<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2020:117</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-18T00:03:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2020-02-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/05659</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2020:746" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:746, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:117">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:117</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-17T14:57:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2020:117 Parket bij de Hoge Raad , 04-02-2020 / 19/05659</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2020:117:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WSNP. Vaststelling vrij te laten bedrag (art. 295 Fw), beslagvrije voet (art. 475d lid 4 (oud) Rv). Is de rechter-commissaris bevoegd niet met de daadwerkelijk te betalen zorgverzekeringspremies rekening te houden, maar met een lager bedrag? Mag de rechter-commissaris in hoger beroep zijn zienswijze geven? HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1948.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2020:117:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>19/05659</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	4 februari 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>R.H. de Bock</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>Quitantie B.V.</para>
      <para>mr. J. van Weerden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [de WSNP-bewindvoerder]
      </para>
      <para>niet verschenen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak hangt samen met een zaak die onder nr. 19/04167 tussen dezelfde partijen bij de Hoge Raad aanhangig is en waarin ik op 28 november 2019 een conclusie heb genomen (ECLI:NL:PHR:2019:1238). De zaak met nr. 19/04167 ziet op drie rechtsvragen, namelijk of onder bewind gestelde personen zelfstandig kunnen procederen over de hoogte van het vrij te laten bedrag (vtlb), of sprake is van overschrijding van de appeltermijn en of de rechtbank om de visie van de rechter-commissaris mag verzoeken als zij in hoger beroep over de beslissing van de rechter-commissaris oordeelt. In de onderhavige zaak doet zich eveneens voor dat de rechtbank in hoger beroep oordeelt over een beslissing van de rechter-commissaris. Ook in deze zaak heeft de rechtbank de rechter-commissaris om zijn visie verzocht. Volgens de rechtbank is zij daartoe op grond van de wet verplicht. Tegen dat oordeel is de eerste klacht gericht. De tweede klacht heeft betrekking op de wijze waarop de rechter-commissaris de beslagvrije voet heeft bepaald. Aangevoerd wordt dat de rechter-commissaris de beslagvrije voet had moeten vermeerderen met het volledige bedrag dat aan ziektekostenpremie is betaald en niet slechts met een normbedrag. </para>
    </parablock>
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Feiten</title>
    <para>De feiten zijn grotendeels ontleend aan de beschikking van de rechtbank Limburg van 5 december 2019, rov. 2.1-2.6.<footnote-ref linkend="_59dc41f8-3eb7-4fb1-9e9d-04000eba1211" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 20 oktober 2014 zijn de goederen die aan [E] (hierna: E) (zullen) toebehoren vanaf 1 november 2014 onder bewind gesteld. Quitantie is tot beschermingsbewindvoerder benoemd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Bij vonnis van 13 juli 2017 is ten aanzien van E de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, waarbij mr. Groen is benoemd tot rechter-commissaris (hierna: de R-C), en [de WSNP-bewindvoerder] tot bewindvoerder (hierna: de WSNP-bewindvoerder).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>E heeft in 2017 € 176,52,- per maand en in 2018 € 181,83,- per maand aan ziektekostenpremies betaald. In 2019 betaalde E € 193,26,- per maand aan ziektekostenpremies. De premies hebben betrekking op de verplichte basisverzekering, een aanvullende verzekering en een tandartsverzekering.<footnote-ref linkend="_23a8a9d2-18e0-4a8c-a87b-f71d5b0f1499" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Het vrij te laten bedrag (vtlb) als bedoeld in art. 295 lid 2 Faillissementswet (Fw) is bepaald op € 1.017,24.<footnote-ref linkend="_ad22d7da-57a1-4144-82f4-444fde7b66ff" /> De WSNP-bewindvoerder is bij de berekening hiervan niet uitgegaan van de feitelijk betaalde ziektekostenpremies, maar van een bedrag van € 135,- per maand. Dit bedrag is gebaseerd op het door de rechtbank Limburg gevoerde beleid.<footnote-ref linkend="_3515ff1b-8510-4728-8e20-85658bc2140a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Quitantie heeft de WSNP-bewindvoerder verzocht de daadwerkelijk door E betaalde ziektekostenpremies op te nemen in het vtlb. Bij e-mail van 10 juli 2019 heeft de WSNP-bewindvoerder verzocht om een overzicht van de door E en haar kinderen in de afgelopen twee jaar gemaakte ziektekosten, zodat zij dat aan de R-C kan voorleggen.<footnote-ref linkend="_a9c18b36-90b9-4645-8ca3-5b51db43c8ed" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 10 juli 2019 heeft Quitantie daarop geantwoord:<footnote-ref linkend="_161dc2a1-7812-46e4-9fa3-ea51a1102908" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Ik heb dit even nagevraagd bij [E] hoevaak er van de aanvullende verzekering gebruik wordt gemaakt en tandartsverzekering. Ze heeft me het volgende aangegeven; ze gaat met haar twee kinderen ieder half jaar naar de tandarts, kinderen hebben een beugel gekregen en zelf heeft ze vaak gaatjes en zelfs tanden moeten laten trekken. Haar gebit is verslechterd ivm haar ziekte en bijbehorend medicijngebruik. Op advies van de tandarts heeft ze deze verzekering. Daarnaast heeft ze een uitgebreide aanvullende verzekering ook vanwege haar ziektebeeld en bijbehorende klachten, ze gaat naar oedeemtherapie en fysiotherapie. Ze heeft aangegeven dit vaak maximaal te moeten benutten van wat er vergoed wordt. Ook haar zoon maakt gebruik van fysiotherapie.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>De advocaat van Quitantie heeft de R-C bij brief van 17 juli 2019 verzocht te beslissen dat het vtlb met terugwerkende kracht wordt aangepast.<footnote-ref linkend="_35dfd6d8-f419-4eac-875f-bd6ee28c86b9" /> In deze brief staat, voor zover hier van belang:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Onlangs is cliënten pas gebleken dat de Wsnp-bewindvoerder [de WSNP-bewindvoerder] (…) van meet af aan niet de feitelijke daadwerkelijke ziektekostenpremies in de beslagvrije voet van de vtlb-berekeningen heeft opgenomen, maar een door haar eenzijdig, zonder voorafgaande kennisgeving, gekozen bedrag van € 135,-. De feitelijke hogere ziektekostenpremies waren haar al die tijd wel bekend (bijlage).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik heb [de WSNP-bewindvoerder] </emphasis>
