<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:895</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-11T11:58:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-09-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/03510</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2019:1890" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1890</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:895">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:895</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-09T13:25:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:895 Parket bij de Hoge Raad , 17-09-2019 / 17/03510</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:895:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Medeplegen van bedreiging met terroristisch misdrijf, art. 83, 83a en 285.3 Sr.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:895:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">PROCUREUR-GENERAAL</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">BIJ DE</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">Nummer</emphasis> 17/03510</para>
  </parablock>
  <section>
    <title />
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting </emphasis>17 september 2019</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">CONCLUSIE</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">B.F. Keulen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>De verdachte is bij arrest van 12 juli 2017 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. ‘medeplegen van bedreiging met een terroristisch misdrijf’ en 2. ‘medeplegen van opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als omschreven in artikel 27 Sr en verbeurdverklaring van een mobiele telefoon. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Beide middelen betreffen de bewezenverklaring en bewijsmotivering. Voor een goed begrip van de zaak geef ik, alvorens de middelen te bespreken, eerst de bewezenverklaring van beide feiten, de bewijsmiddelen (voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang) en de bewijsoverweging van het hof weer. Het gaat om een zaak die destijds aandacht van de media heeft gekregen.<footnote-ref linkend="_0d61fc52-30cd-4f9a-9b33-050364e1c5ea" /></para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para>4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:</para>
    <parablock>
      <para>‘1.</para>
      <para>dat hij op 16 november 2015 in de gemeente Echt-Susteren tezamen en in vereniging met een ander heeft gedreigd met een terroristisch misdrijf, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader (meermalen) opzettelijk gebeld met Alarmcentrale 112 en vervolgens dreigend de woorden toegevoegd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(gesprek 1:)</para>
      <para>- "U spreekt met de Islam IS" en </para>
      <para>- "De wereld vergaat paar minuut" en </para>
      <para>- "De wereld gaat paar minuut weg iedereen" en </para>
      <para>- "Luister goed naar de televisie" en </para>
      <para>- "Overal de hele wereld compleet" en</para>
      <para>- "Compleet luister naar de Dombo en de Kikker. Luister doe niets zal niemand iets gebeuren alleen luister.... Ik zweer" en </para>
      <para>- "Ik hoef niet doorverbonden ik hoef niets binden u hoort vanzelf" en "Ik wil luister iedereen naar mij" en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(gesprek 2:)</para>
      <para>- "Luister iedereen er zal niemand wat gebeuren als er geluisterd wordt" en </para>
      <para>- "U heeft gezien waar ik bel allang" en</para>
      <para>- "Niemand.... niemand komt hier dichtbij er gaan ongeluk gebeuren" en </para>
      <para>- "Ik wil niemand praat ik wil alleen meneer Rutten hier bij mij hoelang het ook duurt" en</para>
      <para>- "Niemand kan mij helpen u gaat mij dadelijk bellen over een minuutje terug. Ik geef u dit nummer en meneer Rutten gaat mij bellen. Niemand komt hier in de buurt van die Dombo en die Kikker" en </para>
      <para>- "Overal staat alles klaar alles is voorbereid" en </para>
      <para>- “Wat wilt u de wereld vergaat? Bent u bang?";</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.</para>
      <para>dat hij op 16 november 2015 in de gemeente Echt-Susteren tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een alarmnummer voor publieke diensten, namelijk van het Alarmnummer 112.’</para>
    </parablock>
    <para>5. De bewijsmiddelen waar de bewezenverklaring onder 1 en 2 op steunt luiden voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang en met weglating van verwijzingen als volgt:</para>
    <para>‘<emphasis role="bold">1. het proces-verbaal van aangifte, inhoudende als de </emphasis><emphasis role="bold underline">verklaring van [getuige] , aangever:</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik doe aangifte namens de politie Limburg. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 16 november 2015, omstreeks 07.23 uur en 07.34 uur werd door de Landelijke Eenheid aan de Gemeenschappelijke Meldkamer Limburg gemeld dat zojuist een manspersoon had ingebeld, die aangaf dat hij namens de IS Islam belde en dat er binnen enkele minuten een aanslag zou komen. (...) </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De manspersoon belde in met het [telefoonnummer 1] . (...) </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vanaf het moment van de meldingen zijn er onder andere door de politie veel manuren en materieel in het onderzoek gestoken. Deze inzet was mede ingegeven door de ernst van de situatie en de context van de recente aanslagen in het buitenland.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. het relaasproces-verbaal, inhoudende als </emphasis>
        <emphasis role="bold underline">relaas van [verbalisant 1]</emphasis>
        <emphasis role="bold">:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op maandagmorgen 16 november 2015 kwamen twee telefonische 112-meldingen binnen bij de alarmcentrale te Driebergen van een dreiging met een terroristische aanslag. Deze meldingen werden gedaan met het [telefoonnummer 1] .</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De zendsignalen van deze twee meldingen werden verzonden van respectievelijk de zendmast Paalstraat Oud-Roosteren en Bij de Molen Dieteren-Baakhoven.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In een periode van een uur rond deze 112-meldingen kwamen bij de politie meerdere meldingen binnen van onder meer een lichtflits en harde knallen vanaf een hut/schuur langs de autosnelweg A2/E25 (Maastricht-Amsterdam) ter hoogte van Roosteren.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ook belde [betrokkene 1] de 112-alarmcentrale te Maastricht met de melding dat zijn vriend [medeverdachte] [hof: de [medeverdachte] ] hem had gebeld. [medeverdachte] dreigde zichzelf op te blazen en hij zou in Born in een bunker langs de snelweg zitten.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gezien de tijdstippen en de locaties van deze meldingen was er een sterk vermoeden dat het hier om dezelfde locatie ging.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">BEVINDINGEN ONDERZOEK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op maandag 16 november 2015 omstreeks 08.08 uur werd door [betrokkene 1] gemeld dat zijn vriend [medeverdachte] hem gebeld had met de mededeling dat hij zichzelf zou gaan opblazen. Tevens had [medeverdachte] hem medegedeeld dat iedereen uit de buurt moest blijven en dat er gewoon naar hem geluisterd moest worden. Volgens melder betreft het telefoonnummer van [medeverdachte] [telefoonnummer 2] .</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De plaats delict betreft een oude schuur, gelegen in een akkerland, een voormalig maisveld, aan de Holtum-Noordweg in het buurtschap Baakhoven te Roosteren, gemeente Echt-Susteren.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">In de directe omgeving van dit schuurtje zijn geen andere woningen of gebouwen gelegen. De openbare weg A2/E25 (autosnelweg Maastricht-Amsterdam) is ongeveer 100 meter in westelijke richting gelegen vanaf het schuurtje.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij het betreffend schuurtje werden twee personen gesignaleerd. Er werd in de omgeving van het schuurtje een BMW, [kenteken] aangetroffen op naam van de [medeverdachte] .</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uiteindelijk werden beide personen, te weten de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] , aangehouden door het Arrestatieteam van de politie.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De kleding van [verdachte] werd in beslag genomen. In de broekzak van de spijkerbroek van [verdachte] werd een zwarte mobiele telefoon, merk Nokia, aangetroffen en in beslag genomen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">3. het proces-verbaal ‘geluidsopname 112-meIdingen’, inhoudende als </emphasis>
        <emphasis role="bold underline">relaas van [verbalisant 2]</emphasis>
