74-ba03-43d2-8d66-302b67e1ef1b" label="99">
    <para> 	Snijders, Goederenrecht (SBR 2) 2017/38.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc74806d-bba2-4d67-9f71-cd94f8407de4" label="100">
    <para> 	Zie over economische of vermogensrechtelijke uitleg van het beschadigingscriterium in algemene zin ook: E. Loesberg, noot onder het bestreden arrest in <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2018/319, onder 4, en D.G.A. Cox, Glencore/curatoren Zalco c.s., Annotatie arrest gerechtshof Amsterdam 16 oktober 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3709, <emphasis role="italic">TvC</emphasis> 2018, nr. 5/6, p. 96.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8262e43a-e495-442c-b6d9-b93b830aa65b" label="101">
    <para> 	S.C.J.J. Kortmann, Het object van leasing, in: Van Hees, Hermans &amp; Kortmann, Vermogensrechtelijke aspecten van leasing 1997, p. 19. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_dfd49ade-8152-4cd7-8643-0e00c9d7bc72" label="102">
    <para> 	H.A.G. Fikkers, Recensie: H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, NTBR 1999/6, p. 176-177.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf24f632-3fe6-454a-a69b-e1c9e40af759" label="103">
    <para> 	H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom (diss. Leiden) 1997, p. 47.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b8f52be8-7607-4308-bde2-65f1721f078e" label="104">
    <para> 	Verwezen wordt naar o.m. HR 18 mei 1951, ECLI:NL:HR:1951:97, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1951/548 (<emphasis role="italic">Mony</emphasis>) en HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0489, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1992/318 (<emphasis role="italic">Gouderak/ 't Delftsche Huys</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_972fe682-d703-4ee5-92be-91e0b07dc61e" label="105">
    <para> 	Heyman &amp; Bartels, Vastgoedtransacties/Koop 2012/20. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b7734053-7b9a-4251-a1a4-8e634d741fc5" label="106">
    <para> 	Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/67; S.E. Bartels en K.W.C. Geurts, Zekerheidsrechten in de agrarische sector, Tijdschrift voor Agrarisch recht 2016, nr. 3, p. 136. Aldus ook Hummelen en Breeman, noot onder <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2015/316, onder 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_02f32705-a2ac-4357-81b5-1d5b5b8ea0e3" label="107">
    <para> 	J.E. Wichers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming (diss. Groningen) 2002, p. 96-100.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f235384e-fe8a-4515-a1e6-f80fc704f4d6" label="108">
    <para> 	In deze zin ook K. Hoofs, Doorbreking van natrekking in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Maastricht) 2013, p. 76-77; P.J. van der Plank, Natrekking door onroerende zaken (diss. Nijmegen) 2016, p. 107-108. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_66878482-ada1-4753-a9ed-f1f58ff5a144" label="109">
    <para>  Volgens Wichers, a.w. p. 98, voetnoot 247, kan een waardevermindering die louter en alleen het gevolg is van de <emphasis role="italic">afscheiding</emphasis> nooit een beschadiging van betekenis vormen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6a6e1f7-97bd-4204-92e5-4337027ec939" label="110">
    <para> 	Wichers, a.w., p. 100, voetnoot 258.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8baf8c31-8ae2-4101-a7c8-8f93b33783e9" label="111">
    <para> 	Onder verwijzing naar M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 75. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f70b645c-2b4a-41a2-9530-ac638d71307d" label="112">
    <para> 	J.M. Hummelen en M.S. Breeman, noot onder Rb Amsterdam 15 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:4761, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2015/316, onder 4-7.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c39ba76-9471-4ed5-af84-fc15aeb8537f" label="113">
