<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:628</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-29T00:01:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-05-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/01453</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2019:1053" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1053, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:628">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:628</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-18T10:44:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:628 Parket bij de Hoge Raad , 24-05-2019 / 19/01453</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:628:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet Bopz. Voorwaardelijke machtiging. Afgifte machtiging zonder dat betrokkene is gehoord, o.g.v. apparaatsfout. Art. 8 Wet Bopz en art. 24 Rv.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:628:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">PROCUREUR-GENERAAL</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BIJ DE</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>19/01453</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	24 mei 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">CONCLUSIE </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">F.F. Langemeijer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para>
      [betrokkene]
    </para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>Officier van Justitie Rotterdam</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze Bopz-zaak heeft de rechtbank als gevolg van een ‘apparaatsfout’ een voorwaardelijke machtiging verleend zonder te voldoen aan de hoorplicht.</para>
    </parablock>
  </conclusie.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Feiten en procesverloop</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij verzoekschrift van 20 december 2018, op dezelfde datum ter griffie ingekomen, heeft de officier van justitie aan de rechtbank Rotterdam verzocht ten aanzien van verzoeker tot cassatie (geb. 1964, hierna betrokkene) een voorwaardelijke machtiging te verlenen. Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd van een niet bij de behandeling betrokken psychiater die betrokkene kort te voren met het oog hierop heeft onderzocht. Ook was bijgevoegd een behandelplan met een mede door betrokkene ondertekend voorwaardenplan d.d. 11 december 2018.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Naar aanleiding van dit verzoekschrift is bij brief van de griffier van 4 januari 2019 aan de advocaat van betrokkene medegedeeld dat op 10 januari 2019 een zitting zal worden gehouden. De advocaat heeft bij (fax)brief d.d. 8 januari 2019 aan de rechtbank verzocht een nieuwe zittingsdatum te bepalen. In een proces-verbaal van 10 januari 2019 is vastgelegd dat de rechtbank een nieuwe datum voor de zitting heeft bepaald op 8 februari 2019.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Bij beschikking van 28 januari 2019 heeft de rechtbank de verzochte voorwaardelijke machtiging voor het tijdvak tot en met 28 juli 2019, met de voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan. In deze beschikking heeft de rechtbank onder 1.1 verwezen naar “de referteverklaring, ingekomen op 22 januari 2019”<footnote-ref linkend="_0e18398d-54e4-4ecf-89a6-21078e067ce9" />.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <parablock>
        <para>Op 8 februari 2019 heeft de rechtbank een zitting gehouden in aanwezigheid van betrokkene, zijn advocaat en de behandelaar. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal vermeldt op blz. 1:</para>
        <para>“De rechter deelt mede dat de rechtbank een fout heeft gemaakt. Er zijn dossiers verwisseld en er is een referteverklaring in het dossier van betrokkene terecht gekomen die niet van hem afkomstig is. Dit is niet opgemerkt en op basis van deze verklaring is ten onrechte een beschikking afgegeven. De rechtbank heeft besloten de zitting door te laten gaan om hierover met elkaar van gedachten te wisselen. Voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat een herstelbeschikking zal worden afgegeven wordt het verzoek inhoudelijk behandeld.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Na de zitting is de rechtbank niet overgegaan tot het geven van een herstelbeschikking.