<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:1214</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-27T00:02:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-08-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/03462</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2019:1855" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1855</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1214">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1214</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-26T16:04:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:1214 Parket bij de Hoge Raad , 27-08-2019 / 18/03462</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:1214:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opzettelijk handelen in strijd met art. 3.C Opiumwet. Volstaan met opgave b.m., art. 359.3 Sv. HR op gronden in de CAG vermeld is het middel terecht voorgesteld. CAG: Ten onrechte volstaan met een opgave van de b.m. door het vonnis te bevestigen, aangezien uit het p-v van de tz. in h.b. blijkt dat aldaar namens verdachte vrijspraak is bepleit. Volgt vernietiging en terugwijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:1214:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold" />
    </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>18/03462</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting </emphasis>27 augustus 2019</para>
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>CONCLUSIE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>D.J.C. Aben</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para />
    <para>In de zaak</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [verdachte] ,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,</para>
    <para>hierna: de verdachte.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. Bij arrest van 18 juli 2018 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter bevestigd met inachtneming van het in dat arrest overwogene, de bewezenverklaring onder 1. primair verbeterd gelezen, en dit gekwalificeerd als “<emphasis role="italic">Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod</emphasis>”, de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.574,52, en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot hetzelfde bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 dagen hechtenis. De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant had bij mondeling vonnis van 5 juli 2017 tevens het feit onder 2. primair bewezenverklaard en gekwalificeerd als “<emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking</emphasis>”, en de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door zestig dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren. </para>
  <para />
  <para>2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.S. Nan, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.</para>
  <para />
  <para>3. Het <emphasis role="underline">eerste middel</emphasis> klaagt “<emphasis role="italic">voor de verandering eens</emphasis>” over de onjuiste toepassing van art. 423 Sv.</para>
  <para />
  <para>4. De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat de verdachte:</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">“1. </emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">hij</emphasis>
      <emphasis role="italic"> op </emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">of omstreeks</emphasis>
      <emphasis role="italic"> 7 juni 2016 te Middelburg tezamen en in vereniging met een </emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">of meer</emphasis>
      <emphasis role="italic"> ander</emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">(en), althans alleen,</emphasis>
      <emphasis role="italic"> opzettelijk </emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk</emphasis>
      <emphasis role="italic"> aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [a-straat 1] ) ongeveer 561, </emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in-elk geval-een-hoeveelheid van meer dan 30</emphasis>
      <emphasis role="italic"> gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">2. </emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">hij</emphasis>
      <emphasis role="italic"> op </emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">of omstreeks</emphasis>
      <emphasis role="italic"> 7 juni 2016 te Middelburg tezamen en in vereniging met een </emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">of meer</emphasis>
      <emphasis role="italic"> ander</emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">(en), althans alleen,</emphasis>
      <emphasis role="italic"> met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een pand aan de [a-straat 1] ) heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/elektriciteit, </emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">in elk geval enig goed,</emphasis>
      <emphasis role="italic"> geheel </emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">of ten dele </emphasis>
      <emphasis role="italic">toebehorende aan Enduris, </emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),</emphasis>
      <emphasis role="italic"> waarbij verdachte en/of zijn mededader</emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">(s) </emphasis>
      <emphasis role="italic">dat weg te nemen goed onder </emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">zijn/haar/</emphasis>
      <emphasis role="italic">hun bereik hebben gebracht door middel van </emphasis>
      <emphasis role="italic strike-through">braak en/of</emphasis>
      <emphasis role="italic"> verbreking”</emphasis>
    </para>
    <para />
  </parablock>
  <para>5. Het bestreden arrest houdt voor zover van belang voor de beoordeling van het middel het volgende in: </para>
  <section>
    <title>“Vonnis waarvan beroep </title>
    <bridgehead role="italic">Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met verbeterde lezing van de bewezenverklaring en behalve voor wat betreft de kwalificatie en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De verdediging heeft haar in eerste aanleg tot vrijspraak strekkende verweer herhaald. Tevens heeft de verdediging nog aangevoerd dat het voor medeplichtigheid beoogde dubbele opzet bij de verdachte ontbrak. De door de raadsman gevoerde bewijs verweren leiden niet tot een ander oordeel en worden voldoende weerlegd door de in het beroepen vonnis gebezigde bewijsmiddelen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bewezenverklaring </title>
