<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:689</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-07T00:01:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-06-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/02194</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2019:1907" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#contrair">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1907, Contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:689">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:689</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-05T11:14:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:689 Parket bij de Hoge Raad , 21-06-2019 / 18/02194</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:689:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Burenrecht. Erfafscheiding. Art. 5:43 BW, art. 5:49 BW. Geen belangenafweging. Coniferenhaag te vervangen door muur? Mandeligheid. Onderhoud en vervanging van mandelige muur. Art. 3:170 BW, art. 5:65 BW. Misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW). Rechtsverwerking. Afwijkende overeenkomst. Toewijzing ingetrokken vordering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:689:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknr:	 18/02194 E.B. Rank-Berenschot</para>
      <para>Zitting:	 21 juni 2019	Conclusie inzake:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">1. [eiser 1]</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">2. [eiseres 2]</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para>eisers tot cassatie,</para>
      <para>adv.: mrs. A.C. van Schaick en N.E. Groeneveld-Tijssens,</para>
      <para />
    </parablock>
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">
        [verweerder]
      </emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para>verweerder in cassatie,</para>
      <para>adv.: mr. H.J.W. Alt</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze burenrechtelijke zaak gaat het om de vraag of verweerder in cassatie (hierna: [verweerder] ) op grond van art. 5:49 BW met succes kan vorderen dat eisers tot cassatie (hierna in enkelvoud: [eisers] ) medewerking verlenen aan het (doen) verwijderen of verplaatsen van een op de erfgrens tussen de percelen van partijen staande coniferenhaag en oprichting van een twee meter hoge scheidsmuur. Het hof oordeelde van wel, waarbij de kosten voor gezamenlijke rekening zullen zijn. [eisers] komt tegen dit oordeel van het hof op.</para>
    </parablock>
    <para />
  </conclusie.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Feiten en procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <parablock>
        <para>In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:<footnote-ref linkend="_57d56788-d951-4522-bb54-6e67958030dc" /></para>
        <para>(i) [verweerder] en [eisers] zijn de respectieve eigenaars van 2 naburige percelen.</para>
        <para>(ii) [verweerder] is sinds 3 maart 2000 eigenaar van het perceel [a-straat 1] te [plaats] .</para>
        <para>(iii) [eisers] is sinds 26 maart 1991 eigenaar van het perceel [a-straat 2] (vakantiewoning).</para>
        <para>(iv) In het najaar van 2012 heeft [verweerder] een kadastrale grensreconstructie doen verrichten.</para>
        <para>(v) Op 24 oktober 2014 is door het kadaster een tweede grensreconstructie verricht.</para>
        <para>(vi) Uit deze grensreconstructies bleek dat de kadastrale erfgrens tussen de percelen niet overeenstemde met de feitelijke erfgrens, die werd gevormd door een rij coniferen (hierna ook: de coniferenhaag).</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>Bij inleidende dagvaarding van 3 maart 2015 heeft [verweerder] gevorderd, samengevat, [eisers] te veroordelen:</para>
        <para>(I) <emphasis role="italic">primair</emphasis> de coniferenhaag binnen 14 dagen te verwijderen, op straffe van een dwangsom althans <emphasis role="italic">subsidiair</emphasis> te gehengen en te gedogen dat [verweerder] de coniferenhaag zelf verwijdert op kosten van [eisers] ;</para>
        <para>(II) zijn medewerking te verlenen aan het binnen 30 dagen voor gezamenlijke rekening van partijen oprichten van een mandelige scheidsmuur van 2 meter hoog op de juridische erfgrens, eveneens op straffe van een dwangsom;</para>
        <para>(III) tot voldoening van een bedrag ad € 495, te vermeerderen met wettelijke rente;</para>
        <para>alles met veroordeling van [eisers] in de kosten van het geding.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verweerder] heeft aan vorderingen sub (I) (verwijdering van de coniferenhaag) ten grondslag gelegd dat uit de kadastrale grensreconstructie van 24 oktober 2014 blijkt dat [eisers] de coniferenhaag op zijn ( [verweerder] ) perceel heeft geplaatst, welke onrechtmatige toestand hij niet behoeft te dulden.<footnote-ref linkend="_ec9fc40d-c822-4602-8c5e-6cb7bde7cc10" /><emphasis role="italic">Subsidiair</emphasis>, voor het geval sprake mocht zijn van verkrijgende verjaring ten gunste van [eisers] van de strook grond gelegen tussen de coniferenhaag en de kadastrale grens, doet [verweerder] zijn vordering tot verwijdering van de alsdan op de erfgrens staande coniferenhaag steunen op art. 5:42 BW.<footnote-ref linkend="_3a52d61f-dde9-4bc3-94a4-4bf8d04208e8" /></para>
        <para>Zijn vordering sub (II) (oprichting van een mandelige scheidsmuur) heeft [verweerder] doen steunen op art. 5:49 BW, waarbij als ‘juridische grens’ heeft te gelden <emphasis role="italic">primair</emphasis> de kadastrale grens, <emphasis role="italic">subsidiair</emphasis> (in geval van verkrijgende verjaring) de door verjaring ontstane nieuwe erfgrens onder de coniferenhaag.<footnote-ref linkend="_5685a723-ace7-4866-9cc1-bd16cc6711d3" /></para>
        <para>De vordering sub (III) strekt tot vergoeding van de kosten van de tweede kadastrale grensreconstructie en is gegrond op art. 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Bij wijze van verweer heeft [eisers] zich onder meer beroepen op verkrijgende  verjaring van de strook grond die blijkens de kadastrale grensreconstructie tot het perceel van [verweerder] behoort, hetgeen meebrengt dat de coniferenhaag op de (nieuwe) juridische erfgrens staat en mandelig is. Om die reden kan [verweerder] geen beroep doen op art. 5:42 BW<footnote-ref linkend="_23c3dabe-4f1b-4625-a409-2bfcd92f00a0" /> en moet hij belang hebben bij het verwijderen van de coniferenhaag, welk belang ontbreekt, aldus [eisers] .<footnote-ref linkend="_8a846923-2542-4fb1-a975-ba3d2acac7fd" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <parablock>
        <para>Bij vonnis van 30 maart 2016<footnote-ref linkend="_bb85a8af-cdd2-4685-a3dd-d653c26cc9d9" /> heeft de rechtbank Limburg geoordeeld dat de strook grond gelegen tussen de kadastrale erfgrens en het midden van de coniferenhaag door verjaring op de voet van art. 3:105 BW eigendom is geworden van [eisers] (rov. 4.1.3.1 e.v.), hetgeen betekent dat de coniferenhaag op de juridische erfgrens staat en mandelig is (art. 5:62 BW), zodat geen sprake is van een onrechtmatige toestand. Daarom is de vordering sub (I) tot verwijdering van de coniferenhaag afgewezen (rov. 4.1.3.6). </para>
        <para>De vordering tot het voor gezamenlijke rekening oprichten van een mandelige scheidsmuur moet volgens de rechtbank in wezen worden opgevat als een vordering tot “vernieuwing” – i.c. neerkomende op vervanging – van de aanwezige mandelige coniferenhaag (art. 5:65 BW). Nu [verweerder] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft gesteld voor het oordeel dat vervanging van de coniferenhaag objectief noodzakelijk is, heeft de rechtbank ook de vordering sub (II) afgewezen (rov. 4.2.3). </para>
        <para>Gelet op de afwijzing van de vorderingen sub (I) en (II) heeft de rechtbank de vordering sub (III) eveneens afgewezen (rov. 4.3.3). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verweerder] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen onder aanvoering van drie grieven. Hij heeft zich in hoger beroep neergelegd bij het oordeel van de rechtbank over de verkrijgende verjaring en opgemerkt dat de coniferenhaag als gevolg daarvan op de juridische erfgrens staat. Na wijziging en vermindering van eis (MvG onder 8-10) heeft hij gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [eisers] – onder meer en voor zover in cassatie van belang – te veroordelen:</para>
        <para>(I) <emphasis role="italic">primair</emphasis> de coniferenhaag van de juridische erfgrens te verwijderen, althans deze terug te plaatsen tot op een afstand van minimaal 2 meter van die erfgrens, op straffe van een dwangsom, althans <emphasis role="italic">subsidiair</emphasis> te gehengen en te gedogen dat [verweerder] de coniferenhaag zelf verwijdert voor rekening van [eisers] ;</para>
        <para>(II) medewerking te verlenen aan het voor gezamenlijke rekening van partijen oprichten van een mandelige scheidsmuur van 2 meter hoog op de juridische erfgrens, dat wil zeggen zoals deze door verjaring is ontstaan, op straffe van een dwangsom.<footnote-ref linkend="_7422c5c9-f98a-43ed-ad0d-ef653395ec69" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>
        [eisers] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8</nr>
      <parablock>
