<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:1175</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T11:01:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-11-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/05525</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2020:590" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:590, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JONDR 2020/14</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1175">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1175</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-02T14:39:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:1175 Parket bij de Hoge Raad , 15-11-2019 / 18/05525</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:1175:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Goederenrecht. Verpanding van auteursrecht op software. Is voldaan aan vereiste dat het object van pandrecht in de pandakte voldoende bepaald dan wel bepaalbaar is? Art. 3:84 lid 2 BW en art. 3:98 BW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:1175:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>18/05525</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting </emphasis>15 november 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>E.B. Rank-Berenschot</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">ING Bank N.V.</emphasis>,</para>
      <para>eiseres tot cassatie,</para>
      <para>adv.: mr. B.T.M. van der Wiel en mr. A. Stortelder</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">1. Mr. P.F. Schepel, </emphasis>in hoedanigheid van curator in het faillissement van CompLions B.V. </para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. BDO Advisory B.V.</emphasis>,</para>
      <para>verweerders in cassatie,</para>
      <para>adv.: mr. D.M. de Knijff</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak gaat over de vraag of ING Bank N.V. (hierna: <emphasis role="bold">ING</emphasis>) als pandhouder een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de auteursrechten op door de pandgever (CompLions B.V., hierna: <emphasis role="bold">CompLions</emphasis>) ontwikkelde software. In de betreffende pandakte is (onder meer) bepaald dat het pandrecht is gevestigd op “<emphasis role="italic">alle huidige en toekomstige bedrijfsactiva</emphasis>”, waarbij bedrijfsactiva zijn omschreven als “<emphasis role="italic">alle tot het bedrijf van de pandgever behorende goederen</emphasis>”. De centrale vraag is of deze (generieke) omschrijving voldoet aan het bepaaldheidsvereiste van art. (3:98 jo.) 3:84 lid 2 BW. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is en dat ING geen geldig pandrecht heeft verkregen op de auteursrechten. ING richt in deze (sprong)cassatieprocedure klachten tegen dit oordeel.</para>
    </parablock>
  </conclusie.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Feiten en procesverloop</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>De rechtbank heeft in het bestreden (mondelinge) vonnis geen feiten vastgesteld. Uit de processtukken kunnen de volgende, voor het beroep in cassatie relevante feiten worden afgeleid.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(i) CompLions exploiteerde een onderneming die zich bezighield met het ontwikkelen en in licentie geven van computerprogramma’s (software) voor de bescherming van persoonsgegevens en het waarborgen van de naleving van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen en voorschriften.<footnote-ref linkend="_cf8053ad-7ce5-4e35-ad81-813aa92a5dd8" /></para>
        <para>(ii) Bij geaccepteerde kredietofferte van 23 december 2008 heeft ING aan CompLions een werkkapitaalkrediet verstrekt. De geaccepteerde kredietofferte – tevens pandakte (hierna: <emphasis role="bold">de Pandakte</emphasis>) – is op 31 december 2008 geregistreerd bij de Belastingdienst.<footnote-ref linkend="_fcc9c671-f96b-4444-ba4b-5ab84c455dbe" /></para>
        <para>(iii) De Pandakte<footnote-ref linkend="_831efff5-2938-4e97-bd7a-dffdd9fd95ca" /> vermeldt onder meer (p. 3): </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Verpanding bedrijfsactiva:</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tot zekerheid van al hetgeen de kredietnemer schuldig is of wordt aan de kredietgever, verpandt de kredietnemer hierbij, voor zover nodig bij voorbaat, aan de kredietgever, die deze verpanding aanvaardt, alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva zoals omschreven in de Algemene Bepalingen van Pandrecht, voor zover niet eerder aan de kredietgever verpand (…)</emphasis>”</para>