    <bridgehead role="italic">Door de politierechter is onder feit 1 bewezenverklaard dat verdachte: </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">op 7 juni 2016 te Middelburg tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [a-straat 1] ) ongeveer 561 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof heeft de bewezenverklaring in zoverre verbeterd gelezen, dat in plaats van het bewezenverklaarde “</emphasis>561<emphasis role="italic">”, “</emphasis>561 hennepplanten<emphasis role="italic">” is gelezen. Uit zowel de motivering van de politierechter alsmede het strafdossier kan worden opgemaakt dat sprake is van een kennelijke vergissing bij het “uitstrepen” door de politierechter en/of de griffier. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De verdachte is door deze verbeterde lezing van de bewezenverklaring niet geschaad in de verdediging. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De kwalificatie </title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bewezenverklaarde moet worden gekwalificeerd als </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vordering benadeelde partij </title>
    <bridgehead role="italic">De benadeelde partij Enduris B.V. heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.314,52. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft de vordering onverkort gehandhaafd. </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof stelt voorop dat ook uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep voldoende is gebleken dat de benadeelde partij Enduris B.V. als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot na te melden bedrag. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof merkt op dat de vordering van Enduris B.V. tevens ziet op de kosten welke zijn gemaakt in het kader van het vooronderzoek ad € 740,-. Conform vaste jurisprudentie zal komen deze kosten die zijn gemaakt in het kader van de opsporing niet voor toewijzing in aanmerking. Aldus is aan de benadeelde partij Enduris B.V. schade toegebracht tot een toewijsbaar bedrag van ( € 4.314,52 -/- € 740,00=) € 3.574,52. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING </title>
    <bridgehead role="italic">Het hof: </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor weergegeven. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vordering van de benadeelde partij Enduris B.V. Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Enduris B.V. ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.574,52 (drieduizend vijfhonderdvierenzeventig euro en tweeënvijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Enduris B.V., ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.574,52 (drieduizend vijfhonderdvierenzeventig euro en tweeënvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat nu het hof ten aanzien van feit 1 tot een andere kwalificatie is gekomen de overige vragen van artikel 350 Sv voor dat feit niet zonder meer konden worden bevestigd. Daarnaast klaagt het middel blijkens de toelichting dat twee kwalificatiebeslissingen overblijven ten aanzien van dat eerste feit doordat het hof het vonnis heeft bevestigd en – wat er ook zij van de formulering “<emphasis role="italic">met inachtneming van het hiervoor overwogene</emphasis>” – op geen enkele wijze formeel heeft vernietigd. Verder zouden ook doublures ontstaan naar aanleiding van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van feit 2, nu zowel door de politierechter als door het hof de maatregel zoals bedoeld in artikel 36f Sr is opgelegd. </para>
    <para />
    <para>7. Artikel 423 Sv luidt, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“1. Het gerechtshof kan het vonnis hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen, behoudens terugwijzing op grond van het tweede lid.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. In geval van vernietiging van het vonnis is het gerechtshof niettemin bevoegd bepaalde gedeelten daarvan in zijn arrest over te nemen.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld.<footnote-ref linkend="_e20669fd-873e-4da8-bce4-36f438991520" /> Op grond van artikel 423 lid 1 Sv kan het hof – als het aan de beoordeling van het vonnis toekomt<footnote-ref linkend="_04b71a3a-61f9-4e00-99e9-043d4e6a8a48" /> – het vonnis van de rechtbank (geheel of gedeeltelijk) bevestigen of (geheel of gedeeltelijk) vernietigen. Bij een (gedeeltelijke) vernietiging doet het hof wat de rechtbank had behoren te doen, en dat is in dit verband: (1) beslissen en (2) motiveren. </para>
    <parablock>
      <para>De in artikel 423 Sv opgenomen wettelijke termen ‘bevestigen’ en ‘vernietigen’ (van het vonnis waartegen beroep is ingesteld) hebben betrekking op de <emphasis role="italic">beslissingen</emphasis> van de eerste rechter op de vraagpunten van de artikelen 348 en 350 Sv, die de rechter overeenkomstig artikel 358 Sv in zijn vonnis kenbaar moet maken. Met ieder van die beslissingen van de eerste rechter kan de beroepsrechter zich hetzij uitdrukkelijk verenigen, hetzij uitdrukkelijk <emphasis role="italic">niet</emphasis> verenigen. In het eerste geval bevestigt de beroepsrechter <emphasis role="italic">in zoverre</emphasis> het vonnis. In het tweede geval moet het vonnis door de beroepsrechter <emphasis role="italic">in zoverre</emphasis> expliciet worden vernietigd. Daarmee brengt de beroepsrechter tot uitdrukking dat in dezelfde zaak over hetzelfde vraagpunt niet twee verschillende beslissingen van twee verschillende rechters naast elkaar (kunnen) bestaan. Het overnemen van enkele (maar niet alle) van die beslissingen, heet het <emphasis role="italic">gedeeltelijk</emphasis> bevestigen van het vonnis, en dat <emphasis role="italic">moet</emphasis> in deze systematiek gepaard gaan met het <emphasis role="italic">gedeeltelijk</emphasis> vernietigen van het vonnis, namelijk ten aanzien van de uitdrukkelijk niet-overgenomen beslissingen. Het klassieke uitgangspunt dat het bevestigen van beslissingen die in de systematiek van de artikelen 348 en 350 Sv voortbouwen op vernietigde beslissingen niet mogelijk is, is inmiddels gerelativeerd.<footnote-ref linkend="_ed6dcd3c-7d9d-41d3-800b-777c85640af2" /></para>
