<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:1351</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-18T00:06:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/05116</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2019:1979" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1979</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1351">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1351</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-17T15:17:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:1351 Parket bij de Hoge Raad , 05-11-2019 / 18/05116</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:1351:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eenvoudige belediging van ambtenaar, art. 266.1 jo 267.2 Sr. Strafmotivering, art. 359.6 Sv. Voldaan aan art. 359.6 Sv door d.m.v. bevestiging vonnis Pr, waarin slechts is verwezen naar “de straf die aan de verdachte wordt opgelegd”?  Strafmotivering bevat i.s.m. art. 359.6 Sv geen opgave van de redenen die i.h.b. hebben geleid tot keuze van opleggen van vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt ex art. 359.8 Sv tot nietigheid (vgl. ECLI:NL:HR:2016:2022). Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:1351:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>PROCUREUR-GENERAAL</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJ DE</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>18/05116 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>		5 november 2019 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>CONCLUSIE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>P.C. Vegter </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] , </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,</para>
      <para>hierna: de verdachte</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij arrest van 29 november 2018 heeft het Gerechtshof Den Haag, met overneming van gronden bevestigd het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 30 april 2018, waarbij de verdachte wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 12 dagen en waarbij de tenuitvoerlegging is gelast van een gedeelte van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.</para>
        <para />
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.</para>
        <para />
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para>3. Het <emphasis role="underline">middel </emphasis>klaagt dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. </para>
    <para />
    <para>4. In het door het hof bevestigde vonnis heeft de politierechter ten aanzien van de strafoplegging als volgt overwogen:<?linebreak?></para>
    <para>“De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.</para>
    <para>Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</para>
    <para>De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van een politieagent. Dit is een ernstig strafbaar feit, waardoor de verbalisant in kwestie zich in zijn goede eer en naam aangetast voelde.</para>
    <para>In het nadeel van de verdachte wordt rekening gehouden met het feit dat hij, blijkens het op zijn naam staande uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 23 april 2018 al meerdere malen eerder is veroordeeld voor ditzelfde feit. Sterker nog, de vordering tenuitvoerlegging ziet ook op een veroordeling wegens belediging. Hij wist dus dat hij zijn onvrede niet op deze manier moest uiten. Kennelijk heeft de verdachte geen lering getrokken uit eerdere veroordelingen, want het heeft hem er niet van weerhouden onderhavig feit te plegen. Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht of het opleggen van een voorwaardelijke geldboete zijn daarom een gepasseerd station. Het verweer van de raadsvrouw zal dan ook niet worden gevolgd.”</para>
    <para>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>5. Art. 359, zesde lid, Sv moet zo worden uitgelegd dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat een dergelijke sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.<footnote-ref linkend="_3f59beb2-1b2a-422c-8596-95064bff8a1b" /> Door in de strafmotivering slechts te verwijzen naar de “De straf die aan de verdachte wordt opgelegd”, heeft de politierechter niet ondubbelzinnig doen blijken dat hij onder ogen heeft gezien dat een straf wordt opgelegd die vrijheidsbeneming met zich brengt. De door het hof bevestigde strafmotivering van de politierechter bevat daarmee, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid.<footnote-ref linkend="_33d7012d-99f2-4a25-94b4-a16c6b999591" /></para>
    <para />
    <para>6. Het middel slaagt.</para>
    <para />
    <para>7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
    <para />
    <para>8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat de strafoplegging betreft, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>AG</title>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_3f59beb2-1b2a-422c-8596-95064bff8a1b" label="1">
    <para> Vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437, HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1774, en HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2196.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_33d7012d-99f2-4a25-94b4-a16c6b999591" label="2">
    <para> HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202, HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2495, en HR 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:152.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>