        <para>(iv) In de Algemene Bepalingen van Pandrecht<footnote-ref linkend="_6738b638-3dc1-4ebc-a752-df545b63a016" /> behorende bij de Pandakte is het begrip ‘Bedrijfsactiva’ als volgt gedefinieerd (art. 1, aanhef en sub e):</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“</emphasis>
          <emphasis role="bold italic">Bedrijfsactiva:</emphasis>
          <emphasis role="italic"> alle tot het bedrijf van de Pandgever behorende goederen waaronder begrepen, maar niet beperkt tot de Bedrijfsuitrusting, Tegoeden, Vorderingen en Voorraden met inbegrip van:</emphasis>
        </para>
        <para>(I) <emphasis role="italic">cliëntenbestanden en de gegevensdragers waarop deze zich bevinden.</emphasis></para>
        <para>(II) <emphasis role="italic">goodwill, zijnde de meerwaarde van het bedrijf boven de som van vaste activa.”</emphasis></para>
        <para>(v) Bij pandovereenkomst van 15 juli 2016<footnote-ref linkend="_07dc45d6-4ffb-44fd-9283-117b24074795" /> heeft CompLions als pandgever ten behoeve van  BDO Consultants B.V. (tegenwoordig BDO Advisory B.V.<footnote-ref linkend="_d5425bdd-80cb-4749-8dc3-5feeb5ad8661" />, hierna: <emphasis role="bold">BDO</emphasis>) als pandhouder een pandrecht gevestigd op <emphasis role="italic">“de haar in eigendom toebehorende (intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot de) GRCcontrol (ISMScontrol) software”</emphasis> (hierna: de <emphasis role="bold">software</emphasis>).<footnote-ref linkend="_c3a90d14-6bbc-43a2-973f-ef16a1a8f654" /></para>
        <para>(vi) Op 16 mei 2017 is CompLions in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. P.F. Schepel als curator (hierna: <emphasis role="bold">de curator</emphasis>, en samen met BDO (in enkelvoud): <emphasis role="bold">de curator c.s.</emphasis>).<footnote-ref linkend="_308ca773-74fd-401c-bc45-a3b50ef9f2a9" /></para>
        <para>(vii) De curator heeft, met instemming van ING en BDO, de auteursrechten op de software verkocht en geleverd aan CompLions-GRC B.V. voor een koopsom van € 155.000.<footnote-ref linkend="_c345473b-0158-4ab1-b222-f643ac6007c3" /></para>
        <para>(viii) ING heeft bij de curator een vordering van € 140.951,13 (per faillissementsdatum) ingediend, te vermeerderen met rente en kosten.<footnote-ref linkend="_1064b56b-81fd-461c-b7b3-294057eee68f" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>Bij inleidende dagvaarding van 27 november 2017 heeft de curator c.s. ING gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd:</para>
        <para>	(i) een verklaring voor recht dat ING geen geldig pandrecht heeft op de auteursrechten ten aanzien van de door CompLions ontwikkelde software en dat de verkoopopbrengst van alle auteursrechten ad € 155.000 daarom niet toekomt aan ING, en</para>
        <para>	(ii) veroordeling van ING in de kosten van het geding.<footnote-ref linkend="_bab6fdc3-430d-45de-90a3-5bb1b3d969cc" /></para>
        <para>Aan zijn vordering legt de curator c.s. ten grondslag dat met de Pandakte geen pandrecht tot stand is gekomen op het auteursrecht op de software, omdat de omschrijving in de Pandakte onvoldoende bepaald althans onvoldoende bepaalbaar is.<footnote-ref linkend="_aee3579e-a398-4e16-897d-97fcccdc027c" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>ING voert gemotiveerd verweer. Zij voert aan dat het auteursrecht op de software een goed is dat tot het vermogen van de pandgever behoort en dus onder het in de Pandakte omschreven pandrecht op “alle tot het bedrijf van de pandgever behorende goederen” valt.<footnote-ref linkend="_ede4eed7-1705-490b-9ab5-da721c3a73a0" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <parablock>
        <para>In reconventie vordert ING op haar beurt:</para>
        <para>(i) een verklaring voor recht dat ING een rechtsgeldig eerste pandrecht heeft verkregen op (onder meer) het auteursrecht van CompLions op door haar ontwikkelde software,</para>
        <para>(ii) veroordeling van de curator tot afdracht van de verkoopopbrengst van voornoemd auteursrecht, een en ander tot het beloop van haar vordering op CompLions ad € 105.249,33, en</para>
