<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:724</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-03T00:02:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-05-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/03012</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2019:1068" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1068</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:724">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:724</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-02T15:11:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:724 Parket bij de Hoge Raad , 21-05-2019 / 18/03012</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:724:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanwezig hebben hasjiesj en witwassen, art. 3.C jo. 11 Opiumwet en 420bis Sr. Verdachte is aangetroffen met ruim 300 gram hasjiesj op zak en een geldbedrag van € 4.224,65 in een plastic zak. Klacht dat uit de b.m. niet kan volgen dat het geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf omdat geen direct verband tussen het geld en een bepaald misdrijf volgt en verdachte steeds heeft verklaard dat het geldbedrag spaargeld is dat diende om zijn schulden af te lossen. HR: art. 81.1 RO.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:724:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 18/03012</para>
            <para>Zitting: 21 mei 2019</para>
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. D.J.C. Aben</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para>1. De verdachte is bij arrest van 2 oktober 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens <emphasis role="italic">“1. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” </emphasis>en <emphasis role="italic">“2. witwassen”</emphasis>, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof een geldbedrag van € 4.224,65 verbeurd verklaard.  </para>
  <para />
  <para>2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.</para>
  <para />
  <para>3. Het <emphasis role="underline">middel</emphasis> behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. </para>
  <para />
  <para>4. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat: </para>
  <para>
    <emphasis role="italic">“hij op 10 februari 2017, te Rotterdam, een voorwerp, te weten een geldbedrag ter waarde van EUR 4.224,65,-, heeft voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel afkomstig was uit enig misdrijf”.</emphasis>
  </para>
  <para />
  <para>5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:</para>
  <parablock>
    <para> <emphasis role="italic">“1. De verklaring van de verdachte.</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 april 2017 verklaard - zakelijk weergegeven -:</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">U vraagt mij of het klopt dat ik op 10 februari 2017 in Rotterdam 318,05 gram hennep in voorraad heb gehad.</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Ik kan u vertellen dat dit klopt.</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">U vraagt mij of het klopt dat ik op die 10 februari 2017 ook een geldbedrag van € 4.224,64 voorhanden heb gehad.</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Ik kan u vertellen dat dat ook klopt. Het gevonden geldbedrag is van mij.</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2017 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2017046089-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 19-21):</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Er was op 10 februari 2017 van 14:30 uur tot 11 februari 2017, 02:30 uur, een bevel tot preventief fouilleren van kracht in het veiligheidsrisicogebied Rotterdam Feijenoord.</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Op 10 februari 2017, om 20:55 uur, zijn wij binnen getreden in de horecagelegenheid “ [A] ” aan de [b-straat 1] te [woonplaats] .</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">In het pand zijn alle aanwezige personen onderworpen aan een fouillering.</emphasis></para>
    <para> <?linebreak?><emphasis role="italic">Ik fouilleerde op 10 februari 2017, om 21:13 uur een persoon die later volledig genaamd bleek te zijn:</emphasis></para>
    <para> <?linebreak?><emphasis role="italic">[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] en wonende op de [a-straat 1] te [woonplaats] .</emphasis></para>
    <para> <?linebreak?><emphasis role="italic">Ik trof in zijn binnenzak een blok hasj aan. In zijn linker broekzak trof ik wederom een groot blok hasj aan. In zijn rechter broekzak trof ik een derde blok hasj aan. In de binnenzak van de jas van [verdachte] trof ik twee ampullen aan met hasj en in zijn kontzak van zijn broek trof ik een plak aan met hasj. Na weging betrof het in totaal 318,05 gram aan hasj, benoemd in lijst II van de Opiumwet.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">De voornoemde verdovende middelen zijn door mij, verbalisant [verbalisant 3] , inbeslaggenomen onder BHV-registratienummer: 2017046089-8.</emphasis></para>
    <para> <?linebreak?><emphasis role="italic">Nadat alle aanwezigen gefouilleerd waren zag ik, verbalisant [verbalisant 3] , dat [verdachte] op het puntje van zijn stoel zat en met zijn handen achter zijn rug zat. Ik zag dat hij iets uit zijn broek probeerde te halen. Ik liep terstond naar [verdachte] toe en zag dat er een plastic zak met een grote hoeveelheid geld achter [verdachte] lag op de stoel. Ik heb dit direct opgepakt en inbeslaggenomen. </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Dit betrof uit eindelijk Euro: 4224,65.</emphasis></para>