    <para> 	In die zin ook P.J. van der Plank, Is Glencore blij gemaakt met een dode mus?, NTBR 2016/13, nr. 7.1, volgens wie dit zou blijken uit het arrest <emphasis role="italic">Prorail/Rijswijk Wonen. </emphasis>In die argumentatie kan ik haar niet volgen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a91547ef-c628-41a5-90d5-cd4b73d02057" label="114">
    <para> 	T.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ece6e0d-bc9c-4a94-ace2-51ceca7a710f" label="115">
    <para> 	Snijders, Goederenrecht (SBR 2) 2017/280.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_45303049-c1b1-4f54-9707-cbde4ae62480" label="116">
    <para> 	Vgl. HR 20 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9997, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2011/241 (boom groeit over erfgrens heen).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb5fa976-e6f9-43e8-9afa-f0c3ac2f0838" label="117">
    <para> 	Vgl. HR 26 maart 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6010, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1968/239.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_320b69a3-307f-4b6e-90dd-f08bc3fdd6bd" label="118">
    <para> 	M.v.T. Inv., Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 1021. Zie ook art. 5.2.14 OM en RO, krachtens welke de wettelijke bepalingen omtrent natrekking niet aan een vordering uit onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking in de weg staan. Deze bepaling is als overbodig geschrapt. Zie M.v.T. II, Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 114.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa8eded4-0895-4459-8842-89d400d15805" label="119">
    <para> 	T.M., Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 829-830. Zie ook HR 15 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0155, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/126, m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">Daams/Staat</emphasis>), rov. 3.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_35c8c939-37df-4564-9ef1-887a97581cba" label="120">
    <para> 	M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 833.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b4245ce-32da-4591-a692-d8bba5e2b16b" label="121">
    <para> 	Hijma, T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 6:212 BW, aant. 2; Van Leuken, Van de Moosdijk en Tweehuysen, Hartkamps Compendium van het vermogensrecht 2017/518; S. de Groot, GS Zakelijke rechten, art. 5:3 BW, aant. 12 met verdere verwijzingen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_81c07d9e-67d9-46e5-9d5c-df168ad5bf92" label="122">
    <para> 	HR 29 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0845, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1994/172, m.nt. P. van Schilfgaarde (<emphasis role="italic">Vermobo/Van Rijswijk</emphasis>); HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2620, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2006/100 (<emphasis role="italic">LRS/Sint Willibrordus</emphasis>), rov. 3.3.2.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_062e65ee-7ecf-4e52-b018-4bf89c960fb3" label="123">
    <para> 	HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1907, <emphasis role="italic">RvdW </emphasis>2020/2, betreffende het recht op oprichting van een scheidsmuur ex art. 5:49 BW indien reeds een afscheiding bestaat.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1aa407f9-897d-4c93-9090-48df15ac4ea6" label="124">
    <para> 	HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2018/141 m.nt. H.J. Snijders (<emphasis role="italic">Gem. Heusden</emphasis>), betreffende verkrijgende verjaring ex art. 3:105 jo. 306 BW door een bezitter te kwader trouw. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7ac932db-e18a-446b-ab74-52d360e76c97" label="125">