          <emphasis role="italic"> hierover aangeschreven. (…) Gisteren werd namelijk duidelijk dat [de WSNP-bewindvoerder] </emphasis>
          <emphasis role="italic"> eerst wil kennisnemen van het vergoedingenoverzicht van cliënte, aan de hand waarvan álle medische behandelingen en medische zorg in beeld komt, alvorens [de WSNP-bewindvoerder] </emphasis>
          <emphasis role="italic"> u wilt voorleggen dat het vtlb met terugwerkende kracht moet worden aangepast met inachtneming van de daadwerkelijke ziektekostenpremies. (...) Cliënte wil haar persoonlijke medische informatie en die van haar kinderen echter niet delen met [de WSNP-bewindvoerder] </emphasis> <emphasis role="italic">, een begrijpelijk standpunt. (...) verzoek ik u te beslissen dat het vtlb van cliënte met terugwerkende kracht, dus met ingang van haar toelating tot de schuldsaneringsregeling, wordt aangepast door de beslagvrije voet te berekenen met inachtneming van de door cliënte daadwerkelijk betaalde en te betalen ziektekostenpremies.”</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8</nr>
      <para>De R-C heeft bij brief van 7 augustus 2019 afwijzend op het verzoek beslist. De R-C overweegt daartoe het volgende:<footnote-ref linkend="_65cd451f-a3a7-4ef8-9844-3176d8cf9c87" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…) In het VTLB-rapport is opgenomen dat de RC kan beslissen om een verhoging van de ziektekostenpremie mee te nemen als correctie in het VTLB.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rechtbank Limburg heeft lange tijd een maximum gesteld aan de ziektekostenpremie. Voor 2017 was het maximum gesteld op € 135,-. In de loop van dat jaar is het beleid gewijzigd waarbij het maximum in 2018 is losgelaten. Dit betekent echter niet dat de premies van de ziektekostenverzekering sindsdien ongelimiteerd zijn. De RC geeft aan dat de basisverzekering als norm geldt en dat als een schuldenaar aanspraak wil maken op een correctie voor de aanvullende verzekeringen, de noodzaak hiervan aangetoond dient te worden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kortom:</emphasis>
        </para>
        <para>- <emphasis role="italic">De premie voor 2017 is correct opgenomen</emphasis></para>
        <para>- <emphasis role="italic">Om voor een hogere correctie van de ziektekostenverzekering in aanmerking te komen voor de jaren 2018 en 2019 dient schuldenaar aan te tonen waarom zij deze duurdere verzekering nodig heeft. </emphasis></para>
        <para>- <emphasis role="italic">Indien de bewindvoerder ter beoordeling van deze vraag een vergoedingenoverzicht nodig heeft, dient dit te worden overgelegd. </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De bewindvoerder is daarom door mij verzocht om kritisch te kijken naar de aanvullende verzekeringen. Mijn inziens hoeven niet alle onvoorzienbare omstandigheden gedekt te worden door aanvullende verzekering. Daarnaast moet blijken dat er geen voorzieningen (zoals WMO etc.) zijn waarop eventueel aanspraak kan worden gemaakt. Bij de fysiotherapeut bijvoorbeeld moet worden bekeken of er sprake is van een chronische aandoening, in welk geval behandelingen vanaf de 21ste keer worden vergoed uit de basisverzekering. Het is mij niet duidelijk of schuldenaar dit aantal afspraken nodig heeft.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Daarnaast moet worden bekeken of de hoogte van de premie van aanvullende verzekering opweegt tegen de vergoedingen. Bij een tandartsverzekering kan gunstiger zijn om vanwege de limitering in hoogte van uitkeringen of eigen risico beter zelf de kosten te dragen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De orthodontie van de kinderen hoeft ook niet helemaal door de verzekering te worden gedekt. Schuldenaar kan een deel van die kosten betalen uit de toeslagen en het kindergeld dat aan haar wordt vrijgelaten.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik heb de bewindvoerder verzocht mij bij het volgende verslag haar bevindingen hieromtrent te geven.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Procesverloop</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Bij beroepschrift van 9 augustus 2019 heeft Quitantie de rechtbank verzocht om de beschikking van de R-C van 7 augustus 2019 te vernietigen en uit te spreken dat de daadwerkelijk door E betaalde ziektekostenpremies moeten leiden tot verhoging van de beslagvrije voet in haar vtlb en dat dit met terugwerkende kracht ingaande de dag waarop E is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling dient plaats te vinden. Voorts heeft zij verzocht om vast te stellen dat de door E gemaakte kosten van het hoger beroep moeten worden vergoed. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Aan het beroep is ten grondslag gelegd dat op grond van art. 475d Rv <emphasis role="italic">alle</emphasis> betaalde zorgverzekeringspremies, dat wil zeggen zowel de premies voor de verplichte basisverzekering als die voor de aanvullende verzekeringen, leiden tot een verhoging van de beslagvrije voet. Verwezen wordt ook naar paragraaf 3.2. van het Vtlb-rapport van de Werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa waar dit eveneens uit volgt.<footnote-ref linkend="_3ad046ab-7df0-458f-ae52-578e6ecc964a" /> Verder is aangevoerd dat de gestelde eis, dat E moet aantonen welke ziektekosten zij in de afgelopen twee jaar heeft gemaakt, het karakter van de ziektekostenverzekering miskent, aangezien de ziektekostenverzekering immers is bedoeld om onzekere toekomstige financiële tegenvallers op te vangen. Daar komt bij dat uit de gevoerde correspondentie voldoende blijkt welke zorg E en haar kinderen nodig hebben en de eis dat E haar volledige medische doopceel moet lichten een ontoelaatbare inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer maakt. Ten slotte heeft Quitantie de rechtbank op voorhand verzocht om de R-C niet te vragen naar een reactie of visie op het beroepschrift omdat dat in deze situatie niet is toegestaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>Bij brief van 16 september 2019 heeft de rechtbank de R-C verzocht om schriftelijk zijn visie te geven. De R-C heeft daaraan bij brief van 3 oktober 2019 voldaan. De visie van de R-C houdt kort gezegd het volgende in:</para>
        <para>- De stelling dat de rechtbank niet om de visie van de R-C had mogen vragen moet worden verworpen, omdat de beslissing over het vtlb betrekking heeft op het beheer van de boedel.</para>
        <para>- De vaststelling van het vtlb betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechter-commissaris. </para>