        <para>Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest van 20 februari 2018<footnote-ref linkend="_5c482777-b837-472f-8322-5197bdc20fb0" /> heeft het hof <?linebreak?>’s-Hertogenbosch het vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eisers] – voor zover in cassatie van belang – veroordeeld:</para>
        <para>	–  binnen 30 dagen na betekening van het arrest zijn medewerking te verlenen aan het voor gezamenlijke rekening van partijen:</para>
        <para>	(i) verwijderen van de coniferenhaag, althans het terugplaatsen van de coniferenhaag tot op een afstand van minimaal twee meter van de erfgrens;</para>
        <para>	(ii) (doen) oprichten van een mandelige scheidsmuur van twee meter hoog op de juridische erfgrens  tussen de percelen van partijen;</para>
        <para>	beide veroordelingen op straffe van een dwangsom; </para>
        <para>–  € 495 aan [verweerder] te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;</para>
        <para>alles met afwijzing van het meer of anders gevorderde.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof heeft daartoe, samengevat, als volgt overwogen.</para>
        <para>		De grieven komen neer op de stellingen dat de coniferenhaag niet kan worden aangemerkt als scheidsmuur en dat [verweerder] gerechtigd is te verlangen dat een scheidsmuur op de erfgrens wordt gebouwd (rov. 3.4).</para>
        <para>		Uit de door het hof aangehaalde parlementaire geschiedenis kan niet worden afgeleid dat een beperking van de bevoegdheid van art. 5:49 lid 1 BW is beoogd in het geval van mandelige beplanting die geruime tijd dienst heeft gedaan als erfscheiding. Uit art 5:48 BW en art. 5:49 lid 1 BW, bezien in het licht van de parlementaire geschiedenis, blijkt dat de rechten van de andere eigenaar uit hoofde van mandeligheid en meer in het algemeen als deelgenoot niet in de weg kunnen staan aan de uitoefening van de bevoegdheid medewerking te verlangen aan het oprichten van een scheidsmuur. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 5:65 BW kan geen bevoegdheid van een deelgenoot worden afgeleid om zich te verzetten tegen de wens van de andere deelgenoot om de mandelige zaak (beplanting) te verwijderen en een scheidsmuur op te richten. Onder ‘muur’ wordt verstaan iedere van een daartoe geschikte stof vervaardigde, ondoorzichtige afsluiting (art. 5:43 BW). In de parlementaire geschiedenis van art. 5:43 BW worden als voorbeeld van materiaal niet hagen, coniferen of andere beplanting genoemd. Verder is daarin het belang van de door de eigenaar van een perceel verlangde privacy genoemd (rov. 3.10).</para>
        <para>	De coniferenhaag is naar zijn aard niet ondoordringbaar, niet afgesloten en niet ondoorzichtig. Daarom kan de coniferenhaag niet worden aangemerkt als scheidsmuur in de zin van art. 5:43 BW (rov. 3.11). </para>
        <para>	Gelet op hetgeen in rov. 3.10 en 3.11 is overwogen, mag [verweerder] verlangen dat de coniferenhaag wordt verwijderd of verplaatst en dat een scheidsmuur op de erfgrens wordt gebouwd (art. 5:49 lid 1 BW). Niet vereist is dat [verweerder] een bepaald bijzonder belang heeft (rov. 3.12).</para>
        <para>	Het beroep van [eisers] op misbruik van bevoegdheid faalt. Het beroep van [verweerder] op zijn bevoegdheid is in dit geval, ofschoon de rij coniferen al ruim 25 jaar in stand is gehouden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar (art. 6:2 en art. 3:166 lid 3 BW) (rov. 3.14).</para>
        <para>	 	De coniferenhaag is gezamenlijk – mandelig – eigendom. [verweerder] kan echter toch verlangen dat een scheidsmuur wordt gebouwd. Het debat van partijen over een vordering  tot vernieuwing van een mandelige zaak (art. 5:65 BW) doet dan ook niet ter zake, evenmin als het antwoord op de vraag of sprake is van een onrechtmatige toestand waarvan opheffing kan worden gevorderd (rov. 3.15). </para>
        <para>	De grensreconstructie is in redelijkheid nodig geweest voor een goede beoordeling van de zaak en de kosten daarvan zijn redelijk, zodat de vordering tot betaling van € 495 zal worden toegewezen (rov. 3.16).</para>
        <para>	De conclusie is dat de vorderingen van [verweerder] alsnog moeten worden toegewezen, met dien verstande dat de kosten ook wat betreft het verwijderen of terugplaatsen van de coniferenhaag, die op de erfgrens staat en partijen gezamenlijk toebehoort, voor gezamenlijke rekening van partijen komen (rov. 3.17). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.10</nr>
      <para>
        [eisers] heeft van het arrest van 20 februari 2018 bij procesinleiding van 17 mei 2018 (tijdig) cassatieberoep ingesteld onder aanvoering van twee middelonderdelen. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van onderdeel 1 en zich ten aanzien van middelonderdeel 2 gerefereerd aan het oordeel van uw Raad. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. [eisers] heeft gerepliceerd, [verweerder] heeft gedupliceerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Bespreking van het cassatiemiddel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel omvat twee onderdelen. Onderdeel 1 komt op tegen de beslissing dat [eisers] zijn medewerking moet verlenen aan het voor gezamenlijke rekening verwijderen van de coniferenhaag en het oprichten van een mandelige scheidsmuur.  Onderdeel 2 keert zich tegen de veroordeling van [eisers] tot betaling van € 495 ter zake de uitgevoerde grensreconstructie. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 1: de vordering tot verwijdering haag en plaatsing muur</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.2.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Onderdeel 1</emphasis> klaagt dat het hof in rov. 3.10-3.12 jo. rov. 3.15 heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat [verweerder] – op een aantal in het onderdeel genoemde gronden – van [eisers] kan verlangen dat (hij eraan meewerkt dat) de mandelige coniferenhaag van de erfgrens wordt verwijderd of wordt verplaatst en dat op de plaats van de mandelige coniferenhaag een mandelige scheidsmuur wordt gebouwd, ongeacht of [verweerder] bij dat verlangen een bijzonder belang heeft (rov. 3.12). </para>
          <para>Genoemde gronden zijn dat:</para>
          <para>(i) een mandelige coniferenhaag niet kan worden aangemerkt als een mandelige scheidsmuur in de zin van art. 5:43 BW (rov. 3.11);</para>
          <para>(ii) de wetgever de bevoegdheid van de eigenaar om zijn erf af te sluiten voorop heeft gesteld en in algemene termen heeft vastgelegd in art. 5:48 BW, en daarvan melding heeft gemaakt bij de behandeling van art. 5:49 lid 1 BW (rov. 3.10);</para>
          <para>(iii) uit de parlementaire geschiedenis bij art. 5:49 BW niet kan worden afgeleid dat een beperking van deze bevoegdheid is beoogd in het geval waarin mandelige beplanting geruime tijd dienst heeft gedaan als erfscheiding (rov. 3.10);</para>
          <para>(iv) de rechten die de nabuur ter zake van deze mandelige beplanting heeft niet in de weg kunnen staan aan de uitoefening  van de bevoegdheid  om medewerking te verlangen aan het oprichten van een scheidsmuur op de erfgrens, respectievelijk dat uit de parlementaire geschiedenis van art. 5:65 BW geen bevoegdheid van de nabuur kan worden afgeleid  om zich te verzetten tegen de verwijdering van de mandelige zaak die geen muur in de zin van art. 5:43 BW is, opdat op de erfgrens een mandelige scheidsmuur kan worden opgericht (rov. 3.10), zodat het debat tussen partijen over een vordering tot vernieuwing van een mandelige zaak niet ter zake doet (rov. 3.15).</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2</nr>
        <parablock>
          <para>Daartoe wordt in het onderdeel aangevoerd dat (het hof heeft miskend dat) wanneer de vordering ex art. 5:49 lid 1 BW wordt ingesteld terwijl op de grens tussen de twee erven reeds een mandelige afscheiding staat, die omstandigheid bij de beoordeling van de vordering moet worden meegewogen. Omdat op de bestaande mandelige afscheiding de titels 3.7 en 5.5 BW van toepassing zijn, staat het feit dat niet is gebleken van de noodzaak tot vernieuwing van de bestaande afscheiding – gezien art. 3:170 BW en art. 5:65 BW – aan toewijzing van de vordering in de weg. In elk geval had het hof in de onderhavige situatie, gelet op het feit dat partijen, vanwege de toepasselijkheid van de titels 3.7 en 5.5 BW, tot elkaar staan in een door redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding (art. 3:166 lid 3 jo. art. 6:2 BW) en het feit dat op de erfgrens al ruim twintig jaar een mandelige erfafscheiding staat, moeten treden in een afweging (op voet van gelijkwaardigheid) van alle betrokken belangen, wat het hof heeft nagelaten. </para>
          <para>		Als het hof was uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, had het hof niet, althans niet zonder meer en in elk geval niet zonder een afweging (op voet van gelijkwaardigheid) van alle betrokken belangen, voorrang kunnen geven aan [verweerder] bevoegdheid ex art. 5:49 BW, aldus de klacht.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de behandeling van de klachten stel ik voorop dat zich ten aanzien van het door [verweerder] gevorderde en de grondslag(en) daarvan gedurende het geding een zekere verschuiving aftekent. </para>