      <para>De term ‘gronden’ in artikel 423 Sv verwijst naar de <emphasis role="italic">motivering</emphasis> van de beslissingen van de eerste rechter op de vraagpunten van de artikelen 348 en 350 Sv. De eerste rechter is op de voet van de artikelen 359, 359a lid 3 en 360 Sv gehouden de gronden voor zijn beslissingen in het vonnis op te nemen. Bij bevestiging van het vonnis kan de beroepsrechter (passages uit) die motivering overnemen, aanvullen of verbeteren. Ook bij vernietiging is het de beroepsrechter toegestaan om overeenkomstig artikel 423 lid 3 Sv passages uit het vonnis over te nemen.</para>
      <para>Het verdient volgens de Hoge Raad wel aanbeveling dat de beroepsrechter in geval van (partiële) vernietiging tot uitdrukking brengt in welk opzicht en om welke redenen het vonnis niet stand kan blijven en hoe de wijzigingen in het arrest worden vormgegeven.<footnote-ref linkend="_4967c98a-5c01-4ab9-b0d6-d5383180ec4f" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Kennelijke schrijffouten in het vonnis van de eerste rechter, waaronder die in de bewezenverklaring, zijn van het voorgaande uitgezonderd. Volgens de Hoge Raad ligt het op de weg van de beroepsrechter om kennelijke schrijffouten die voorkomen in het vonnis te verbeteren of verbeterd te lezen. Ingeval zo'n verbetering de bewezenverklaring betreft, houdt die slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de bewezenverklaring in en niet een ander oordeel omtrent hetgeen bewezen is.<footnote-ref linkend="_71ea6a54-22c7-44de-8626-0ebfa8849e8d" /> De steller van het middel gaat er dan ook terecht vanuit dat de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde door het hof verbeterd kon worden gelezen. </para>
    <para />
    <para>10. Voor zover het middel klaagt over een wijziging van de kwalificatiebeslissing kan het niet slagen. Het is niet de verbeterde lezing van de bewezenverklaring die noopt tot een wijziging van de kwalificatie.<footnote-ref linkend="_aabdedee-6402-45f3-882a-f976612b5a61" /> Zowel de bewezenverklaring van het hof als die van de politierechter betreft immers het <emphasis role="italic">aanwezig hebben</emphasis> van een bij de Opiumwet behorende lijst II verboden middel, als bedoeld in artikel 3 onder C van die wet. Ik meen dat hetgeen vooropgesteld is ten aanzien van kennelijke verschrijvingen in het vonnis van de eerste rechter eveneens toepassing vindt als het gaat om het verbeteren of verbeterd lezen van de kwalificatie door de beroepsrechter, zoals hier mijns inziens aan de orde is.<footnote-ref linkend="_ee7e012d-f24f-4f36-a29d-1b983645b030" /> Daardoor faalt de klacht dat het hof heeft verzuimd de kwalificatiebeslissing van de politierechter ten aanzien van feit 1. primair te vernietigen en dat in deze zaak op dat punt twee kwalificatiebeslissingen naast elkaar bestaan. Er bestaan immers geen twee kwalificatiebeslissingen ten aanzien van feit 1. primair. Het hof heeft de (evident onjuiste) kwalificatiebeslissing van de politierechter slechts verbeterd gelezen.</para>
    <para />
    <para>11. Ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gaat de steller van het middel uit van een verkeerde lezing van het vonnis van de politierechter. Anders dan de steller van het middel meent, heeft de politierechter namelijk geen maatregel zoals bedoeld in artikel 36f Sr opgelegd. De politierechter heeft daarvoor blijkens de het proces‑verbaal van de terechtzitting uitdrukkelijk gekozen omwille van de eigen incassodienst die de benadeelde partij Enduris B.V. kan inzetten om de schade op de verdachte te kunnen verhalen. De door de steller van het middel voorgehouden mogelijkheid dat de verdachte twee keer wordt lastiggevallen om aan de staat een geldbedrag te voldoen ten behoeve van het slachtoffer, zal zich daarom niet voordoen. </para>
    <para />
    <para>12. Artikel 423 Sv staat op zichzelf niet in de weg aan een gedeeltelijke vernietiging en een gedeeltelijke bevestiging van de beslissing(en) van de rechtbank ten aanzien van de sanctieoplegging.<footnote-ref linkend="_54e60721-d172-4db2-bb86-e36c0fde07f4" /> In het onderhavige geval heeft het hof echter nagelaten de strafoplegging (gedeeltelijk) te vernietigen, terwijl wel is overgegaan tot toevoeging van de schadevergoedingsmaatregel.<footnote-ref linkend="_4a09f8c8-c726-4b4e-bfca-babd9dfa104e" /> Het middel klaagt daarover echter niet. Uit de bespreking in het arrest van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgemaakt dat het hof niet heeft beoogd de gehele door de politierechter opgelegde sanctie te vernietigen.<footnote-ref linkend="_caeb6c3c-cf25-4499-bce8-450c929a2fa8" /> Nu het arrest van het hof niet onverenigbaar is met het gedeeltelijk bevestigde vonnis van de politierechter en uit het arrest in samenhang met het vonnis van de politierechter ondubbelzinnig blijkt welke straffen en welke maatregel aan de verdachte zijn opgelegd, zie ik hierin geen aanleiding om tot cassatie over te gaan.<footnote-ref linkend="_e8d37db2-a4ff-4eb9-a64d-1954e60a22c3" /></para>
    <para />
    <para>13. Uit het dictum van het arrest kan genoegzaam worden opgemaakt dat het hof het bestreden vonnis slechts <emphasis role="italic">partieel</emphasis> heeft willen bevestigen voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Die beslissingen heeft het hof kennelijk in de plaats willen stellen van de beslissingen die de politierechter in dat verband heeft genomen.<footnote-ref linkend="_f7515fe6-5460-4109-b74e-93570fdfe828" /> Ook hier zie ik geen aanleiding voor cassatie.</para>
    <para />
    <para>14. Het middel faalt in al zijn onderdelen. </para>
    <para />
    <para>15. Het <emphasis role="underline">tweede middel</emphasis>, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt dat de bewezenverklaring wat betreft het ‘medeplegen’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel ontoereikend is gemotiveerd. </para>
    <para />
    <para>16. Aan de bewezenverklaring zijn de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“- </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de (deels) bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 juli 2017</emphasis>
        <emphasis role="italic">;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, opgenomen als pagina 10 in het eindproces-verbaal nr. PL2000-2016095910 van de politie, eenheid Zeeland-West-Brabant, district Zeeland, basisteam Walcheren, opgemaakt in de wettelijke vorm</emphasis>