    <para> 	Zie ook s.t. UTB, nr. 7-11.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f69e9d8-8610-4ffa-b849-e343fe3cb05e" label="126">
    <para> 	Het middel verwijst naar UTB’s akte uitlating gerechtelijke plaatsopneming, tevens houdende akte aanvulling conclusie van antwoord, nr. 66, 72-73, 81-82; CvD tevens CvA inc. tevens antw. akte verm. eis, nr. 42.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1c97ec63-421d-494e-84cd-2a073e854cdf" label="127">
    <para>  Het middel verwijst naar MvA/MvG inc. zijdens UTB, nr. 37 en voetnoot 3 daarbij.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_86182780-756c-42f4-aaff-b6702cc92728" label="128">
    <para> 	Processtuk 34 in het B-dossier. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_590dec97-cb0d-4ef7-90bd-2015a2c0659a" label="129">
    <para> 	Processtuk 59 in het B-dossier. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_59d3413c-7547-49b9-81fe-40fdb02e9c0d" label="130">
    <para> 	HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2016/263, m.nt. H.J. Snijders, <emphasis role="italic">AA </emphasis>2015/0888, m.nt. R.M. Wibier, <emphasis role="italic">JOR </emphasis>2015/252, m.nt. A. Steneker, <emphasis role="italic">NTHR</emphasis> 2017/2, p. 41, m.nt. W.H.B.K. Nieuwsteeg (<emphasis role="italic">Zalco</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c687de06-0e34-465a-b6df-a9347bf775ca" label="131">
    <para> 	Processtuk 83 in het B-dossier. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bac29e23-3c7c-499e-ba19-f7adfd36b605" label="132">
    <para>  Zie ook rov. 4.58: “<emphasis role="italic">UTB Holding heeft het aluminium gekocht van ZSP (…). UTB Holding heeft niet bestreden dat als in dit geding wordt vastgesteld dat het aluminium niet door de ovens is nagetrokken ZSP niet bevoegd was om het aluminium aan haar over te dragen, zodat daarvan uitgaande UTB Holding geen rechten op het aluminium geldend kan maken</emphasis>.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a4460d96-17da-4786-a5aa-eeaa2561d8c9" label="133">
    <para> 	Zie voor het partijdebat betreffende het door Glencore gestelde onrechtmatig handelen van UTB o.a.: inl. dagv., nr. 134-137 (processtuk 1 in het B-dossier); CvA tevens houdende voorwaardelijk verzoek ex art. 202 Rv, onder 51-61 (processtuk 14 in het B-dossier); CvR tevens houdende vermeerdering van eis, nr. 295-334 (processtuk 52 in het B-dossier), en CvD tevens houdende CvA inc. tevens antwoordakte verm. van eis, nr. 4-35 (processtuk 59 in het B-dossier).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_677707e0-e2fb-4c7b-ba31-4a1b305520a4" label="134">
    <para> 	In rov. 4.9 was beslist dat Glencore na ommekomst van de door curatoren gestelde termijn ex art. 58 Fw (dus vanaf 11 september 2012) geen bevoegdheid meer toekwam om als pandhouder over het aluminium te beschikken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_56cac05e-5b28-4d13-8694-859556c8a328" label="135">
    <para> 	Zie MvG tevens akte vermeerdering van eis (processtuk 81 in het B-dossier), nr. 352-380.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2b568a5f-855b-4cc0-87e7-73213e670b44" label="136">
    <para> 	Processtuk 83 in het B-dossier.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fb764e27-cac3-4cec-a9bb-2899ca043470" label="137">
    <para> 	Processtuk 89 in het B-dossier.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b304b7fa-7a0e-4e1d-bbc4-6027b726c66f" label="138">
    <para> 	Ik verwijs naar de hiervoor onder 2.71 en 2.73 aangehaalde vindplaatsen in de gedingstukken.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_163290c0-865b-462a-8d74-d0575169919b" label="139">
    <para> 	Zaak-/rolnr. 84432 / KG ZA 12-129, overgelegd als prod. I bij MvA/MvG inc. zijdens UTB c.s. (processtuk 83 in het B-dossier).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8932e6fb-a23d-4821-9593-b5bf7e1b435a" label="140">