        <emphasis role="bold">:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Door het onderzoeksteam werden de geluidsopnamen gevorderd van de 112-meldingen welke op 16 november 2015 binnenkwamen bij de 112-alarmcentrale te Driebergen en betrekking hebben op het onderzoek naar de bedreiging met een terroristisch misdrijf. Op 17 november 2015 werden door de Dienst Landelijk Operationeel Centrum te Driebergen twee geluidsopnamen aangeleverd welke hieronder woordelijk zijn uitgewerkt.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Gesprek 1</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Start 16.11.2015 Tijd 07:23:16 </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Eind 16.11.2015 Tijd 07:24:14</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Telefoonnummer Overige Deelnemer Gesprek [telefoonnummer 1]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Alarmcentrale 112, wilt u politie, brandweer, ambulance?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	U spreekt met de Islam IS </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Ja en wat wilt u spreken, politie?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	De wereld vergaat paar minuut </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Wat zegt u?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	De wereld gaat paar minuut weg iedereen </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Welke</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	Luister luister goed naar televisie </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	En welke stad gaat het om?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	Overal de hele wereld compleet </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Ja en welke stad gaat het om?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	Compleet luister naar de Dombo en de Kikker. Luister doe niets zal niemand iets gebeuren. Alleen luister ik zweer (onverstaanbaar)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Nou ik verbind u door met de politie blijf aan de lijn</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	Ik hoef niet doorverbinden ik hoef niets binden u hoort vanzelf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Einde gesprek 1.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het zendsignaal van [telefoonnummer 1] werd tijdens gesprek 1 verzonden vanaf een zendmast locatie Paalstraat Oud Roosteren.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Gesprek 2</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Start 16.11.2015 Tijd 07:34:55 </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Eind 16.11.2015 Tijd 07:36:56</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Telefoonnummer Overige Deelnemer Gesprek [telefoonnummer 1]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Alarmcentrale 112, wilt u politie, brandweer, ambulance?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	Ik wil luister iedereen naar mij </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Wat is er aan de hand meneer?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	Kunt u mij horen?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Ik hoor u meneer</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01:	 Luister iedereen er zal niemand wat gebeuren als er geluisterd wordt </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Wat is er aan de hand meneer hallo meneer?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	Hallo begrijpt u mij kunt u luisteren?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Ik begrijp u niet als ik eerlijk ben. U belt vanuit euh vanuit euh Limburg?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	U heeft gezien waar ik bel al lang </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Ja maar wat is er aan de hand meneer?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	Niemand niemand komt hier dichtbij er gaan ongeluk gebeuren </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	En waar bent u dan meneer?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	U weet waar ik ben</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Nee meneer dat weet ik niet kunt u mij vertellen waar u bent? Dan ga ik u doorverbinden met iemand waarmee u kunt praten. Vindt u dat een goed plan?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	Ik wil niemand praat ik wil niemand praat ik wil alleen meneer Rutten hier bij mij hoelang het ook duurt</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Ok meneer meneer wat ik ga doen is ik ga u dan doorverbinden met iemand die u hiermee kan helpen. Kunt u aan de lijn blijven?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	Niemand kan mij helpen u gaat mij u gaat mij dadelijk bellen over een minuutje terug. Ik geef u dit nummer en meneer Rutten gaat mij bellen. Niemand komt hier in de buurt van die Dombo en die Kikker.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Van waar zei u?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NNO1: 	Vanuit die paleis wat ik hier heb die kleine paleis luister iedereen gaat luisteren ik bel terug geef die nummer jullie gaan mij bellen alleen Rutten of de Koning.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Oke ja</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	Niemand komt in de buurt</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Ja meneer ik ga u even doorverbinden met... dan kunt u even met mensen overleggen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	Overal staat alles klaar alles is voorbereid </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Meneer</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN01: 	Wat wilt u de wereld vergaat? Bent u bang?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Meneer ik ga u doorverbinden blijf aan de lijn</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Einde gesprek 2.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het zendsignaal van [telefoonnummer 1] werd tijdens gesprek 2 verzonden vanaf een zendmast locatie Bij de Molen Dieteren-Baakhoven.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In beide gesprekken wordt door NN01 gebrekkig Nederlands gesproken met een accent.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">4. het proces-verbaal ‘uitluisteren melding 112-alarmcentrale Maastricht’, inhoudende als </emphasis>
        <emphasis role="bold underline">relaas van [verbalisant 3]</emphasis>
        <emphasis role="bold">:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 16 november 2015 kwam er een melding binnen bij de 112-alarmcentrale te Maastricht. Van deze melding is bij de 112-alarmcentrale te Maastricht een geluidsopname gemaakt. Voornoemd melding is onderstaand woordelijk uitgewerkt.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Detailgegevens van de melding die gedaan is door [betrokkene 1] :</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Datum: 	16-11-2015</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tijd: 	08:07:53</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Alarmcentrale</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NN: 	Goedemorgen, [betrokkene 1]</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Hallo</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [betrokkene 1] : 	D’r belde net een vriend van mij op, en die zit uhm goed in de problemen en uuhh die zegt dat hij in een bunker in Born zit, ergens.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Ja</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [betrokkene 1] : 	en hij zegt: “Luister, als niemand naar mij luistert blaas ik mezelf op”</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Wat zeg je?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [betrokkene 1] : 	Ja, een vriend van me die belde me net op en die zit goed in de problemen…</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Dus een vriend van je belt op. (…) En hoe heet die meneer?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [betrokkene 1] : 	[medeverdachte] . (…) en uhm hij zegt dat er geluisterd naar hem moet worden, want er wordt niet naar hem geluisterd zegt ie. (…) Ja, hij belde me vanmorgen op. Hij zegt: “Luister [betrokkene 1] uuhh, alles komt goed uuhh, maar als er niet naar me geluisterd wordt, blaas ik mezelf op.”</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“En d’r moet niemand naar me toe komen”, zegt ie  “maar ja d’r moet wel uuhh d’r moet met me gepraat worden want (…) het gaat de verkeerde kant op zo”. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	En hij zit ergens in Born in een bunker?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [betrokkene 1] : 	Langs de snelweg.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Heb je een 06-nummer van die [medeverdachte] ?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [betrokkene 1] : 	Ja, heb ik. Dat is [telefoonnummer 2] .</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">OC: 	Meneer wij gaan hier mee aan de slag.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [betrokkene 1] : 	Ja, alleen hij zegt: “Iedereen moet uit de buurt blijven. Als er maar gewoon geluisterd wordt”.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">5. het proces-verbaal [telefoonnummer 1] , inhoudende als </emphasis>
        <emphasis role="bold underline">relaas van [verbalisant 2] voornoemd:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit het onderzoek is gebleken dat</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- [telefoonnummer 1] gebruikt is om twee keer in te bellen met de 112- alarmcentrale;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- [telefoonnummer 1] gebruikt is in een mobiele telefoon met IMEI- nummer […] ;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- het IMEI-nummer […] behoort bij de zwarte Nokia, aangetroffen in de kleding van verdachte [verdachte] ;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- een activeringscode voor [telefoonnummer 1] is aangetroffen in de woning van [verdachte] .</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">6. het proces-verbaal van verhoor, inhoudende als </emphasis>
        <emphasis role="bold underline">de verklaring van [verdachte] :</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vraag: 	Nadat jullie werden aangehouden troffen wij in jouw kleding een mobiele telefoon van het merk Nokia met het unieke IMEI-nummer […] . (...) Reageer hier eens op.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Antwoord:	Mijn telefoon heeft in dat schuurtje gelegen. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vraag: 	Wat kun je vertellen over het activeringsbonnetje van het telefoonnummer waarmee 112 is gebeld?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Antwoord: 	Dat nummer heb ik al een half jaar geleden gekocht. (...) Dat simkaartje had ik in mijn Nokia zitten die ik bij mij had. (...) De Nokia die jullie hebben aangetroffen was mijn reservetelefoon.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">7. het proces-verbaal gebruiker telefoonnummer [telefoonnummer 3] , inhoudende </emphasis>
