<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:650</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-19T11:52:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-04-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/03751</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2019:977" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:977</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:650">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:650</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-18T12:23:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:650 Parket bij de Hoge Raad , 23-04-2019 / 17/03751</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:650:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opiumwetdelict (art. 10a en 10.4 en .5 Opiumwet). Voorbereiden en/of bevorderen van amfetamineproductie. (Voorwaardelijk) opzet op het voorhanden hebben van een precursor van amfetamine (APAAN). HR: art. 81.1 RO.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:650:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 17/03751</para>
            <para>Zitting: 23 april 2019</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. D.J.C. Aben</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte]
              </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para>1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 31 juli 2017 de verdachte ter zake van “<emphasis role="italic">om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit</emphasis>” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, waarvan zes maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar. </para>
  <para />
  <para>2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft een schriftuur houdende één middel van cassatie ingediend.</para>
  <para />
  <para>3. Het <emphasis role="underline">middel</emphasis> klaagt over de bewezenverklaring voor zover dat betrekking heeft op het (voorwaardelijk) opzet op het voorhanden hebben van een precursor van amfetamine.</para>
  <para />
  <para>4. Het hof heeft bewezenverklaard dat:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">“hij op 16 oktober 2014 te Ochten, gemeente Neder-Betuwe, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van amfetamine of een andere stof genoemd op lijst I van de Opiumwet, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen 505 kilo Alfa-fenylAcetoAcetoNitril (APAAN), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden, dat die bestemd was tot het plegen van dat/die feit(en).</emphasis>”</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>5. Het hof heeft de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd (onder weglating van de voetnoten met verwijzingen naar bewijsmiddelen): </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>“<emphasis role="italic">Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.</emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Het hof overweegt daarbij met de rechtbank in het bijzonder het volgende.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Op 16 oktober 2014 bevond verdachte zich in zijn bestelauto in Ochten. In de bestelbus van verdachte stonden 19 vaten met in totaal 505 kilo Alfa-fenylAcetoAcetoNitril (APAAN), een stof met behulp waarvan amfetamine kan worden geproduceerd.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Voor de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet is vereist dat de dader daadwerkelijk wetenschap heeft gehad van de omstandigheid dat hij met zijn handelingen de productie van harddrugs bevorderde. Dit opzet, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis en de vaste rechtspraak over artikel 10a Opiumwet, omvat ook voorwaardelijk opzet, waarvan sprake is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de genoemde omstandigheid zich zal voordoen.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg als ook in hoger beroep verklaard dat hij een koeriersbedrijf had en dat hij van de opdrachtgever, wiens naam hij niet wenst te noemen, de opdracht heeft gekregen om de lading die in zijn bestelbus is aangetroffen, te bezorgen op een voor hem op dat moment nog onbekend adres. Hij zou voor die klus 300 euro ontvangen. Met betrekking tot de omstandigheden van die klus heeft verdachte het volgende verklaard:</emphasis>
    </para>
    <para>- <emphasis role="italic">Hij moest op 15 oktober 2014 zijn bestelbus in Ochten bij een bedrijf neerzetten. Daar werd de bus geladen.</emphasis></para>
    <para>- <emphasis role="italic">De dag erna zou de bus voor hem klaarstaan op de carpoolplaats in Ochten. De sleutel lag op het linker voorwiel.</emphasis></para>
    <para>- <emphasis role="italic">De lading bestond uit tonnen met scheikundige namen.</emphasis></para>
    <para>- <emphasis role="italic">Hem was verteld dat hij naar Eindhoven moest rijden, maar hij zou pas onderweg horen naar welk adres.</emphasis></para>
    <para>- <emphasis role="italic">Er zaten geen vrachtbrieven bij de lading.</emphasis></para>