        <para>- De rechter-commissaris <emphasis role="italic">kan</emphasis> de in de Recofa-richtljnen opgenomen berekeningssystematiek volgen, maar hoeft dat niet te doen omdat de richtlijnen formeel-juridisch geen verbindende kracht hebben. </para>
        <para>- Het staat de rechter-commissaris dan ook vrij om van de berekeningssystematiek af te wijken, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De brief van de R-C vermeldt aan het slot het volgende:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Voor de goede orde zij opgemerkt dat klaagster voorzover mijn informatie thans rijkt, nog mogelijk nog steeds afstevent op een minder gelukkige afloop van de schuldsaneringsregeling: er lijkt nog steeds een substantiële boedelachterstand te bestaan.” </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Op 5 november 2019 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <parablock>
        <para>Bij beschikking van 5 december 2019 heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen.<footnote-ref linkend="_9fa4d070-3744-4f39-98e6-45fd58bbc3e2" /> De rechtbank heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:</para>
        <para>- De rechtbank is op grond van art. 314 lid 2 en art. 65 Fw verplicht de R-C te horen en kan daarvan alleen afzien ‘wanneer de rechter-commissaris reeds schriftelijk van zijn gevoelen deed blijken’ (HR 23 januari 1933, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1933/60). De rechter-commissaris kan de beslissing dan nader toelichten, waarbij ook acht geslagen moet worden op informatie die ten behoeve van het hoger beroep is ingebracht. Nu het hoger beroep betrekking heeft op een beslissing over het beheer van de boedel, moet de R-C gehoord worden. De rechtbank zal de visie van de R-C daarom meenemen in haar beoordeling (rov. 4.4.1-4.4.2).</para>
        <para>- Op grond van art. 475 lid 4, aanhef en onder sub a, Rv wordt de beslagvrije voet  verhoogd met de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering (rov. 4.5).</para>
        <para>- Volgens par. 3.2 van het Vtlb-rapport van de werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa wordt voor de berekening van het vtlb de volledige ziektekostenverzekeringspremie meegenomen, ongeacht soort of hoogte (rov. 4.5). </para>
        <para>- Hoewel de richtlijnen geen ‘recht’ zijn, neemt de rechtbank deze wel tot uitgangspunt (rov. 4.7.1).</para>
        <para>- Op grond van art. 1.3 van de richtlijnen kan de rechter-commissaris er echter van afwijken als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Daarbij heeft de rechter-commissaris een zekere discretionaire bevoegdheid (rov. 4.7.2). </para>
        <para>- Om van die bevoegdheid gebruik te maken, is het noodzakelijk dat de rechter-commissaris kennisneemt van alle specifieke omstandigheden van het geval (rov. 4.7.2). </para>
        <para>- Aangezien de zeer forse zorgverzekeringspremie op de aanwas van de boedel drukt, mocht de R-C de vraag stellen of, en zo ja, waarom deze dure ziektekostenverzekering noodzakelijk was (rov. 4.7.2). </para>
        <para>- Aangezien het antwoord op die vraag uitbleef, heeft de R-C terecht vastgehouden aan het normbedrag van € 135,- per maand (rov. 4.7.2). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Quitantie heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank.<footnote-ref linkend="_5b72f1bb-581b-4316-a046-63f96801d8e4" /> De cassatieadvocaat van Quitantie heeft in zijn aanbiedingsbrief verzocht om het beroep met nog grotere spoed te behandelen dan bij schuldsaneringszaken gebruikelijk is, omdat de kwestie die partijen verdeeld houdt rechtstreeks van invloed is op de vraag of sprake is van boedelachterstand en per 13 juli 2020 moet worden beoordeeld of E in aanmerking komt voor een schone lei. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Bespreking van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel bestaat uit twee klachten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Klacht 1</emphasis> richt zich tegen rov. 4.4.2 van de beschikking, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat zij op grond van art. 314 lid 2 Fw en art. 65 Fw gehouden is om de rechter-commissaris te horen dan wel zijn visie te vernemen, indien sprake is van een zaak met betrekking tot het beheer van de boedel, en dat zij daarvan slechts kan afzien, indien de rechter-commissaris ‘reeds schriftelijk van zijn gevoelen heeft doen blijken’. Op grond daarvan heeft de rechtbank het bezwaar van Quitantie tegen het meewegen van de visie van de R-C verworpen. In de klacht wordt onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 december 2019 betoogd dat deze beslissing onjuist is.<footnote-ref linkend="_e61ed28e-e516-4ec4-b685-59cd26888346" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Quitantie heeft dezelfde vraag ook aan de orde gesteld in de zaak, die onder nr. 19/04167 bij de Hoge Raad aanhangig is en waarin ik op 28 november 2019 een conclusie heb genomen.<footnote-ref linkend="_94eb3b7d-adbb-4dcf-a310-ae5f2eb47fd4" /> In mijn conclusie heb ik uiteengezet dat de voor de rechtbank geldende verplichting van art. 65 Fw om de rechter-commissaris te horen dan wel zijn visie te vernemen, ziet op zaken betreffende de faillissementsafwikkeling.<footnote-ref linkend="_0d86e936-9c4c-4518-9a09-3a216a815ea3" /> De ratio van deze bepaling is dat de rechtbank, alvorens te beslissen, kennis kan nemen van de visie van de rechter-commissaris als direct betrokkene bij het faillissement. Aangezien meestal sprake is van een mondelinge beslissing dan wel van een niet, of zeer beperkt gemotiveerde beslissing, is het van belang om over de achtergrond daarvan te vernemen. Voorbeelden zijn geschillen over de vaststelling van het curatorsalaris (art. 71 Fw), het ontslag van de curator (art. 73 Fw)<footnote-ref linkend="_a35acf9b-9ff6-4f2a-859b-f6923efb1827" /> en het (ontslag uit) gijzeling (art. 87 Fw). Het gaat daarbij om verzoeken die <emphasis role="italic">rechtstreeks</emphasis> aan de rechtbank moeten worden gericht. Die situatie moet worden onderscheiden van de situatie waarin de rechtbank op de voet van art. 67 Fw <emphasis role="italic">als hoger beroepsrechter</emphasis> oordeelt over een eerdere beschikking van de rechter-commissaris. In dat geval is art. 65 Fw niet van toepassing en hoeft de rechter-commissaris niet om zijn of haar visie te worden gevraagd in een hoger beroep tegen de eigen beschikking.<footnote-ref linkend="_a88d64d1-b8c0-47f7-84e8-cac65141c901" /> De Hoge Raad oordeelde hierover in 1933 dat de rechter-commissaris in dat geval immers al <emphasis role="italic">‘schriftelijk van zijn gevoelen heeft doen blijken’</emphasis>. In dat geval geldt de hoorplicht van art. 65 Fw niet.