        <para>(iii) hoofdelijke veroordeling van de curator en BDO in de proceskosten.<footnote-ref linkend="_682bb170-2c24-4180-98c2-82c2dea66e75" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>De curator c.s. heeft de reconventionele vordering gemotiveerd betwist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <parablock>
        <para>Op 27 september 2018 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Na sluiting van de behandeling van de zaak heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan, waarvan ingevolge art. 30p lid 3 Rv proces-verbaal is opgemaakt.<footnote-ref linkend="_31d74b6b-42df-42df-9393-e243201b6538" /></para>
        <para>De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat een omschrijving in een pandakte die erop neerkomt dat ‘alle goederen’ van de pandgever worden verpand, ook als deze zo zou worden uitgelegd dat deze alleen betrekking heeft op goederen waarop een pandrecht mogelijk is, onvoldoende bepaald en ook onvoldoende bepaalbaar is. </para>
        <para>De rechtbank heeft op die grond voor recht verklaard dat ING geen geldig pandrecht heeft op de auteursrechten ten aanzien van de door CompLions ontwikkelde software en dat de verkoopopbrengst van alle auteursrechten van € 155.000,- daarom niet toekomt aan ING; verder heeft zij ING veroordeeld in de proceskosten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>Partijen zijn sprongcassatie overeengekomen.<footnote-ref linkend="_3adcfb9c-5473-4faa-b44f-0c7459ed331e" /> ING heeft op 24 december 2018 (en dus tijdig<footnote-ref linkend="_6c4f0078-0585-464e-96e6-4dafaf004e44" />) een procesinleiding bij de Hoge Raad ingediend. De curator c.s. heeft geconcludeerd tot verwerping. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. ING heeft afgezien van repliek. De curator c.s. heeft een conclusie van dupliek genomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Bespreking van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>ING richt in cassatie klachten tegen het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven op p. 2 en 3 van het bestreden (mondelinge) vonnis. De rechtbank heeft daar als volgt overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De rechtbank oordeelt als volgt: de categorie ‘goederen’ is de meest algemene aanduiding die de wet kent, en omvat zaken (zowel roerende [als] onroerende zaken) en vermogensrechten. [Een] pandrecht is slechts mogelijk op bepaalde categorieën goederen, te weten roerende zaken en rechten die geen registergoed zijn. Op onroerende zaken en overige registergoederen kan geen pandrecht maar een hypotheekrecht worden gevestigd. Alleen al hierom voldoet de omschrijving van het pandrecht in een pandakte die inhoudt dat het pandrecht wordt gevestigd op ‘alle huidige en toekomstige bedrijfsactiva’, waaronder wordt verstaan ‘alle tot het bedrijf van de pandgever behorende goederen’ niet aan de vereiste bepaalbaarheid. Onder die omschrijving vallen immers ook goederen waarop geen pandrecht mogelijk is. Bovendien zou ook een omschrijving die met bovenstaand wettelijk systeem rekening houdt (door als omschrijving te kiezen: alle roerende zaken en vermogensrechten voor zover deze geen registergoederen zijn) niet voldoen aan het bepaalbaarheidsvereiste.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842 (Mulder q.q.-Rabobank), onder meer het volgende overwogen:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">3.5 Bij de beoordeling van deze onderdelen moet worden vooropgesteld dat voor het vestigen van een pandrecht op een of meer vorderingen voldoende is dat de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering(en) het gaat. Anders dan in onderdeel 1 wordt betoogd, kan een generieke omschrijving als hiervóór in 3.1 onder (v) weergegeven tot een geldige overdracht of verpanding leiden, omdat het generieke karakter van een dergelijke omschrijving en het ontbreken van een nadere specificatie van de betrokken vorderingen niet in de weg staan aan het oordeel dat een dergelijke omschrijving voldoet aan het vereiste van voldoende bepaaldheid in de zin van art. 3:84 lid 2 BW. (...)