    <para> 	Hof ’s-Hertogenbosch 5 november 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5203, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2014/26, m.nt. E.M. Loesberg.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0c62fdaa-c7ba-4836-b865-81cbd93a6992" label="141">
    <para> 	HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2016/263, m.nt. H.J. Snijders, <emphasis role="italic">AA </emphasis>2015/0888, m.nt. R.M. Wibier, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2015/252, m.nt. A. Steneker, <emphasis role="italic">NTHR</emphasis> 2017/1, p. 41, m.nt. W.H.B.K. Nieuwsteeg (<emphasis role="italic">Zalco</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ff286647-6ee5-449a-af2c-c5cc8e647e71" label="142">
    <para> 	Onder verwijzing naar MvA/MvG inc. zijdens UTB, nr. 28 en 31.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1e292769-9c17-40a3-8055-70cf9c16a3ff" label="143">
    <para> 	Het middel verwijst naar MvA/MvG inc., nr 28 en 31. Voorts naar CvA tevens voorw verzoek ex 202 Rv, nr. 54; CvD tevens CvA inc. tevens antw. akte verm. eis, nr. 11 en 19 (waaruit zou volgen dat door de stolling van het aluminium in de ovens afgifte van het aluminium niet mogelijk was).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_90928d39-d0e4-442e-823d-8bca04c38335" label="144">
    <para> 	UTB wijst in dit verband op rov. 4.8-4.9 en 4.84. Volgens UTB had Glencore al eerder, op 11 juni 2012, een veiling aangekondigd (die geen doorgang heeft gevonden, zie CvA tevens voorw verzoek ex 202 Rv, nr. 19) kennelijk zonder dat zij pandhoudersbeslag nodig achtte. UTB wijst hierbij ook op inl. dagv., nr. 77, waaruit zou blijken dat Glencore indertijd de veiling van 10 september 2012 heeft aangekondigd “ter behoud van haar executierecht”.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ab8d0a85-7358-4f4f-b9ec-7309ed879d45" label="145">
    <para> 	Het middel verwijst naar CvA tevens voorw verzoek ex 202 Rv zijdens UTB, nr. 23, 25, 48 en 56; inl. dagv., nr. 76, en MvA/MvG inc., nr. 15 (p. 10-11) en nr. 19 (waaruit zou volgen dat Glencore de goedkoopste aannemer zocht om het aluminium voor haar uit de ovens te laten verwijderen).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ab5cefd2-1a9a-46fd-aca5-259c7b217961" label="146">
    <para> 	Het middel verwijst naar rov. 3.29, en MvA/MvG inc. zijdens UTB, nr. 7, 22, 24 en 31.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9369fa81-b0fb-43ac-a1d3-a918f4a65fd8" label="147">
    <para> 	Het middel verwijst naar CvA tevens voorw. verzoek ex 202 Rv zijdens UTB, nr. 5, 10 en 32; CvD tevens CvA inc. tevens antw. akte verm. eis, nr. 3 (op p. 7), 10 en 19, en MvA/MvG inc., nr. 28 en 31.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0ca5913e-31f6-4308-9778-d15105041d51" label="148">
    <para> 	Zie o.a. MvA/MvG inc. (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 11, waar UTB erop wijst dat een belangrijk geschilpunt tussen partijen betrekking heeft op de vraag of het aluminium na de stolling als roerend of als onroerend moet worden beschouwd.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4982522e-2e1b-4efd-8352-3b124ce32767" label="149">
    <para> 	Zie o.a. MvA/MvG inc. (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 28, waar UTB aanvoert dat op 10 september 2012 (de dag voor het vonnis in kort geding van 11 september 2012) de door de curatoren gestelde termijn ex art. 58 Fw verliep.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e0d8f46e-ec5b-4ae3-82d9-5558590c3321" label="150">
    <para> 	Zie o.m. HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5602, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2008/225.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_24d01b42-33bb-482b-9779-87dff21ed238" label="151">
    <para> 	Het middel verwijst naar MvA/MvG inc., nr. 28.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e1e663d-afac-4934-bdf1-5caed8db7ed1" label="152">