        <emphasis role="italic">. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als relaas van verbalisant:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 14 april 2016 kreeg ik, verbalisant [verbalisant 1] , een MMA melding binnen betreffende [a-straat 1] Middelburg . De tekst was: "Vermoedelijke hennepkwekerij. Het gaat om een bedrijfsunit waar af en toe iemand even komt. Er hangt een hennepgeur rondom het pand. " Op 19 april 2016 werd een onderzoek uitgevoerd en bleek [a-straat 1] een unit in een bedrijfsloods te betreffen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vervolgens heb ik een zogenaamde blokmeting aangevraagd bij de energieleverancier. Op 28 april 2016 kreeg ik bericht van [A] dat er inderdaad een hennepkwekerij op de gemeten lijn zat en dat er waarschijnlijk net geoogst was.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 17 mei 2016 is de blokmeting wederom gedaan. Op 24 mei 2016 kreeg ik de melding van [A] dat de blokmeting op de gemeten lijn positief was. Dit betekent dat er op de gemeten elektriciteitslijn waar ook [a-straat 1] te Middelburg op is aangesloten, een hennepkwekerij in bedrijf is.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit informatie van [A] bleek dat de huidige contractant voor het aansluitadres [a-straat 1] in Middelburg is [betrokkene 1] met geboortedatum [...] - [...] -1989. Zijn correspondentieadres is [b-straat 1] in [plaats] . Contract van [betrokkene 1] zou lopen vanaf 29 september 2015.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit gegevens van het Kadaster bleek bovenbedoelde loods eigendom te zijn van:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [betrokkene 1] , geboren te [geboorteplaats] op [...] - [...] -1989 en wonende te [plaats] , [b-straat 1] .</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [betrokkene 1] zou sinds 28-02-2008 eigenaar zijn.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, opgenomen als pagina 28 in het eindproces-verbaal nr. PL2000-2016095910 van de politie, eenheid Zeeland-West-Brabant, district Zeeland, basisteam Walcheren, opgemaakt in de wettelijke vorm</emphasis>
        <emphasis role="italic">. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als relaas van verbalisanten, althans een van hen:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 7 juni 2016, omstreeks 09.15 uur, werd de loods binnengetreden nadat het slot van de deur was geforceerd. In de loods werd een in werking zijnde hennepkwekerij met twee kweekruimtes aangetroffen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De loods stond in een rij aaneengesloten loodsen, het betrof de tweede loods aan de linkerzijde vanaf de weg. In de loods werd een afgetimmerde ruimte aangetroffen waarin drie ruimtes waren gecreëerd. In ruimte A werden 280 hennepplanten aangetroffen die in potten met aarde stonden.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">In ruimte B werden 281 hennepplanten aangetroffen die in potten met aarde stonden.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">In ruimte C hingen 48 transformators van 600 watt ten behoeve van ruimte A en B. Er hing een schakelbord, het schakelbord was ingesteld van 07.00 tot 19.00 uur en schakelde tussen ruimte A en B. Er stonden 16 cans groeimiddelen van 10 liter.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gezien de ons uit ervaring bekende en ook bij deze hennepplanten of delen daarvan waargenomen karakteristieke kenmerken als kleur, geur, uiterlijk en vorm, verklaar ik dat de door mij aangetroffen hennepplanten, hennepplanten van het geslacht Cannabis Sativa zijn.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hennep is genoemd in bijlage II onderdeel b van de Opiumwet.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">een bij voornoemd proces-verbaal van bevindingen gevoegde fotomap met foto’s van de aangetroffen situatie, opgenomen als pagina 30 e.v.;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">het ambtsedig proces-verbaal van aangifte, opgenomen als pagina 49 in het eindprocesverbaal nr. PL2000-2016095910 van de politie, eenheid Zeeland-West-Brabant, district Zeeland, basisteam Walcheren, opgemaakt in de wettelijke vorm</emphasis>
        <emphasis role="italic">. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als verklaring van [betrokkene 2] :</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Enduris B. V. heeft met een persoon/bedrijf genaamd [betrokkene 1] een overeenkomst betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar bovengenoemd perceel. Deze overeenkomst loopt sinds 29 september 2015.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Illegale aansluiting:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Na het verwijderen van het deksel van de aansluitkost zag de specialist dat er een illegale aansluiting was gemaakt op de bovenzijde van de zekering automaten. De zekering automaten waren vervangen. Uit ervaring weet hij dat door een illegale verzwaarde aansluiting, het mogelijk is meer vermogen af te nemen dan dat contractueel overeengekomen is. Daardoor werd schade en hinder veroorzaakt aan Enduris, omdat de juiste tarievenregeling niet juist kon worden toegepast.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Door dit alles wordt schade en hinder veroorzaakt aan Enduris B. V. omdat op deze wijze het elektriciteitsverbruik niet kan worden geregistreerd en in rekening kan worden gebracht. Als gevolg van de illegale afname van elektriciteit werd de afgenomen hoeveelheid elektriciteit niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd. De specialist heeft derhalve de elektriciteitsmeter met nummer [0002] verwijderd en de toevoer onderbroken.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">een bij voornoemd proces-verbaal van aangifte gevoegde foto van de aangetroffen situatie, opgenomen als pagina 51 e.v.</emphasis>
        <emphasis role="italic">;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">een bij voornoemd proces-verbaal van aangifte gevoegde notitie met foto’s van de aangetroffen situatie, opgenomen als pagina 52 e.v</emphasis>