</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de Rechtbank dat met de onderhavige omschrijving van de verpande vorderingen aan het vereiste van voldoende bepaaldheid is voldaan, geeft gelet op het hiervóór overwogene niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is voor het overige van overwegend feitelijke aard, zodat het in zoverre in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk, nu aan de hand van de gegeven omschrijving kan worden bepaald welke vorderingen zijn verpand, namelijk alle ten tijde van de ondertekening van de pandakte (op 11 december 1998) bestaande vorderingen en alle vorderingen die uit op dat moment bestaande rechtsverhoudingen rechtstreeks zullen voortvloeien. Dat voor nadere specificaties te rade moet worden gegaan bij de boekhouding van de pandgever doet niet af aan de voldoende bepaaldheid van de vorderingen. In het licht van het debat van partijen voor de Rechtbank, waaruit blijkt dat tussen partijen niet in geschil was om welke aan de bank verpande en door deze geïnde vorderingen het hier gaat, behoefde dit oordeel geen nadere motivering dan door de Rechtbank gegeven. Ook onderdeel 2 faalt derhalve.</emphasis>”</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het gaat in het oordeel van de Hoge Raad echter wel om een pandakte waarin niet een pandrecht is gevestigd op “alle goederen”, maar op een specifieke categorie goederen te weten vorderingen op derden. Deze worden er bovendien door gekenmerkt dat hun bestaan en omvang uit de administratie kan worden afgeleid. Dat behoeft echter niet voor “alle goederen” (of “alle roerende zaken en alle [vermogensrechten] voor zover die geen registergoederen zijn”) te gelden, zoals ook blijkt uit de in de pandakte genoemde voorbeelden: cliëntenbestanden en goodwill. Cliëntenbestanden plegen niet op de balans te worden vermeld, goodwill kan soms op de balans voorkomen, maar dat is niet altijd het geval. Ook in dit geval gaat het om een auteursrecht dat niet op de balans is vermeld.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De conclusie moet dan zijn dat een omschrijving die erop neerkomt dat deze alle goederen van de pandgever betreft, ook als deze zo zou [worden] uitgelegd dat deze alleen betrekking heeft op de goederen waarop een pandrecht mogelijk is, onvoldoende bepaald en ook onvoldoende bepaalbaar is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dat leidt ertoe dat de vordering van de curator c.s. wordt toegewezen, met een kostenveroordeling ten laste van ING. De vordering in reconventie wordt afgewezen, ook met een kostenveroordeling ten laste van ING.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.3.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Onderdeel 1</emphasis> stelt, zo vat ik het samen, aan de orde <emphasis role="italic">hoe wordt bepaald</emphasis> of aan het vereiste van voldoende bepaaldheid is voldaan.</para>
          <para>ING klaagt dat de rechtbank met haar oordeel heeft miskend dat het bij het antwoord op de vraag of de omschrijving van de pandobjecten in de pandakte voldoende bepaald is, aankomt op de zin die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de <emphasis role="italic">Haviltex</emphasis>-maatstaf). </para>
          <para>ING voert daartoe aan dat zij heeft gesteld (i) dat redelijkerwijs geen discussie kan bestaan over de strekking van de omschrijving, namelijk dat alle goederen behorende tot het bedrijf van de pandgever die zich voor verpanding lenen zijn verpand, (ii) dat (naar niet in geschil is<footnote-ref linkend="_2eae16c6-7ba2-48f1-ac2f-6ce063e803f1" />) de auteursrechten op de door CompLions ontwikkelde software voor verpanding vatbare goederen zijn die tot het bedrijf van CompLions behoren, en (iii) dat hieruit volgt dat verpanding van dit auteursrecht is beoogd.<footnote-ref linkend="_2a4125b8-b673-4182-87f3-ff23ea2e426a" /></para>
          <para>De rechtbank heeft volgens ING ten onrechte geen betekenis toegekend aan die niet mis te verstane bedoeling van partijen, althans haar oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat de rechtbank niet of onvoldoende op dit betoog van ING heeft gereageerd. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Onderdeel 2</emphasis> ziet op de vraag <emphasis role="italic">wanneer</emphasis> aan het vereiste van voldoende bepaaldheid is voldaan. </para>