    <para> 	Het middel verwijst naar CvA tevens voorw verzoek ex 202 Rv, nr. 58; CvD tevens CvA inc. tevens antw. akte verm. eis, nr. 3 (p. 7-8), 6, 8, 19, 21 en 35, en MvA/MvG inc., nr. 24, 28 en 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_26a0c983-2f47-473b-bc2d-35a4d509a322" label="153">
    <para> 	Het middel verwijst naar (i.h.b.) MvA/MvG inc., nr. 28.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_64f26230-fe04-4bf0-ae5d-f05fcc3215a9" label="154">
    <para> 	Het middel verwijst naar CvA tevens voorw. verzoek ex 202 Rv, nr. 5, 10 en 32; CvD tevens CvA inc. tevens antw. akte verm. eis, nr. 3 (op p. 7), 10 en 19, en MvA/MvG inc., nr. 28 en 31.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8d8423d-fccf-43f5-a761-90900d5242c9" label="155">
    <para> 	Deze rov. luidt als volgt: “<emphasis role="italic">4.85 Het voorgaande betekent dat de schade die als een gevolg van de gedragingen aan curatoren en UTB Holding aan hen kan worden toegerekend dient te worden vastgesteld op USD 7.859.325,60, minus het met UTB Holding overeengekomen bedrag van USD 1.790.361,72, dat is USD 6.068.963,88.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e02c57a2-c87f-463d-b080-2bf7f28c218a" label="156">
    <para> 	De procesinleiding onder 4.6 vermeldt kennelijk abusievelijk 10 <emphasis role="italic">november</emphasis> 2012.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8da1741a-3ffc-4448-957a-af41af00f43a" label="157">
    <para> 	Het middel verwijst naar MvA/MvG inc., nr. 11, 18, 24-25 en 28.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_05506b4b-b138-47ef-b318-d21f0ff2bf82" label="158">
    <para> 	Het middel verwijst naar CvA tevens voorw. verzoek ex 202 Rv, nr. 13-16; CvD tevens CvA inc. tevens antw. akte verm. eis, nr. 3 (p. 4), en MvA/MvG inc., nr. 15.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0e4676e7-ca4e-4984-ac7f-d9f3f16e8929" label="159">
    <para> 	UTB wijst in dit verband op HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV301, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2012/293, rov. 3.9.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4b6c0f4e-f8c6-460c-ac81-ef6e91e3c2e8" label="160">
    <para> 	Asser/Sieburgh 6-II 2017/214.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1bebc67a-db69-4273-bb87-74fb050b9a0d" label="161">
    <para> 	Rank, <emphasis role="italic">T&amp;C BW</emphasis>, art. 6:119 BW, aant. 3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f39860ae-49b8-4299-bb98-9db2b2708533" label="162">
    <para> 	Vos, GS Verbintenissenrecht, art. 6:119 BW, aant. 4 onder verwijzing naar M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 475. Zie ook Rank, <emphasis role="italic">T&amp;C BW</emphasis>, art. 6:119 BW, aant. 3 en Asser/Sieburgh 6-II 2017/214.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_998a7454-e3be-443e-b458-c12580d4957e" label="163">
    <para> 	Vos, GS Verbintenissenrecht, art. 6:119 BW, aant. 4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9a5129eb-a033-4daf-8936-66e501a7316f" label="164">
    <para> 	Zie HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:107, <emphasis role="italic">RvdW</emphasis> 2018/188, rov. 4.1.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ae72eeae-418f-4ccf-8ca1-0ed2b252c95f" label="165">
    <para> 	Zie mijn conclusie vóór HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:107, <emphasis role="italic">RvdW</emphasis> 2018/188, onder 2.16, onder verwijzing naar Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/98-99 (met verwijzing naar onder meer HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3422, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2017/56 m.nt. E.W.J. Groot, <emphasis role="italic">JBPr</emphasis> 2016/8 m.nt. F.J.P. Lock en HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3066, <emphasis role="italic">JBPr</emphasis> 2010/40 m.nt. A. Knigge).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c35feceb-79bb-43b8-9432-8da3e542d486" label="166">