        <para>		Zoals blijkt uit het geschetste procesverloop (zie hiervoor onder 1.3), heeft [verweerder] – anders dan het middel lijkt te suggereren<footnote-ref linkend="_4dcac623-656f-4cec-9183-b0e68f00f87f" /> – in eerste aanleg <emphasis role="italic">twee</emphasis> afzonderlijke vorderingen ingesteld (tot (I) verwijdering van de coniferenhaag en (II) het oprichten van een scheidsmuur), die hij óók voor het geval van verkrijgende verjaring – waarin de coniferenhaag <emphasis role="italic">op</emphasis> de erfgrens blijkt te staan – elk heeft gebaseerd op een <emphasis role="italic">eigen</emphasis> grondslag: art. 5:42 BW (onrechtmatige aanwezigheid van de haag op de erfgrens)<footnote-ref linkend="_033eb86c-0e0a-4f38-a303-ae2a04c1e7a3" /> respectievelijk art. 5:49 BW (verplichting tot meewerken aan het oprichten van een scheidsmuur)<footnote-ref linkend="_5d6a025d-1594-4699-8503-e6d303fbe0eb" />. Nadat de rechtbank elk van deze grondslagen had verworpen en elk van de vorderingen had afgewezen (zie hiervoor onder 1.5), heeft [verweerder] in hoger beroep genoemde twee afzonderlijke vorderingen en de eerder daartoe aangevoerde afzonderlijke grondslagen gehandhaafd.<footnote-ref linkend="_496de392-65bf-4fad-82ce-a8518ce3aba8" /></para>
        <para>		Het hof heeft de grieven aldus samengevat<footnote-ref linkend="_cf465923-af43-40c7-ae3e-2d1465975d96" /> dat deze neerkomen op de stellingen (i) dat de coniferenhaag niet kan worden aangemerkt als scheidsmuur en (ii) dat [verweerder] gerechtigd is te verlangen dat een scheidsmuur op de erfgrens wordt gebouwd (rov. 3.4). Daarop heeft het hof <emphasis role="italic">zowel</emphasis> de vordering sub (I) tot verwijdering van de coniferenhaag <emphasis role="italic">als</emphasis> de vordering sub (II) tot oprichting van de scheidsmuur toegewezen op grond van <emphasis role="italic">art. 5:49 BW</emphasis> (rov. 3.12). Dat het hof daarbij de (toewijzing van de vordering tot) verwijdering van de coniferenhaag kennelijk ziet als een noodzakelijk <emphasis role="italic">sequeel</emphasis> van de (toewijzing van de vordering tot) oprichting van een scheidsmuur vindt steun in de beslissing dat ook de kosten van het verwijderen van de coniferenhaag voor gezamenlijke rekening komen (rov. 3.17). Het hof heeft de vraag of de aanwezigheid van de coniferenhaag op de erfgrens onrechtmatig is op grond van art. 5:42 BW als niet relevant bestempeld (rov. 3.15). [verweerder] heeft daartegen geen (voorwaardelijk) incidenteel cassatiemiddel geformuleerd.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Daarmee staat de kwestie in cassatie dus geheel in de sleutel van art. 5:49 BW. Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat het hof zowel de gevorderde verwijdering van de coniferenhaag als de gevorderde oprichting van de scheidsmuur heeft toegewezen op grond van art. 5:49 BW. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <parablock>
        <para>In cassatie zijn niet bestreden de oordelen:</para>
        <para>	(i) dat de mandelige coniferenhaag niet kwalificeert als scheidsmuur in de zin van art. 5:43 BW (rov. 3.11)<footnote-ref linkend="_0f561eac-0767-4d0a-b147-cfb874434f25" />;</para>
        <para>	(ii) dat [verweerder] geen misbruik van bevoegdheid maakt (art. 3:13 lid 2 BW); en</para>
        <para>	(iii) dat diens beroep op zijn bevoegdheid in dit geval, ofschoon de coniferenhaag al ruim 25 jaar in stand is gehouden, niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 3:166 lid 3 jo. 6:2 lid 2 BW) (rov. 3.13-3.14).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Onderdeel 1 stelt naar de kern genomen dan ook de vraag aan de orde of art. 5:49 lid 1 BW (afgezien van misbruik van bevoegdheid of een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar beroep) onverkort van toepassing in ieder geval waarin een scheidsmuur in de zin van die bepaling ontbreekt<footnote-ref linkend="_76110244-6f25-4f50-9674-beb9e14d5372" /> – dus ook indien wel een erfscheiding aanwezig is maar deze niet als scheidsmuur kwalificeert –, of dat de bevoegdheid tot het vorderen van medewerking aan het oprichten van een scheidsmuur op de voet van art. 5:49 lid 1 BW mede wordt bepaald (beperkt) door de eventuele aanwezigheid van een bestaande, zij het niet als scheidsmuur kwalificerende mandelige erfscheiding. Dit roept onder meer de vraag op hoe de bepaling van art. 5:49 lid 1 BW zich verhoudt tot de bepalingen betreffende mandeligheid en gemeenschap.  Daartoe volgt hier eerst een schets van het juridisch kader. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Juridisch kader – art 5:48 BW: recht op afsluiting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Art. 5:49 lid 1 BW wordt voorafgegaan door de bepaling van art. 5:48 BW, luidende : </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">De eigenaar van een erf is bevoegd dit af te sluiten</emphasis>.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze bevoegdheid ligt reeds in het eigendomsrecht besloten.<footnote-ref linkend="_f9810c8c-ce8b-4c5a-b077-64140798ca32" /> Opneming van deze bepaling heeft met name tot gevolg dat lagere wetgevers deze bevoegdheid niet mogen ontnemen.<footnote-ref linkend="_fac80dd6-259e-40bd-b141-c7982cba68aa" /> Het gaat hier om de oprichting van een erfafscheiding op het <emphasis role="italic">eigen erf</emphasis> en op <emphasis role="italic">eigen kosten</emphasis>.<footnote-ref linkend="_fcb55af3-201a-465a-8445-b89f0509cc2c" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Art. 5:49 BW: oprichting scheidsmuur </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.8.1</nr>
        <para>Tegen deze achtergrond wordt vervolgens in art. 5:49 lid 1 BW bepaald:</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>“<emphasis role="italic">Ieder der eigenaars van aangrenzende erven in een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente kan te allen tijde vorderen dat de andere eigenaar ertoe meewerkt, dat op de grens van de erven een scheidsmuur van twee meter hoogte wordt opgericht, voor zover een verordening of een plaatselijke gewoonte de wijze of de hoogte der afscheiding niet anders regelt. De eigenaars dragen in de kosten van de afscheiding voor gelijke delen bij</emphasis>.”</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Het gaat hierbij dus, anders dan bij afsluiting op grond van art. 5:48 BW, om de oprichting van een erfscheiding <emphasis role="italic">op de erfgrens</emphasis> en op <emphasis role="italic">gezamenlijke kosten</emphasis>, waarbij de verlangde erfscheiding – behoudens andersluidende verordening of plaatselijke gewoonte – kan bestaan in een <emphasis role="italic">scheidsmuur van twee meter hoogte</emphasis>.<footnote-ref linkend="_dd3920e9-71dd-4e7c-9148-76c88718374b" /></para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.8.2</nr>
        <para>Volgens de toelichting wordt de verplichting tot medewerken en tot het bijdragen in de kosten van een scheidsmuur gerechtvaardigd door het belang van hem wiens medewerking wordt ingeroepen. Dit belang wordt geacht in een bebouwde kom groter te zijn dan daarbuiten, onverschillig of op het terrein reeds een huis staat of niet.<footnote-ref linkend="_22925f82-a6d2-4b40-ab81-66d6e8bc5752" /> De hoogte van twee meter houdt verband met de lengte die de mens gewoonlijk niet overschrijdt.<footnote-ref linkend="_0598b472-df43-4d26-820e-b56c0762e2bb" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.8.3</nr>
        <para>In de literatuur wordt de ratio van erfafscheiding in de bebouwde kom – waar de erven in het algemeen kleiner zijn en de woonfunctie overheerst – gezocht in de belangen van <emphasis role="italic">beide</emphasis> eigenaren, met name de behoefte aan <emphasis role="italic">privacy</emphasis> en het voorkomen van inbraak.<footnote-ref linkend="_27ba6dca-3c85-407a-9c09-273b1bf7b422" /> Betoogd wordt dat in gevallen van twijfel omtrent de vraag of sprake is van een ‘aaneengebouwd gedeelte’ van gewicht zal zijn of het belang van privacybescherming onder de gegeven omstandigheden toepassing van het artikel vordert.<footnote-ref linkend="_8423a6d5-0ff2-4fb2-8448-f472195df4d2" /> Soms wordt de aanleiding voor de aparte regeling van art. 5:49 BW voor eigenaren in een aaneengebouwd gedeelte van de gemeente gezocht in het voorkomen van verspilling van grond.<footnote-ref linkend="_b1e34163-17d0-412d-b423-bfb7b53991db" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.8.4</nr>
        <para>Door de woorden “te allen tijde” wordt slechts tot uitdrukking gebracht dat de vordering tot medewerking aan het maken van een afsluiting niet door verjaring tenietgaat. <footnote-ref linkend="_e350b5a2-bf12-47a1-850e-e7f67198acaf" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.8.5</nr>
        <para>De scheidsmuur op de erfgrens is gemeenschappelijk eigendom en mandelig (art. 5:62 BW).<footnote-ref linkend="_b042a7a8-d500-4913-9c2f-2aa295aac2d9" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.8.6</nr>
        <para>Volgens de wetgever beantwoordt art. 5:49 BW in hoofdzaak aan art. 690 BW (oud).<footnote-ref linkend="_2dac1e36-76da-4f93-96e1-8b25ca54e5e1" /> Deze bepaling maakte deel uit van het burenrecht en bepaalde: </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>“<emphasis role="italic">-1 Een ieder kan in de steden en aaneengebouwde voorsteden en dorpen zijnen nabuur noodzaken om bij te dragen tot het maken of herstellen</emphasis><footnote-ref linkend="_000e858d-211a-4aa2-bf16-0b94c330d8e4" /><emphasis role="italic"> van afsluiting, dienende tot afscheiding van hunne huizen, opene plaatsen en tuinen.</emphasis></para>
          <para>