          <para>ING klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat ook voor de verpanding van ‘andere goederen’ dan vorderingsrechten op derden aan het vereiste van voldoende bepaaldheid is voldaan als de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke goederen het gaat. Bij s.t. verwijst ING in dit verband naar de arresten <emphasis role="italic">ING Bank/Muller q.q.</emphasis><footnote-ref linkend="_115c5d02-a06c-4130-8144-2ee091b04e15" /> en <emphasis role="italic">Norma/NLKabel </emphasis><footnote-ref linkend="_ae07653f-58a2-4d48-9d51-c7a7f4eb81d4" />, met de toevoeging dat het voor de hand ligt dat ook andere goederen dan vorderingsrechten in beginsel door middel van een generieke omschrijving kunnen worden overgedragen en verpand, nu art. 3:84 lid 2 BW slechts één bepaaldheidsvereiste kent voor overdracht (en verpanding) van alle goederen.<footnote-ref linkend="_45e884d6-fb5f-431d-b9d1-9d076ff5166c" /></para>
          <para>Voor zover de rechtbank dit niet heeft miskend, is haar oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. ING voert hiertoe aan dat zij zich op het standpunt heeft gesteld (i) dat aan de hand van de omschrijving in de pandakte genoegzaam kan worden vastgesteld welke goederen van CompLions zijn verpand, namelijk alle goederen (vanzelfsprekend slechts voor zover deze zich voor verpanding lenen), (ii) dat juist bij een generieke omschrijving de reikwijdte duidelijk is en de ruimte voor discussie minimaal is: alle verpandbare goederen van CompLions zijn verpand, (iii) dat (naar niet in geschil is<footnote-ref linkend="_7dd1569a-75d2-436e-87d6-869a86251b2f" />) het auteursrecht op de door CompLions ontwikkelde software een voor verpanding vatbaar goed is behorende tot het bedrijf van CompLions, en (iv) dat hieruit volgt dat dit auteursrecht is verpand.<footnote-ref linkend="_a390f715-6c37-46d2-94e6-77e27b12a683" /></para>
          <para>De rechtbank heeft volgens ING niet of onvoldoende op dit betoog van ING gereageerd. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.3</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Onderdeel 3</emphasis> klaagt erover dat de rechtbank haar oordeel dat de omschrijving in de pandakte onvoldoende bepaald (en bepaalbaar) is, heeft gebaseerd op de overwegingen (i) dat – anders dan voor vorderingen op derden – niet voor ‘alle goederen’ (of ‘alle roerende zaken en alle vermogensrechten voor zover die geen registergoederen zijn’) geldt dat hun bestaan en omvang uit de administratie van de pandgever kan worden afgeleid, (ii) dat ook de in de akte genoemde voorbeelden (cliëntenbestanden en goodwill) niet (altijd) op de balans plegen te worden vermeld, en (iii) dat het ook in dit geval gaat om een auteursrecht dat niet op de balans is vermeld. </para>
          <para>Volgens ING heeft de rechtbank hiermee miskend dat een generieke omschrijving van de objecten van het pandrecht niet slechts voldoende is indien, althans voor zover, het bestaan of de omvang daarvan uit de administratie blijkt en/of voor zover die objecten op de balans zijn vermeld. Zij voert daartoe aan dat de omschrijving in de pandakte immers voldoende bepaald is als, eventueel achteraf, aan de hand van de gegevens in de pandakte kan worden vastgesteld om welke goederen het gaat.</para>
          <para>Bij s.t. voegt ING hieraan toe dat identificatie kan plaatsvinden met behulp van alle in aanmerking komende middelen, ook door subjectieve partijverklaringen. Volgens haar gaat het er immers slechts om, indien daarover geschil bestaat, (in rechte) vast te stellen welke goederen partijen hebben beoogd te verpanden. Tussen partijen is niet in geschil dat het auteursrecht op de door CompLions ontwikkelde software een voor verpanding vatbaar goed is behorende tot het bedrijf van CompLions. Daarmee valt het auteursrecht niet alleen onder de omschrijving in de pandakte, maar is het ook reeds geïdentificeerd, aldus ING.<footnote-ref linkend="_7b38dcfa-5c77-4ffd-b202-b7a58e038979" /></para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.4</nr>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 4</emphasis> berust op de lezing dat in het oordeel van de rechtbank besloten ligt dat een omschrijving in de pandakte alleen dan voldoende bepaald is en tot een rechtsgeldige verpanding heeft geleid, indien vast komt te staan dat alle goederen die onder de omschrijving vallen kunnen worden geïdentificeerd. Het klaagt dat dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. De omschrijving van de pandobjecten leidt tot het ontstaan van een pandrecht op de verpandbare goederen die onder de omschrijving vallen en kunnen worden geïdentificeerd, aldus ING.