        <emphasis role="italic">. Deze notitie houdt in, zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 3] :</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tijdens de inval d.d. 07-06-2016 ben ik als medewerker van [A] B.V., de serviceprovider van Enduris B. V. op verzoek van de Politie Zeeland-West-Brabant ter plaatse geweest bij de inval op voornoemd adres. Ik heb tijdens de inval het volgende geconstateerd.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Illegale aansluiting:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Na het verwijderen van het deksel van de aansluitkost zag ik dat er een illegale aansluiting was gemaakt op de bovenzijde van de zekering automaten. De zekering automaten waren vervangen. Uit ervaring weet ik dat door een illegale verzwaarde aansluiting, het mogelijk is meer vermogen af te nemen dan dat contractueel overeengekomen is. Ik weet dat daardoor schade en hinder werd veroorzaakt aan Enduris, omdat de juiste tarievenregeling niet juist kon worden toegepast.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Contractueel was er een aansluiting van 3x25 ampère, nu was er een aansluiting van 3x63 ampère. (Zie bijlage voor foto’s)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">het ambtsedig proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, opgenomen als pagina 57 in het eindproces-verbaal nr. PL2000-2016095910 van de politie, eenheid Zeeland-West- Brabant, district Zeeland, basisteam Walcheren, opgemaakt in de wettelijke vorm</emphasis>
        <emphasis role="italic">. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als verklaring van [betrokkene 1] :</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [a-straat 1] te Middelburg is mijn pand. Ik ben de eigenaar hiervan.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik heb dat pand in augustus of september 2015 gekocht. Ik heb er 69.000,- en een beetje voor betaald. Dat heb ik van mijn spaargeld gekocht.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor de verhuur als belegging.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Heeft u een huurcontract van de locatie ?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Ja, dat overhandig ik aan u.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Aan wie heeft u deze locatie verhuurd (Naam en adres c.q. verblijfplaats)?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , wonende te [c-straat 1] te [plaats] .</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Hoe lang/sinds wanneer heeft u deze locatie al verhuurd aan die persoon ?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Per 31 oktober 2015. Een jaarcontract tot 31 oktober2016.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Hoe ging de verhuur van het pand ?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Ik was in mijn loods bezig en toen stonden er ineens twee mannen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zij hadden interesse in de loods. Zij waren met een witte VW transporter nieuw model. Zij vertelden mij dat ze bij [B] werkten en een loods zochten voor hun gereedschap en materiaal.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Van die twee mannen was de ene [verdachte] en van de andere man weet ik geen naam. Ik deed zaken met [verdachte] . Hij deed het woord. Aangezien ik die loods toch wilde verhuren, kwamen wij uiteindelijk een huurprijs overeen van 600,- per maand.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Omdat die [verdachte] uit [plaats] kwam, maakte ik het huurcontract op en heb het contract via de post naar hem gestuurd. Hij heeft het getekend en terug gestuurd. Omdat wij beiden akkoord waren heb ik het ook getekend en met de sleutels van de loods opgestuurd naar zijn woning. Dit was ongeveer 1/2 (half) oktober.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Heeft u een telefoonnummer van deze persoon ?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: [0001] .</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: [verdachte] . Blanke grote vent, 1.85 M Lang, 23-24 jaar oud. fors postuur. Langer loshangend donkerbruin haar.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De andere man. Blank man. Iets kleiner dan [verdachte] . 1.80 M Lang, 28-29 jaar oud. Tenger postuur. Kort gemillimeterd blond haar.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verder heb ik al mijn zaken met hem via de post gedaan. Die andere man kwam omstreeks 1/2 (half) oktober bij mij thuis langs om de borg, de huur van november en december 2015 te betalen. Dit was 1800,- euro en is contant betaald in briefjes van 50,- </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Wat is er afgesproken over de energierekening ?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Die zou ik op naam houden en in de factuur van de huur doorberekenen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Weet u hoe hoog de energierekening was ?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A : 5 of 6 tientjes per maand.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Was u op de hoogte van het feit dat er een hennepkwekerij in uw pand zat ?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Nee.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Wanneer bent u voor het laatst in de locatie geweest ?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Twee keer. Een keer in februari. Ik wilde toen ook in de loods kijken met mijn reservesleutel en merkte dat de cilinder vervangen was. Aangezien zij een verhaal hadden over gereedschap en materialen, snap ik wel dat ze het slot vervangen. Daarna ben nog een keer in april langs geweest en toen heb ik een factuur in de bus gedaan. Verder is er toen aan mijn pand niets bijzonders opgevallen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Is er een fotokopie gemaakt van de ID van de huurder ?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Nee, mijn telefoon was leeg. Ik heb wel zijn personalia overgenomen van zijn ID-kaart. Dat was op de dag dat wij de huurprijs overeen kwamen in mijn loods. Ik heb hem toen ook zijn bankrekeningnummer gevraagd. Omdat ik de betalingen via de bank wilde doen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Hoe ging de betaling na 2015 verder ?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Vanaf januari tot april 2016 is er netjes via de bank betaald.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Van mei en juni 2016 heb ik nog geen geld ontvangen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: wat is het rekeningnummer waar vandaan er geld voor de huur is gestort ?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: [0003] tnv [verdachte] .</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Wat is het rekeningnummer waar geld op is gestort.