    <para>- <emphasis role="italic">Dat hij door voornoemde omstandigheden misschien ook wel wist dat het foute boel was.</emphasis></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Verder heeft [verbalisant] verklaard dat verdachte, nadat hij oogcontact had gehad met de verbalisant die in een opvallend surveillancevoertuig de carpoolplaats opreed waar verdachte met zijn bestelbus stond, wegreed naar de achterzijde van de carpoolplaats, hetgeen een omweg is om bij de uitgang van de carpoolplaats te komen.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Evenals de rechtbank weegt het hof ten slotte mee dat het door de uitgebreide media-aandacht voor drugscriminaliteit (in de zin van het aantreffen van productielaboratoria en/of chemisch productieafval) in Noord-Brabant een feit van algemene bekendheid is dat aldaar regelmatig synthetische drugs worden geproduceerd. Verdachte heeft bovendien hierover ter terechtzitting in hoger beroep zelf verklaard dat hij uit de media wist dat in Noord-Brabant veel laboratoria zijn waar men synthetische drugs produceert.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Anders dan in het arrest dat door de raadsman is aangehaald (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 15 mei 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:2102)) had verdachte in het onderhavige geval, gelet onder meer de chemische benamingen en de wijze van verpakken in vaten, en de ongebruikelijke omstandigheden waaronder het transport plaats vond een ernstige reden te vermoeden dat de materialen die hij vervoerde in verband stonden met het productieproces van dergelijke synthetische drugs.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het verdachte duidelijk moet zijn geweest dat de vracht die hij vervoerde niet uit legale goederen bestond en dat verdachte op zijn minst ernstige redenen heeft gehad om te vermoeden dat de inhoud van de tonnen, die hij in de bus vervoerde, bestemd was voor de bereiding van amfetamine of andere synthetische drugs als vermeld op lijst I van de Opiumwet.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Het hof is op grond van dezelfde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het vervoer van deze tonnen een belangrijke schakel betreft in het productieproces van harddrugs. Verdachte heeft hiermee in voorwaardelijke zin opzet gehad op de door hem gepleegde voorbereidingshandelingen gericht op het vervaardigen van amfetamine of andere verdovende middelen als vermeld op lijst I van de Opiumwet.</emphasis>”</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>6. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering onvoldoende volgt dat de verdachte de vaten die hij voorhanden had in verband heeft (of moet hebben) gebracht met de productie van synthetische drugs. Met name is niet uit de bewijsmiddelen af te leiden dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat zijn handelen de productie van synthetische drugs bevorderde, aldus de steller van het middel.</para>
  <para />
  <para>7. Over artikel 10a lid 1 sub 3 Opiumwet (Ow) meer in het algemeen eerst het volgende. Voor zover relevant, namelijk toegespitst op het voorliggende geval, is strafbaar degene die stoffen voorhanden heeft waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het opzettelijk vervaardigen<footnote-ref linkend="_8d80c89a-89e9-4d7f-a7dd-903c54899676" /> van een (verdovend) middel van lijst I en hij die stoffen voorhanden heeft om dat vervaardigen voor te bereiden of te bevorderen. Het gaat dus om (1) het voorhanden hebben van stoffen (2) die zijn bestemd tot het vervaardigen van een middel van lijst I, en (3) dit ter voorbereiding of bevordering van dat vervaardigen. </para>
  <para />
  <para>8. Aan deze drie bestanddelen zijn psychische componenten verbonden. Het onder (1) genoemde ‘voorhanden hebben’ en de onder (3) bedoelde <emphasis role="italic">bedoeling</emphasis> (namelijk de voorbereiding of bevordering) vereisen opzet, met inbegrip van de mogelijkheid van voorwaardelijk opzet.<footnote-ref linkend="_9bab1afe-0c29-44c5-ae7d-63751f8f9bdc" /></para>
  <para>Wat betreft (3) is de ondergrens van voorwaardelijk opzet op het eerste gezicht verwarrend omdat de aldaar bedoelde bedoeling (de voorbereiding of bevordering) doorgaans ‘oogmerk’ vergt, een wettelijk begrip waarvan de vervulling hogere eisen stelt dan (alleen) opzet. Die ogenschijnlijke tegenstrijdigheid komt echter te vervallen indien in aanmerking wordt genomen dat het hier eventueel gaat om hetgeen <emphasis role="italic">anderen</emphasis> voor ogen staat, gevoegd bij de wetenschap van de verdachte – mogelijk in voorwaardelijke zin – dat hij aan de verwezenlijking van dat oogmerk van anderen een bijdrage levert.</para>
  <para />
  <para>9. Wat betreft (2), de bestemming van de voorhanden stoffen, is wetenschap in voorwaardelijke zin voldoende, maar kan ook een variant van culpa toereikend zijn, te weten een <emphasis role="italic">ernstige reden om te vermoeden</emphasis> dat die stoffen zijn bestemd voor het vervaardigen van een middel van lijst I.<footnote-ref linkend="_f1771d68-ec10-4278-8e8c-d0ea973e5877" /> Er moeten dus objectieve bezwaren bestaan die bij de verdachte een ernstig vermoeden (moeten) hebben teweeggebracht dat de voorhanden stof bestemd is voor het vervaardigen van een harddrug.<footnote-ref linkend="_cd31c205-7ed8-42bd-9bb9-c3e07473e03f" /></para>
  <para />