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Alvorens op deze klachten in te gaan, schets ik het juridisch kader.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Pandrecht op auteursrechten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>In deze zaak is de vraag aan de orde of een rechtsgeldig pandrecht is verkregen op de auteursrechten op door de pandgever ontwikkelde software. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Het auteursrecht is het uitsluitend recht van de maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld (art. 1 Auteurswet, hierna: <emphasis role="bold">Aw</emphasis>). Dit recht ontstaat automatisch door het maken van het werk.<footnote-ref linkend="_78f15762-7e3d-4e5d-aabc-772cc538e2ad" /> Het is vatbaar voor gehele of gedeeltelijke overdracht (art. 2 lid 1 Aw). De voor overdracht vereiste levering van het auteursrecht dient te geschieden door een daartoe bestemde akte (art. 2 lid 3 Aw). Verpanding van het auteursrecht geschiedt op overeenkomstige wijze door een pandakte (art. 3:236 lid 2 BW).<footnote-ref linkend="_2c3a54f9-584c-4779-9ee4-161b46b8478c" /> Aan deze akte worden geen bijzondere eisen gesteld. Een toekomstig auteursrecht kan bij voorbaat worden geleverd op grond van art. 3:97 BW jo. 2 lid 3 Aw. Het kan eveneens bij voorbaat worden verpand (art. 3:97 BW jo. 3:236 lid 2 BW jo. 2 lid 3 Aw).<footnote-ref linkend="_c6902574-581a-47fe-8202-e3c34f26fc30" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>In deze zaak is niet in geschil dat met de Pandakte en de registratie daarvan aan het vestigingsvereiste is voldaan.<footnote-ref linkend="_e802f5d8-2268-451b-a0b9-96e345193031" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Art. 3:84 lid 2 BW brengt (via de schakelbepaling van art. 3:98 BW) ook voor de verpanding van auteursrechten mee dat het te verpanden goed bij de titel met voldoende bepaaldheid moet zijn omschreven.<footnote-ref linkend="_c4eba6da-9af5-46ba-9408-1fdcffb7edb4" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bepaaldheidsvereiste – algemeen</emphasis>
          <footnote-ref linkend="_6eb69bc4-022c-414b-825b-0fb986a46ac1" />
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak van uw Raad ligt in het wettelijk stelsel – later aangeduid als art. 3:84 lid 2 in verbinding met art. 3:98 BW – het vereiste besloten dat het verpande goed ten tijde van de verpanding met voldoende bepaaldheid in de pandakte moet zijn omschreven.<footnote-ref linkend="_e99afe41-253a-4b65-bf71-5a62c3dafbd4" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <para>Dit zogenoemde ‘bepaaldheidsvereiste’ heeft een specificatie-/identificatiefunctie en een legitimatiefunctie: slechts indien duidelijk is welke objecten door de pandgever worden verpand, kan de verpanding worden bewerkstelligd en de pandhouder zich als zodanig legitimeren.<footnote-ref linkend="_7e735c1b-d68f-4e62-99b2-a507266967a8" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <para>Het bepaaldheidsvereiste is in de parlementaire geschiedenis, rechtspraak en literatuur met name tot ontwikkeling gekomen in het kader van de (overdracht en) verpanding van vorderingen op naam. Ik schets daarom hierna eerst de stand van zaken rondom de betekenis van het bepaaldheidsvereiste voor de verpanding van vorderingen, waarna ik zal uiteenzetten dat een en ander naar mijn mening eveneens heeft te gelden voor andere goederen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12</nr>
      <para>In de (op dit punt zeer summiere) parlementaire geschiedenis wordt ten aanzien van de mate van bepaaldheid van een cessie van een toekomstige vordering opgemerkt dat voldoende is dat de vordering ‘’<emphasis role="italic">identificeerbaar” </emphasis>is op het moment dat de vordering door de cedent wordt verkregen.<footnote-ref linkend="_5e84aa94-26cb-4e61-bc4c-ab7ae27548e5" /> Daarbij wordt verwezen naar de (eerdere) parlementaire geschiedenis van Boek 3 BW, waarin is opgemerkt dat het aan het oordeel van de rechter is overgelaten welke mate van bepaaldheid aanwezig moet zijn<footnote-ref linkend="_944c7723-1c04-4ccf-b0d9-c8a0465c4da3" />, en dat de bepaaldheidseis “<emphasis role="italic">ruim kan worden genomen</emphasis>”.<footnote-ref linkend="_0b0b9c9c-8a9c-4997-a380-9c00317a89e4" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13</nr>