        <emphasis role="bold underline">als relaas van [verbalisant 2] voornoemd:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit onderzoek van het Bureau Digitale Expertise kwam naar voren dat in de inbeslaggenomen mobiele telefoon Nokia met het IMEI-nummer […] een simkaart zat waarvan het IMSI-nummer […] bleek te zijn. Uit de CIOT- bevraging bleek dat het IMSI-nummer […] behoorde bij [telefoonnummer 3] .</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor het inbellen naar de 112-alarmcentrale werd gebruik gemaakt van 06-nummer [telefoonnummer 1] met IMSI-nummer […] . Hieruit kan opgemaakt worden dat de simkaart (IMSI) van [telefoonnummer 1] , nadat de 112-alarmcentrale gebeld was, verwisseld is met de simkaart (IMSI) van [telefoonnummer 3] .</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De laatste verbinding die geregistreerd werd van [telefoonnummer 1] met IMEI-nummer […] betrof 16-11-2015 07:43:20 uur. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Door het onderzoeksteam werd de simkaart (IMSI) van 06-nummer [telefoonnummer 1] niet aangetroffen. Om te onderzoeken wie de gebruiker is van de simkaart (IMSI) van 06-nummer [telefoonnummer 3] , welke werd aangetroffen in de mobiele telefoon met IMEI-nummer […] , werden de histo prints bevraagd. Uit deze gegevens is gebleken dat [telefoonnummer 3] :</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- niet gebruikt is in IMEI-nummer […] (geen dataverkeer geregistreerd);</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- het laatste gebruik geregistreerd staat op 09-10-2015 om 13:20:30 uur</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- bij de laatste registratie gebruikt werd in een mobiele telefoon van het merk Nokia met IMEI-nummer […] , welke in beslag is genomen tijdens de zoeking in de woning van verdachte [medeverdachte] in Brunssum;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- bij de laatste registratie onder het bereik zat van de zendmast Dorpsstraat 173 Brunssum;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- op 01-07-2015 om 04:24:19 een uitgaand sms-bericht geregistreerd staat naar het 06-nummer [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [verdachte] .</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit de bevraagde histo prints van [telefoonnummer 1] en het digitaal onderzoek van de zwarte mobiele telefoon van het merk Nokia met IMEI-nummer […] , in gebruik bij [verdachte] , is gebleken dat op 04-07-2015 en 06-07-2015 twee sms-berichten zijn verzonden van [telefoonnummer 1] naar [telefoonnummer 3] . In de zwarte mobiele telefoon van het merk Nokia, in gebruik bij verdachte [verdachte] stond bij het 06-nummer [telefoonnummer 3] de contactnaam [medeverdachte] vermeld.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">8. het proces-verbaal onderzoek Telecommunicatie, inhoudende </emphasis>
        <emphasis role="bold underline">als relaas van [verbalisant 4] :</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">SAMENVATTING</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beide verdachten bevonden zich, op de genoemde tijdstippen in het overzicht, in een geografisch gebied in de omgeving Roosteren / Susteren in welk gebied de plaats delict is gelegen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">9. de </emphasis>
        <emphasis role="bold underline">verklaring van de verdachte</emphasis>
        <emphasis role="bold"> ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op zondag 15 november 2015 hebben [medeverdachte] en ik flink wat gedronken. We zijn daarmee begonnen in een café in Geleen. Wij dronken beiden Bacardi-cola. Vervolgens zijn wij rond 20.00 uur in het huisje aangekomen. Ook in het huisje hebben [medeverdachte] en ik vervolgens nog een aantal glazen Bacardi-cola op. Ik denk ieder een stuk of vier. Wij waren toen samen. (...) Op zondag hadden [medeverdachte] en ik samen boodschappen gedaan. Toen wij bij het huisje kwamen hebben wij de auto van [medeverdachte] uitgeladen en alles overgebracht naar het huisje. (...) Ik zag toen de carnavalspakken die in de auto van [medeverdachte] lagen. (...) Ik heb het kikkerpak in de vroege ochtend korte tijd aangehad vanwege de kou. (...) In de ochtend van 16 november 2015 heb ik in en bij het huisje niemand anders gezien dan [medeverdachte] . Wij waren met zijn tweeën in het huisje. (...) Ik had mijn mobiele telefoon, merk Nokia, bij mij. Mijn telefoon was gebruiksklaar en de batterij was opgeladen. Het is best mogelijk dat ik die ochtend om 6.38 uur ‘1244’ heb gebeld om de simkaart te activeren of om mijn beltegoed op te waarderen. (...) Nadat ik ‘1244’ had gebeld, heb ik mijn gsm in het huisje op een kar gelegd. (...) Terwijl ik buiten het huisje bezig was met het maken van een kampvuur, heb ik harde knallen gehoord.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">10. het proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende als de </emphasis>
        <emphasis role="bold underline">verklaring van [verdachte]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Behalve [medeverdachte] [hof: bedoeld wordt de [medeverdachte] ] en ik was er niemand in dat schuurtje aanwezig.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">11. het proces-verbaal van verhoor, inhoudende als de </emphasis>
        <emphasis role="bold underline">verklaring van [medeverdachte] :</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vraag: 	Vrijdagavond is er een aanslag geweest in Parijs. Wat heb jij hiervan meegekregen?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Antwoord: 	Wij hebben nog één minuut stilte gehouden in het hutje.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vraag: 	Wie was er nog meer bij die hut?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Antwoord: 	[verdachte] en ik. Verder niemand (…) We zijn constant bij elkaar geweest.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">12. het proces-verbaal van verhoor, inhoudende als de </emphasis>
        <emphasis role="bold underline">verklaring van [medeverdachte]</emphasis>
        <emphasis role="bold">:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verbalisant: In het schuurtje werden een groen kikkerpak en een grijs olifantenpak aangetroffen. (...) Van wie zijn die pakken?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Antwoord: 		Van [verdachte] en mij. (...) [verdachte] en ik (...) doen alles samen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verbalisant:	[verdachte] heeft verklaard dat hij een groen pak aan heeft gehad. Heb jij het olifantenpak aan gehad?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Antwoord:		We hebben de pakken allebei gepast. Ze waren te klein.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">13. het - niet in het dossier van de politie opgenomen - rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 5 april 2016, (…) inhoudende, als </emphasis>
        <emphasis role="bold underline">de verklaring en conclusie van de deskundige J.F.M. Vermeulen</emphasis>
        <emphasis role="bold"> naar aanleiding van de resultaten van het vergelijkend spraakonderzoek aan twee 112-meldingen van 16 november 2015:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie t.a.v. betwist materiaal</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uit de analyse van het betwiste materiaal blijkt dat bepaalde uitspraakkenmerken van het buitenlands klinkende accent niet consequent aanwezig zijn. Er zijn duidelijk tekenen van accentverdraaiing aanwezig in het betwiste materiaal. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Of ook sprake is van stemverdraaiing, is op grond van uitsluitend het betwiste materiaal niet goed vast te stellen. De stemkenmerken zijn redelijk consistent gedurende beide meldingen. Gegeven de ‘closed set ’ aanname (dat het betwiste materiaal geproduceerd moet zijn door een van de twee verdachten) moet er in het betwiste materiaal tevens sprake zijn van stemverdraaiing.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie t.a.v. vergelijkingen</emphasis>
        </para>
        <para>(...)</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Naar aanleiding van de resultaten van het hierboven gerapporteerde vergelijkend spraakonderzoek kom ik tot de volgende conclusie:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De bevindingen van het onderzoek ten aanzien van het overgelegde onderzoeksmateriaal zijn waarschijnlijker onder de hypothese dat [verdachte] het betwiste materiaal heeft geproduceerd, dan onder de hypothese dat [medeverdachte] het betwiste materiaal heeft geproduceerd.’</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>6. Het hof heeft onder het kopje ‘Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs’, voor zover van belang, het volgende overwogen:</para>
      <para>‘De verdachte ontkent dat hij degene is die de 112-meldingen heeft gedaan. Zijn raadsvrouwe heeft bepleit dat de verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof zal allereerst bespreken of de hiervoor weergegeven telefoongesprekken met de 112-alarmcentrale een bedreiging met een terroristisch misdrijf opleveren. Vervolgens zal het hof de vraag beantwoorden of sprake is van medeplegen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bedreiging met een terroristisch misdrijf</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De wetgever heeft in artikel 83 Sr bepaald welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Het in artikel 285, derde lid, Sr omschreven misdrijf is daaronder begrepen. Gemeenschappelijk aan bedoelde terroristische misdrijven is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk. In artikel 83a Sr is dit omschreven als “het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”. Deze omschrijving stemt nagenoeg overeen met die in het Kaderbesluit van de Europese Unie dd. 13 juni 2002 (PbEU L164) waaraan de Wet terroristische misdrijven (Stb 2004, 290) uitvoering heeft gegeven.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de rechtspraak wordt onder oogmerk meestal verstaan het naaste doel dat met de verweten handeling wordt nagestreefd. Beslissend is dus niet welk motief de dader voor zijn handeling had of het uiteindelijke doel dat hem daarmee voor ogen stond. Voor de betekenis die ingevolge artikel 83a Sr aan het bestanddeel oogmerk moet worden gegeven is nog van belang dat waar in de Nederlandse tekst van het Kaderbesluit de term oogmerk wordt gebruikt de Engelse, Duitse en Franse tekst daarvan steeds spreken over het doel waarmee het feit wordt gepleegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het naaste doel dat met het terroristisch misdrijf wordt nagestreefd moet dus zijn het ernstige vrees aanjagen van (een deel van) de bevolking van een land, het wederrechtelijk dwingen van een overheid (of internationale organisatie) of het ontwrichten of vernietigen van de fundamentele structuren van een land (of internationale organisatie). De Wet terroristische misdrijven geeft ook op dit punt uitvoering aan het Kaderbesluit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdachte heeft van meet af aan ontkend dat hij degene is geweest die de 112-alarmcentrale heeft gebeld en de hierboven weergegeven telefoongesprekken heeft gevoerd. De [medeverdachte] heeft dezelfde proceshouding aangenomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof is evenwel, gezien de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de 112-telefoongesprekken door de verdachte dan wel door de [medeverdachte] zijn gevoerd. Er is daarbij immers gebruik gemaakt van de mobiele telefoon, merk Nokia, van de verdachte, waarover zowel de verdachte als de [medeverdachte] konden beschikken aangezien zij ten tijde van die telefoongesprekken beiden aanwezig waren in of bij het schuurtje, waarin volgens de verklaring van de verdachte ook diens mobiele telefoon heeft gelegen. Zowel de verdachte als de [medeverdachte] bevonden zich in het geografische gebied dat wordt bestreken door de bij die gesprekken door de mobiele telefoon van de verdachte aangestraalde zendmasten. Bovendien bevonden zich in het hutje een grijs olifantenpak (waarvan de [medeverdachte] zegt dat hij het die dag even aan heeft gehad) en een groen kikkerpak (waarvan de verdachte zegt dat hij het die dag heeft gedragen) en wordt in de telefoongesprekken gesproken over ‘die Kikker’ en ‘die Dombo’ [hof: ‘Dombo’ is de naam van een olifantje dat voorkomt in tekenfilms van Walt Disney].</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als gevolg van hun ontkennende verklaringen is noch van de verdachte noch van de [medeverdachte] informatie verkregen over het doel dat met de bedoelde telefoongesprekken is beoogd.</para>