    <para> 	Zie ook rov. 4.69 van het bestreden arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b36f3994-9c87-4a22-8247-9fdcb1a871a0" label="167">
    <para> 	Vgl. het oordeel van het hof in rov. 4.87 met betrekking tot de vordering tot het toekennen van wettelijke rente vanaf 19 december 2011 jegens NB c.s.: “<emphasis role="italic">De vordering tot schadebegroting uit onrechtmatige daad heeft Glencore toegespitst op het verhinderen van de veiling op 12 september 2012 en de daaruit ontstane schade. Dit is ook de peildatum waarvan zij bij de schadebegroting is uitgegaan. Daarin ligt besloten dat Glencore voor deze datum nog geen schade heeft geleden, zodat NB c.s. niet eerder dan vanaf deze datum wettelijke rente verschuldigd kunnen zijn.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_899e1e4e-ba4b-4ade-811a-a4434f343653" label="168">
    <para> 	Zie CvA tevens voorw. verzoek ex art. 202 Rv (processtuk 14 in het B-dossier), nr. 12-16 en CvD/CvA inc. tevens antwoordakte wijziging van eis (processtuk 59 in het B-dossier), nr. 3 (p. 4).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_196c6aad-ecf3-46f9-b65a-4c345a319e79" label="169">
    <para> 	MvA/MvG inc. zijdens UTB (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 15.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f9ed4d8d-b491-43c3-bf8c-3bf73d00d48a" label="170">
    <para> 	Grief III is gericht tegen de toewijzing van de wettelijke rente vanaf 10 september 2012 jegens NB c.s., zie MvG tevens akte vermeerdering van eis (processtuk 81 in het B-dossier), nr. 309.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e481868f-2eea-42a2-a582-8a46236f772a" label="171">
    <para> 	MvA/MvG inc. zijdens UTB (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d662b5dd-d722-439e-b53c-244e35294785" label="172">
    <para> 	MvA/MvG inc. zijdens NB/ZSP (processtuk 82 in het B-dossier), nr. 12.18-12.19 (in par. 12 getiteld ‘Antwoord op grief III: Schade’).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b7d2ec5b-81f1-4fc0-b5a7-7d3daa81de96" label="173">
    <para> 	MvA/MvG inc. zijdens UTB (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_17319dc6-acd5-4b3e-9bfe-04362ea00a17" label="174">
    <para> 	Proces-verbaal van pleidooi d.d. 16 april 2018 (processtuk 92 in het B-dossier), p. 3 (verklaring mr. Kemps).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3757e7d5-68c1-42c1-b536-e8dd48168db4" label="175">
    <para> 	Zie s.t. zijdens UTB, nr. 40.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7bf190fb-83f8-487f-bbcd-9b946311e338" label="176">
    <para> 	Zie akte overlegging producties in principaal en incidenteel appel, tevens wijziging van eis in principaal appel zijdens Glencore (processtuk 86 in het B-dossier), nr. 44: “<emphasis role="italic">Glencore meent dat de aan haar toe te kennen schadevergoeding gelijk dient te zijn aan dat bedrag [het gewijzigde schadebedrag van USD 7.825.499,40 zoals door Glencore uiteengezet in het voorafgaande randnummer 43, A-G]. Voor zover uw Gerechtshof oordeelt dat Glencore enige uitkering van het (…) Escrow Bedrag toekomt, kan dat bedrag daarvan worden afgetrokken.</emphasis>” </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a3ef6efa-a87a-47bf-b164-bfdf34c958c2" label="177">
    <para> 	Het middel verwijst naar MvA inc., nr. 115-125, 252; MvG, nr. 394-395; pleitnota zijdens Glencore d.d. 16 april 2018, nr. 9; inl. dagv., nr. 120; akte na descente zijdens Glencore, nr. 17; CvR, nr. 79-98, en pleitnota zijdens Glencore d.d. 9 juni 2015, hfdst. 5.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ad456b17-755a-4a59-9680-abf752ef7e69" label="178">
    <para> 	Glencore wijst in dit verband op Parl. Gesch. Boek 3, p. 72 en MvA inc., nr. 116 en CvR, nr. 85-86.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1ef73b94-06cb-4a35-a28a-5219f3c87777" label="179">