<footnote-ref linkend="_71fdb89b-0e3c-4bf8-84bb-cc6ac80970e2" /> Dit is sindsdien vaste jurisprudentie.<footnote-ref linkend="_fd6c88be-0428-4850-870d-ca3b3899f1ab" /> Art. 65 Fw geldt via de schakelbepaling van art. 314 lid 2 Fw ook voor schuldsaneringszaken. Ook in schuldsaneringszaken geldt dus dat de rechter-commissaris niet hoeft te worden gehoord als het gaat om een hoger beroep tegen een door de rechter-commissaris gegeven beschikking.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De vraag of dit tevens impliceert dat de visie van de rechter-commissaris in dat geval niet <emphasis role="italic">mag</emphasis> worden gevraagd is door de Hoge Raad bevestigend beantwoord in de uitspraak van 13 december 2019.<footnote-ref linkend="_e4ed275a-8474-4ccf-bd04-c016ae902523" /> De Hoge Raad overwoog in deze zaak (rov. 3.4.2): </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“De rechter-commissaris heeft in zijn, in hoger beroep bestreden, beschikking zijn gemotiveerde oordeel over de verzochte verkorting van de termijn van de schuldsaneringsregeling kunnen geven. Het ligt niet op de weg van de rechter-commissaris om in de beroepsprocedure tegen zijn beschikking die beslissing van commentaar te voorzien of te verduidelijken, en evenmin om de rechtbank zijn zienswijze te geven op de tegen die beschikking in hoger beroep aangevoerde gronden.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van een tegen een beslissing van de rechter-commissaris ingesteld hoger beroep niet mag verzoeken om de visie van de rechter-commissaris en, in het geval deze wel is verzocht, zij deze niet bij de beoordeling van het hoger beroep mag betrekken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Het voorgaande brengt met zich dat klacht 1 gegrond is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Klacht 2</emphasis> heeft betrekking op rov. 4.5-4.7.2 van de beschikking. De rechtbank heeft daarin geoordeeld dat de R-C van het bepaalde in art. 3.2 van het vtlb-rapport heeft mogen afwijken en voor wat betreft de hoogte van de zorgverzekeringspremie heeft mogen vasthouden aan het door de rechtbank gehanteerde normbedrag van € 135,-, omdat sprake is van een discretionaire bevoegdheid van de rechter-commissaris en E de bewindvoerder c.q. de rechter-commissaris niet heeft geïnformeerd over de omstandigheden die afwijking van dat bedrag rechtvaardigen. Volgens de klacht behoort de beslagvrije voet te worden bepaald op basis van het volledige bedrag dat feitelijk aan zorgverzekeringspremies is betaald en kan daarvan niet worden afgeweken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Zoals ik in mijn eerdere conclusie al uiteenzette, omvat de boedel op grond van art. 295 lid 1 Fw de goederen die de schuldenaar ten tijde van de vantoepassingverklaring van de schuldsaneringsregeling bezit en de goederen die hij tijdens de schuldsanering verkrijgt. Daarop wordt een uitzondering gemaakt in art. 295 lid 2 Fw. Dat bepaalt namelijk dat een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet als bedoeld in art. 475d Rv buiten de boedel wordt gelaten. Dit bedrag stelt de schuldenaar in staat om in zijn levensonderhoud te voorzien. De beslagvrije voet valt van rechtswege buiten de boedel. Dit heeft tot gevolg dat in beginsel geen beschikking van de rechter-commissaris nodig is om de hoogte daarvan vast te stellen.<footnote-ref linkend="_e7829d51-c1b2-445c-88e7-e2a46ef30a5a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Art. 295 lid 3 Fw bepaalt dat de rechter-commissaris de beslagvrije voet op verzoek van de schuldenaar, de bewindvoerder dan wel ambtshalve kan verhogen met een bij schriftelijke beschikking vast te stellen nominaal bedrag. De rechter-commissaris kan aan die verhoging ook voorwaarden verbinden. Zo kan de rechter-commissaris bepalen dat de verhoging – bijvoorbeeld omdat de schuldenaar hoge woonkosten heeft – tijdelijk is en dat de schuldenaar binnen een bepaalde termijn goedkopere woonruimte moet zoeken.<footnote-ref linkend="_ee1e1231-f5f9-4288-be8d-b458574d94e2" /> Ook kan rekening worden gehouden met bijzondere uitgaven, zoals hoge reiskosten van de schuldenaar om een inkomen te verwerven. De beschikking kan ook met terugwerkende kracht worden gegeven, zo vermeldt de slotzin van art. 295 lid 3 Fw. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>De beslagvrije voet en het nominale bedrag worden tezamen het ‘vrij te laten bedrag’ (vtlb) genoemd. Het vtlb wordt berekend aan de hand van de meest recente versie van de door de Werkgroep rekenmethode van Recofa ontwikkelde rekenmethode.<footnote-ref linkend="_86fac9a6-ed0e-40ef-8d1b-5646ef46a266" /> Met behulp van de vtlb-calculator kan het bedrag worden berekend.<footnote-ref linkend="_da60ea9f-9b3f-45fb-a6e1-f19c3077a50f" /> De R-C dient dus eerst de beslagvrije voet te bepalen en kan deze eventueel verhogen met een nominaal bedrag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <para>De hoogte van de beslagvrije voet hangt af, kort gezegd, van de leefsituatie van de schuldenaar. In art. 475d lid 1 Rv wordt onderscheid gemaakt tussen echtgenoten en geregistreerde partners (onder a), alleenstaanden en alleenstaande ouders (onder b) en alleenstaanden of alleenstaande ouders die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt (onder c). De nadere invulling van deze categorieën is te vinden in art. 3 en 4 van de Participatiewet.<footnote-ref linkend="_6cf004b1-67ef-4063-9a5e-efc59bd8214c" /> De hoogte van de beslagvrije voet bedraagt 90% van het bedrag waarop ingevolge de Participatiewet aanspraak gemaakt zou kunnen worden (de bijstandsnorm).<footnote-ref linkend="_49830187-3f59-47ff-a2df-8a4aebf1d942" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>Voor de vaststelling van de beslagvrije voet is van belang dat de schuldenaar de beslagleggende partij van informatie voorziet. Dat gebeurt vaak niet of niet volledig, waardoor de beslagvrije voet in veel gevallen te laag wordt vastgesteld.<footnote-ref linkend="_8a85ecad-e33b-4816-bd5c-4c1ee63cadc3" /> Met <emphasis role="italic">de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet</emphasis> wordt beoogd de systematiek van de vaststelling van de beslagvrije voet transparanter en eenvoudiger te maken, en minder afhankelijk van de individuele omstandigheden van de beslagene.<footnote-ref linkend="_dbc50e48-e2fb-4177-bd01-851c55631837" /> In de nieuwe regeling wordt de beslagvrije voet vastgesteld op basis van gegevens die uit bestaande registraties te halen zijn, zodat de schuldenaar in beginsel geen informatie meer hoeft aan te leveren. Verder bevat de wet een regeling voor de situatie waarin sprake is van meerdere beslagleggers. De inwerkingtreding van de wet heeft vanwege uitvoeringsproblemen vertraging opgelopen. De geplande datum van inwerkingtreding is thans bepaald op 1 januari 2021.