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Mijn betaalrekening. [0004] .</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">het bij voornoemd proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte gevoegde huurcontract, wijziging banknummer en aanvraag automatisch betalen en facturen betreffende de huur.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>17. Blijkens het van de terechtzitting van 5 juli 2017 opgemaakte proces-verbaal heeft de verdachte aldaar voor zover relevant het volgende verklaard: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Op aanraden van mijn raadsman heb ik bij de politie niets verklaard. Nu wil ik wel verklaren.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik woon in [plaats] . Ik heb in het uitgaansleven in Rotterdam een persoon ontmoet, welke ook bij de hennepkwekerij betrokken was. Ik ken zijn naam wel, maar die wil ik niet noemen. Hij was Marokkaan. Hij had toen blond gemillimeterd haar.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hij deed iets met valse kleding en zocht een opslagplek.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik was op dat moment op zoek naar werk en hij wist een loods hier in Middelburg . Hij kwam met het adres. Wij zijn er samen naar toe gegaan. Hij deed het woord met verhuurder [betrokkene 1] . Ik heb ook wel met [betrokkene 1] gesproken. We hebben buitenom en in de loods gekeken, door in de deuropening te staan en te kijken. Ik heb die loods toen gehuurd voor die Marokkaan. Hij had niet het geld vrij om de loods te huren. Ik had wel geld en wilde hem helpen. Ik heb de huurovereenkomst getekend. In het begin wilde de verhuurder het geld contant. Ik heb de huur in het begin contant betaald en later steeds overgemaakt. Ik hield er 150 euro aan over. Dat werd door die derde persoon bij mij in een enveloppe in de brievenbus gedaan. Ik maakte 600 euro over aan [betrokkene 1] .</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op een gegeven moment kreeg ik een brief over deze zaak. Er blijkt nu dat er een kwekerij in die loods was opgezet. Ik wist daar niets van. Ik dacht dat hij de loods gebruikte voor opslag van namaakkleding. U zegt dat het voorhanden hebben of verhandelen van namaakkleding ook een misdrijf is. Ik vind misdrijf wel een groot woord.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik ben niet voor de kwekerij verantwoordelijk.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik noem de naam van die persoon niet omdat ik niet weet waar hij toe in staat is.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik heb me laten gebruiken. Ik dacht gemakkelijk geld te kunnen verdienen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">U zegt dat, wanneer ik de naam van deze persoon niet noem, ik verantwoordelijk ben voor de feiten. Dat begrijp ik.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik begrijp ook dat Enduris schade heeft geleden en dat ik dan nu de pineut ben en zal moeten betalen.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>18. Het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter bevat – voor zover van belang voor de beoordeling van dit middel – als bewijsoverwegingen: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen en in vereniging met een ander een grote hoeveelheid hennepplanten aanwezig heeft gehad in een loods aan de [a-straat 1] te Middelburg . Daarbij hebben zij een hoeveelheid energie weggenomen van Enduris, door een illegale aansluiting te maken in de meterkast van de loods.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De politierechter acht het verweer van verdachte, dat hij van niets heeft geweten en slechts heeft geholpen om een loods te regelen voor een Marokkaan, onaannemelijk. Verdachte meldt dit eerst op de zitting en het scenario kan niet worden gecontroleerd omdat hij de identiteit van die Marokkaan niet wil onthullen. De eigenaar van het pand, [betrokkene 1] , verklaart dat verdachte tezamen met een andere man bij hem is geweest. Dat die andere man een Marokkaans uiterlijk had, wordt door [betrokkene 1] niet gemeld. [betrokkene 1] zegt wel dat het verdachte was die met [betrokkene 1] onderhandelde en verder het woord deed, dit in tegenstelling tot hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard. Verdachte kan bezwaarlijk als katvanger worden gezien. Uit het onderzoek ter zitting is niet gebleken van een kwetsbare persoon met schulden. Verdachte regelde alles niet alleen in de aanvang, maar had ook in het verdere verloop een essentiële rol: hij deed de betalingen. De politierechter leidt daaruit af dat, indien het al een Marokkaan was die de kwekerij exploiteerde, verdachte toch een onmisbare rol heeft gespeeld. In het scenario van de verdachte komt het de politierechter voorts zeer onaannemelijk over dat hij (deels) betaalde omdat de Marokkaan geen gelden kon overmaken. Ter zitting verklaart verdachte voorts dat de Marokkaan geen geld vrij had om de huur te betalen. De politierechter acht vreemd omdat dat de vraag oproept hoe hij zijn handel in namaakkleding zou kunnen financieren.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten aanzien van de kwekerij heeft verdachte vanaf het begin een essentiële rol vervuld. Hij deed de onderhandelingen en deed het woord, hij betaalde de huur en hij had - naar eigen zeggen - ook (een deel van) de revenuen. De rol van verdachte overstijgt die van de medeplichtige. De politierechter acht dan ook het medeplegen van de strafbare feiten wettig en overtuigend bewezen.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>19. Verder overweegt het hof voor zover relevant nog: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“De verdediging heeft haar in eerste aanleg tot vrijspraak strekkende verweer herhaald. Tevens heeft de verdediging nog aangevoerd dat het voor medeplichtigheid beoogde dubbele opzet bij de verdachte ontbrak.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De door de raadsman gevoerde bewijs verweren leiden niet tot een ander oordeel en worden voldoende weerlegd door de in het beroepen vonnis gebezigde bewijsmiddelen.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>20. Blijkens de toelichting klaagt het middel dat de rechtbank en – door bevestiging van het vonnis in zoverre ook – het hof, door te overwegen dat de verdachte een “<emphasis role="italic">onmisbare rol heeft gespeeld</emphasis>”, de verdachte vanaf het begin een “<emphasis role="italic">essentiële rol</emphasis>” heeft vervuld en dat zijn rol “<emphasis role="italic">die van de medeplichtige [overstijgt]</emphasis>”, een onjuiste maatstaf hebben gehanteerd voor het medeplegen. De motivering van de bewezenverklaring met betrekking tot het medeplegen zou volgens de verdachte tekortschieten, nu daaruit niet méér zou kunnen blijken dan dat hij voor een ander de loods voor de hennepteelt heeft gehuurd, dienaangaande de betalingen heeft verricht en (een deel van) de opbrengst heeft gekregen, hetgeen nu juist zou wijzen op een rol als medeplichtige. </para>