    <para> 	Het middel verwijst naar MvA inc., nr. 110-125, MvG, nr. 395, pleitnota zijdens Glencore d.d. 9 juni 2015, nr. 63-64, CvR, nr. 79-98 en inl. dagv., nr. 3.1.1.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eb7baeb2-9c50-4fa3-a9ae-408294ea4d2b" label="180">
    <para> 	T.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2615ee4d-adc4-4d75-a84e-aca946cb39b1" label="181">
    <para> 	T.M. (bij art. 5:20 BW), Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 121, met verwijzing naar (thans) art. 3:4 BW. Zie ook de voorbeelden (en vindplaatsen) genoemd hiervoor onder 2.17.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f6b750b-c8a4-4810-a0bd-e60e657f1051" label="182">
    <para> 	Zie s.t. Glencore, nr. 5.6.6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_14762a59-9e31-41fb-a25f-fb3eaedce907" label="183">
    <para> 	Het middel verwijst naar rov. 4.20 van het bestreden arrest. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0d4178c6-17fa-4b6e-94e1-ddee41da24f1" label="184">
    <para> 	Het middel verwijst naar MvA inc., nr. 126-132; CvR, nr. 109, en akte na descente zijdens Glencore, nr. 37 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4f71c359-7dc9-4e06-b5cf-fe6413eb7ce6" label="185">
    <para> 	Zie o.m. MvA/MvG inc. zijdens NB c.s. (processtuk 82 in het B-dossier), nr. 4.61 e.v. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2b14438a-312d-45f8-a076-236bff90ec96" label="186">
    <para> 	CvD tevens houdende antwoordakte wijziging van eis en CvA in incident houdende het verzoek tot een beslissing omtrent de vertaling van producties zijdens NB c.s. (processtuk 58 in het B-dossier), nr. 5.31.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bc051d1f-04b0-4d7a-a661-2e656b2e5118" label="187">
    <para> 	Op het aluminium in een oven vormt zich een harde korst van aluinaarde of ‘crushed bath’ (badmateriaal). Om de plakken aluminium uit de ovens te verwijderen moest eerst het badmateriaal verwijderd worden met een hamer, moker en later een pneumatische hamer. Dit badmateriaal bevindt zich op de plak aluminium en tussen de aluminiumplak en de ovenwand (zie akte na descente zijdens Glencore, nr. 31, 37, 69 (processtuk 30 in het B-dossier)).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4fe53c4e-274e-4628-b6ac-1d34880f5b66" label="188">
    <para> 	Pleitnotities zijdens NB c.s. (processtuk 69 in het B-dossier), nr. 39a. Zie ook: Akte uitlatingen gerechtelijke plaatsopneming tevens houdende akte aanvulling conclusie van antwoord tevens houdende akte overlegging aanvullende producties zijdens NB c.s. (processtuk 36 in het B-dossier), nr. 19-21, 29(i)c en 29(iii)a.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_93d62856-79ff-416d-8a0c-2e1d9705f8ee" label="189">
    <para> 	Akte uitlatingen gerechtelijke plaatsopneming tevens houdende akte aanvulling conclusie van antwoord tevens houdende akte overlegging aanvullende producties zijdens NB c.s. (processtuk 36 in het B-dossier), nr. 22.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3be83afb-1bed-44bd-82c8-ac5eeeeb38f5" label="190">
    <para> 	Pleitnotities zijdens NB c.s. (processtuk 69 in het B-dossier), nr. 40c en 40d. Zie ook Akte uitlatingen gerechtelijke plaatsopneming tevens houdende akte aanvulling conclusie van antwoord tevens houdende akte overlegging aanvullende producties zijdens NB c.s. (processtuk 36 in het B-dossier), nr. 30.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5120c3d9-5ac1-4e78-8635-2ea237a553e6" label="191">
    <para> 	CvD tevens CvA inc. tevens antwoordakte vermeerdering van eis zijdens UTB c.s. (processtuk 59 in het B-dossier), nr. 36-40.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1eb6494b-da16-4958-bb0b-7264966fd6f1" label="192">
    <para> 	CvA tevens houdende voorwaardelijk verzoek ex art. 202 Rv (processtuk 14), nr. 44-45.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_46922cb0-9eb0-4ac1-9442-f9af64b0c1a5" label="193">