      <para>De beoordeling van de vraag of in een specifieke situatie is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste is overgelaten aan de feitenrechter en zal van geval tot geval moeten worden bezien.<footnote-ref linkend="_3e37e99f-ce4a-4027-9f37-d666dfb84c5a" /> Het kan van de aard van het desbetreffende goed afhangen in welke mate bepaaldheid is vereist.<footnote-ref linkend="_07c99462-859e-4c83-ab59-53193e4af0b1" /> Het oordeel is van overwegend feitelijke aard en kan daarom in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst.<footnote-ref linkend="_0231447d-7893-4cd7-ae5b-d3d7e61fa343" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14</nr>
      <para>Indien het goed niet in voldoende mate in de pandakte is bepaald, is de (akte van) verpanding niet rechtsgeldig.<footnote-ref linkend="_85256c7d-6656-4beb-ad1d-676ed9157b42" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bepaaldheidsvereiste in de rechtspraak – vorderingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15</nr>
      <para>Uit de rechtspraak van uw Raad, waarin het bepaaldheidsvereiste zoals gezegd voornamelijk met betrekking tot vorderingen aan bod is gekomen, blijkt dat er geen strenge eisen aan de vereiste bepaaldheid worden gesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16</nr>
      <para>Zo brengt het bepaaldheidsvereiste niet mee dat de verpande vorderingen <emphasis role="italic">in</emphasis> de pandakte zelf moeten worden gespecificeerd, bijvoorbeeld door vermelding van (bijzonderheden van) de verpande vorderingen. Het is evenmin noodzakelijk om, tegelijk met de pandakte, pandlijsten te registreren of in de pandakte te verwijzen naar pandlijsten. Met het bepaaldheidsvereiste wordt door uw Raad soepel omgegaan: in het arrest <emphasis role="italic">Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.</emphasis><footnote-ref linkend="_31eb1abf-6721-4148-8e11-f32088c35b1b" /> oordeelde uw Raad dat voldoende is “<emphasis role="italic">dat de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat</emphasis>”. Deze maatstaf is daarna regelmatig herhaald.<footnote-ref linkend="_4016fbc2-e320-428f-8deb-f07675b66420" /> Daarmee geldt in feite een bepaal<emphasis role="italic">baar</emphasis>heidseis.<footnote-ref linkend="_35185793-6b25-4653-b126-0a5ee6efedae" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17</nr>
      <para>De vraag hoe specifiek de gegevens in de akte dienen te zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.<footnote-ref linkend="_33da54be-c3f1-42cd-9967-e97089458dbc" /></para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De generieke omschrijving – vorderingen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18</nr>
      <parablock>
        <para>In rechtspraak van uw Raad is eveneens bepaald dat in de pandakte kan worden volstaan met een generieke omschrijving van de verpande vorderingen, zoals ‘<emphasis role="italic">alle ten tijde van de ondertekening van de akte bestaande rechten of vorderingen jegens derden</emphasis>’ of ‘<emphasis role="italic">alle rechten of vorderingen jegens derden die worden verkregen uit de ten tijde van de ondertekening van de akte bestaande rechtsverhoudingen met die derden</emphasis>’.<footnote-ref linkend="_f738e8c5-753c-49c4-826d-b805839fcf02" /></para>
        <para>Uw Raad oordeelde in het arrest <emphasis role="italic">Mulder q.q./Rabo – </emphasis>aangehaald door de rechtbank in het thans bestreden vonnis (zie hiervoor onder 2.1) – dat een dergelijke generieke omschrijving tot een geldige overdracht of verpanding kan leiden, omdat het generieke karakter van een dergelijke omschrijving en het ontbreken van een nadere specificatie van de betrokken vorderingen niet in de weg staan aan het oordeel dat een dergelijke omschrijving voldoet aan het vereiste van voldoende bepaaldheid in de zin van art. 3:84 lid 2 BW.<footnote-ref linkend="_9d926ba0-f49c-4878-b742-6f81b721c5ad" /></para>