            <emphasis role="italic">-2 De wijze en de hoogte der afsluiting zullen geregeld worden volgens de bijzondere verordeningen en plaatselijke gebruiken.</emphasis>”,</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>waarna het daarop volgende art. 691 BW (oud) bepaalde:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>“<emphasis role="italic">Elk der naburen mag te zijnen koste in de plaats van eene gemeene heining eene gemeenen muur zetten, maar geenszins eene heining in plaats van eenen muur</emphasis>.” </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Deze twee artikelen vormden aanvankelijk één drieledig artikel.<footnote-ref linkend="_b84e3bcf-a83d-49d8-a83c-cd347a29c926" /> Op grond van art. 690 BW (oud) zou in ieder geval de oprichting van een muur, heining, hekwerk of dergelijke geconstrueerde afscheiding kunnen worden verlangd.<footnote-ref linkend="_4cfb438e-0cb6-48ad-b467-f700227ee6e8" /> Daarnaast wordt ook de oprichting van een heg genoemd.<footnote-ref linkend="_7caafba9-711b-413e-a7e3-5ed6e3720e6f" /> In art. 690 BW (oud) werd gelezen dat toestemming van de buurman vereist is en dat in geval van weigering eerst een uitspraak van de rechter moet worden gevraagd vooraleer tot de werkzaamheden wordt overgegaan.<footnote-ref linkend="_2781f0f4-879b-4f59-9c11-a0acae7385ce" /> De vordering zou ontvankelijk zijn, al bestaat er een – niet op de grens geplaatste – afscheiding.<footnote-ref linkend="_a6e56afd-c461-4766-b479-01c2e3706a4a" /> In art. 691 BW (oud) werd gelezen dat men de afscheiding eenzijdig mag <emphasis role="italic">verbeteren</emphasis>, maar niet eenzijdig de soliditeit ervan mag verminderen.<footnote-ref linkend="_22d22424-b022-4c9e-b93d-765e00e56af4" /> Ook in dit verband werd het redelijk geacht dat de andere buur, al behoeft hij niet te betalen, bij de vervanging van bijvoorbeeld een schutting door een muur mag meepraten over de wijze waarop de vervanging zal geschieden.<footnote-ref linkend="_14d84bae-f92c-4d57-a451-fd4b4d521997" /></para>
          <para>Naar de letter van art. 698 BW (oud) waren de artikelen 681 t/m 697 BW(oud) – waaronder dus de artikelen 690 en 691 BW (oud) – toepasselijk op iedere afsluiting van hout, dienende tot scheiding tussen gebouwen, open plaatsen en tuinen. De bepaling werd echter aldus uitgelegd dat de voor gemene <emphasis role="italic">muren</emphasis> gegeven regels ook golden voor houten afsluitingen tevens dienende tot afscheiding.<footnote-ref linkend="_3a10fe27-4676-4ecf-81e1-4fabd7b0e9b7" /> Te denken valt aan bepalingen zoals betreffende reparatie, gebruik e.d.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Art. 5:43 BW: het begrip ‘muur’</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.9.1</nr>
        <para>Voor het begrip ‘scheidsmuur’ als bedoeld in art. 5:49 lid 1 BW wordt verwezen naar art. 5:43 BW.<footnote-ref linkend="_e180cf53-005c-4e4e-934a-2fbc0a588286" /> Dit bepaalt: </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>“<emphasis role="italic">Onder muur wordt in deze en de volgende titel verstaan iedere van steen, hout of andere daartoe geschikte stof vervaardigde, ondoorzichtige afsluiting</emphasis>.” </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.9.2</nr>
        <para>Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de vaste commissie het opnemen van een definitie ongewenst achtte.<footnote-ref linkend="_b1e480d7-3066-435a-a886-de5f01feb3e9" /> De minister antwoordde daarop echter: </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">"In tegenstelling tot de Commissie acht de ondergetekende het wenselijk om de in dit artikel vervatte omschrijving van wat in deze en de volgende titel onder “muur” wordt verstaan te behouden. Zij verduidelijkt wat is bedoeld en tegen de bepaling bestaat ook geen bezwaar, zolang de rechter niet onnodig aan banden gelegd wordt. De ondergetekende meent dat het artikel dit ook niet doet, zeker niet nu in het gewijzigd ontwerp nog een verruiming is aangebracht in dier voege dat “of andere bouwstof” is vervangen door: of andere daartoe geschikte stof. Bij dit laatste valt met name te denken aan bepaalde soorten plastic, matglas of versterkte rietmatten, waarvan men wellicht kan betwijfelen of zij als “bouwstoffen” beschouwd zouden kunnen worden. (…)"</emphasis>
            <footnote-ref linkend="_82424a79-a62a-4b25-afa6-407f66c5e047" />
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.9.3</nr>
        <para>Op de vraag waarom de in art. 5:43 BW genoemde afsluiting <emphasis role="italic">ondoorzichtig</emphasis> moet zijn en of een muur van open sierbeton-stenen geen muur is in de zin van dit artikel<footnote-ref linkend="_a9e55b7d-b5ad-4d1c-9109-6b17f727df43" /> antwoordde de minister:</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">"Of een zodanige muur daar </emphasis>[waar erven niet bebouwd zijn, A-G] <emphasis role="italic">geoorloofd is, zal in de eerste plaats afhangen van de plaatselijke gewoonte. (…) Wat achtertuinen betreft, ook hier kan uit de plaatselijke gewoonte voortvloeien dat een doorzichtige muur toelaatbaar is. Ook kan dit volgen uit een gemeenteverordening. Maar artikel 5.4.11 </emphasis>[thans art. 5:49, A-G] <emphasis role="italic">gaat ervan uit dat bij gebreke van een dergelijk aanknopingspunt de eigenaar van een perceel binnen de bebouwde kom niet moet kunnen worden gedwongen mee te werken aan en in de kosten bij te dragen van een muur die hem niet de privacy geeft die hij verlangt, en dat hij vrij moet zijn door zijn buurman bekostigde doorzichtige muur aan zijn eigen zijde ondoorzichtig te maken</emphasis>."<footnote-ref linkend="_7f8aedbb-45c4-4dec-8b3c-7c548c8715e7" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Ook in de literatuur wordt ondoorzichtigheid in het algemeen als een essentieel kenmerk voor een muur aangemerkt.<footnote-ref linkend="_ca19e79f-5e64-46c5-9a5e-21d13b44e546" /> Incidenteel wordt bepleit dat daaronder ook voortdurend ondoorzichtige beplanting moet worden begrepen, hetgeen – teneinde onduidelijkheid te vermijden – aan de tekst van de wet zou moeten worden toegevoegd.<footnote-ref linkend="_7c72f8f3-d76b-4cb6-a34f-d45136b24a41" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Verhouding artikelen 5:48 en 5:49 BW; wijze van afscheiding</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <parablock>
        <para>Aan de parlementaire geschiedenis bij art. 5:49 BW kan over de verhouding tussen de artikelen 5:48 en 5:49 BW en over de wijze van afscheiding (muren en/of heggen) het volgende worden ontleend. </para>
        <para>In het Voorlopig verslag bij art. 5:49 BW (5.4.11 ontwerp) is door de vaste commissie het volgende opgemerkt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Er is de aandacht op gevestigd, dat moderne stedebouwkundige opvattingen steeds meer waarde gaan hechten aan een open aspect van de bij de bebouwing horende terreinen. (…) In de nieuwe wijken worden erfscheidingen van twee meter hoogte  systematisch geweerd, terwijl (…) ook in de binnensteden wordt gestreefd naar minder benauwdheid en beslotenheid. Het is dan ook de vraag, of men met het ontworpen artikel 11 wel op de goede weg is. Er is trouwens een toenemend gebruik van hagen in stede van muren; in ieder geval zouden dus scheidingshagen moeten worden vermeld. Een muur van twee meter hoogte is ook in financieel opzicht een niet geringe eis, die lang niet iedere eigenaar zal conveniëren. Te overwegen valt, in het eerste lid in stede van een twee meter hoge muur voor te schrijven “een erfscheiding, welke voldoet aan de plaatselijke verordeningen of gebruiken en welke in geen geval hoger is dan twee meter”.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het onderhavig artikel is, naar het gevoelen van de commissie, op een punt minder duidelijk dan het huidig artikel 690 B.W.</emphasis>[<footnote-ref linkend="_0acb5a7e-d757-4d3e-ba7a-fb7019b6e7ba" />]<emphasis role="italic"> Artikel 11 verplicht naburige eigenaren tot het medewerken aan en bijdragen tot het oprichten van een scheidsmuur. Een muur kan echter (volgens artikel 5.4.5 </emphasis>[thans art. 5:43, A-G]<emphasis role="italic">) vervaardigd zijn uit steen, hout of een andere ondoorzichtig materiaal. Er kan nu twist ontstaan tussen de eigenaren van aangrenzende erven, hoe de muur zal worden uitgevoerd. Hoe moet nu zulk een geschil worden beslecht? In het systeem van artikel 690 B.W. is een uitweg gegeven uit deze moeilijkheid, doordien, volgens het tweede lid, de wijze der afsluiting wordt geregeld “volgens de bijzondere verordeningen en plaatselijke gebruiken.</emphasis>”<footnote-ref linkend="_7eb24560-e3c3-4bc8-a508-3e228a4c36d1" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De minister heeft hierop geantwoord:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“De ondergetekende wil naar aanleiding van dit een en ander voorop stellen dat de eigenaar van een erf zowel naar huidig recht (artikel 679 B.W.) als in het ontwerp (artikel 5.4.10 </emphasis>[thans art. 5:48, A-G]<emphasis role="italic">) bevoegd is zijn erf af te sluiten. Deze bevoegdheid kan hem niet worden ontnomen door een verordening van de lagere wetgever (...). Dit sluit echter niet in dat de lagere wetgever niet de bevoegdheid van de eigenaren tot afsluiting zou kunnen beperken b.v. door voorschriften omtrent de hoogte van de afscheiding en omtrent het materiaal waarvan deze vervaardigd moet zijn. Aan deze beperkingen stellen de voormelde artikelen geen andere limiet dan dat hetgeen de verordening nog aan afscheidingsmogelijkheden toelaat, als een redelijkerwijs uitvoerbare en dienstige “afsluiting” kan worden aangemerkt.