<footnote-ref linkend="_f4b8a383-7698-410e-ae61-23eed152b063" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>Tot 1 januari 2020 was de hoogte van de beslagvrije voet tevens afhankelijk van de leeftijd van de schuldenaar, in die zin dat voor jongvolwassenen (18 tot en met 20 jaar) werd aangesloten bij de specifieke jongerennorm binnen de Participatiewet. Deze norm is relatief laag, omdat wordt uitgegaan van een bijdrage van de ouders in het levensonderhoud van de jongere. Dit leidde echter tot een relatief lage beslagvrije voet voor jongeren, terwijl een deel van deze categorie niet meer bij de ouders woont of niet op de ouders kan terugvallen.<footnote-ref linkend="_56986e8e-dac4-48e1-b4f6-dc1452787f97" /> In de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is er daarom voor gekozen om bij de vaststelling van de beslagvrije voet voor jongeren aan te sluiten van de bijstandsnorm voor 21-jaren en ouder.<footnote-ref linkend="_d40acc86-f7da-4579-a309-3a02eed965a9" /> Vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze wet is deze wijziging per 1 januari 2020 in art. 475d Rv ingevoerd.<footnote-ref linkend="_d449a988-aee7-42a1-b355-72a9e91ed766" /> Voorts is met ingang van 1 januari 2020 een wijziging doorgevoerd met betrekking tot de beslagvrije voet van personen die in een inrichting verblijven. Ik laat die wijziging hier onbesproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13</nr>
      <para>De op basis van art. 475 lid 1 Rv toepasselijke beslagvrije voet wordt op grond van het derde lid verhoogd met drie onder a tot en met c omschreven kostenposten. Het derde lid luidt:<footnote-ref linkend="_5971d892-7139-4b5c-8c0e-7782e506c194" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">3. De beslagvrije voet wordt verhoogd met:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>a. <emphasis role="italic">de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de schuldenaar geldt ingevolge het eerste, tweede en derde lid, en met de krachtens die wet ontvangen zorgtoeslag, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het beslag ligt;</emphasis></para>
        <para>b. <emphasis role="italic">de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten, verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar, uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21 van de Wet op de huurtoeslag ten hoogste aanspraak heeft;</emphasis></para>
        <para>c. <emphasis role="italic">het bedrag waarop de schuldenaar op basis van artikel 2, tweede tot en met zesde lid van de Wet op het kindgebonden budget maximaal aanspraak zou kunnen maken, verminderd met het krachtens die wet ontvangen bedrag. </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14</nr>
      <para>In deze zaak gaat het om het onder a. genoemde bedrag. Uit de onder nr. 19/04167 aanhangige zaak is mij ambtshalve bekend dat partijen ook van mening verschillen over de vraag of, en zo ja, in hoeverre de beslagvrije voet moet worden verhoogd met de door E betaalde huur. Ik laat de onder b. en c. genoemde verhogingen van de beslagvrije voet hier onbesproken en zal in mijn conclusie alleen ingaan op het onder a. bedoelde bedrag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15</nr>
      <para>Uit het derde lid onder a volgt dat de ziektekostenpremie die de schuldenaar betaalt bij de beslagvrije voet wordt opgeteld. In de bijstandsnorm is echter al een bedrag voor ziektekostenpremie begrepen. Indien de door de schuldenaar betaalde ziektekostenpremie volledig zou worden meegenomen in de beslagvrije voet, zou dit tot dubbeltelling leiden.<footnote-ref linkend="_6b358c5c-603d-434a-b54e-e3a02ac43b40" /> Daarom wordt de betaalde ziektekostenpremie verminderd met het bedrag dat al in de bijstandsnorm is begrepen, dit wordt de normpremie genoemd. Hoe de normpremie wordt berekend, is terug te vinden in art. 2 Wet op de zorgtoeslag. Daarnaast wordt de door de schuldenaar betaalde ziektekostenpremie verminderd met de ontvangen zorgtoeslag. Het gaat daarbij om de zorgtoeslag die de schuldenaar feitelijk ontvangen heeft. In geval de schuldenaar geen zorgtoeslag ontvangt, ook al zou hij daarop wel recht hebben, wordt deze niet in mindering gebracht.<footnote-ref linkend="_87c400d2-0d61-4813-8873-4e6e2954f541" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16</nr>
      <para>Kort gezegd komt het er dus op neer dat de beslagvrije voet wordt vermeerderd met de betaalde ziektekostenpremie. Daar worden de normpremie en de ontvangen zorgtoeslag vervolgens weer van afgetrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17</nr>
      <para>Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij de door de schuldenaar betaalde ziektekostenpremie niet alleen gaat om de premie voor de verplichte basisverzekering, maar ook om betaalde premie voor aanvullende verzekeringen. Het maakt daarbij niet uit of sprake is van een natura- of een restitutieverzekering. In de Nota van Wijziging is hierover het volgende opgemerkt:<footnote-ref linkend="_ad73f304-beaf-41fd-b1e0-331f047cc395" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“In de terminologie van dit artikel wordt met «ziektekostenverzekering» zowel een natura- als een restitutieverzekering en zowel de verplichte basisverzekering als aanvullende verzekeringen bedoeld.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>En enkele alinea’s verderop:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Een verzekerde komt in aanmerking voor een zorgtoeslag indien de voor hem geldende genormeerde kosten voor een zorgverzekeringsovereenkomst (de op basis van artikel 2 Wet op de zorgtoeslag berekende normpremie) minder bedragen dan de standaardpremie (de op basis van artikel 4 Wet op de zorgtoeslag geraamde gemiddelde premiekosten). Maar de optelsom van normpremie en zorgtoeslag kan nog steeds lager zijn dan de in werkelijkheid door de schuldenaar te betalen premie voor de door hem gesloten zorgverzekering. Na de voorgestelde wijziging van artikel 475d, beoogt de aanvulling op de beslagvrije voet dit verschil aan te vullen, zodat betaling van de volledige zorgverzekeringspremie is zeker gesteld. Dit alles ziet zowel op de verplichte basisverzekering als op aanvullende verzekeringen, met het oog op het voldoen aan lopende verzekeringscontracten. Dit is ook het geval met de huidige tekst van artikel 475d, vijfde lid, onder a, waaronder ook vrijwillig gesloten aanvullende verzekeringen vallen</emphasis>.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18</nr>
