<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:363</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-20T00:02:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-03-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/02407</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2019:1279" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1279</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:363">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:363</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-26T09:14:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:363 Parket bij de Hoge Raad , 29-03-2019 / 18/02407</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:363:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Procesrecht. Ondernemingskamer stelt wanbeleid vast van naamloze vennootschap en stelt vast wie daarvoor verantwoordelijk zijn. Klachten dat een niet-verschenen belanghebbende niet deugdelijk is opgeroepen en dat de ondernemingskamer bij verbetering van de beschikking in haar verbeteringsbeschikking buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden. Beginsel van hoor en wederhoor. Gevolgen van vernietiging beschikking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:363:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para>Zitting: 29 maart 2019 Conclusie inzake:</para>
    <para>Zaaknr:	 18/02407 mr. L. Timmerman</para>
    <para />
    <para>
      [verzoeker]
    </para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>1. [verweerster 1] B.V.</para>
    <para>2. [verweerster 2] N.V.</para>
    <para>3. [verweerder 3]</para>
    <para>4. [verweerder 4]</para>
    <para>5. [verweerder 5]</para>
    <para>6. En 12 anderen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak hangt samen met de zaken 18/01935 en 18/01950. </para>
    </parablock>
  </conclusie.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>De feiten en het procesverloop </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Voor de feiten en het procesverloop in deze zaak verwijs ik naar mijn conclusie in de samenhangende zaak 18/01935 tussen dezelfde partijen, waarin ik vandaag ook concludeer. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In de zaak 18/01935 heeft [verzoeker] (hierna: [verzoeker] ) bij op 7 mei bij de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de ondernemingskamer van 6 februari 2018.<footnote-ref linkend="_ba475b79-0b54-4d78-8f7b-35a4634ebae0" /> Het cassatieverzoekschrift bevat de onderdelen (a), (b) en (c). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij aanvullend cassatieverzoekschrift van 31 mei 2018 heeft [verzoeker] zijn gronden van cassatie tegen de beschikking van de ondernemingskamer van 6 februari 2018, zoals op de voet van art. 31 Rv verbeterd bij de beschikking van 6 april 2018<footnote-ref linkend="_e9308463-0b1b-4f39-b4e8-3013b0239f27" />, aangevuld met de onderdelen (d) en (e). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>In de onderhavige zaak heeft [verzoeker] in zoverre als vereist tevens bij afzonderlijk cassatieverzoekschrift van 31 mei 2018 cassatieberoep ingesteld tegen de verbeteringsbeschikking van de ondernemingskamer van 6 april 2018. <footnote-ref linkend="_26fb00e1-ff21-438b-87d2-ef3e206774e2" /> Het cassatieverzoekschrift in deze zaak bestaat uit de onderdelen (a) en (b), die inhoudelijk overeenkomen met de onderdelen (d) en (e) uit het aanvullende cassatieverzoekschrift in de zaak 18/01935. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>In de zaak 18/01935 heb ik geconcludeerd tot ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn aanvullende cassatieverzoekschrift van 31 mei 2018 (nr. 3.9-3.15 van de conclusie in de zaak 18/01935). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>In de zaak 18/01935 heb ik geconcludeerd tot vernietiging van de beschikkingen van de ondernemingkamer van 6 februari 2018 en 6 april 2018. De onderdelen (d) en (e) die gericht zijn tegen de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 zijn behandeld in nr. 3.29-3.41 van de conclusie. Mijns inziens slagen beide onderdelen. De verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 kan volgens mij niet in stand blijven omdat de ondernemingskamer bij de verbetering buiten het toepassingsbied van art. 31 Rv is getreden (onderdeel (d)) en omdat verbetering is aangebracht zonder [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten in de zin van art. 31 lid 1 Rv, waardoor essentiële vormen zijn verzuimd (onderdeel (e)). </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De bespreking van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande kom ik in de onderhavige zaak aan bespreking van het cassatiemiddel niet meer toe. Het is mijns inziens niet vereist afzonderlijk cassatieberoep in te stellen tegen de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 (zie ook nr. 3.14 van de conclusie in de zaak 18/01935). Voor de bespreking van de – volgens mij slagende – klachten tegen de verbeteringsbeschikking verwijs ik naar nr. 3.29-3.41 van de conclusie in de zaak 18/01935. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De conclusie</title>
    <parablock>
      <para>	De conclusie strekt tot vernietiging van de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 en verwijzing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ba475b79-0b54-4d78-8f7b-35a4634ebae0" label="1">
    <para> Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 6 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:377, <emphasis role="italic">ARO</emphasis> 2018/85; <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2018/94 m.nt. M.W. Josephus Jitta; <emphasis role="italic">Ondernemingsrecht</emphasis> 2018/62 m.nt. P.H.M. Broere.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e9308463-0b1b-4f39-b4e8-3013b0239f27" label="2">
    <para> Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 6 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1609, <emphasis role="italic">ARO</emphasis> 2018/86.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_26fb00e1-ff21-438b-87d2-ef3e206774e2" label="3">
    <para> Cassatieverzoekschrift van 31 mei 2018 in de zaak 18/02407, onder 12. </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>