    <para> <?linebreak?><emphasis role="italic">3. Een geschrift, te weten een afstandsverklaring in beslag genomen voorwerp ex art. 116 Sv, van de politie Eenheid Rotterdam, d.d. 11 februari 2017, met nr. PL1700-2017046089-10. Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 32): </emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Ondergetekende,</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Achternaam: 		[verdachte] </emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Voornamen : 		[verdachte] </emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Geboren : 			[geboortedatum] 1975</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">verklaart ten aanzien van het hieronder vermelde bij hem in beslag genomen voorwerp:</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Goednummer : 		PL1700-2017046089-5325387</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Categorie omschrijving: 	Medicamenten/hulpmiddelen</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Object : 			Verdovede mid (Opium)</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Aantal/eenheid : 		318,05 g</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Merk/type : 		Hasjiesj</emphasis><?linebreak?></para>
    <para> <emphasis role="italic">dat het hem toebehoort en afstand ervan te doen, zodat met dit voorwerp kan worden gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">4. Een proces-verbaal van testen verdovende middelen d.d. 13 februari 2017 van de politie Eenheid Rotterdam, team Forensische Opsporing, met nr. PL1700 2017 046089. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 31):</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: </emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Op 13 februari 2017 heb ik, [verbalisant 2] , brigadier van politie, behorende tot de Politie Eenheid Rotterdam, Divisie Recherche Expertise en Ondersteuning. Unit Forensische Opsporing, op verzoek van [verbalisant 1] , recherche Rotterdam Zuid, een onderzoek ingesteld naar aanleiding van de hierna genoemde ontvangen goederen: 2017 016089 5325387 </emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">4 blokken en 2 bolletjes bruin materiaal.</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">GEHANTEERDE METHODEN</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Van ieder stuk van overtuiging werd monstermateriaal genomen wat aan een aantal microchemische testen onderworpen werd. De testen betreffen kleurreacties waarmee de eventuele aanwezigheid van opiaten, (waaronder heroïne), alkaloïden (waaronder cocaïne), (meth) amfetaminen, GHB, GBL en Cannabis vast te stellen.</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">Deze testen, uitgevoerd door verbalisant, geven een indicatief resultaat.</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">RESULTATEN</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="bold underline italic">BHVgoednr: Resultaat/lijst:</emphasis></para>
    <para> <emphasis role="italic">1 2017 046089 5325387 		Hasjiesj lijst 2</emphasis></para>
  </parablock>
  <para />
  <para>6. Het hof heeft ten aanzien van het bewezenverklaarde feit voorts het volgende overwogen: </para>
  <para>7. <emphasis role="italic">“</emphasis><emphasis role="underline italic">Nadere bewijsoverweging</emphasis></para>
  <para>8. <emphasis role="italic">De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu niet vaststaat dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.</emphasis><?linebreak?></para>
  <para>9. <emphasis role="italic">Het hof overweegt hieromtrent als volgt.</emphasis></para>
  <para>10. <emphasis role="italic">Naar het oordeel van het hof voldoet de verdachte blijkens de bewijsmiddelen aan de typologie “bij fysiek vervoer van grote bedragen in contanten: het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich”, zoals ontwikkeld door de Financial Action Task Force (FATF) en in de rechtspraak gangbaar.</emphasis></para>
  <para>11. <emphasis role="italic">Het daaraan te ontlenen vermoeden van witwassen acht het hof bevestigd doordat verdachte, zoals eveneens uit de bewijsmiddelen blijkt, zich met een groot bedrag in contanten in een horecagelegenheid bevond.</emphasis></para>
  <para>12. <emphasis role="italic">Het hof is van oordeel dat gelet op het vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen omstandigheden van verdachte een verklaring over de herkomst van dit geld mag worden verlangd.</emphasis></para>
  <para>13. <emphasis role="italic">De verdachte heeft dit ook gedaan, zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep.</emphasis></para>
  <para>14. <emphasis role="italic">Het hof acht deze verklaringen niet aannemelijk nu de gegeven verklaringen niet consistent zijn aangezien er sprake is van verscheidene achtereenvolgende versies. Het hof is op voorgaande gronden van oordeel dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde berust op de gebezigde bewijsmiddelen.” </emphasis></para>
  <para />
  <para>7. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat het bij de verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk geen direct verband tussen het geld en een bepaald misdrijf en de verdachte heeft in de kern steeds verklaard dat het geldbedrag spaargeld is dat diende om zijn schulden af te lossen. Een en ander brengt mee dat het tenlastegelegde ten onrechte is bewezenverklaard, althans onvoldoende is gemotiveerd, aldus de steller van het middel. </para>
  <para />
  <para>8. Het witwassen van een voorwerp veronderstelt een daaraan voorafgegaan misdrijf als resultaat waarvan het betreffende voorwerp is verkregen. Voor een veroordeling ter zake van artikel 420bis Sr is namelijk vereist dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Uit de bewijsmiddelen behoeft evenwel niet te kunnen worden afgeleid uit welk, nauwkeurig aangeduid, misdrijf het desbetreffende voorwerp afkomstig is.<footnote-ref linkend="_d7e94520-2635-4f19-9740-b0127a79e362" /> Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf kan niettemin worden bewezen dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het uit enig misdrijf afkomstig is.<footnote-ref linkend="_06ac36a3-547b-47f2-b03e-3ed6bab2deca" /></para>