      <para>Dat het erom gaat de schuldenaar in staat te stellen aan lopende verzekeringscontracten te voldoen, is ook te lezen in de wetsgeschiedenis bij art. 1638g BW, dat betrekking heeft op loonbeslag. In de memorie van antwoord is daarover het volgende te lezen:<footnote-ref linkend="_1b4ab406-bcc7-44c3-a1c1-23f3954e401f" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Daarom bepaalt de tweede zin dat de tijdens een beslag vervallende premies van zulk een verzekering buiten het beslag vallen. Deze premies kunnen hoog zijn. Zonder deze bepaling zou loonbeslag ertoe kunnen leiden dat premies onbetaald blijven, met als mogelijk gevolg dat de verzekering vervalt. Dit zou ongewenst zijn voor de verzekeringnemer, omdat die na het loonbeslag wellicht slechts op veel zwaardere voorwaarden zich opnieuw tegen ziektekosten kan verzekeren. Het is ook maatschappelijk ongewenst dat hem, bij een ziekte na zulk een verval van de verzekering, nog slechts een beroep open staat op bijstand.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19</nr>
      <para>Dezelfde gedachte is ook te lezen in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp Algemene regeling van beslag op loon, sociale uitkeringen en andere periodieke betalingen:<footnote-ref linkend="_67910bcc-3f1b-4c70-89b3-8ded984defa7" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Dit lid is overgenomen van het slot van artikel 1638g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat sedert 1 juni 1981 luidt. De regeling is uitvoerig toegelicht in de memorie van antwoord II bij wetsontwerp 14 029, blz. 2. De bepaling wil een onderbreking voorkomen in de betaling van de premie van een door de schuldenaar gesloten ziekteverzekering. Immers, indien de schuldenaar geen geld overhoudt om die te voldoen, wordt de verzekering gestaakt, waardoor het risico in feite overgaat naar de gemeente die in geval van ziekte bijstand zou moeten verlenen. Bovendien zou de schuldenaar onevenredig benadeeld kunnen worden, wanneer hij de premiebetaling wil hervatten, maar dan slechts op verzwaarde voorwaarden opnieuw in de ziektekostenverzekering kan worden opgenomen.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20</nr>
      <para>Uit de aangehaalde passages komt duidelijk naar voren dat bij het bepalen van de beslagvrije voet moet worden uitgegaan van de <emphasis role="italic">feitelijk</emphasis> betaalde premie voor een ziektekostenverzekering. Voorts blijkt dat zowel de premie voor een verplichte basisverzekering als voor eventuele aanvullende verzekeringen moeten worden meegenomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21</nr>
      <para>De Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen bepalen in 3.7, onder a, dat het vtlb wordt berekend aan de hand van de meest recente versie van het rapport van de werkgroep rekenmethode vtlb van Recofa en dat deze berekening wordt uitgevoerd door middel van de vtlb-calculator (verder het vtlb-rapport).<footnote-ref linkend="_e1c87311-80da-4265-a2a4-e4ff8fb54bf8" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22</nr>
      <para>In de Recofa-richtlijnen is verder onder 1.3 te lezen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“1.3 Afwijken richtlijnen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De rechtbank of de rechter-commissaris kan, indien de omstandigheden daartoe</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aanleiding geven, afwijken van de richtlijnen.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23</nr>
      <para>Het vtlb-rapport bepaalt onder 3.2 het volgende (mijn onderstreping):<footnote-ref linkend="_b51d195c-88ca-48c0-b493-034295b28086" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“3.2 Verhoging beslagvrije voet voor premie ziektekostenverzekering </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 475d lid 4 sub a Rv luidt: </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De beslagvrije voet wordt verhoogd met: </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>a. <emphasis role="italic">de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de Participatiewetnorm zoals die voor de schuldenaar geldt ingevolge het eerste, tweede en derde lid, en met de krachtens die wet ontvangen zorgtoeslag, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het beslag ligt; </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">In het vtlb wordt rekening gehouden met de totale premie die feitelijk voor de ziektekostenverzekering, inclusief eventueel aanvullende verzekering, wordt betaald</emphasis>
          <emphasis role="italic">. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Iedere meerderjarige moet zelf een basisverzekering voor ziektekosten afsluiten; minderjarige kinderen zijn gratis meeverzekerd met de ouder(s). De premie die voortvloeit uit het afsluiten van de verzekering moet door de schuldenaar zelf worden betaald. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De beslagvrije voet wordt verhoogd met alle door de schuldenaar/schuldenaren betaalde premies voor ziektekostenverzekering (ook de premies voor aanvullende ziektekostenverzekeringen) minus de normpremie op Participatiewetniveau en de ontvangen zorgtoeslag. </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">De volledige ziektekostenverzekeringspremie moet in de calculator worden opgenomen, ongeacht soort of hoogte</emphasis>
          <emphasis role="italic">. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De zorgtoeslag waarop men aanspraak kan maken wordt individueel toegekend, maar wordt gebaseerd op het inkomen van de schuldenaar en zijn eventuele partner (artikel 2 lid 1 Wet op de zorgtoeslag). </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ook in de situaties dat de schuldenaar gehuwd is buiten gemeenschap van goederen of dat de schuldenaar samenwonend is, en de partner zit niet in de regeling, wordt de totale correctie voor de ziektekostenverzekeringspremie van hen samen (dus de door hen beiden al dan niet samen betaalde premie minus de door hen beiden al dan niet samen ontvangen zorgtoeslag) opgeteld bij de beslagvrije voet. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wanneer de partner, die niet is toegelaten tot de Wsnp, geen informatie wil verstrekken over zijn/haar inkomen en er wordt zorgtoeslag ontvangen, dan wordt geen rekening gehouden met de verhoging van de beslagvrije voet in verband met zorgpremiekosten. Ook als niet bekend is of er zorgtoeslag wordt ontvangen, maar de schuldenaar zou hier gezien de hoogte van zijn inkomen wel recht op hebben, dan wordt de correctie op nihil gesteld. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de situatie waarbij de partners toeslagpartners van elkaar zijn en de situatie waarin dit niet het geval is. Voor het begrip partner wordt aangesloten bij de definitie van dit begrip in de Participatiewet.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24</nr>
