<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:1449</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-12T11:31:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/03411</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2020:222" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:222</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1449">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1449</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-12T11:27:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:1449 Parket bij de Hoge Raad , 17-12-2019 / 18/03411</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:1449:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bijstand van een tolk. Gebruikmaken van een tolk die niet is ingeschreven in het Register beëdigde tolken en vertalers en het schriftelijk vastleggen van de redenen daarvoor a.b.i. art. 28.4 Wet beëdigde tolken en vertalers. In het p-v van de tz. heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat van de daar aanwezige tolk, die niet is ingeschreven in het Register beëdigde tolken en vertalers, gebruik is gemaakt omdat een in dat register ingeschreven tolk niet, althans niet tijdig, beschikbaar was. Daarmee heeft het hof, mede gelet op de wetsgeschiedenis van art. 28 Wet beëdigde tolken en vertalers, toereikend de redenen vastgelegd a.b.i. art. 28.4 van die wet. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden, mede in aanmerking genomen dat blijkens het p-v van de tz. in h.b. door of namens verdachte geen bezwaren zijn ingebracht tegen het gebruikmaken van de daar aanwezige tolk. Volgt verwerping.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:1449:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>PROCUREUR-GENERAAL</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJ DE</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>18/03411 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>		17 december 2019 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>CONCLUSIE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.M.W. Paridaens </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte], </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>De verdachte is bij arrest van 26 juli 2018 door het gerechtshof Den Haag wegens “verkrachting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Namens de verdachte heeft mr. R.I. Kool, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het middel </emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het middel klaagt dat tijdens de terechtzitting in hoger beroep in strijd met de wet gebruik is gemaakt van een niet in het Register beëdigde tolken en vertalers ingeschreven tolk, zonder dat daaraan een geldige reden ten grondslag lag, althans dat de reden voor afwijking van de afnameplicht onvoldoende is gemotiveerd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2018 houdt, voor zover van belang, het volgende in:</para>
      <parablock>
        <para> “Ter terechtzitting is aanwezig [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1966, wonende te [plaats], tolk in de Tunesische taal, die niet in het Register beëdigde tolken en vertalers is ingeschreven. Nu een in het Register ingeschreven tolk in deze taal niet (tijdig) beschikbaar was, wordt al hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen door voornoemde tolk vertolkt. Alvorens met zijn werkzaamheden aan te vangen, legt de tolk in handen van de voorzitter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed af dat hij zijn taak naar zijn geweten zal vervullen.</para>
        <para> […]</para>
        <para> Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. C.C. Peterse, advocaat te 's-Gravenhage.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para> […]</para>
        <para> De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities.</para>
        <para> In aanvulling daarop voert de raadsvrouw aan: </para>
        <para> <emphasis role="italic">Omdat het hof de laatste feitelijke instantie is, wilde cliënt graag worden bijgestaan door een tolk. Hij hoopte dat hij daardoor beter zijn visie op de zaak zou kunnen overbrengen. Hij heeft er geen rekening mee gehouden dat dit vragen zou oproepen of afbreuk aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen zou doen. Cliënt blijft bij zijn eerder afgelegde verklaringen.</emphasis>”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Vooropgesteld dient te worden dat het proces-verbaal van de terechtzitting de kenbron is van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen.<footnote-ref linkend="_77eab474-8062-4076-b834-d103ea5055b2" /> Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat aldaar de raadsvrouw van de verdachte aanwezig was. Tevens blijkt uit dat proces-verbaal dat reeds bij de aanvang van de terechtzitting is medegedeeld dat de aldaar aanwezige tolk niet in het Register beëdigde token en vertalers is ingeschreven, dat als reden voor het gebruik van deze tolk is opgegeven dat een in het Register ingeschreven tolk in de Tunesische taal niet (tijdig) beschikbaar was en dat de aanwezige tolk ter terechtzitting is beëdigd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet dat door of namens de verdachte bezwaar is gemaakt tegen (de motivering van) het ter terechtzitting gebruikmaken van de werkzaamheden van deze, niet in het Register beëdigde tolken en vertalers ingeschreven, tolk, terwijl de verdediging, gezien het moment waarop de mededelingen ter terechtzitting werden gedaan, daartoe wel de gelegenheid had.<footnote-ref linkend="_c128be9b-5848-4540-ba6d-c2d9a8e02b3d" /> Gelet hierop kan het middel niet tot cassatie leiden, omdat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Het middel faalt.</para>
      <para>4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. </para>
      <para>5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
      <para>6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De procureur-generaal</para>
        <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>plv. AG</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_77eab474-8062-4076-b834-d103ea5055b2" label="1">
    <para> 	A.J.A. van Dorst, <emphasis role="italic">Cassatie in strafzaken</emphasis>, Handboek strafzaken hoofdstuk 45, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 164 en HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2006/219. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c128be9b-5848-4540-ba6d-c2d9a8e02b3d" label="2">
    <para> 	Vgl. bijvoorbeeld HR 5 juni 2007 ECLI:NL:HR:2007:AZ8360, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2007/339 waarin de Hoge Raad vooropstelde “dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de wijze waarop de dagvaarding is betekend, indien de verdachte of zijn raadsman in de gelegenheid is geweest de desbetreffende klacht aan de feitenrechter voor te leggen en hij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt”. </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>