    <para />
    <para>21. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2015/390, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2016/411 enige algemene beschouwingen gewijd aan de deelnemingsvorm ‘medeplegen’. Deze hebben in het bijzonder betrekking op de afbakening tussen ‘medeplegen’ en ‘medeplichtigheid’, met name in gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering van het delict.<footnote-ref linkend="_933572bb-2dcd-4d49-8827-7822725fb523" /> Het verwijt bij medeplegen concentreert zich op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict, terwijl het kernverwijt bij medeplichtigheid het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf is.<footnote-ref linkend="_cbf3df07-a509-430f-81fc-530b67558ad5" /></para>
    <para />
    <para>22. Voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat een nauwe en bewuste samenwerking kan worden bewezen. Die kwalificatie is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Ingeval het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), rust op de rechter de taak om de bewezenverklaring van dat medeplegen – met behulp van bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – nauwkeurig te motiveren. De voor de beoordeling van de nauwe en bewuste samenwerking relevante factoren zijn onder meer: de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.<footnote-ref linkend="_a4dc806e-b05b-4a56-a582-badf63f115f6" /> Aan het zich niet distantiëren komt op zichzelf geen grote betekenis toe. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.<footnote-ref linkend="_80920e31-1d03-4819-9fc3-a906bf5b8f85" /></para>
    <para />
    <para>23. De vraag of aan de voornoemde eisen is voldaan, laat zich volgens de Hoge Raad niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan hieromtrent geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten en door het beslissen van concrete gevallen. De toetsing in cassatie wordt sterk gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.<footnote-ref linkend="_cdcc9114-bad0-4a1d-a101-a87b5261025a" /></para>
    <para />
    <para>24. In het onderhavige geval heeft de politierechter en daarmee het hof de rol van de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten als onmisbaar aangemerkt, ook ingeval het de andere persoon (‘de Marokkaan’) was die de kwekerij exploiteerde. De basis daarvoor vindt de politierechter in de omstandigheid dat de verdachte alles in de aanvang heeft geregeld en in het verdere verloop een essentiële rol had in de vorm van het doen van de betalingen aan die eigenaar. Meer specifiek ten aanzien van de kwekerij heeft de politierechter overwogen dat de verdachte vanaf het begin een essentiële rol heeft gespeeld door het woord te doen en te onderhandelen met de eigenaar van de loods, de huur te betalen en ook (een deel van) de revenuen te ontvangen. Wat die laatste omstandigheid betreft draagt de steller van het middel als bezwaar aan dat niet duidelijk is uit welk bewijsmiddel dat volgt. Het laat zich voorstellen dat de politierechter die omstandigheid uit de verklaring van de verdachte heeft geput, zoals hierboven geciteerd onder 17. Wat het hof precies als het bewijsmiddel “<emphasis role="italic">de (deels) bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 juli 2017</emphasis>” heeft aangemerkt, is echter niet nader uitgewerkt. Al met al meen ik dat voor zover het de bewezenverklaring van feit 1 betreft, het medeplegen van het aanwezig hebben van de hennep, de bewijsmotivering niet de conclusie kan dragen dat de rol van de verdachte die van medeplichtige overstijgt. De inhoud van de bewijsmiddelen kan dat gebrek niet zonder meer opvangen.<footnote-ref linkend="_02fcd772-5a57-46c9-9595-a6f7b70c4e9b" /> In zoverre klaagt het middel dus terecht dat het arrest onvoldoende met redenen omkleed is. </para>
    <para />
    <para>25. Aan de bewezenverklaring van feit 2, het medeplegen van de diefstal van stroom, heeft de politierechter noch het hof een nadere overweging gewijd. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen door de aanleg van een verzwaarde aansluiting waardoor meer stroom kon worden afgenomen dan contractueel afgesproken met de eigenaar van de loods. Uit de bewijsmiddelen kan echter niet zonder meer worden opgemaakt dat het de verdachte is geweest die de hennepkwekerij heeft geëxploiteerd.<footnote-ref linkend="_91d46f99-54c3-4c33-879a-7c2687b30620" /> Evenmin kan blijken dat de verdachte betrokken is geweest bij de stroomafname buiten de meter om. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de diefstal in vereniging met braak is het arrest dus onvoldoende met redenen omkleed. Ook in zoverre is het middel terecht voorgesteld. </para>
    <para />
    <para>26. Het middel slaagt. </para>
    <para />
    <para>27. Het <emphasis role="underline">derde middel</emphasis> klaagt dat het hof is strijd met art 359 lid 3 Sv heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, terwijl de verklaring van de verdachte niet als een duidelijke en ondubbelzinnige bekentenis kan worden aangemerkt en bovendien namens hem vrijspraak is bepleit. </para>
    <para />
    <para>28. De politierechter en het hof hebben ten aanzien van een deel van de bewijsmiddelen volstaan met een verwijzing naar het procesdossier (zie alinea 16 hierboven). Het betreft onder meer de verwijzing naar de “<emphasis role="italic">(deels) bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 juli 2017</emphasis>”.</para>
    <para />
    <para>29. Art. 359 lid 3 Sv, dat op grond van art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing is, luidt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>30. Art. 359 lid 3 Sv moet volgens de Hoge Raad aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van genoemde bepaling, is mede afhankelijk van de – in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen – uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring.<footnote-ref linkend="_9404a383-eb40-4235-aa6c-1d5f42f4af33" /></para>