<footnote-ref linkend="_49302f4e-e019-4ae0-a22d-c8f770961fde" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Namens betrokkene is - tijdig - cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Bespreking van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het middel klaagt <emphasis role="underline">onder 1.a</emphasis> dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door op grond van een referteverklaring die niet van betrokkene afkomstig was maar abusievelijk in zijn griffiedossier is opgenomen, de verzochte machtiging te verlenen zonder eerst betrokkene te horen en hem gelegenheid tot verweer te bieden. <emphasis role="underline">Onder 1.b</emphasis> wordt toegevoegd dat de rechtbank in strijd met art. 24 Rv heeft geoordeeld op grond van een stuk dat niet behoorde tot de gedingstukken. <emphasis role="underline">Onder 2</emphasis> bevat het middel nog een klacht over schending van art. 5 EVRM.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op grond van art. 14a lid 4 en 14c lid 7 is de hoorplicht als bedoeld in art. 8 lid 1 Wet Bopz ook van toepassing op een verzoek tot verlening van een voorwaardelijke machtiging: de rechter dient degene die het betreft vooraf te horen. Wanneer de rechter  constateert dat de betrokkene niet gehoord wenst te worden, kan de rechter beschikken op het verzoek zonder hem of haar te horen.<footnote-ref linkend="_f5dd973d-6f64-4c85-afd8-7de7b657e191" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>In dit geval moet op grond van de inhoud van het proces-verbaal van 8 februari 2019, hiervoor aangehaald, worden vastgesteld dat de hoorplicht door een vergissing aan de zijde van de rechtbank (een ‘apparaatsfout’ of ‘bedrijfsongeval’) niet is nageleefd. Het gevolg daarvan is dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. <footnote-ref linkend="_d6274b65-09e3-434e-84bf-3350c25fb6df" /> Het middel slaagt. Hierbij verdient nog opmerking dat een ernstig processueel verzuim zoals het (abusievelijk) schenden van de hoorplicht niet een kennelijke fout is die zich leent voor eenvoudig herstel op de voet van art. 31 Rv, zoals de rechtbank blijkbaar onder ogen heeft gezien.<footnote-ref linkend="_3e6daea7-4433-430a-aef6-5bac9c06d6fe" /> Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt hier mee dat de beschikking slechts kan worden aangetast door de Hoge Raad op een daartoe strekkend cassatieberoep.<footnote-ref linkend="_10206b8e-d0ae-4126-9bb3-39de1b48662a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Conclusie</title>
    <para>De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugverwijzing naar de rechtbank Rotterdam.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>plv.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0e18398d-54e4-4ecf-89a6-21078e067ce9" label="1">
    <para> Zie over de referteverklaring de noot van de redactie bij Rb Gelderland 18 maart 2016, JGZ 2016/11: “bij meerdere rechtbanken [is] de mogelijkheid geopend dat betrokkene laat weten dat hij het eens is met de maatregel en hij niet behoeft te worden gehoord; men spreekt dan van een ‘referteverklaring’. Als een dergelijke verklaring op overtuigende wijze via de advocaat wordt uitgebracht, blijft een zitting doorgaans achterwege en wordt het verzoek terstond toegewezen. Deze faciliteit wordt veelal geboden bij een nieuwe voorwaardelijke machtiging; een enkele rechtbank hanteert het model ook bij een eerste voorwaardelijke machtiging.” </para>
    <para>Zie ook voetnoot 1 van het cassatieverzoekschrift. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_49302f4e-e019-4ae0-a22d-c8f770961fde" label="2">
    <para> Het verzoekschrift in cassatie vermeldt op blz. 3, bovenaan, dat de rechtbank de advocaat van betrokkene op 15 februari 2019 heeft laten weten dat zij afziet van een herstelbeschikking.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f5dd973d-6f64-4c85-afd8-7de7b657e191" label="3">
    <para> Zie ook de conclusie voor HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:560, JGZ 2017/1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d6274b65-09e3-434e-84bf-3350c25fb6df" label="4">
    <para> Vgl. HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:560, JGZ 2017/1, HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:188, JVGGZ 2015/10 m.nt. W.J.A.M. Dijkers</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3e6daea7-4433-430a-aef6-5bac9c06d6fe" label="5">
    <para> Vgl. HR 27 mei 2011 (rov. 3.4), ECLI:NL:HR:2011:BP8693, NJ 2012/625 m.nt. H.J. Snijders onder nr. 626.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_10206b8e-d0ae-4126-9bb3-39de1b48662a" label="6">
    <para> Vgl. HR 4 december 2015 (rov. 3.4.2), ECLI:NL:HR:2015:3476.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>