        <para>Het hof merkt daarbij op dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de bedreiging in staat moet zijn om onder (een deel van) de bevolking grote vrees te veroorzaken en dat niet alleen de gebruikte bewoordingen op zichzelf bepalend zijn, maar dat deze moeten worden bezien in de context waarin deze zijn geuit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op de gebruikte bewoordingen en gezien de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het de bedoeling van de beller(s) was de autoriteiten en de bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen. Er was dus sprake van een terroristisch oogmerk.</para>
        <para>Het hof neemt hierbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:</para>
        <para>- de telefoongesprekken werden gevoerd drie dagen na de bloedige aanslagen op onder meer de concertzaal ‘Bataclan’ in Parijs, waarbij vele tientallen doden vielen;</para>
        <para>- deze aanslagen, waarbij enkele van de daders zichzelf met explosieven opbliezen, werden kort nadien opgeëist door de terreurorganisatie ‘Islamitische Staat’, kort gezegd ‘IS’;</para>
        <para>- in de telefoongesprekken met de 112-alarmcentrale werd gesproken met een (gefingeerd) accent;</para>
        <para>- de verdachte en de [medeverdachte] waren bekend met de aanslagen in Parijs: zij hebben in het schuurtje zelfs nog een minuut stilte gehouden; </para>
        <para>-  in de 112-telefoongesprekken werd onmiskenbaar naar de aanslagen in Parijs verwezen: onder meer werd gebruikt gemaakt van de aanduiding ‘IS’, er werd gezegd dat de wereld binnen enkele minuten zal vergaan, dat er ongelukken gaan gebeuren en dat alles is voorbereid;</para>
        <para>- in een periode kort voor en na de telefoongesprekken werd nabij het schuurtje vuurwerk afgestoken; bij de politie kwamen meldingen binnen van getuigen over harde knallen, lichtflitsen en een vuurtje.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Medeplegen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hoewel uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat beide 112-meldingen door één en dezelfde spreker geproduceerd zijn en dat het waarschijnlijker is dat die spreker de verdachte was (en niet de [medeverdachte] ), ziet het hof in die bewijsmiddelen tevens voldoende feiten en omstandigheden die, anders dan door de verdediging betoogd, het oordeel rechtvaardigen dat sprake is geweest van een zo nauwe en bewuste samenwerking tussen degene die feitelijk gebeld heeft en de ander om van medeplegen te kunnen spreken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof wijst in dit verband op het volgende:</para>
        <para>- de verdachte en de [medeverdachte] hebben na het nuttigen van een (fors) aantal alcoholhoudende drankjes samen overnacht in een schuurtje langs de A2; </para>
        <para>- de verdachte en de [medeverdachte] hebben bij aankomst samen de in de auto van de [medeverdachte] aanwezige spullen, waaronder vuurwerk en carnavalspakken, overgebracht naar het schuurtje;</para>
        <para>- de [medeverdachte] spreekt over een aantal activiteiten steeds in de ‘wij’- vorm: ‘we hebben bij dat schuurtje vuurwerk afgestoken’, ‘we hebben toen ook nog twee haardblokken aangestoken’, ‘we hebben één minuut stilte gehouden in het hutje’, ‘we zijn constant bij elkaar geweest’, ‘we doen alles samen’, ‘we hebben de carnavalspakken even aan gehad’ en ‘we hebben de pakken allebei gepast’;</para>
        <para>- nadat met de gsm van de verdachte de 112-gesprekken zijn gevoerd, bevindt zich daarin niet het bij die gesprekken gebruikte simkaartje maar een simkaartje met een telefoonnummer dat voor het laatst is gebruikt door de [medeverdachte] ;</para>
        <para>- zowel de verdachte als de [medeverdachte] verklaren het bij de 112- gesprekken gebruikte simkaartje niet te hebben verwisseld; </para>
        <para>- het door de [medeverdachte] gevoerde telefoongesprek met [betrokkene 1] bevat uitspraken die in sterke mate overeenkomen met uitlatingen van de spreker die de 112-gesprekken heeft gevoerd. Zo heeft de [medeverdachte] tegen [betrokkene 1] onder meer gezegd: ‘luister, als niemand naar me luistert blaas ik mezelf op’, ‘er moet geluisterd worden, want er wordt niet naar me geluisterd’, ‘alles komt goed, maar als er niet naar me geluisterd wordt, blaas ik mezelf op’ en ‘er moet niemand naar me toekomen, maar er moet wel met me gepraat worden’. In de 112-meldingen wordt onder meer gezegd: ‘luister luister goed naar de televisie’, ‘luister goed naar de Dombo en de Kikker’, ‘luister, doe niets zal niemand iets gebeuren, alleen luister’, ‘ik wil luister iedereen naar mij’, ‘luister iedereen er zal niemand wat gebeuren als er geluisterd wordt’, ‘hallo, begrijpt u mij, kunt u luisteren’, ‘niemand komt hier dichtbij, er gaan ongeluk gebeuren’, ‘niemand komt hier in de buurt van die Dombo en die Kikker’ en ‘luister, iedereen gaat luisteren’.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van het hof kan het op grond van het vorenstaande niet anders zijn dan dat degene die de 112-gesprekken heeft gevoerd en de ander zich tijdens die gesprekken zo dicht bij elkaar in de buurt hebben bevonden dat het voeren van die gesprekken de ander niet kan zijn ontgaan. In het dossier heeft het hof bovendien geen aanwijzingen gevonden waaruit volgt dat de een zich van de door de ander gevoerde telefoongesprekken heeft gedistantieerd.</para>
        <para>Het hof merkt in dit verband met nadruk nog op dat de [medeverdachte] het zelfs in zijn laatste verhoor bij de politie heeft opgenomen voor de verdachte door bij herhaling te verklaren: ‘we hebben niet gebeld’ (…).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij zijn oordeel dat de verdachte en de [medeverdachte] als medeplegers hebben te gelden betrekt het hof bovendien dat zij bij - in zoverre onherroepelijk - vonnis van de rechtbank Limburg van 26 april 2016 zijn veroordeeld voor het op 16 november 2016 samen en in vereniging voorhanden hebben van een hoeveelheid illegaal vuurwerk.’</para>
      </parablock>
      <para>7. Het <emphasis role="underline">eerste</emphasis> middel klaagt dat het oordeel van het hof dat er onder feit 1 sprake is van een terroristisch oogmerk onbegrijpelijk althans ontoereikend is gemotiveerd. De door het hof genoemde feiten en omstandigheden zouden in onderlinge  samenhang beschouwd niet tot het oordeel kunnen leiden dat het de bedoeling van de beller(s) was om de autoriteiten en de bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen. Gezien de onhandigheid van de handelingen, de nauwelijks gespecificeerde uitingen (met woorden als ‘ongelukken’ en ‘de wereld vergaat’) die verdachten deden en gelet op de context met carnavalspakken en fantasienamen als ‘Dombo en de Kikker’ zou niet te begrijpen zijn hoe het hof tot het oordeel heeft kunnen komen dat het oogmerk terroristisch gekleurd was. Eén en ander zou overduidelijk meer weg hebben van een grap.</para>
      <para>8. Een vraag die voorafgaand aan de bespreking van het middel beantwoord dient te worden, is of bewezenverklaring en kwalificatie vereisen dat de bedreiging met een terroristisch oogmerk heeft plaatsgevonden. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander heeft ‘gedreigd’ met een terroristisch misdrijf. Die bewezenverklaring is gekwalificeerd onder art. 285, derde lid, Sr, luidend: ‘Bedreiging met een terroristisch misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie’. Deze strafbepaling eist naar haar bewoordingen niet dat de bedreiging zelf met een terroristisch oogmerk plaatsvindt. Waar het om gaat, is dat het misdrijf waarmee gedreigd wordt een terroristisch misdrijf is.<footnote-ref linkend="_bcef6bb7-8dce-4fd6-9cdc-d13cae3ac639" /></para>
      <para>9. Dat de wetgever zich gerealiseerd heeft dat de strafbaarstelling van art. 285, derde lid, Sr zelf geen terroristisch oogmerk eist, kan worden afgeleid uit de memorie van toelichting<footnote-ref linkend="_c879676f-e01e-4e55-b54d-3dc710c1c390" /> bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet terroristische misdrijven<footnote-ref linkend="_d751285a-826f-46be-be7d-4b0d40368717" />:</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>‘6. Bedreiging met een terroristisch misdrijf</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een tweede delictsomschrijving waarin geen terroristisch oogmerk voorkomt, betreft het voorgestelde artikel 285, derde lid, Sr. Daarin is de bedreiging met een terroristisch misdrijf strafbaar gesteld. Te denken valt bijvoorbeeld aan de dreiging met een aanslag op een brug of een kerncentrale. Ook dergelijke bedreigingen kunnen, indien zij geloofwaardig zijn, grote vrees onder de bevolking veroorzaken. Dat geldt nog sterker in het geval zij samen lijken te hangen met andere terroristische misdrijven. In dat licht bezien komt een maximale gevangenisstraf van zes jaar de regering passend voor.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in het Wetboek van Strafrecht opgenomen delictsomschrijving van bedreiging expliciteert niet, tegen wie de bedreiging gericht moet zijn. Veelal zal de bedreiging tegen een enkele persoon, tegen een aantal personen of tegen één of meer organisaties of ondernemingen gericht zijn. Bij de bedreiging met een terroristisch misdrijf kan, zo bleek uit het gegeven voorbeeld, ook de hele bevolking bedreigd worden. Ook dat rechtvaardigt een hogere strafbedreiging.’</para>