      <para>Art. 3.2 van het vtlb-rapport sluit daarmee naadloos aan bij art. 475d lid 3 Rv en wat over die bepaling in de wetsgeschiedenis is opgemerkt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De bespreking van de tweede klacht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.25</nr>
      <para>De rechtbank heeft op grond van art. 1.3 van de Recofa-richtlijnen vastgesteld dat de R-C kan afwijken van hetgeen in de richtlijnen is bepaald en dat hij in die zin een zekere discretionaire bevoegdheid heeft. Dit betekent volgens de rechtbank dat de R-C van art. 3.2 van het vtlb-rapport mocht afwijken. De rechtbank gaat er echter aan voorbij dat de vaststelling van de hoogte van de beslagvrije voet moet plaatsvinden op basis van art. 475d Rv. De R-C dient de dwingendrechtelijke bepalingen van art. 475d Rv toe te passen en kan daaraan geen eigen invulling geven. Van een discretionaire bevoegdheid is dan ook geen sprake, zoals in de tweede klacht terecht is aangevoerd. Art.1.3 van de Recofa-richtlijnen, dat de rechter-commissaris kan afwijken van de richtlijnen, kan dat niet anders maken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.26</nr>
      <para>Dit betekent dat de bewindvoerder de beslagvrije voet moet vaststellen met inachtneming van de <emphasis role="italic">volledige</emphasis> door E betaalde ziektekostenpremie (dus wat <emphasis role="italic">feitelijk </emphasis>betaald is), zoals in art. 475d lid 3, onder a, Rv is bepaald. Wel strekt het normbedrag en de eventueel ontvangen zorgtoeslag daarop in mindering (zie onder 3.15-3.16). Of de door E afgesloten aanvullende verzekeringen noodzakelijk zijn, staat in het kader van de vaststelling van de beslagvrije voet niet ter beoordeling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.27</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat ook de tweede klacht slaagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.28</nr>
      <para>Nu beide cassatieklachten slagen, kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Conclusie</title>
    <para>De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_59dc41f8-3eb7-4fb1-9e9d-04000eba1211" label="1">
    <para> 	Rb Limburg, zittingsplaats Maastricht, 5 december 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:10936.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_23a8a9d2-18e0-4a8c-a87b-f71d5b0f1499" label="2">
    <para> 	Dit volgt uit de e-mail van Quitantie aan de WSNP-bewindvoerder van 10 juli 2019 (bijlage 3 bij het beroepschrift, p. 2/4-3/4).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ad22d7da-57a1-4144-82f4-444fde7b66ff" label="3">
    <para> 	Zie mijn eerdere conclusie in de zaak 19/04167, ECLI:NL:PHR:2019:1238, onder 1.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3515ff1b-8510-4728-8e20-85658bc2140a" label="4">
    <para> 	Beschikking van de R-C van 7 augustus 2019.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a9c18b36-90b9-4645-8ca3-5b51db43c8ed" label="5">
    <para> 	Het e-mailbericht bevindt zich achter bijlage 3 bij het beroepschrift, p. 2/4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_161dc2a1-7812-46e4-9fa3-ea51a1102908" label="6">
    <para> 	Het e-mailbericht bevindt zich achter bijlage 3 bij het beroepschrift, p. 2/4-3/4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_35dfd6d8-f419-4eac-875f-bd6ee28c86b9" label="7">
    <para> 	Bijlage 3 bij beroepschrift.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_65cd451f-a3a7-4ef8-9844-3176d8cf9c87" label="8">
    <para> 	Bijlage 4 bij beroepschrift.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ad046ab-7df0-458f-ae52-578e6ecc964a" label="9">
    <para> 	Vtlb-rapport, Berekening van het vtlb bij toepassing van de Wet schuldsanering natuurlijke personen, Werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa, versie juli 2017, 2018, 2019.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9fa4d070-3744-4f39-98e6-45fd58bbc3e2" label="10">
    <para> 	Rb Limburg, zittingsplaats Maastricht, 5 december 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:10936.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5b72f1bb-581b-4316-a046-63f96801d8e4" label="11">
    <para> 	Het cassatieverzoekschrift is op 16 december 2019 ingediend. De cassatietermijn, die aanvangt op de dag waarop de beschikking is gegeven, bedraagt 10 dagen (op grond van art. 426 lid 2 Rv is deze het dubbele van de beroepstermijn) en eindigde dus op zaterdag 14 december 2019. Op grond van art. 1 Algemene termijnenwet wordt de termijn verlengd tot maandag 16 december 2019. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e61ed28e-e516-4ec4-b685-59cd26888346" label="12">
    <para> 	HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1948.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_94eb3b7d-adbb-4dcf-a310-ae5f2eb47fd4" label="13">
    <para> 	Conclusie A-G De Bock d.d. 28 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1238.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0d86e936-9c4c-4518-9a09-3a216a815ea3" label="14">
    <para> 	Conclusie A-G De Bock d.d. 28 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1238, onder 3.40-3.47. Zie ook: Van der Felz II, p. 44 en <emphasis role="italic">Wessels Insolventierechter IV</emphasis> 2015/4016.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a35acf9b-9ff6-4f2a-859b-f6923efb1827" label="15">
    <para> 	HR 16 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7318, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2009/517 <emphasis role="italic">( […] ./mr. Somers q.q.)</emphasis>.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a88d64d1-b8c0-47f7-84e8-cac65141c901" label="16">
    <para> 	Conclusies A-G Wuisman voor HR 16 november 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY3284 en voor HR 16 november 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY3291 met verwijzing naar HR 16 oktober 1942, ECLI:NL:HR:1942:94, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1942/817 en HR 23 januari 1933, ECLI:NL:HR:1933:361, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1933/660 <emphasis role="italic">(faillissement Nivard)</emphasis>. Hierover voorts: Verstijlen <emphasis role="italic">GS Faillissementsrecht</emphasis>, art. 65 Fw, aant. 1 en <emphasis role="italic">Wessels Insolventierecht IV</emphasis> 2015/4018.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_71fdb89b-0e3c-4bf8-84bb-cc6ac80970e2" label="17">
    <para> 	HR 23 januari 1933, ECLI:NL:HR:1933:361, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1933/660 <emphasis role="italic">(faillissement Nivard)</emphasis>. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fd6c88be-0428-4850-870d-ca3b3899f1ab" label="18">