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Naast de bevoegdheid van iedere eigenaar zijn eigen erf zelf af te sluiten, staat de bevoegdheid die artikel 5.4.11 toekent aan eigenaars van aangrenzende erven in een aaneengebouwd gedeelte van de gemeente om te vorderen dat de andere eigenaar meewerkt aan de oprichting van een gemeenschappelijke afscheiding op de grens van beide erven, in dier voege dat beide in de kosten voor gelijke delen bijdragen. Deze bevoegdheid is in het huidige recht te vinden in artikel 690 B.W. Voor de hoogte en het materiaal van de gemeenschappelijke afscheiding zijn plaatselijke gewoonten en verordeningen beslissend. Artikel 5.4.11 voegt daaraan slechts toe dat, wanneer zowel een verordening als een gewoonte ontbreekt, medewerking gevorderd kan worden aan de oprichting van een scheidsmuur van twee meter hoogte.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De ondergetekende is het met de Commissie geheel eens dat de bevoegdheid van de eigenaars tot afsluiting van hun erf niet aan moderne stedebouwkundige ontwikkelingen in de weg mag staan. Hij meent evenwel dat het ontwerp op dit punt aan de gemeenten voldoende armslag geeft. In de eerste plaats kunnen zij immers zowel omtrent de wijze van afscheiding als omtrent de hoogte  voorschriften geven  die in een zodanige ontwikkeling passen. Zo is een voorschrift dat afscheiding slechts door middel van (bepaalde soorten) heggen mag geschieden niet uitgesloten. (...) Een bepaling die ook nog mogelijk zou maken bij verordening iedere bevoegdheid tot afscheiding uit te sluiten, zou naar het oordeel van de ondergetekende te ver gaan.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat meer in het bijzonder betreft artikel 5.4.11, waarin de bevoegdheid van de lagere wetgever om de wijze en de hoogte van de afscheiding te regelen nog eens uitdrukkelijk naast het plaatselijk gebruik is vermeld, wijst de ondergetekende nog op het volgende. Tot medewerking aan welke gemeenschappelijke afscheiding de eigenaars van de aangrenzende erven verplicht zijn, zal zoals reeds werd opgemerkt, in de eerste plaats moeten worden beslist aan de hand van hetgeen de desbetreffende verordeningen en gewoonten bepalen. Ontbreekt zowel een verordening als een gewoonte op dit punt, dan zal het in geval van geschil de rechter zijn die vaststelt aan welke eisen de gemeenschappelijke afscheiding heeft te voldoen. De ondergetekende meent dat hem voor dit geval, dat zich naar zijn verwachting niet vaak zal voordoen, niet iedere richtlijn mag worden onthouden. Daarom heeft hij gemeend de regel te moeten handhaven, dat de afscheiding dan heeft te bestaan uit een scheidsmuur van twee meter hoogte. Wel verdient in dit verband aandacht dat de omschrijving van het begrip muur in artikel 5.4.5 van het gewijzigd ontwerp is verruimd (...). Deze verruiming kan ertoe bijdragen om in de gevallen dat daaraan behoefte bestaat, een oplossing te kiezen die ook met de financiële draagkracht van de eigenaars zoveel mogelijk rekening houdt.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uit het bovenstaande vloeit tevens een antwoord voort op de vraag, gesteld in de laatste alinea van het voorlopig verslag bij dit artikel: ook in geval van geschil over het materiaal waaruit de muur zal moeten bestaan, beslist de rechter. De uitweg die het huidige artikel 690 lid 2 B.W. lijkt te geven is slechts een schijnbare: een geschil als hier bedoeld kan zich nu juist alleen voordoen, wanneer op dit punt noch een verordening, noch een plaatselijk gebruik uitsluitsel geeft.”</emphasis>
          <footnote-ref linkend="_83e3eb1c-738c-4ee7-8075-72e7288a4024" />
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hieruit valt af te leiden dat gemeentelijke verordening en gewoonte beslissend zijn voor aard en hoogte van de afscheiding. Indien een verordening heggen als afscheiding voorschrijft, kan men zijn buurman dwingen op gemeenschappelijke kosten die ‘scheidsheg’ aan te brengen.<footnote-ref linkend="_9d287bad-9340-497f-84c4-f723cbd775a4" /> Indien genoemde aanknopingspunten ontbreken, geldt de regel dat de afscheiding dient te bestaan uit een scheidsmuur van twee meter hoogte. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Mandeligheid 	</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <para>Een heg die zich bevindt op de grens tussen twee erven die aan verschillende eigenaars toebehoren, is gemeenschappelijk eigendom en mandelig (art. 5:62 BW).<footnote-ref linkend="_e47da74a-fdcf-402a-bdf5-dbadc8a05864" /> Het is onverschillig wie de heg daar heeft laten zetten en op wiens kosten dit is gebeurd.<footnote-ref linkend="_f1ca6e02-e750-4351-b34e-855fb261e4ab" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12</nr>
      <para>Mandeligheid is een bijzondere vorm van gemeenschap waarop de regels van titel 7 van Boek 3 (‘Gemeenschap’) van toepassing zijn, voor zover  titel 5.5 geen afwijkende bepalingen bevat.<footnote-ref linkend="_3e94f16e-c870-485d-91d6-83ffd7f2f068" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13</nr>
      <para>Als deelgenoten in een (gebonden) gemeenschap dienen de eigenaren van de erven zich overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid te gedragen (art. 3:166 lid 3 jo. art. 6:2 BW).<footnote-ref linkend="_662ee283-b833-43d2-aeb7-4618a69f63d6" /> Verder moet over het beheer van een mandelige zaak in beginsel gemeenschappelijk worden beslist (art. 3:170 BW).<footnote-ref linkend="_ece84eb9-7f3f-4233-abbc-9270150e866f" /></para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.14.1</nr>
        <para>Art. 5:65 BW bepaalt:</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>“<emphasis role="italic">Mandelige zaken moeten op kosten van alle mede-eigenaars worden onderhouden, gereinigd en, indien nodig, vernieuwd</emphasis>.”</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>	Deze bepaling gaat verder dan hetgeen gewoonlijk bij gemeenschap geldt (art. 3:170 en 3:172 BW) voor zover de mede-eigenaar de andere mede-eigenaars kan dwingen om bij te dragen in de kosten van noodzakelijke <emphasis role="italic">vernieuwing</emphasis>.<footnote-ref linkend="_e8368f03-1cda-4916-9563-b2856121888c" /> Een beheersregeling kan anders bepalen (art. 5:69 BW).<footnote-ref linkend="_b5449b9d-f96f-4efd-8916-317c54a67cb4" /></para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.14.2</nr>
        <para>Het antwoord op de vraag wanneer sprake is van een ‘noodzakelijke’ vernieuwing, hangt af van de omstandigheden van het geval. Het gaat hierbij om een objectief begrip;  de enkele wens van een der partijen tot vernieuwing is niet voldoende.<footnote-ref linkend="_a2c8f08f-dd6a-4094-8a6f-46cd555bd266" /> Over het noodzakelijkheidsvereiste bestaat enige rechtspraak. <footnote-ref linkend="_445e1bae-3d58-4d8c-9ed4-163e57fd02bb" /> Aangenomen wordt dat noodzaak tot vernieuwing niet te snel moet worden aangenomen, met dien verstande dat deze terughoudendheid niet ertoe dwingt om aan te nemen dat pas sprake is van noodzakelijke vernieuwing indien deze geen uitstel kan lijden en onderling overleg niet kan worden afgewacht. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.14.3</nr>
        <para>Meer in het algemeen komt uit de rechtspraak omtrent vernieuwing naar voren dat het voeren van overleg een belangrijke factor vormt. Zo wordt bijvoorbeeld aangenomen dat het nalaten (voldoende) overleg te voeren gevolgen kan hebben voor de hoogte van de door de andere eigenaar te betalen bijdrage.<footnote-ref linkend="_b176c4ef-8e6a-4c9e-b197-c758bcd5b172" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.14.4</nr>
        <para>Art. 5:65 BW beantwoordt aan art. 704 BW (oud).<footnote-ref linkend="_612085c2-510f-44b7-b516-ccb575114c0b" /> De regel van art. 5:65 BW wordt ook afgeleid uit (onder meer) art. 711 BW (oud).<footnote-ref linkend="_43eb5376-5faf-4d8f-8d18-c5315adeccd9" /></para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15</nr>
      <para>Na deze schets van het juridisch kader ga ik over tot de bespreking van de klachten van onderdeel 1.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bespreking van de klachten van onderdeel 1</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16</nr>
      <para>Verweerder in cassatie [verweerder] voert als meest verstrekkend <emphasis role="underline">verweer</emphasis> aan dat de stelling van [eisers] – die hij samenvat als de stelling dat indien op de erfgrens reeds een mandelige afscheiding staat die niet als scheidsmuur kwalificeert, de bevoegdheid van art. 5:49 BW afhankelijk is van een (volle) belangenafweging – berust op een <emphasis role="italic">ontoelaatbaar novum</emphasis> in cassatie (s.t. onder 3.3-3.7 i.v.m. 1.1). Daartoe wordt aangevoerd dat in feitelijke instanties het verweer van [eisers] juist steeds is geweest dat de coniferenhaag <emphasis role="italic">wel</emphasis> als scheidsmuur kwalificeert, dat de vordering van [verweerder] dus moet worden aangemerkt als een vordering tot vernieuwing, in welk verband [verweerder] een bijzondere noodzaak moest stellen en bewijzen, hetgeen hij heeft nagelaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17</nr>
      <parablock>