    </parablock>
    <para>10. Dat de wetgever zich heeft gerealiseerd dat de voorgestelde strafbaarstelling impliceert dat de bedreiging zelf niet met een terroristisch oogmerk behoeft te zijn begaan, kan ook worden afgeleid uit de Nota naar aanleiding van het verslag:<footnote-ref linkend="_16efb795-ba18-4eab-93b4-526bda1abc11" /></para>
    <para>‘De aan het woord zijnde leden refereerden ook aan de bedreigingen in de richting van Ayaan Hirsi Ali, alsmede de fatwa in de richting van Salman Rushdie. Zij vroegen zich af of deze bedreigingen na aanvaarding van het wetsvoorstel meer betreffen dan de enkele bedreiging van een individu. Vastgesteld kan worden dat een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht ingevolge artikel 285 Sr met maximaal twee jaar gevangenisstraf wordt bedreigd. Van een bedreiging met een terroristisch misdrijf is eerst sprake als het misdrijf waarmee gedreigd wordt zou plaatsvinden met het oogmerk een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen. Daarvan zal bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als gedreigd wordt met vergiftiging van drinkwater die tot doel zou hebben een overheid te dwingen iets te doen of niet te doen. Als het misdrijf waarmee gedreigd wordt een misdrijf tegen een enkele persoon behelst, zal het terroristisch oogmerk niet snel bewezen kunnen worden, omdat van een dergelijk misdrijf niet snel gezegd zal kunnen worden dat een deel van de bevolking daardoor ernstige vrees wordt aangejaagd. Een uitzondering is vooral voorstelbaar bij personen die onderdeel uitmaken van de regering of de Staten-Generaal, omdat in dat geval het oogmerk om een overheid te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden in beeld kan komen.’</para>
    <para>11. Niet alleen in de bestreden uitspraak, maar ook in andere uitspraken van lagere rechters wordt soms geëist dat de bedreiging zelf met een terroristisch oogmerk gepleegd is.<footnote-ref linkend="_7d9ccc3a-0491-4331-8236-da04b29ba026" /> Daaraan lijkt de gedachtegang ten grondslag te liggen die in Gerechtshof Amsterdam 31 oktober 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2559 is uiteengezet.<footnote-ref linkend="_9a66dbb5-eb88-4b24-b750-bcd7536899fe" /> Het hof stelt in die zaak vast dat de Wet terroristische misdrijven uitvoering geeft aan het Kaderbesluit van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (2002/475/JBZ).<footnote-ref linkend="_2c27a771-776a-4bd4-b257-fd36038f6fef" /> Art. 1 lid 1 van dat kaderbesluit verplicht alle lidstaten om de maatregelen te nemen ‘die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de onder a) tot en met i) bedoelde opzettelijke gedragingen (…) worden aangemerkt als terroristische misdrijven, indien de dader deze feiten pleegt met’ (kort gezegd) een terroristisch oogmerk. Onder i wordt vervolgens genoemd: ‘het bedreigen met een van de onder a) tot en met h) bedoelde gedragingen’. Het hof leidt daaruit af ‘dat de verdachte in ieder geval het oogmerk moet hebben gehad om – kort gezegd – een bevolking ernstige vrees aan te jagen.’ De eerder geciteerde passage uit de memorie van toelichting wordt vervolgens in dezelfde sleutel gezet; het hof leest daarin ‘dat de bedreiging in staat moet zijn om grote vrees onder de bevolking te veroorzaken, waarbij de wetgever beklemtoont dat daarvan sprake is indien de bedreiging geloofwaardig is’.</para>
    <para>12. In de memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet terroristische misdrijven is in een noot bij de Transponeringstabel Kaderbesluit-wetsvoorstel aangegeven hoe de regering onderdeel i van art. 1 dacht te implementeren:<footnote-ref linkend="_e41d87ee-6efa-4e19-a9a0-5d29d71dd635" /></para>
    <para>‘De kernbepaling is artikel 285, derde lid, Sr, waar heel in het algemeen de bedreiging met een terroristisch misdrijf strafbaar wordt gesteld. De andere opgenomen misdrijven betreffen in de eerste plaats het door geweld of bedreiging met geweld dwingen van regeringsraad, raad van ministers dan wel Eerste of Tweede Kamer (de artikelen 95, 95a en 121 Sr). Deze misdrijven zijn met levenslange gevangenisstraf bedreigd. Ook de misdrijven van de artikelen 123 en 124, die op het door geweld of bedreiging met geweld dwingen bij lagere overheden zien, zijn opgenomen. Aanwijzing als terroristisch misdrijf ligt ook gelet op de aard van deze delicten, die welhaast per definitie op het dwingen van overheden en op politieke en constitutionele verhoudingen zien, voor de hand.’</para>
    <para>13. De eerste zin van deze noot duidt er – in samenhang met de eerder geciteerde passages uit de Kamerstukken – op dat de wetgever zich heeft gerealiseerd dat de onderhavige strafbaarstelling in zoverre verder ging dan het kaderbesluit, dat niet werd geëist dat de bedreiging met een terroristisch oogmerk plaatsvond. In zoverre heeft de wetgever kennelijk de vrijheid genomen om aan de verplichting tot strafbaarstelling die uit het kaderbesluit voortvloeit met een – op dit punt – wat ruimere strafbaarstelling uitvoering te geven. Het kaderbesluit laat dat naar het mij voorkomt toe. Voorgeschreven wordt dat de in artikel 1 omschreven feiten worden aangemerkt als terroristische misdrijven; het kaderbesluit verbiedt niet dat de strafbaarstelling daarbij wat ruimer uitvalt.<footnote-ref linkend="_728277c4-cca9-466d-a813-4c3bb6bb037d" /></para>
    <para>14. Richtlijn (EU) 2017/541 van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding<footnote-ref linkend="_8a6b69cb-9bc0-4459-b822-ac7df06355c2" />, die het kaderbesluit inmiddels heeft vervangen, lijkt de lidstaten op het eerste gezicht wat minder vrijheid te laten. In relatie tot Kaderbesluit 2002/475/JBZ wordt in overweging 3 gesproken van ‘een geharmoniseerde definitie van terroristische misdrijven’; overweging 8 rept van een ‘exhaustieve lijst van een aantal ernstige misdrijven’. Gevolg van dat  ‘exhaustieve’ van de lijst is blijkens het vervolg van deze overweging evenwel alleen dat niet daarin opgenomen handelingen ‘niet beschouwd (worden) als terroristische misdrijven uit hoofde van deze richtlijn’. In dit verband is voorts van belang dat ingevolge art. 1 bij deze richtlijn minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de definitie van misdrijven en sancties op het gebied van (onder meer) terroristische misdrijven. Art. 3, eerste lid, van de richtlijn bepaalt voorts (in lijn met art. 1 van het kaderbesluit) dat de daarin omschreven opzettelijke handelingen ‘overeenkomstig het nationale recht’ als misdrijven worden gekwalificeerd. Dat het een lidstaat niet langer vrij zou staan een strafbaarstelling een wat ruimere reikwijdte te geven, volgt aldus niet uit de richtlijn. </para>
    <para>15. Uit HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:343, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2019/133 leid ik af dat Uw Raad daar ook zo over denkt. In dat arrest stond de verwerping van een verweer centraal waarin geklaagd werd over een ander verschil tussen kaderbesluit en strafwet, in de context van brandstichting. Uw Raad overwoog:</para>
    <para>‘3.3. Het middel berust op de opvatting dat een bepaling die ter implementatie van kaderbesluit 2002/475/JBZ in het Wetboek van Strafrecht is opgenomen of is gewijzigd, door de Nederlandse rechter volledig conform de bepalingen van dat kaderbesluit moet worden uitgelegd in het geval dat de Nederlandse bepaling een ruimere reikwijdte heeft dan waartoe voormeld kaderbesluit de Nederlandse wetgever verplicht. Die opvatting is onjuist. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat een plicht tot kaderbesluitconforme uitleg bestaat indien het doel en de volle werking van een kaderbesluit daarzonder niet worden bereikt. (Vgl. HvJ EU 8 november 2016, zaak C-554/14, ECLI:EU:C:2016:835 (Atanas Ognyanov), punt 59). De art. 83 en 176a Sr bieden echter geen grond voor het oordeel dat het met kaderbesluit 2002/475/JBZ beoogde resultaat - kort gezegd: te waarborgen dat terroristische misdrijven doeltreffend kunnen worden vervolgd binnen de Europese Unie - door de ruimere Nederlandse implementatie van dat kaderbesluit niet wordt bereikt. Het middel faalt derhalve.’</para>
    <para>16. Ik teken daarbij aan dat de omschrijving van terroristische misdrijven onder meer een basis is voor verplichtingen tot het verstrekken van en verlenen van toegang tot gegevens.<footnote-ref linkend="_086b54f3-e1bb-4ff1-a545-fa21f0ca30ba" /> Die doelstelling loopt geen gevaar als een strafbaarstelling van een terroristisch misdrijf wat ruimer is geformuleerd dan voorgeschreven (integendeel zelfs).<footnote-ref linkend="_aa675659-6b02-4068-b5e5-3d926eadebd1" /> Kaderbesluit 2002/475/JBZ en richtlijn (EU) 2017/541 bevatten voorts bepalingen ingevolge welke de Commissie een verslag maakt waarin wordt beoordeeld of de lidstaten de maatregelen hebben genomen die noodzakelijk zijn om aan het kaderbesluit dan wel de richtlijn te voldoen. Indien de verplichtingen uit de richtlijn niet correct worden geïmplementeerd, kan een inbreukprocedure worden gestart op grond van art. 258 VWEU. </para>
    <para>17. Uit oogpunt van een ‘dekkende’ implementatie van de verplichtingen uit richtlijn en kaderbesluit zou wel een punt van aandacht kunnen zijn dat de wettekst eist dat de bedreiging een terroristisch misdrijf betreft. Kaderbesluit 2002/475/JBZ bevat, als gezegd, een verplichting tot strafbaarstelling van ‘het bedreigen met een van de onder a) tot en met h) bedoelde gedragingen’; richtlijn (EU) 2017/541 verplicht ingevolge art. 3 tot strafbaarstelling van ‘het bedreigen met een van de onder a) tot en met i) genoemde handelingen’. Strikt genomen eisen beide rechtsinstrumenten niet dat de gedragingen of handelingen waarmee gedreigd wordt met een terroristisch oogmerk begaan zouden worden. Het lijkt evenwel moeilijk voorstelbaar dat een bedreiging met dergelijke gedragingen/handelingen met een terroristisch oogmerk plaatsvindt terwijl de gedragingen/handelingen zelf, indien de bedreiging wordt uitgevoerd, niet met dat oogmerk begaan zouden worden. Hoe dat ook zij, het is niet aan de rechter om op grond van kaderbesluit of richtlijn in uitbreiding van de strafwet te voorzien die niet met de bewoordingen en wetsgeschiedenis van de strafbepaling valt overeen te brengen.<footnote-ref linkend="_ea7e4144-a179-4277-8ec8-589b6d855948" /></para>