  <para />
  <para>9. Witwassen is gericht op het verhullen van de werkelijke herkomst van een voorwerp. Juist dit verhullende element maakt het bewijs van witwassen nogal eens moeilijk. Voor het bewijs van witwassen kan daarom gebruik worden gemaakt van zogeheten ‘witwastypologieën’. Het gaat hierbij om min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring leert, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven.<footnote-ref linkend="_b981289e-271c-4e9c-93a8-bd22718a17e6" /> Aan deze kenmerken kan een vermoeden van witwassen worden ontleend. In dergelijke gevallen mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.<footnote-ref linkend="_75246938-0b9b-4219-8e6f-02c353494a0d" /> Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp, ligt het op de weg van het openbaar ministerie onderzoek te doen naar de door de verdachte aangegeven herkomst van het voorwerp.<footnote-ref linkend="_dfa1e36e-c177-4070-bc9a-e578837a8a56" /> Doet het openbaar ministerie dit niet, dan kan dat leiden tot het oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp een legale herkomst heeft en een criminele herkomst niet als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden.<footnote-ref linkend="_1f63e986-5bab-4e7b-808a-c6568e1f9c4a" /> Overigens gaat de omstandigheid dat bij een vermoeden van witwassen een verklaring van de verdachte mag worden verlangd niet zo ver dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.<footnote-ref linkend="_5126e388-bdad-4cf1-b085-d71ec5d1bdaa" /></para>
  <para />
  <para>10. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. De verdachte is volgens de bewijsmiddelen in een horecagelegenheid aangetroffen met 318,05 gram hennep op zak alsmede een geldbedrag van € 4.224,64 in een plastic zak. Een dergelijke hoeveelheid contant geld fysiek vervoeren levert een vermoeden van witwassen op.<footnote-ref linkend="_79b28ccd-b37e-4711-a10c-d8344a97db5e" /> Het hof ziet dit vermoeden bevestigd in het feit dat de verdachte zich met dit grote geldbedrag in een horecagelegenheid bevond. Van de verdachte mag derhalve worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, hetgeen hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ook heeft gedaan. Het hof acht de afgelegde verklaringen echter niet aannemelijk, omdat deze niet consistent zijn. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdachte weliswaar beide keren heeft verklaard dat het geldbedrag spaargeld betrof dat diende om achterstallige betalingen te voldoen, maar belangrijke details, zoals wiens spaargeld het nu precies was, hoeveel maanden huurachterstand de verdachte had en welke schulden de verdachte daarnaast nog had, verschilden. Het oordeel is tevens toereikend gemotiveerd. Voor zover de steller van het middel nog meent dat sprake moet zijn van een gespecificeerd misdrijf, miskent het hetgeen onder randnummer 8 is vooropgesteld. </para>
  <para />
  <para>11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering. </para>
  <para />
  <para>12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. </para>
  <para />
  <para>13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. </para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De procureur-generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <footnote id="_d7e94520-2635-4f19-9740-b0127a79e362" label="1">
    <para> HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2007/278; HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2006/473. Zie hierover ook F. Diepenmaat, <emphasis role="italic">De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen, </emphasis>Deventer: Kluwer 2016, p. 85-86. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_06ac36a3-547b-47f2-b03e-3ed6bab2deca" label="2">
    <para> Vgl. HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2007/278; HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2006/473; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2010/456; HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2628, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2011/159; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b981289e-271c-4e9c-93a8-bd22718a17e6" label="3">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1999/20, 27 159, nr. 3, blz. 8-10. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_75246938-0b9b-4219-8e6f-02c353494a0d" label="4">
    <para> HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2628, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2011/159.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dfa1e36e-c177-4070-bc9a-e578837a8a56" label="5">
    <para> HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2010/456.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1f63e986-5bab-4e7b-808a-c6568e1f9c4a" label="6">
    <para> Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2010/456.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5126e388-bdad-4cf1-b085-d71ec5d1bdaa" label="7">
    <para> HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_79b28ccd-b37e-4711-a10c-d8344a97db5e" label="8">
    <para> Op de website van het <emphasis role="italic">Anti Money Laundering Centre</emphasis> is onder ‘Producten/Hand-outs’ een overzicht geplaatst van witwastypologieën. “<emphasis role="italic">Bij fysiek vervoer van grote bedragen in contanten: het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich</emphasis>” is als witwastypologie onder nummer 7 vermeld. </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>