        <para>Ik meen dat dit verweer niet opgaat. Op zich is juist dat [eisers] in hoger beroep zijn verweer (mede) heeft gestoeld op de (door [verweerder] bestreden) stelling dat de coniferenhaag kwalificeert als mandelige scheidsmuur in de zin van art. 5:49 BW, zodat sprake is van vernieuwing van een bestaande scheidsmuur ex art. 5:65 BW en derhalve een objectieve noodzaak aannemelijk moet worden gemaakt.<footnote-ref linkend="_5ed2319b-7762-45ee-afb6-ac0769720253" /></para>
        <para>
          [eisers] heeft zich echter <emphasis role="italic">tevens</emphasis> op het standpunt gesteld dat de coniferenhaag mandelig is en [verweerder] een belang moet hebben om de meer dan 20 jaar onderhouden en in zeer goede staat verkerende haag nu opeens te verwijderen, welk belang [eisers] ontgaat, terwijl (ook) [eisers] belang heeft bij het handhaven van de niet doorzichtige en robuuste coniferenhaag<footnote-ref linkend="_68380799-8147-4f7b-b141-e0edbf8b46bc" />, dat [eisers] de langjarig aanwezige coniferenhaag wil handhaven en dat deze als een adequate scheidsmuur fungeert<footnote-ref linkend="_0d2d2e98-b7cd-4877-87de-61594952079e" />, respectievelijk dat de huidige coniferenhaag de functie van scheidsmuur heeft en de belangen van beide kaveleigenaren waarborgt.<footnote-ref linkend="_64d86a8e-3bc9-487b-9d75-cb7e273da2b5" /> Bovendien heeft [verweerder] zich in appel op het standpunt gesteld dat blijkens de parlementaire geschiedenis men geen bijzonder belang hoeft te hebben om aanspraak te kunnen maken op een gemeenschappelijke scheidsmuur en dat de rechtbank de vordering ex art. 5:49 BW zonder meer had moeten toewijzen <footnote-ref linkend="_04702b05-51ff-41dc-8abe-d322721e26e5" />, hetgeen [eisers] vervolgens heeft bestreden met de stelling dat art. 5:49 BW alleen van toepassing is indien er (nog) geen scheidsmuur aanwezig is.<footnote-ref linkend="_df4b1a9f-eb16-46be-895a-fd57e3da22c9" /></para>
        <para>		In het licht van dit partijdebat is niet onbegrijpelijk dat het hof niet alleen een geschil heeft gelezen omtrent de vraag of de coniferenhaag als scheidsmuur in de zin van art. 5:49 BW kwalificeert (rov. 3.11), maar tevens een geschil heeft aangetroffen omtrent de vraag of een <emphasis role="italic">beperking</emphasis> van de bevoegdheid ex art 5:49 BW is beoogd in het geval van beplanting die geruime tijd dienst heeft gedaan als erfscheiding, al of niet in verband met het <emphasis role="italic">mandelige</emphasis> karakter daarvan (rov. 3.10) en of art. 5:49 BW een bepaald bijzonder <emphasis role="italic">belang</emphasis> vereist (rov. 3.11). [verweerder] heeft op dit punt ook geen (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. </para>
        <para>		Het oordeel van het hof ter zake wordt in cassatie (onder meer) bestreden met de stelling dat bij de beoordeling van een vordering ex art. 5:49 BW het mandelige karakter van een reeds aanwezige coniferenhaag noopt tot een afweging van alle betrokken belangen (p.i. p. 4). Dat daaraan thans een juridische grondslag wordt toegevoegd (art. 3:166 lid 3 jo. art. 6:2 lid 1 BW), neemt niet weg dat die stelling, zo zij niet reeds neerkomt op een herhaling van een stelling in feitelijke instanties, toch in ieder geval voldoende aanknoping vindt in feitelijke instanties.    </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18</nr>
      <para>Wat betreft de <emphasis role="underline">klachten</emphasis> valt naar mijn mening, anders dan in het middel (p.i. onder 8) en in de s.t. (onder 4 e.v.) wordt betoogd, noch uit (de omzetting van) het oude recht (art. 690 en 691 BW (oud)<footnote-ref linkend="_4c973db5-112d-4a31-b2b7-3c06616ab8f4" />) noch uit het systeem van de huidige wet (het standpunt van de wetgever over een muur van open stenen<footnote-ref linkend="_1294d94f-ccd3-40e8-b50d-08e4153b623e" />; de implicaties voor bevrijdende verjaring van de vordering ex art. 5:42 BW) af te leiden dat de eigenaar van een erf bij de uitoefening van zijn bevoegdheid ex art. 5:49 BW rekening moet houden met de omstandigheid dat op de erfgrens reeds een afscheiding staat. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19</nr>
      <para>Nu de bepaling van art. 5:49 BW, mede gelet op zijn plaats in de wet, een bijzondere toepassing behelst van het recht op afsluiting (art. 5:48 BW) en in de wetsgeschiedenis  geen enkele aandacht is besteed aan het geval dat zich op de erfgrens al enige vorm van afscheiding bevindt, meen ik (met [eisers] , p.i. p. 5) dat de wetgever bij art. 5:49 BW uitsluitend het geval voor ogen heeft gehad dat op de erfgrens nog geen enkele vorm van afscheiding aanwezig is. Naar mijn mening vallen uit de wetsgeschiedenis dan ook geen conclusies te trekken over hetgeen naar de bedoeling van de wetgever heeft te gelden wanneer een dergelijke afscheiding (niet zijnde een scheidsmuur als bedoeld in art. 5:49 BW) wel aanwezig is.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20</nr>
      <para>Rechtspraak en literatuur omtrent die vraag zijn, voor zover mij bekend, zeer schaars.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21</nr>
      <para>In de zaak die leidde tot het vonnis van Rechtbank Rotterdam van 13 april 2016<footnote-ref linkend="_2334c183-1c23-4d12-b3ec-290f5ac2a698" /> werden de percelen van partijen gescheiden door een hekwerk van palen en rasterwek, begroeid met klimop. Eiser vorderde van gedaagde zijn medewerking te verlenen tot het oprichten van een ondoorzichtige schutting op de voet van art. 5:49 BW, daaronder begrepen verwijdering van het klimophekwerk. Gedaagde verzette zich op de grond dat de ratio van art. 5:49 BW is gelegen in de privacy en dat die privacy voldoende werd gewaarborgd door het aanwezige hekwerk met klimop. De rechtbank wees de vordering niet zonder meer toe, maar ging in op het privacy-verweer. Zij verwierp dit echter op de grond dat zich in het verleden incidenten hadden voorgedaan over de wijze van onderhoud, waarbij punt van discussie was of het hekwerk voldoende ondoorzichtig was en of voor het onderhoud het belendende perceel moest worden betreden. Nu er in deze omstandigheden niet vanuit kon worden gegaan dat de privacy van partijen voldoende was gewaarborgd door het hekwerk met klimop, werd de vordering tot medewerking van gedaagde aan de oprichting van een schutting toewijsbaar geoordeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.22</nr>
      <para>Van Velten stelt zich op het standpunt dat een beroep op art. 5:49 BW niet mogelijk is indien er reeds een gemeenschappelijke heg staat, omdat dit een mandelige zaak betreft (art. 5:62 BW) waarover beide buren tezamen moeten beslissen. <footnote-ref linkend="_a8ed7ebc-87e2-4aef-8450-68191b81e83b" /> Hij verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Kantonrechter Zaandam. Deze overwoog dat een op art. 5:49 BW gebaseerde vordering tot een bijdrage in de kosten van een geplaatste schutting een reële kans van slagen zou hebben gehad, ware het niet dat sprake was van eigenrichting (door sloop van de aanwezige heg en plaatsing van de schutting tegen de uitdrukkelijke wil van de buurman) en de bestaande heg gemeenschappelijk was. <footnote-ref linkend="_73f89cf5-4652-4f0b-ad56-52dc1ad2e4e0" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.23</nr>
      <para>Met [eisers] meen ik dat indien zich ten tijde van het instellen van een vordering op de voet van art. 5:49 BW op de erfgrens reeds een mandelige erfscheiding bevindt, aan die feitelijke en juridische omstandigheid niet voorbij kan worden gegaan. De vraag is tot welke maatstaf dit moet leiden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.24</nr>
      <para>Wanneer het mandelige karakter van de bestaande afscheiding tot uitgangspunt wordt genomen, brengt art. 5:65 BW mee dat vervanging van die afscheiding door een scheidsmuur als bedoeld in art. 5:49 BW naar objectieve maatstaven noodzakelijk moet zijn. Tezelfdertijd moet die vervanging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kunnen worden verlangd (art. 3:166 jo. art. 6:2 lid 1 BW).<footnote-ref linkend="_714588dc-9180-4ab5-b005-20be939275eb" /> Ik zou menen dat bij de invulling van die maatstaven primair te rade moet worden gegaan bij de ratio van art. 5:49 BW, te weten privacybescherming.<footnote-ref linkend="_193e45a8-ce19-4bee-9066-26314d3cd697" /> Dit brengt mee dat bij de beoordeling van een vordering op de voet van art. 5:49 BW moet worden getoetst of het verwijderen van de bestaande afscheiding en het plaatsen van de gewenste afscheiding uit een oogpunt van privacy noodzakelijk is en ook overigens in redelijkheid kan worden verlangd. Dit zou onder omstandigheden kunnen meebrengen, zo dunkt mij, dat het bestaan van een blijvend ondoorzichtige haag c.q. beplanting, ofschoon deze niet kwalificeert als scheidsmuur in de zin van art. 5:43 BW, toch in de weg staat aan toewijzing van een vordering tot oprichting van een schutting.<footnote-ref linkend="_97cd7722-f891-4929-9cc5-5722dcdd24c4" /> Per slot van rekening zou ook geen bezwaar bestaan tegen een dergelijke afscheiding op grond van verordening of gewoonte.<footnote-ref linkend="_200f56bd-2acb-40a1-bbeb-b564ef501ce5" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.25</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat het hof bij de beoordeling van de vordering ex art. 5:49 BW ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat (al geruime tijd) mandelige beplanting op de erfgrens aanwezig was. Het bestreden arrest kan daarom geen stand houden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 2: de vordering tot betaling van € 495 wegens grensreconstructie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.26</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 2</emphasis> komt op tegen de in het dictum uitgesproken veroordeling van [eisers] tot betaling van € 495 in verband met de uitgevoerde grondreconstructie. Geklaagd wordt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, omdat [verweerder] die vordering in appel had ingetrokken (MvG onder 8). [verweerder] heeft beaamd dat de vordering was ingetrokken (s.t. onder 3.23) en heeft zich met betrekking tot deze klacht gerefereerd aan het oordeel van uw Raad. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.27</nr>