    <para>18. Al met al komt het mij voor dat er geen aanleiding is om, tegen de expliciete wil van de wetgever, in de strafbaarstelling van art. 285, derde lid, Sr in te lezen dat de bedreiging met een terroristisch misdrijf zelf met een terroristisch oogmerk moet plaatsvinden.<footnote-ref linkend="_36970e7f-0445-4ed4-a097-c852410bf506" /> Dat brengt mee dat de klacht in zoverre niet tot cassatie kan leiden. Zij is gericht tegen een onderdeel van ’s hofs motivering dat niet dragend is voor bewezenverklaring en kwalificatie.</para>
    <para>19. Geheel ten overvloede merk ik op dat in het geval de wet (impliciet) wel een bedreiging met terroristisch oogmerk zou eisen de klacht naar het mij voorkomt zou slagen. Van een oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land door de bedreiging ernstige vrees aan te jagen blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Ook ‘s hofs bewijsoverweging schiet als onderbouwing tekort. Dat de telefoongesprekken enkele dagen na de bloedige aanslagen in Parijs werden gevoerd, brengt niet mee dat de verdachte en de medeverdachte door de bedreiging (een deel van) de bevolking vrees wilden aanjagen. Ik neem daarbij in aanmerking dat alleen naar het alarmnummer 112 is gebeld; de verdachte en de medeverdachte hebben geen contact gezocht met de media dan wel via het internet de aandacht gevestigd op hun gedragingen. Dat zij nastreefden of er rekening mee hielden dat aan hun melding via 112 ruchtbaarheid zou worden gegeven bij de bevolking heeft het hof niet overwogen en blijkt ook niet uit de bewijsmiddelen. ’s Hofs vaststelling dat de bedoeling van de beller(s) was de autoriteiten ernstige vrees aan te jagen kan de vaststelling van een terroristisch oogmerk evenmin dragen; dat oogmerk wordt in art. 83a Sr niet genoemd.<footnote-ref linkend="_45435c5d-d385-425f-9ee4-cf5b4e945606" /> Ik merk hierbij nog op dat het hof ook niet heeft vastgesteld dat de bedreiging plaatsvond met het – wel – door art. 83a Sr bestreken oogmerk om een overheid (of internationale organisatie) wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land (of een internationale organisatie) ernstig te ontwrichten of te vernietigen.</para>
    <parablock>
      <para>20. Uit de toelichting op het middel volgt, als ik het goed zie, dat de steller ook klaagt over de vaststelling van de bedreiging. De steller wijst op Gerechtshof Arnhem 23 januari 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:AZ6688. De bedreiging zou niet de vrees hebben kunnen opwekken dat zij zou worden gerealiseerd. En het dreigen met ‘het vergaan van de wereld’ of ‘het gebeuren van ongelukken’ zou niet gekwalificeerd kunnen worden als het dreigen met een misdrijf.  Het voorspellen van het einde van de wereld zou, zo vat ik samen, daarbij ook in andere context voorkomen. Ook ’s hofs overweging inzake het gebruik van een (gefingeerd) accent zou niet begrijpelijk zijn; niet zou zijn in te zien dat enig accent dreigender zou zijn dan enig ander accent.  </para>
      <para>20. Uw Raad heeft inzake de in art. 285, eerste lid, Sr strafbaar gestelde ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ eerder overwogen: </para>
    </parablock>
    <para>‘Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen (vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448) en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht (vgl. HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252, NJ 1984/479).’<footnote-ref linkend="_5c9ef2f7-7666-4721-9038-561532d204ea" /></para>
    <para>22. Uit lagere rechtspraak kan worden afgeleid dat deze rechtspraak ook tot leidraad is genomen in zaken waarin bedreiging met een terroristisch misdrijf ten laste is gelegd. In Rechtbank Noord-Nederland 2 mei 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:1862 volgde een bewezenverklaring in een geval waarin de verdachte naar de klantenservice van een bedrijf had gebeld en had gezegd dat binnen 48 uur 120 bitcoins naar hem moesten worden overgemaakt en dat als dat niet werd gedaan een terroristische aanslag zou volgen. De rechtbank overwoog, voor zover van belang, ‘dat de ten laste gelegde uitlatingen van dien aard zijn en zijn gedaan onder zodanige omstandigheden dat hierdoor bij betrokkenen de redelijke vrees kon ontstaan dat er een terroristisch misdrijf kon worden gepleegd’.<footnote-ref linkend="_1936784c-e9dd-42fd-8b97-26d08ccffed4" /> In Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5233 stelt het hof ‘voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met één der in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht genoemde misdrijven onder meer is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat aan de bedreiging uitvoering zou kunnen worden gegeven en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.’ Het hof spreekt de verdachte vrij (onder meer) omdat de ‘teksten niet duidelijk zijn, taalkundig onjuist en voor meerdere interpretaties vatbaar’.<footnote-ref linkend="_01aae4ca-9a1a-4fae-a5aa-01085c1765eb" /> In Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4854 volgde vrijspraak omdat opzet op ‘het bij de geadresseerden teweegbrengen van een redelijke vrees voor het misdrijf waarmee werd gedreigd’ ontbrak.<footnote-ref linkend="_02faf36d-f203-4d61-82b7-8a1bff7e2e84" /> De verdachte had tegen enkele docenten gezegd op 11 december 2015 een aanslag op zijn school te gaan plegen.</para>
    <para>23. In de rede ligt inderdaad om doorslaggevend te achten of de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat een terroristisch misdrijf zou worden gepleegd en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Daarbij sluit aan dat de wetgever in het hiervoor geciteerde deel van de memorie van toelichting betekenis toekent aan de geloofwaardigheid van de bedreiging. Uit de bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging komen een aantal feiten en omstandigheden naar voren die in dat opzicht in het bijzonder van belang zijn. De verdachte of de medeverdachte heeft naar het alarmnummer 112 gebeld.<footnote-ref linkend="_8b0dee6b-e5f9-4248-8e6f-3849acecc4ad" /> De beller is het eerste gesprek begonnen met ‘U spreekt met de Islam IS’. Hij heeft vervolgens aangegeven dat de wereld zou vergaan, en dat als er geluisterd zou worden er niets zou gebeuren. En hij heeft het gesprek beëindigd zonder duidelijkheid te verschaffen en met de aankondiging ‘u hoort vanzelf’. In het tweede gesprek heeft de beller aangegeven dat iedereen moest luisteren. En dat niemand dichtbij moest komen; ‘er gaan ongeluk gebeuren’. Hij heeft aangegeven met ‘meneer Rutten’ te willen praten; dat kan moeilijk anders worden geduid dan als een eis om met de minister-president te spreken. Ook de verwijzing in beide gesprekken naar ‘d(i)e Dombo en d(i)e Kikker’ kan, juist vanwege het onbegrijpelijke ervan, aan het bedreigende karakter hebben bijgedragen. Hetzelfde geldt voor de verwijzing van de beller naar zijn verblijfplaats als ‘die (kleine) paleis’. De beller heeft vervolgens gezegd dat overal alles klaar staat en alles is voorbereid, en wederom gerefereerd aan het vergaan van de wereld. De beller heeft bij dit alles in gebrekkig Nederlands met een (gefingeerd) buitenlands klinkend accent gesproken.<footnote-ref linkend="_0de7c162-a999-4a65-9133-6db6dd2e995d" /> Het hof heeft in zijn bewijsoverweging bij de waardering van deze uitlatingen betrokken dat de telefoongesprekken drie dagen na de bloedige aanslagen op onder meer de concertzaal ‘Bataclan’ in Parijs plaatsvonden, dat daarbij tientallen doden waren gevallen, dat enkele van de daders zichzelf daarbij met explosieven hadden opgeblazen, en dat deze aanslagen waren opgeëist door IS.</para>
    <parablock>
      <para>24. Het hof heeft overwogen dat de bedreiging ‘in staat moet zijn om onder (een deel van) de bevolking grote vrees te veroorzaken en dat niet alleen de gebruikte bewoordingen op zichzelf bepalend zijn, maar dat deze moeten worden bezien in de context waarin deze zijn geuit.’ En het heeft vastgesteld ‘dat het de bedoeling van de beller(s) was de autoriteiten (…) ernstige vrees aan te jagen’. In die overweging en vaststelling, in samenhang bezien met de overigens door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, ligt als kennelijk oordeel van het hof besloten dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkenen in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat een terroristisch misdrijf zou worden gepleegd en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.</para>
      <para>24. Naar het mij voorkomt heeft het hof uit de uitlatingen tijdens beide gesprekken, de wijze waarop de gesprekken gevoerd werden, daaronder begrepen het niet voor rede vatbaar zijn, de raadselachtige elementen en het spreken met een gefingeerd accent, kunnen afleiden dat het gesprek bij de telefonist van de alarmcentrale en degenen die daar door de telefonist van in kennis werden gesteld in redelijkheid de vrees kon doen ontstaan dat een terroristisch misdrijf (in het bijzonder het teweeg brengen van een ontploffing als omschreven in art. 157 jo. 176a Sr) zou worden gepleegd. Dat het opzet van de verdachte en de medeverdachte op het doen ontstaan van die vrees was gericht, kan in het bijzonder ook worden afgeleid uit de melding aan 112 van [betrokkene 1] .<footnote-ref linkend="_067639ce-dabf-4780-b5c6-2b0ef8ce696d" /> Die melding verleent uit de mond van een derde geloofwaardigheid aan de bedreigende mededelingen die een half uur daarvoor in beide 112-meldingen gedaan. Gemeld wordt dat de medeverdachte zichzelf wil opblazen, dat er geluisterd moet worden, dat er met hem gepraat moet worden en dat iedereen uit de buurt moet blijven. Wat betreft het vereiste dat het misdrijf waarmee gedreigd werd een terroristisch misdrijf is – derhalve een misdrijf met een terroristisch oogmerk – is van belang dat de wetgever heeft opgemerkt ‘dat de omstandigheid dat het terroristisch oogmerk een subjectief bestanddeel is, er niet aan in de weg staat dat het bewijs in veel gevallen uit objectieve omstandigheden kan worden afgeleid. Een bomaanslag gericht tegen een overheidsgebouw of infrastructureel werk, bijvoorbeeld, zal gewoonlijk zozeer als kennelijk doel hebben dat de bevolking van een land ernstige vrees wordt aangejaagd, dat verklaringen van verdachten daaromtrent voor het bewijs zeker niet doorslaggevend zijn.’<footnote-ref linkend="_0fd406b6-60de-495c-aec6-9a7051cfab12" /></para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>26. Dat, zoals de steller van het middel aangeeft, in Gerechtshof Arnhem 23 januari 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:AZ6688 vrijspraak volgde ter zake van bedreiging met een terroristisch misdrijf, is niet maatgevend voor de uitkomst in deze zaak. Uit de betreffende uitspraak blijkt ook dat de feiten en omstandigheden sterk verschillen. Zo was de melding in die zaak ‘gedaan door een manspersoon, waarbij die persoon klonk alsof hij sprak terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde’. In de onderhavige zaak ligt in ’s hofs overwegingen besloten dat de geuite bewoordingen in redelijkheid de vrees konden opwekken dat de geuite bedreiging zou worden gerealiseerd. Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor, mede in het licht van de omstandigheid dat niet alleen is gesproken over het vergaan van de wereld en het gebeuren van ongelukken maar ook over het klaar staan en voorbereid zijn van ‘alles’ en over het moeten luisteren en het willen spreken met Rutte(n), terwijl [betrokkene 1] vlak na beide 112-meldingen vertelt dat de medeverdachte zich wil opblazen als er niet geluisterd wordt. Ten slotte komt het mij niet onbegrijpelijk voor dat het hof betekenis heeft gehecht aan het spreken met een gefingeerd accent. De omstandigheid dat met een gefingeerd accent (in gebrekkig Nederlands) gesproken wordt, vergroot net als de onbegrijpelijkheid van een deel van de antwoorden de afstand tot de beller en daarmee de dreiging die van de melding uitgaat. </para>