    <para> 	HR 16 oktober 1942, ECLI:NL:HR:1942:94, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1942/817; HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3284, <emphasis role="italic">RvdW</emphasis> 2012/1437; conclusie van A-G Van Peursem d.d. 8 juli 2019, ECLI:NL:PHR:2019:810, onder 2.25; N.J. Polak, <emphasis role="italic">Insolventierecht</emphasis>, bewerkt door M. Pannevis, 2017, par. 7.2.1.2; <emphasis role="italic">Wessels Insolventierecht IV</emphasis> 2015/4018; Verstijlen <emphasis role="italic">GS Faillissementsrecht</emphasis>, commentaar op art. 65 Fw; zie ook de noot van Q.L.C.M. Bongaerts in <emphasis role="italic">TvI</emphasis> bij HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:686, <emphasis role="italic">TvI</emphasis> 2018/47 <emphasis role="italic">(X./mr. Warnink q.q.)</emphasis>.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e4ed275a-8474-4ccf-bd04-c016ae902523" label="19">
    <para> 	HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1948, rov. 3.4.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e7829d51-c1b2-445c-88e7-e2a46ef30a5a" label="20">
    <para> 	Engberts, <emphasis role="italic">GS Faillissementswet</emphasis>, art. 295 Fw, aant. 5; Engberts <emphasis role="italic">T&amp;C Insolventierecht</emphasis>, art. 295 Fw, aant. 2; <emphasis role="italic">Wessels Insolventierecht IX</emphasis> 2017/9087.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ee1e1231-f5f9-4288-be8d-b458574d94e2" label="21">
    <para> 	M. van Bommel (bew. van H.H. van Bommel/Van Bommel-Dethmers), <emphasis role="italic">Van schuldsanering tot schone lei: een praktische beschrijving van het wettelijk traject</emphasis>, 2015, par. 7.6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_86fac9a6-ed0e-40ef-8d1b-5646ef46a266" label="22">
    <para> 	Vtlb-rapport, Berekening van het vtlb bij toepassing van de Wet schuldsanering natuurlijke personen, Werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa, versie juli 2019. Het rapport is te vinden op www.rechtspraak.nl.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_da60ea9f-9b3f-45fb-a6e1-f19c3077a50f" label="23">
    <para> 	De vtlb-calculator is onder meer te vinden op www.rechtspraak.nl.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6cf004b1-67ef-4063-9a5e-efc59bd8214c" label="24">
    <para> 	Wet van 9 oktober 2003, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten (Wet werk en bijstand), <emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 2003, 375. Sinds 1 januari 2015 is de citeertitel van deze wet ‘de Participatiewet’. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_49830187-3f59-47ff-a2df-8a4aebf1d942" label="25">
    <para> 	Gieske <emphasis role="italic">T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering</emphasis>, art. 475d Rv, aant. 1; Engberts <emphasis role="italic">GS Faillissementswet</emphasis>, art. 295 Fw, aant. 5.3.1; M. van Bommel (bew. Van H.H. van Bommel/Van Bommel-Dethmers), <emphasis role="italic">Van schuldsanering tot schone lei: een praktische beschrijving van het wettelijk traject</emphasis>, 2015, par. 7.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a85ecad-e33b-4816-bd5c-4c1ee63cadc3" label="26">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2016-2017, 34 628, nr. 3 (MvT), p. 1, p. 4-5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dbc50e48-e2fb-4177-bd01-851c55631837" label="27">
    <para> 	Wet van 8 maart 2017 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet), 8 maart 2017, <emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 2017,110.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f4b8a383-7698-410e-ae61-23eed152b063" label="28">
    <para> 	Brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 9 december 2019 in antwoord op de Kamervragen van het lid Gijs van Dijk (PvdA) over “de vertraging van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet".</para>
  </footnote>
  <footnote id="_56986e8e-dac4-48e1-b4f6-dc1452787f97" label="29">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis>, 2018-2019, 24 515, nr. 468, p. 5 (Brief van de staatssecretaris van sociale zaken en werkgelegenheid en van financiën).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d40acc86-f7da-4579-a309-3a02eed965a9" label="30">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis>, 2018-2019, 24 515, nr. 468, p. 5 (Brief van de staatssecretaris van sociale zaken en werkgelegenheid en van financiën).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d449a988-aee7-42a1-b355-72a9e91ed766" label="31">
    <para> 	Wet van 11 december 2019 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alsmede enkele wetten van andere ministeries (Verzamelwet SZW 2020).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5971d892-7139-4b5c-8c0e-7782e506c194" label="32">
    <para> 	In de tot 1 januari 2020 geldende wettekst was dit neergelegd in het vierde lid van art. 475 lid 4 Rv. Inhoudelijk is de bepaling ongewijzigd gebleven.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b358c5c-603d-434a-b54e-e3a02ac43b40" label="33">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis>, 2005-2006, 29 942, nr. 8, p. 6 (Nota van Wijziging).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_87c400d2-0d61-4813-8873-4e6e2954f541" label="34">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis>, 2005-2006, 29 942, nr. 8, p. 6 (Nota van Wijziging).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ad73f304-beaf-41fd-b1e0-331f047cc395" label="35">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis>, 2005-2006, 29 942, nr. 8, p. 6 (Nota van Wijziging).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1b4ab406-bcc7-44c3-a1c1-23f3954e401f" label="36">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis>, 1979-1980, 14 029, nr. 5, p. 2 (MvA). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_67910bcc-3f1b-4c70-89b3-8ded984defa7" label="37">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis>, 1982-1983, 17 897, nr. 3, p. 18 (MvT).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1c87311-80da-4265-a2a4-e4ff8fb54bf8" label="38">
    <para> 	Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregeling, versie 1 januari 2018. De richtlijnen zijn te vinden op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. Ook de vtlb-calculator is op www.rechtspraak.nl. te vinden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b51d195c-88ca-48c0-b493-034295b28086" label="39">
    <para> 	Vtlb-rapport, Berekening van het vtlb bij toepassing van de Wet schuldsanering natuurlijke personen, Werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa, versie juli 2019. Het rapport is te vinden op www.rechtspraak.nl.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>