  <para>10. Waar het eventueel in belangrijke mate gaat om de intenties van anderen dan de verdachte zelf, is voor de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen niet vereist dat de verdachte vooraf op de hoogte is van alle details van het voorgenomen synthetiseren van drugs, zoals de precieze aard van het beoogde middel van lijst I, de kenmerken van het productieproces en de bijdrage die de voorhanden stof daarin vervult. In die zin kan een globaal opzet voldoende zijn en is kennis van de toegepaste scheikunde niet nodig. </para>
  <para />
  <para>11. Ik tracht het voorgaande in mijn woorden nog eens samen te vatten. Voor strafbaarheid op grond van artikel 10a lid 1 sub 3 Ow is in dit geval noodzakelijk dat de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaardt dat hij de productie van een synthetische harddrug voorbereidt of bevordert door een stof voorhanden te hebben waarvan hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij dient als voorloper van die synthetische harddrug. </para>
  <para />
  <para>12. Terug naar de voorliggende zaak. De motiveringsklacht houdt in dat het hof geen bewijs heeft gepresenteerd voor de aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat de verdachte de productie van synthetische drugs bevorderde.</para>
  <para />
  <para>13. Volgens de vaststellingen van het hof moest de verdachte met zijn bestelbus negentien vaten die kennelijk waren gevuld met een chemische substantie onder ongebruikelijke omstandigheden van het Gelderse Ochten vervoeren naar een locatie in Noord-Brabant waarvan hem het adres pas op het allerlaatste moment zou worden meegedeeld. De verdachte trachtte bij het wegrijden van de carpoolplaats de politie te ontlopen en verklaarde later desgevraagd dat hij wist dat het foute boel was. Hij wist eveneens dat in Noord-Brabant relatief veel productielaboratoria voor synthetische drugs bestaan.</para>
  <para />
  <para>14. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zodoende de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het vervoer van deze lading een schakel vormde in het productieproces van harddrugs. Onder de door het hof geschetste omstandigheden acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk en overigens toereikend gemotiveerd. </para>
  <para />
  <para>15. Het hof heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat het van algemene bekendheid is dat in Noord-Brabant regelmatig synthetische drugs worden geproduceerd. Het komt mij voor dat het hof deze omstandigheid – vanwege de frequentie waarmee daarmee samenhangende omstandigheden de media halen – inderdaad als feit van algemene bekendheid kon aanmerken. Overigens heeft het hof ook vastgesteld dat de verdachte naar eigen zeggen weet had van het bestaan van relatief veel drugslaboratoria in Noord-Brabant, zodat het genoemde feit van algemene bekendheid als zodanig in de bewijsvoering geen doorslaggevende rol vervulde.</para>
  <para />
  <para>16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 RO ontleende motivering. </para>
  <para />
  <para>17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
  <para />
  <para>18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De procureur-generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_8d80c89a-89e9-4d7f-a7dd-903c54899676" label="1">
    <para> De bewezenverklaring maakt melding van het “<emphasis role="italic">opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren</emphasis>” (van amfetamine) en is dus juist <emphasis role="italic">niet</emphasis> (uitsluitend) toegespitst op het <emphasis role="italic">vervaardigen</emphasis> daarvan, als bedoeld in art. 2 onder D Ow. Wat betreft synthetische drugs als amfetamine zie ik echter geen betekenisverschil tussen ‘bereiden’ en ‘vervaardigen’, en heb ik om louter stilistische redenen ervoor gekozen het woord ‘vervaardigen’ hier in de plaats te stellen van de reeks handelingen die het delict van art. 2 onder B Ow, jo art. 10 lid 4 Ow (kunnen) constitueren.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9bab1afe-0c29-44c5-ae7d-63751f8f9bdc" label="2">
    <para> De delictsomschrijving van art. 10a lid 1 sub 3 Ow eist niet met zoveel woorden dat het daarin strafbaar gestelde ‘voorhanden hebben’ <emphasis role="italic">opzettelijk</emphasis> plaatsvindt. Echter, nog daargelaten dat er in de praktijk sowieso weinig ruimte is voor het ‘<emphasis role="italic">on</emphasis>opzettelijk voorhanden hebben’ van verdovende middelen, laat de eis dat het voorhanden hebben plaatsvindt ter voorbereiding of bevordering van een delict van art. 10 lid 4 of lid 5 Ow van die weinige ruimte voor <emphasis role="italic">on</emphasis>opzettelijk voorhanden hebben van drugs m.i. niets meer over. Om die reden acht ik het verantwoord om de opzeteis hier ook het ‘voorhanden hebben’ te laten bestrijken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f1771d68-ec10-4278-8e8c-d0ea973e5877" label="3">
    <para> Kritisch over de toepassing van deze variant van culpa in art. 10a Ow is: J. de Hullu, <emphasis role="italic">Materieel strafrecht</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 426.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cd31c205-7ed8-42bd-9bb9-c3e07473e03f" label="4">
    <para> Zie voor het begrip ‘bestemming’ rechtspraak ten aanzien van art. 46 Sr, zoals HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2007/659. Zie bovendien De Hullu, a.w., p. 417-418.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>