      <para>26. Ik attendeer er nog op dat uit de bewezenverklaring niet expliciet volgt wie met het terroristisch misdrijf bedreigd is. De steller van de tenlastelegging lijkt daar mee geworsteld te hebben; daarop wijst ook dat ten laste gelegd en bewezenverklaard is dat is ‘gedreigd’; niet dat iemand is ‘bedreigd’. Ook in andere zaken wordt daar mee geworsteld, lijkt het. Zo heeft de verdachte in Rechtbank Amsterdam 7 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1398 aan een centralist van de meldkamer van de Regiopolitie Amsterdam/Amstelland dreigend (kort gezegd) een bedreiging van koningin Beatrix met een aanslag meegedeeld. Dat was bewezen verklaard als een poging om H.K.H. Beatrix, Koningin der Nederlanden, te bedreigen met een terroristisch misdrijf. De rechtbank verklaarde de poging (en niet de voltooide bedreiging) bewezen omdat niet bleek ‘dat de koningin op de hoogte is gebracht’. In Rechtbank Midden-Nederland 14 november 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5591 is bewezenverklaard dat deelnemers, organisatoren en bezoekers van een sportevenement met een terroristisch misdrijf waren bedreigd, terwijl uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de persoon aan wie de bedreiging in een telefoongesprek was medegedeeld daar in de richting van deelnemers en bezoekers ruchtbaarheid aan heeft gegeven.<footnote-ref linkend="_41df8b71-e08b-49bb-b862-a8e41cb9a2ae" /></para>
    </parablock>
    <para>28. De oorzaak van deze worsteling lijkt de gedachte te zijn dat de bedreigde (alleen) de persoon is tegen wie het misdrijf waarmee gedreigd wordt gericht zou zijn. Dat is evenwel een misvatting. In HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3400, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2011/224 m.nt. Keijzer onder <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2011/228 heeft Uw Raad, mede naar aanleiding van een verkenning van de wetsgeschiedenis in de conclusie van A-G Knigge, overwogen:</para>
    <para>‘3.1. Hoewel het bestreden arrest op grond van hetgeen hiervoor onder 2 is overwogen niet in stand kan blijven, ziet de Hoge Raad aanleiding ook het tweede middel te bespreken. Dat middel klaagt dat het Hof door te oordelen dat sprake was van "bedreiging met zware mishandeling" van [slachtoffer] terwijl het misdrijf waarmee volgens de bewezenverklaring werd gedreigd zich richtte tegen de moeder van [slachtoffer], een onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 285 Sr. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het middel stelt de vraag aan de orde of voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig in art. 285 Sr genoemd misdrijf is vereist dat dat misdrijf is gericht tegen de bedreigde persoon zelf. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Die - in de wetsgeschiedenis niet expliciet behandelde - vraag moet ontkennend worden beantwoord. Daarbij is van belang dat art. 285 Sr is geplaatst in Titel XVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht waarin strafbaar zijn gesteld 'Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid'. Dit door art. 285 Sr beschermde rechtsgoed kan ook op het spel staan ingeval het misdrijf waarmee wordt gedreigd, is gericht tegen een ander dan degene jegens wie de bedreiging is geuit. Een dergelijke bedreiging kan immers een inbreuk maken op de persoonlijke vrijheid van degene jegens wie de bedreiging is geuit die vergelijkbaar is met een bedreiging die op hem zelf betrekking zou hebben gehad. De omstandigheid dat de in dezelfde Titel opgenomen art. 284 en 284a Sr uitdrukkelijk óók spreken over bedreiging met een tegen een derde gericht misdrijf, noopt niet tot een ander oordeel, mede omdat uit de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van deze bepalingen kan worden opgemaakt dat deze explicitering slechts een verduidelijking betrof, terwijl voorts niet valt in te zien waarom de reikwijdte van de betrokken bepalingen in dit opzicht zou moeten uiteenlopen.’</para>
      <para>29. In de wetsgeschiedenis van art. 285, derde lid, Sr is de vraag of vereist is dat het terroristische misdrijf gericht is tegen de bedreigde persoon zelf niet expliciet behandeld. De aard van het terroristische misdrijf brengt naar het mij voorkomt mee dat er geen aanleiding is om deze eis hier, in afwijking van voorgaand arrest, wel te stellen.<footnote-ref linkend="_f5e8dfb0-65d5-4284-96d7-8ed7b0642c21" /> Het gaat bij terroristische misdrijven om zeer ernstige misdrijven, die ook inbreuk maken op de persoonlijke vrijheid van personen die daar niet rechtstreeks door worden getroffen. Tegen die achtergrond kan er naar het mij voorkomt mee worden volstaan in tenlastelegging en bewezenverklaring tot uiting te brengen tegen wie de bedreiging met een terroristisch misdrijf is uitgesproken.<footnote-ref linkend="_1ee09272-d5cd-459a-a8c6-5d2236b8eccb" /></para>
      <parablock>
        <para>30. Impliciet kan naar het mij voorkomt uit de bewezenverklaring worden afgeleid dat de telefonist van Alarmcentrale 112 is bedreigd. Uit het eerste bewijsmiddel kan daarnaast worden afgeleid dat velen bij de politie kennis droegen van de bedreiging; zij kunnen worden gerekend tot degenen tegen wie de bedreiging indirect is geuit. In dat licht en nu het middel daar niet over klaagt, is er naar het mij voorkomt geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan de omstandigheid dat de bewezenverklaring op dit punt geen optimale helderheid creëert.</para>
        <para>31. Het eerste middel faalt. </para>
        <para>32. Het <emphasis role="underline">tweede</emphasis> middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen het medeplegen van de beide bewezenverklaarde feiten niet kan worden afgeleid, althans dat het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Uit de toelichting blijkt dat niet bestreden wordt dat degene die de 112-gesprekken heeft gevoerd en de ander zich tijdens die gesprekken dicht bij elkaar in de buurt hebben bevonden. Dat zou er echter nog niet toe leiden dat die ander deze gesprekken ook moet hebben meegekregen. Bij telefoongesprekken zou voor iemand die niet zelf aan het gesprek deelneemt niet altijd duidelijk zijn wat exact besproken wordt. En zelfs als dit wel duidelijk zou zijn, kan uit het niet distantiëren nog geen voldoende wezenlijke of significante bijdrage worden afgeleid.</para>
        <para>33. Uit ’s hofs bewijsvoering volgt dat het hof het medeplegen uit een reeks feiten en omstandigheden heeft afgeleid. Daaruit springen, naast het telkens in elkaars aanwezigheid verkeren en het samen handelen ( [medeverdachte] : ‘we zijn constant bij elkaar geweest’, ‘we doen alles samen’), vooral het voeren van de gesprekken met de telefoon van de verdachte, het verwisselen van de simkaart en het ontkennen van die verwisseling alsmede het gesprek dat de medeverdachte met [betrokkene 1] heeft gevoerd naar voren. Dat gesprek met [betrokkene 1] kan als een onderdeel van de uitvoering van de bedreiging worden gezien, die in de kern met de telefoon van de verdachte is gepleegd. De vaststelling van het hof dat er geen aanwijzingen zijn dat de een zich van de door de ander gevoerde telefoongesprekken heeft gedistantieerd is in het licht van de overige bewijsvoering van medeplegen van ondergeschikte betekenis. Het hof heeft, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, toereikend gemotiveerd waarom het van oordeel is dat sprake is geweest van een zo nauwe en bewuste samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken.</para>
        <para>34. Het tweede middel faalt. </para>
        <para>35. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden verworpen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve wijs ik erop dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar zijn verstreken nadat het cassatieberoep op 18 juli 2017 is ingesteld. Deze overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dient te leiden tot strafvermindering. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
        <para>36. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf en de vervangende hechtenis, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De Procureur-Generaal</para>
        <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>AG</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_0d61fc52-30cd-4f9a-9b33-050364e1c5ea" label="1">
    <para> 	Zie <emphasis role="underline">https://nos.nl/artikel/2071111-beller-voor-schuurbestorming-wilde-gesprek-met-rutten.html</emphasis>; <?linebreak?><emphasis role="underline">https://www.limburger.nl/cnt/dmf20160413_00016769/hoe-dombo-en-kikker-landelijk-nieuws-werden</emphasis>; <?linebreak?><emphasis role="underline">https://www.1limburg.nl/bestorming-a2-schuur-beller-wilde-gesprek-met-rutten?context=related-18622</emphasis>. <?linebreak?>Zie ook <emphasis role="underline">https://www.youtube.com/watch?v=lvGQuwhCdHc</emphasis>. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bcef6bb7-8dce-4fd6-9cdc-d13cae3ac639" label="2">