      <para>Ik meen dat de klacht slaagt. Naar het hof, gelet op rov. 3.3 sub 3, kennelijk over het hoofd heeft gezien, heeft [verweerder] op de aangegeven vindplaats uitdrukkelijk verklaard zijn eis te verminderen en de vordering in het oorspronkelijk petitum sub III ter zake de kosten van de kadastrale meting in te trekken. Dit stond hem vrij (art. 129 Rv). Aan de overige klachten hoeft mijns inziens niet te worden toegekomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.28</nr>
      <para>Indien uw Raad van oordeel mocht zijn dat onderdeel 1 niet tot vernietiging en verwijzing leidt, zou uw Raad de zaak op dit punt zelf kunnen afdoen door het arrest te vernietigen voor zover [eisers] is veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van € 495, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2015 tot de dag der algehele voldoening, en te verstaan dat [verweerder] deze vordering had ingetrokken.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_57d56788-d951-4522-bb54-6e67958030dc" label="1">
    <para> Hof ’s-Hertogenbosch 20 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:724, rov. 3.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ec9fc40d-c822-4602-8c5e-6cb7bde7cc10" label="2">
    <para> Zie inl. dagv. onder 35-37.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a52d61f-dde9-4bc3-94a4-4bf8d04208e8" label="3">
    <para> Zie inl. dagv. onder 38. Tegen de andersluidende weergave van zijn stellingen in rov. 4.1.1 van het vonnis van 30 maart 2016 heeft [verweerder] gegriefd. Zie MvG onder 21.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5685a723-ace7-4866-9cc1-bd16cc6711d3" label="4">
    <para> Zie inl. dagv. onder 39-41.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_23c3dabe-4f1b-4625-a409-2bfcd92f00a0" label="5">
    <para> Vgl. vonnis, rov. 4.1.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a846923-2542-4fb1-a975-ba3d2acac7fd" label="6">
    <para> Vgl. vonnis, rov. 4.2.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb85a8af-cdd2-4685-a3dd-d653c26cc9d9" label="7">
    <para> Rb Limburg 30 maart 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:2957.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7422c5c9-f98a-43ed-ad0d-ef653395ec69" label="8">
    <para> Rov. 3.3 van het bestreden arrest vermeldt verder nog een vordering tot betaling van € 495. Zie daarover middelonderdeel 2. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5c482777-b837-472f-8322-5197bdc20fb0" label="9">
    <para> Hof ’s-Hertogenbosch 20 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:724.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4dcac623-656f-4cec-9183-b0e68f00f87f" label="10">
    <para> Procesinleiding onder 4 spreekt van <emphasis role="italic">één</emphasis> (“de”) vordering tot het verwijderen van de haag <emphasis role="italic">en</emphasis> het plaatsen van een scheidsmuur, die door de rechtbank in haar rov. 4.2.3 (geheel) op grond van art. 5:65 BW zou zijn afgewezen. Zie ook de kop van onderdeel 1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_033eb86c-0e0a-4f38-a303-ae2a04c1e7a3" label="11">
    <para> Inl. dagv. onder 38.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5d6a025d-1594-4699-8503-e6d303fbe0eb" label="12">
    <para> Inl. dagv. onder 39 en 41.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_496de392-65bf-4fad-82ce-a8518ce3aba8" label="13">
    <para> Zie voor art. 5:42 BW als grondslag voor de vordering sub (I) (verwijdering van de haag): MvG, Grief I (onder 12-21, met een beroep op HR 3 mei 1995, NJ 1996/501). Zie voor art. 5:49 BW als grondslag voor de vordering sub (II) (oprichting van een scheidsmuur): MvG, Grief II (onder 22-28) en Grief III (onder 29-38). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf465923-af43-40c7-ae3e-2d1465975d96" label="14">
    <para> Kennelijk met focus op de stellingen van [verweerder] in het kader van de tegen afwijzing van de vordering sub (II) gerichte grieven II en III. Zie MvG onder 25 (een coniferenhaag is geen scheidsmuur in de zin van art. 5:49 BW), onder 27 en 32 (geen bijzonder belang vereist voor aanspraak op een scheidsmuur) en onder 28 (de rechtbank had de vordering ex art. 5:49 BW zonder meer moeten toewijzen).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0f561eac-0767-4d0a-b147-cfb874434f25" label="15">
    <para> Zie procesinleiding onder 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_76110244-6f25-4f50-9674-beb9e14d5372" label="16">
    <para> De in art. 5:49 lid 1 BW genoemde uitzondering dat een verordening of een plaatselijke gewoonte de wijze of de hoogte der afscheiding anders regelt buiten beschouwing gelaten.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f9810c8c-ce8b-4c5a-b077-64140798ca32" label="17">
    <para> K.F.M. Berger, Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden, 2001, p. 64; A.C. Wibbens-de Jong, Mon. BW B26, 2009, nr. 26; Asser/Bartels &amp; Van Velten 5 2017/141.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fac80dd6-259e-40bd-b141-c7982cba68aa" label="18">
    <para> TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 198 jo. p. 19.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fcb55af3-201a-465a-8445-b89f0509cc2c" label="19">
    <para> K.F.M. Berger, Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden, 2001, p. 65-66; A.C. Wibbens-de Jong, Mon. BW B26, 2009, nr. 26; Pitlo/Reehuis &amp; Heisterkamp, Goederenrecht 2012/570.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dd3920e9-71dd-4e7c-9148-76c88718374b" label="20">
    <para> De bepaling sluit niet uit dat de twee naburen in onderling overleg tot gezamenlijke oprichting van een hogere of lagere muur overgaan. Zie MvT, Parl. Gesch. Boek 5, p. 200.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_22925f82-a6d2-4b40-ab81-66d6e8bc5752" label="21">
    <para> TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 199.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0598b472-df43-4d26-820e-b56c0762e2bb" label="22">
    <para> MO, Parl. Gesch. Boek 5, p. 202.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_27ba6dca-3c85-407a-9c09-273b1bf7b422" label="23">
    <para> A.C. Wibbens-de Jong, Mon. BW B26, 2009, nr. 27; Pitlo/Reehuis &amp; Heisterkamp, Goederenrecht 2012/570; N.C. van Oostrom-Streep e.a., in: Boek 5 van de toekomst, KNB Predaviezen 2016, p. 241; D. Lindenbergh, GS Zakelijke rechten, art. 5:49 BW, aant. 1. Vgl. Diephuis VI, Tweede deel, 1886, p. 242 (“rust en veiligheid”). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8423a6d5-0ff2-4fb2-8448-f472195df4d2" label="24">
    <para> A.C. Wibbens-de Jong, Mon. BW B26, 2009, nr. 27.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b1e34163-17d0-412d-b423-bfb7b53991db" label="25">
    <para> K.F.M. Berger, Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden, 2001, p. 66.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e350b5a2-bf12-47a1-850e-e7f67198acaf" label="26">
    <para> TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 199. De vordering tot betaling in een bijdrage in bestede kosten is wel aan verjaring onderworpen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b042a7a8-d500-4913-9c2f-2aa295aac2d9" label="27">
    <para> MO, Parl. Gesch. Boek 5, p. 202.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2dac1e36-76da-4f93-96e1-8b25ca54e5e1" label="28">
    <para> TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 199.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_000e858d-211a-4aa2-bf16-0b94c330d8e4" label="29">
    <para> In de officiële tekst staat abusievelijk: stellen. Zie Asser-Beekhuis II Zakenrecht 1990, nr. 164.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b84e3bcf-a83d-49d8-a83c-cd347a29c926" label="30">
    <para> Art. 730 BW 1830, waarover Voorduin III, 1838, p. 478-479. De parlementaire geschiedenis gaat hoofdzakelijk over de materie van art. 690 lid 2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4cfb438e-0cb6-48ad-b467-f700227ee6e8" label="31">
    <para> Diephuis VI, 1886, p. 244.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7caafba9-711b-413e-a7e3-5ed6e3720e6f" label="32">
    <para> Suijling V, Zakenrecht, 1940, nr. 183.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2781f0f4-879b-4f59-9c11-a0acae7385ce" label="33">
    <para> Smalbraak/Davids, Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden, 1988, nr. 55 jo. 54.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6e56afd-c461-4766-b479-01c2e3706a4a" label="34">
