<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:514</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-15T00:02:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-03-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/00699</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2019:708" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:708</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:514">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:514</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-14T15:25:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:514 Parket bij de Hoge Raad , 19-03-2019 / 18/00699</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:514:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overschrijding redelijke termijn bij betekening verstekvonnis. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2008:BD2578 t.a.v. overschrijding van de redelijke termijn doordat het OM bij de ex art. 366 Sv voorgeschreven betekening van een verstekmededeling niet de nodige voortvarendheid heeft betracht. Het bij verstek gewezen vonnis van Pr dateert van 7-4-2014. Op 5-4-2017 is de mededeling uitspraak aan verdachte in persoon uitgereikt. Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn bij de betekening van de verstekmededeling na het vonnis van de Pr van 7-3-2014. Daarbij heeft Hof in aanmerking genomen dat het niet onnodig lang heeft geduurd voordat verdachte met het vonnis van de Pr bekend raakte, gelet op het feit dat verdachte vanaf 28-9-2012 tot 23-2-2017 niet op enig adres stond ingeschreven in de basisregistratie personen. Dat oordeel is niet begrijpelijk, reeds in aanmerking genomen dat niet blijkt dat binnen een jaar na de uitspraak van de Pr een verstekmededeling is betekend. HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af en vermindert door Hof opgelegde gevangenisstraf van drie maanden met een week. Samenhang met 18/00697.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:514:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para />
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 18/00699</para>
            <para>Zitting: 19 maart 2019</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. D.J.C. Aben</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para />
  <para>1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 25 oktober 2017 de verdachte wegens 1. “<emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod</emphasis>”, en 2. “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 of artikel 27a Sr. Voorts heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van een in beslag genomen, nog niet teruggegeven televisie. </para>
  <para />
  <para>2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/00697 P. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.</para>
  <para />
  <para>3. De verdachte heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.J. Bussink, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.</para>
  <para />
  <para>4. Het <emphasis role="underline">middel</emphasis> klaagt over een overschrijding van de redelijke termijn in de fase tussen de eerste aanleg en het hoger beroep, aangezien het openbaar ministerie bij de betekening van de verstekmededeling ex artikel 366 Sv niet de nodige voortvarendheid zou hebben betracht.</para>
  <para />
  <para>5. Ter beoordeling van de klacht zijn de volgende, uit de stukken voortvloeiende feiten en omstandigheden van belang:</para>
  <parablock>
    <para>(i). In eerste aanleg is de verdachte gedagvaard voor de terechtzitting van de politierechter van 7 maart 2014. Blijkens gegevens uit de strafrechtsketendatabank (SKDB) was de verdachte sedert 28 september 2012 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) zonder vaste woon- of verblijfplaats, en betrof de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats [a-straat 1] te [plaats].<footnote-ref linkend="_d178169e-cddb-4a13-82ef-d64d18e859c4" /> Aangenomen moet worden dat de verdachte niet in persoon is gedagvaard. </para>
    <para>(ii). De verdachte is op 7 maart 2014 door de politierechter bij verstek veroordeeld. </para>
    <para>(iii). Op 15 april 2014 is blijkens een daarvan opgemaakte akte tevergeefs getracht een mededeling uitspraak in persoon te doen uitreiken op het genoemde adres [a-straat 1] te [plaats] . Vakje “<emphasis role="italic">D1</emphasis>” is aangekruist omdat volgens de mededeling van degene die zich op het adres bevond, de geadresseerde daar niet woont noch verblijft. Op dat moment was blijkens een ID-staat SKDB in de GBA van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend. </para>
    <para>(iv). Op 5 april 2017 is een mededeling uitspraak aan de verdachte in persoon uitgereikt.<footnote-ref linkend="_33502b3a-6d6e-48b9-b489-85bb1ef53445" /> Een dag later heeft de verdachte hoger beroep ingesteld, waarbij hij volgens de daarvan opgemaakte akte het bovengenoemde adres [a-straat 1] te [plaats] heeft opgegeven.</para>
    <para>(v). Van 28 september 2012 tot 23 februari 2017 heeft de verdachte niet ingeschreven gestaan in de GBA c.q. de basisregistratie personen (BRP). Niet blijkt dat de verdachte in die periode gedetineerd is geweest. Niet blijkt dat van de verdachte een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend was.</para>
    <para>(vi). Met ingang van 23 februari 2017 staat de verdachte ingeschreven op het adres [b-straat 2] te [plaats] .</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>6. Ter terechtzitting van het hof van 11 oktober 2017 waren de verdachte en zijn raadsman aanwezig. Daarbij is blijkens de pleitaantekeningen die aan het proces-verbaal zijn gehecht en die volgens dat proces-verbaal aldaar zijn voorgedragen, verweer gevoerd ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn, die tot strafvermindering zou moeten leiden.</para>
  <para />