    <para> 	In dat opzicht is er een overeenkomst met art. 140a Sr. Daar gaat het niet om deelnemen aan een organisatie die tot terroristisch oogmerk heeft het plegen van misdrijven, maar om deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Vgl. HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:12, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2019/262 m.nt. Kooijmans. Ik wijs er in dit verband op dat in de memorie van toelichting onderscheid wordt gemaakt tussen ‘de misdrijven die als terroristisch worden aangemerkt indien zij met dat (BFK: terroristisch) oogmerk gepleegd zijn’ en ‘de andere terroristische misdrijven (…): de deelneming aan een terroristische organisatie en de bedreiging met een terroristisch misdrijf’ (<emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 2).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c879676f-e01e-4e55-b54d-3dc710c1c390" label="3">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 10.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d751285a-826f-46be-be7d-4b0d40368717" label="4">
    <para> 	Wet van 24 juni 2004 tot wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met terroristische misdrijven, <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 290 (in werking getreden met ingang van 10 augustus 2004, <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 373).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_16efb795-ba18-4eab-93b4-526bda1abc11" label="5">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2002/03, 28 463, nr. 6, p. 7. Zie ook p. 6: ‘Voorts kunnen alleen bedreigingen met een terroristisch misdrijf, een misdrijf derhalve dat met een terroristisch oogmerk wordt begaan, ertoe leiden dat de delictsomschrijving van artikel 285, derde lid, Sr vervuld wordt.’</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7d9ccc3a-0491-4331-8236-da04b29ba026" label="6">
    <para> 	Vgl. Rechtbank Midden-Nederland 14 november 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5591; Rechtbank Rotterdam 23 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2257; Rechtbank Noord-Holland 11 februari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:1023; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 februari 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ0603; Rechtbank ’s-Hertogenbosch 28 december 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BU9327.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9a66dbb5-eb88-4b24-b750-bcd7536899fe" label="7">
    <para> 	Zie eerder al Rechtbank ’s-Hertogenbosch 22 oktober 2010, ECLI:NL:RBSHE:2010:BO1269.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2c27a771-776a-4bd4-b257-fd36038f6fef" label="8">
    <para>
      <emphasis role="italic">PbEG</emphasis> 2002, L 164/3 van 22 juni 2002.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e41d87ee-6efa-4e19-a9a0-5d29d71dd635" label="9">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 13-14.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_728277c4-cca9-466d-a813-4c3bb6bb037d" label="10">
    <para> 	Dat de wetgever van oordeel was dat het kaderbesluit op dit punt enige ruimte biedt kan ook worden afgeleid uit de opmerkingen over de keuze voor een ‘royale’ implementatie (<emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 1; <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2002/03, 28 463, nr. 6, p. 1-2 en 4-5).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a6b69cb-9bc0-4459-b822-ac7df06355c2" label="11">
    <para>
      <emphasis role="italic">PbEU</emphasis> 2017, L 88/6 van 31 maart 2017.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_086b54f3-e1bb-4ff1-a545-fa21f0ca30ba" label="12">
    <para> 	Besluit 2005/671/JBZ van de Raad van 20 september 2005 betreffende informatie-uitwisseling en samenwerking in verband met strafbare feiten van terroristische aard, <emphasis role="italic">PbEU</emphasis> L 253/22 van 29 september 2005; Besluit 2008/633/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 over de toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door aangewezen autoriteiten van de lidstaten en door Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten, <emphasis role="italic">PbEU</emphasis> L 218/129 van 13 augustus 2008.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aa675659-6b02-4068-b5e5-3d926eadebd1" label="13">
    <para> Vgl. over de doelstellingen van het kaderbesluit ook HvJ (Grote Kamer) 14 maart 2017, C-158/14, ECLI:EU:C:2017:202, rov. 81: ‘Wat kaderbesluit 2002/475 betreft, dit strekt er met name toe de omschrijving van terroristische misdrijven in alle lidstaten nader tot elkaar te brengen, te voorzien in straffen en sancties die in overeenstemming zijn met de ernst van dergelijke strafbare feiten, alsmede regels ten aanzien van de rechtsmacht op te stellen teneinde te waarborgen dat terroristische misdrijven doeltreffend worden vervolgd.’ De tweede en derde doelstelling worden ook bij een wat ruimere strafbaarstelling gerealiseerd; het ‘nader tot elkaar brengen’ lijkt er mede tegen deze achtergrond vooral op gericht vast te stellen wat minimaal als terroristisch misdrijf strafbaar dient te worden gesteld.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ea7e4144-a179-4277-8ec8-589b6d855948" label="14">
    <para> 	Zie reeds HvJ 8 oktober 1987, Strafzaak tegen Kolpinghuis Nijmegen BV, ECLI:EU:C:1987:431 en later onder meer HvJ (Grote Kamer) 3 mei 2005, Strafzaak tegen Silvio Berlusconi e.a., ECLI:EU:C:2005:270, rov. 74 en HvJ (Grote Kamer) 22 november 2005, Strafzaak tegen Knud Grøngaard en Allan Bang, ECLI:EU:C:2005:708, rov. 30. Daarin heeft het hof verklaard dat ‘een richtlijn niet uit zichzelf en onafhankelijk van een door een lidstaat ter uitvoering van de richtlijn vastgestelde nationale wet bepalend kan zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van degenen die inbreuk op de bepalingen van deze richtlijn maken, noch deze aansprakelijkheid kan verzwaren’.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_36970e7f-0445-4ed4-a097-c852410bf506" label="15">
    <para> 	Zie eerder in dezelfde zin P.A.M. Verrest, ‘Hoofdstuk 3. Nederland’, in: A. Fransen, J. Kerkhofs en P.A.M. Verrest, <emphasis role="italic">Terrorisme. Een analyse van het Belgische en Nederlandse materieel strafrecht, preadvies NVVS 2017</emphasis>, WLP, Oisterwijk 2017, p. 129-130. Vgl. hierover ook J.M. Lintz, <emphasis role="italic">De plaats van de Wet terroristische misdrijven in het materiële strafrecht</emphasis>, WLP, Nijmegen 2007, p. 116-117. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_45435c5d-d385-425f-9ee4-cf5b4e945606" label="16">
    <para> 	Vgl. <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2002/03, 28 463, nr. 6, p. 6: ‘De formulering «de bevolking of een deel der bevolking van een land» is een concretisering van de term «een bevolking» die voorkomt in artikel 1 van het kaderbesluit. Dat kaderbesluit heeft niet het oog op een gering deel van de bevolking van een land (…).” Zie omtrent het terroristisch oogmerk eerder HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5189, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2010/687; HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5193.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5c9ef2f7-7666-4721-9038-561532d204ea" label="17">
    <para> 	Vgl. HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1892. Dezelfde benadering is gekozen bij bedreiging met zware mishandeling; vgl. onder meer HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:19.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1936784c-e9dd-42fd-8b97-26d08ccffed4" label="18">
    <para> 	Vgl. ook Rechtbank Den Haag 13 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13952, Rechtbank Den Haag 10 april 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:3591 en Rechtbank Rotterdam 22 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2871, waarin eveneens een veroordeling volgde.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_01aae4ca-9a1a-4fae-a5aa-01085c1765eb" label="19">
    <para> 	Vrijspraak volgde ook in Rechtbank Amsterdam 14 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:830.  Verdachte had verklaard dat hij de bewoordingen (‘Ik wil een aanslag plegen’ etc.) had geuit tijdens zijn verhoor ‘omdat hij boos was op de verbalisanten en dat hij hen wilde treiteren’.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_02faf36d-f203-4d61-82b7-8a1bff7e2e84" label="20">
    <para> 	Vgl. ook Rechtbank Noord-Nederland 4 april 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:1259 en Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 december 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:8122.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8b0dee6b-e5f9-4248-8e6f-3849acecc4ad" label="21">
    <para> 	Bewijsmiddel 3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0de7c162-a999-4a65-9133-6db6dd2e995d" label="22">
    <para> 	Bewijsmiddelen 3 en 13. In het requisitoir van de advocaat-generaal wordt zowel melding gemaakt van een Arabisch accent (p. 5 en 11) als van een Antilliaans accent (p. 1). Een blik achter de papieren muur leert dat het door het hof als bewijsmiddel 13 gebezigde NFI-rapport dat is opgemaakt naar aanleiding van het vergelijkend spraakonderzoek inhoudt dat het betwiste materiaal (de 112-meldingen) in eerste instantie klinkt alsof het is geproduceerd door iemand met een Arabische achtergrond.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_067639ce-dabf-4780-b5c6-2b0ef8ce696d" label="23">
    <para>  	Bewijsmiddel 4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0fd406b6-60de-495c-aec6-9a7051cfab12" label="24">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2002/03, 28 463, nr. 6, p. 7-8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_41df8b71-e08b-49bb-b862-a8e41cb9a2ae" label="25">
    <para> 	Vgl. ook Rechtbank ’s-Hertogenbosch 28 december 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BU9327.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f5e8dfb0-65d5-4284-96d7-8ed7b0642c21" label="26">
    <para> 	De eerder geciteerde passage uit de memorie van toelichting biedt enige steun voor die benadering. Daaruit spreekt de gedachte dat aangesloten wordt bij het algemene kader van bedreiging.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1ee09272-d5cd-459a-a8c6-5d2236b8eccb" label="27">
    <para> 	Vgl. de tenlastelegging in Rechtbank Noord-Nederland 2 mei 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:1862.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>