    <para />
    <para>31. In het onderhavige geval behoeft niet te worden toegekomen aan die begrijpelijkheidstoets, aangezien uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat aldaar namens de verdachte vrijspraak is bepleit. Reeds daarom had niet kunnen worden volstaan met de overname door het hof van de (gedeeltelijke) opgave van de bewijsmiddelen. </para>
    <para />
    <para>32. Het middel is terecht voorgesteld. </para>
    <para />
    <para>33. Het eerste middel kan niet slagen. Het tweede en derde middel zijn terecht voorgesteld.</para>
    <para />
    <para>34. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. </para>
    <para />
    <para>35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_e20669fd-873e-4da8-bce4-36f438991520" label="1">
    <para> De standaard is: HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2011/294, zie onder meer rov. 2.8.1 - 2.8.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_04b71a3a-61f9-4e00-99e9-043d4e6a8a48" label="2">
    <para> Het hof komt bijvoorbeeld (nog) niet toe aan een beoordeling van het vonnis indien het hoger beroep niet-ontvankelijk is of de dagvaarding in hoger beroep niet rechtsgeldig is uitgebracht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ed6dcd3c-7d9d-41d3-800b-777c85640af2" label="3">
    <para> HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2011/294; HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1576; HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372. Zie G.J.M. Corstens, <emphasis role="italic">Het Nederlands strafprocesrecht</emphasis>, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 964-965; B.F. Keulen &amp; G. Knigge, <emphasis role="italic">Strafprocesrecht</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 660. Vgl. het ‘blokkendoos’-principe zoals beschreven in A.E. Harteveld, ‘Bevestigen of vernietigen’, in: B.F. Keulen, G. Knigge &amp; H.D. Wolswijk (red.), <emphasis role="italic">Pet af </emphasis>(Liber Amicorum D.H. de Jong), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2007, p. 99-115, m.n. p. 101-103; H.G.M. Krabbe, <emphasis role="italic">Verzet en hoger beroep in strafzaken</emphasis>, Alphen aan den Rijn: Tjeenk Willink 1983, p. 176. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4967c98a-5c01-4ab9-b0d6-d5383180ec4f" label="4">
    <para> HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2011/294, rov. 2.6 en 2.8.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_71ea6a54-22c7-44de-8626-0ebfa8849e8d" label="5">
    <para> HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9191, rov. 2.3; HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6511, rov. 2.4. Vgl. ook HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:546.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aabdedee-6402-45f3-882a-f976612b5a61" label="6">
    <para> Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2011/294, rov. 3.1-3.3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ee7e012d-f24f-4f36-a29d-1b983645b030" label="7">
    <para> Vgl. HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9191, rov. 2.3; HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6511, rov. 2.4, zoals reeds in het voorgaande aangehaald, alsmede de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt voorafgaand aan HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:1891, onder 9. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_54e60721-d172-4db2-bb86-e36c0fde07f4" label="8">
    <para> HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372, rov. 3.3.3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a09f8c8-c726-4b4e-bfca-babd9dfa104e" label="9">
    <para> Hetgeen te gelden heeft als beslissing in het kader van de strafoplegging, zie HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, rov. 4.2. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_caeb6c3c-cf25-4499-bce8-450c929a2fa8" label="10">
    <para> Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voorafgaand aan HR 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1431. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e8d37db2-a4ff-4eb9-a64d-1954e60a22c3" label="11">
    <para> HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372, rov. 3.4; herhaald in HR 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1431, rov. 2.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f7515fe6-5460-4109-b74e-93570fdfe828" label="12">
    <para> Vgl. HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:299, rov. 3.4.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_933572bb-2dcd-4d49-8827-7822725fb523" label="13">
    <para> HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:83, rov. 2.3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cbf3df07-a509-430f-81fc-530b67558ad5" label="14">
    <para> HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2015/390, rov. 3.2.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a4dc806e-b05b-4a56-a582-badf63f115f6" label="15">
    <para> HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:83, rov. 2.3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_80920e31-1d03-4819-9fc3-a906bf5b8f85" label="16">
    <para> HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2015/390, rov. 3.2.2. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cdcc9114-bad0-4a1d-a101-a87b5261025a" label="17">
    <para> HR 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:336, rov. 2.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_02fcd772-5a57-46c9-9595-a6f7b70c4e9b" label="18">
    <para> Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voorafgaand aan HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:426, onder 12.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_91d46f99-54c3-4c33-879a-7c2687b30620" label="19">
    <para> Vgl. mijn conclusie voorafgaand aan HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2340, onder 12. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9404a383-eb40-4235-aa6c-1d5f42f4af33" label="20">
    <para> Zie HR 26 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5776, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2006/542, en HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1688, rov. 2.4.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>