    <para> 	Zie o.m. CvA tevens houdende voorwaardelijk verzoek ex art. 202 Rv (processtuk 14), nr. 42; MvA/MvG inc. zijdens UTB c.s. (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 1 en 48.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0909e602-0fc0-49ca-99bb-5a00f3ef42d9" label="194">
    <para> 	Waarbij Glencore opmerkt dat het hof in zijn arrest de term “crash-restart” hanteert, maar dat Glencore steeds heeft gesproken over een “crash-start”. Met die beide termen wordt volgens Glencore hetzelfde bedoeld.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fac9a669-026f-42a0-93e7-d0f102ac9fea" label="195">
    <para> 	Onder verwijzing naar MvA inc., nr. 156 en 180-185; pleitnota zijdens Glencore d.d. 16 april 2018, nr.  12; CvR, nr. 106,  en pleitnota zijdens Glencore d.d. 9 juni 2015, nr. 66.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_062bf6d1-4e90-4ae7-aa3e-4cc089a32f2a" label="196">
    <para> 	Glencore merkt op dat dit ook geldt voor het op oordeel (d) voortbouwende oordeel in rov. 4.37 dat het aluminium slechts met hak- en breekwerk uit de ovens kon worden gehaald.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_88d7b44d-a374-4fc1-b64e-d3a02fffeba2" label="197">
    <para> 	Onder verwijzing naar MvA inc., nr. 156, 160 en 176-192; CvR, nr. 106; akte na descente zijdens Glencore, nr. 13-17; akte eiswijziging zijdens Glencore, nr. 69-70; inl. dagv., nr. 12. Glencore heeft daar naar eigen zeggen aan toegevoegd dat pas later een dergelijke <emphasis role="italic">crash-start</emphasis> niet meer mogelijk was, maar dat dit voor de beoordeling niet relevant is: zie MvA inc. appel, nr. 157.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_925449af-8e09-47f9-8254-651601848922" label="198">
    <para> 	Het middel verwijst naar MvA inc., nr. 190-191, 200, 252(ii), 180 en 167-170; MvG, nr. 398-400; pleitnota zijdens Glencore d.d. 16 april 2018, nr. 13; inl. dagv., nr. 128; akte na descente zijdens Glencore d.d. 26 maart 2014, nr. 8; CvR nr. 107 e.v., en pleitnota zijdens Glencore d.d. 9 juni 2015, nr.  67.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d3e2237c-ad01-47d0-83ec-a12c95b038f3" label="199">
    <para> 	Het middel verwijst naar MvA inc., nr. 200-221; akte na descente zijdens Glencore, nr. 5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_435971b6-c0ae-40ca-8099-309b1e92f528" label="200">
    <para> 	MvA/MvG inc. zijdens NB c.s. (processtuk 82 in het B-dossier), nr. 2.247-2.252 en 4.62-4.69, welke stellingen door UTB tot de hare zijn gemaakt (zie MvA/MvG inc. zijdens UTB c.s. (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 1 en 48.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fef4368e-7775-4e0e-b42f-321ba2bc889e" label="201">
    <para> 	MvA inc., tevens houdende uitlating producties (processtuk 85 in het B-dossier), nr. 208.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0b4f808d-9b63-4c8a-b1e4-8c454b203c78" label="202">
    <para> 	Het middel verwijst naar MvA inc., nr. 225; pleitnota van Glencore d.d. 16 april 2018, nr. 59; CvR, nr. 121, en inl. dagv., nr. 131. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3b9a6120-e370-43be-a67f-abc477a09c17" label="203">
    <para> 	Inl. dagv., nr. 131; CvR tevens houdende vermeerdering van eis, nr. 121 (processtuk 52 in het B-dossier).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_de3f1313-6e61-4e23-891b-55cc075db319" label="204">
    <para> 	Spreekaantekeningen zijdens Glencore d.d. 16 april 2018 (processtuk 89 in het B-dossier), nr. 59.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cca59849-e224-4710-b1fd-21cca543749f" label="205">
    <para> 	MvA inc., tevens akte houdende uitlating producties in principaal en incidenteel appel (processtuk 85 in het B-dossier B), nr. 225.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>