  <para>7. Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen (p. 3): </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>“<emphasis role="italic">Door de verdediging is betoogd dat de redelijke termijn is overschreden, en dat hiermee rekening moet worden gehouden in de strafmaat. Het hof constateert dat de dagvaarding voor de zitting van de politierechter niet in persoon aan verdachte is uitgereikt. De mededeling uitspraak van het verstekvonnis van 7 maart 2014 is van 5 april 2017, waarna verdachte op 6 april 2017 hoger beroep heeft ingesteld. Gelet op het feit dat verdachte blijkens het BRP-register van 28 september 2012 tot 23 februari 2017 niet op enig adres stond ingeschreven heeft het naar het oordeel van het hof niet onnodig lang geduurd voordat hij met het vonnis bekend raakte. De redelijke termijn is derhalve niet overschreden.”</emphasis></para>
  </parablock>
  <para />
  <para>8. Het middel klaagt dat het hof hiermee voorbij is gegaan aan de rechtsoverweging onder 3.19 in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2008/358 (herijkt overzichtsarrest redelijke termijn).</para>
  <para />
  <para>9. In HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3638, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2010/458 overwoog de Hoge Raad:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>“<emphasis role="italic">3.3.1. Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht. </emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake:</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">a. 	Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">1. hetzij aan de verdachte in persoon,</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">2. hetzij op de voet van het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv. </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">In de onder 2 bedoelde gevallen komt een na de betekening opgetreden vertraging immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">b. 	Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, én indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv (vgl. HR 17 juli 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.19).</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">3.3.2. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat een verdachte, die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging, nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres alwaar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven en/of nalaat zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet reageert, tengevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen, zonder resultaat blijven, zich niet met vrucht kan beroepen op schending van de hiervoor genoemde verdragsbepaling (vgl. HR 30 januari 2001, LJN ZD2099).</emphasis>”<footnote-ref linkend="_0a4d6918-f5ed-4c03-8e51-a375bd45cffc" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <para>10. Uit de onder 5 genoemde stukken kan worden opgemaakt dat de mededeling van de uitspraak (bij verstek) binnen een jaar na die uitspraak rechtsgeldig is betekend op de in artikel 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv voorziene wijze, aan de griffier. Het hof heeft echter niet vastgesteld dat het openbaar ministerie de verdachte heeft gesignaleerd in het opsporingsregister, noch dat het openbaar ministerie ten minste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 588, tweede of derde lid, Sv. Het hof heeft bovendien opengelaten of de verdachte in die periode op de hoogte was van de tegen hem ingestelde strafvervolging. </para>
  <para />
  <para>11. Het oordeel van het hof dat de redelijke termijn niet is overschreden, is daardoor niet zonder meer begrijpelijk. Het middel is terecht voorgesteld. De bestreden uitspraak moet worden vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde straf.</para>
  <para />
  <para>12. De vraag rijst of de zaak daarna moet worden teruggewezen naar het hof. Ik meen evenwel dat de Hoge Raad de zaak om redenen van doelmatigheid zelf kan afdoen door ambtshalve strafvermindering toe te passen.<footnote-ref linkend="_f6178b3a-4495-4d66-a450-ff65e1a9e0a2" /> Gelet op de onder 5 opgesomde feiten en omstandigheden kan het hof immers na terugwijzing niet anders oordelen dan dat de redelijke termijn is overschreden. </para>
  <para />
  <para>13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
  <para />
  <para>14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, en tot vermindering van die straf.</para>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De procureur-generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <footnote id="_d178169e-cddb-4a13-82ef-d64d18e859c4" label="1">
    <para> In het dossier vind ik als laatste opgave van dit adres die bij het politieverhoor van 23 januari 2013. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_33502b3a-6d6e-48b9-b489-85bb1ef53445" label="2">
    <para> Op een omslagvel met een stempel ‘mededeling uitspraak’ in de roze map van het strafdossier staat met de hand geschreven “<emphasis role="italic">sign. 28 april 2014</emphasis>”. Daaruit zou mogelijk kunnen worden opgemaakt dat de verdachte met ingang van 28 april 2014 is gesignaleerd in het opsporingsregister. Dát de mededeling uitspraak op 5 april 2017 in persoon is uitgereikt door een medewerker van de parketpolitie in [plaats] is wel weer een aanwijzing dat de verdachte inderdaad gesignaleerd stond. Het hof heeft hierover echter geen vaststellingen gedaan.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0a4d6918-f5ed-4c03-8e51-a375bd45cffc" label="3">
    <para> Zie ook: HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:113.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f6178b3a-4495-4d66-a450-ff65e1a9e0a2" label="4">
    <para> Vgl. HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1485, met als niet-geautoriseerde samenvatting op rechtspraak.nl: “<emphasis role="italic">Geen beslissing hof op verweer aangaande overschrijding van de redelijke termijn. Dat is een verweer waaromtrent het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. De HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af.</emphasis>”</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>