    <para> Suijling V, Zakenrecht, 1940, nr. 183, onder verwijzing naar HR 16 april 1926, ECLI:NL:HR:1926:72, NJ 1926 p. 657 m.nt. P. Scholten (m.b.t. art. 678 BW (oud), vgl. thans art. 5:46 BW). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_22d22424-b022-4c9e-b93d-765e00e56af4" label="35">
    <para> Pitlo, Het zakenrecht, 1987, p. 274.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_14d84bae-f92c-4d57-a451-fd4b4d521997" label="36">
    <para> Smalbraak/Davids, Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden, 1988, nr. 56.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a10fe27-4676-4ecf-81e1-4fabd7b0e9b7" label="37">
    <para> Asser-Beekhuis II Zakenrecht 1990, nr. 195. Vgl. Pitlo, Het zakenrecht, 1987, p. 272, onder “Gemene muren”.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e180cf53-005c-4e4e-934a-2fbc0a588286" label="38">
    <para> TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 199.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b1e480d7-3066-435a-a886-de5f01feb3e9" label="39">
    <para> Zie VV II, Parl. Gesch. Boek 5, p. 193: “(…) <emphasis role="italic">men late het muur-begrip ter bepaling aan de rechter over, die terzake bij de verkeersopvatting te rade kan gaan. De vermelding van “steen” en ”hout” is in ieder geval overbodig.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_82424a79-a62a-4b25-afa6-407f66c5e047" label="40">
    <para> MvA II, Parl. Gesch. Boek 5, p. 193.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a9e55b7d-b5ad-4d1c-9109-6b17f727df43" label="41">
    <para> Eindverslag I, Parl. Gesch. Boek 5, p. 193.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f8aedbb-45c4-4dec-8b3c-7c548c8715e7" label="42">
    <para> Eindverslag I, Parl. Gesch. Boek 5, p. 194.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ca19e79f-5e64-46c5-9a5e-21d13b44e546" label="43">
    <para> K.F.M. Berger, Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden, 2001, p. 56; A.C. Wibbens-de Jong, Mon. BW B26, 2009, nr. 11; Pitlo/Reehuis &amp; Heisterkamp, Goederenrecht 2012/570. Anders: J.G. Gräler, Mandeligheid, 2007, p. 210, die van mening is dat het begrip ondoorzichtig geen deel mag uitmaken van de wettelijke omschrijving van een muur en dat de verkeersopvatting bepalend moet zijn. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7c72f8f3-d76b-4cb6-a34f-d45136b24a41" label="44">
    <para> N.C. van Oostrom-Streep e.a., in: Boek 5 van de toekomst, Preadviezen KNB 2016, p. 222-223.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0acb5a7e-d757-4d3e-ba7a-fb7019b6e7ba" label="45">
    <para> Zie over art. 690 BW (oud) hiervoor onder 2.8.6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7eb24560-e3c3-4bc8-a508-3e228a4c36d1" label="46">
    <para> VV II, Parl. Gesch. Boek 5, p. 200.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_83e3eb1c-738c-4ee7-8075-72e7288a4024" label="47">
    <para> MvA II, Parl. Gesch. Boek 5, p. 201-202.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9d287bad-9340-497f-84c4-f723cbd775a4" label="48">
    <para> K.F.M. Berger, Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden, 2001, p. 66, met verwijzing naar G.J. Knijp  NbBW 1996, p. 113-115.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e47da74a-fdcf-402a-bdf5-dbadc8a05864" label="49">
    <para> Vgl. art. 710 BW (oud): “<emphasis role="italic">Iedere hegge, welke twee erven van elkander scheidt, wordt voorondersteld gemeen te zijn, ten ware er titel, bezit of teeken van het tegendeel mogt bestaan</emphasis>.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f1ca6e02-e750-4351-b34e-855fb261e4ab" label="50">
    <para> TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 231.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3e94f16e-c870-485d-91d6-83ffd7f2f068" label="51">
    <para> TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 222; MvA II, Parl. Gesch. Boek 5, p. 231-232.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_662ee283-b833-43d2-aeb7-4618a69f63d6" label="52">
    <para> MvA II, Parl. Gesch. Boek 5, p. 235; K.F.M. Berger, Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden, 2001, p. 122, met verdere verwijzingen; Pitlo/Reehuis &amp; Heisterkamp, Goederenrecht 2012/582. Zie ook Hof Amsterdam 27 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:94, RVR 2015/37.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ece84eb9-7f3f-4233-abbc-9270150e866f" label="53">
    <para> Asser/Bartels &amp; Van Velten 5 2017/163.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e8368f03-1cda-4916-9563-b2856121888c" label="54">
    <para> TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 235.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b5449b9d-f96f-4efd-8916-317c54a67cb4" label="55">
    <para> In een beheersregling ex art. 3:168 BW zou kunnen worden opgenomen dat door een mandelige eigenaar verlangde wijzigingen voor zijn rekening plaatsvinden, ook al zijn deze niet noodzakelijk, aldus Smalbraak/Davids, Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden, 1988, nr. 56 (waar dit wordt genoemd als alternatief voor de vervallen regeling van art. 691 BW(oud)).  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a2c8f08f-dd6a-4094-8a6f-46cd555bd266" label="56">
    <para> A-G Langemeijer, conclusie voor HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO3523, RvdW 2011/57, onder 2.1; J.G. Gräler, WPNR 2015/7078, p. 852. Zie ook Hof ’s-Gravenhage 9 juni 1954, te kennen uit HR 14 januari 1955, ECLI:NL:HR:1955:195, NJ 1955/124.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_445e1bae-3d58-4d8c-9ed4-163e57fd02bb" label="57">
    <para> J.G. Gräler, Mon. BW B27, 2014, nr. 18, met vermelding van vindplaatsen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b176c4ef-8e6a-4c9e-b197-c758bcd5b172" label="58">
    <para> Broekhuijsen/Molenaar, T&amp;C BW, art. 5:65, aant. 1, met vermelding van vindplaatsen. Zie met name Hof Amsterdam 27 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:94, RVR 2015/37. Vgl. Asser-Beekhuis Zakenrecht II 1977, p. 162.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_612085c2-510f-44b7-b516-ccb575114c0b" label="59">
    <para> TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 235. Art 704 BW (oud) bepaalde: “<emphasis role="italic">Regenbakken, putten, sekreten, riolen, goten en dergelijke, tusschen naburige erven gemeen, moeten ten koste der eigenaars onderhouden, geruimd of gereinigd worden.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_43eb5376-5faf-4d8f-8d18-c5315adeccd9" label="60">
    <para> J.G. Gräler, GS Zakelijke rechten, art. 5:65 BW, aant. 1; Asser-Beekhuis II Zakenrecht 1990, nr. 201. Art. 711 BW (oud) luidde: “<emphasis role="italic">De eene nabuur kan den anderen noodzaken tot het planten van nieuwe heggen, ten gemeenen koste, indien de vorige, gemeen zijnde geweest, tot aanwijzing der scheidslinie tusschen de beide erven hebbe verstrekt</emphasis>.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5ed2319b-7762-45ee-afb6-ac0769720253" label="61">
    <para> Zie o.m. MvA onder 12, 21-24, 27-29; Antwoordakte d.d. 4 april 2017 onder 1. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_68380799-8147-4f7b-b141-e0edbf8b46bc" label="62">
    <para> CvA onder 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0d2d2e98-b7cd-4877-87de-61594952079e" label="63">
    <para> CvA onder 38.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_64d86a8e-3bc9-487b-9d75-cb7e273da2b5" label="64">
    <para> CvA onder 57.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_04702b05-51ff-41dc-8abe-d322721e26e5" label="65">
    <para> MvG onder 27.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df4b1a9f-eb16-46be-895a-fd57e3da22c9" label="66">
    <para> MvA onder 24.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c973db5-112d-4a31-b2b7-3c06616ab8f4" label="67">
    <para> Zie daarover hiervoor onder 2.8.6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1294d94f-ccd3-40e8-b50d-08e4153b623e" label="68">
    <para> Zie daarover hiervoor onder 2.9.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2334c183-1c23-4d12-b3ec-290f5ac2a698" label="69">
    <para> Rb Rotterdam 13 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2851.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8ed7ebc-87e2-4aef-8450-68191b81e83b" label="70">
    <para> A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, 2018, nr. 14.2. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_73f89cf5-4652-4f0b-ad56-52dc1ad2e4e0" label="71">
    <para> Ktr. Zaandam 12 november 1992, NJ-kort 1992/84, als weergeven en besproken door A.L. Croes, NTBR 1994/2, p. 43.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_714588dc-9180-4ab5-b005-20be939275eb" label="72">
    <para> Zie over de toepasselijkheid van de beginselen van redelijkheid en billijkheid op de uitoefening van burenrechtelijke bevoegdheden in het algemeen: A.C. Wibbens-de Jong, Mon. BW B26, 2009, nr. 5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_193e45a8-ce19-4bee-9066-26314d3cd697" label="73">
    <para> Zie daarover hiervoor onder 2.8.2-2.8.3 en 2.9.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_97cd7722-f891-4929-9cc5-5722dcdd24c4" label="74">
    <para> Vgl. N.C. van Oostrom-Streep e.a., in: Boek 5 van de toekomst, Preadviezen KNB 2016, p. 241 jo. p. 222.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_200f56bd-2acb-40a1-bbeb-b564ef501ce5" label="75">
    <para> Zie hiervoor onder 2.10.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>