        <para>Over de in die zaak gehanteerde generieke omschrijving<footnote-ref linkend="_aa9b1038-407d-44b4-afcc-fd9e52a25b63" /> oordeelde uw Raad dat het oordeel van de rechtbank dat daarmee aan het vereiste van voldoende bepaaldheid was voldaan, niet onbegrijpelijk is. Daarvoor was redengevend dat aan de hand van de gegeven omschrijving kan worden bepaald welke vorderingen zijn verpand, namelijk alle ten tijde van de ondertekening van de pandakte bestaande vorderingen en alle vorderingen die uit op dat moment bestaande rechtsverhoudingen rechtstreeks zullen voortvloeien. Dat voor nadere specificaties te rade moet worden gegaan bij de boekhouding van de pandgever doet volgens uw Raad niet af aan de voldoende bepaaldheid van de vorderingen.<footnote-ref linkend="_6f6fa52b-b490-42ed-a7eb-040d4e7500c8" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bepaaldheid van vorderingen – stand van zaken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19</nr>
      <para>In zijn arrest <emphasis role="italic">Dix q.q./ING</emphasis><footnote-ref linkend="_f5da8ce0-58dc-49cb-896f-7fbf0bae4129" /> (betreffende een ‘verzamelpandakte’-constructie waarbij de pandgevers alleen generiek in de pandakte zijn omschreven en hun namen niet worden genoemd) heeft uw Raad het leerstuk van de bepaaldheid van vorderingen als volgt samengevat.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“4.6.2 Bij verpanding van vorderingen op naam moeten de vorderingen – overeenkomstig art. 3:98 in verbinding met art. 3:84 lid 2 BW – ten tijde van de verpanding in voldoende mate door de in art. 3:239 lid 1 BW bedoelde akte worden bepaald. Deze eis van voldoende bepaaldheid mag niet strikt worden uitgelegd (vgl. HR 20 september 2002, <emphasis role="italic">LJN </emphasis>AE7842, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/182, alsmede Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1248). Aan het oordeel van de rechter is overgelaten in welke mate deze vorderingen, indien zij niet reeds ten tijde van de verpanding zijn bepaald, bepaalbaar moeten zijn (vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 402).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor het overdragen of verpanden van vorderingen op naam noodzakelijk, maar ook voldoende, dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. De enkele omstandigheid dat voor nadere specificaties te rade moet worden gegaan bij de boekhouding van de pandgever en van de bank, brengt niet mee dat de verpande vorderingen onvoldoende bepaalbaar zijn (vgl. HR 20 september  2002, <emphasis role="italic">LJN</emphasis> AE7842, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/182). De vraag hoe specifiek die gegevens dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval (vgl. HR 4 maart 2005, <emphasis role="italic">LJN</emphasis> AR6165, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2005/326). Een generieke omschrijving van de te verpanden vorderingen kan tot een geldige verpanding leiden indien aan de hand van de gegeven omschrijving kan worden bepaald welke vorderingen zijn verpand, en wie dus de pandgevers zijn. Het ontbreken van nadere specificaties van de betrokken vorderingen hoeft daarom niet eraan in de weg te staan dat zij voldoende bepaald zijn in de zin van art. 3:84 lid 2 BW.”</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bepaaldheidsvereiste – andere goederen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20</nr>
      <para>Hoewel de in <emphasis role="italic">Mulder q.q./Rabo</emphasis> gehanteerde generieke omschrijving (slechts) vorderingen betrof, volgt uit andere uitspraken dat de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaf voor het bepaaldheidsvereiste tevens geldt voor andere soorten goederen. Ook valt daaruit af te leiden dat een generieke omschrijving die meer omvat dan (slechts) vorderingen kan voldoen aan het bepaaldheidsvereiste. Ik noem de volgende uitspraken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21</nr>
      <para>In het arrest <emphasis role="italic">ING Bank/Muller q.q. </emphasis>(gewezen op dezelfde dag als <emphasis role="italic">Mulder q.q./Rabo</emphasis>) overwoog uw Raad (met mijn onderstreping):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“5.2.2 De eis dat het verpande goed met voldoende bepaaldheid omschreven moet zijn, is neergelegd in art. 3:84 lid 2 in verbinding met art. 3:98 BW. Aan die eis is in het algemeen voldaan als de akte van verpanding zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk goed het gaat (vgl. HR 16 juni 1995, nr. 15687, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1996, 508, en HR 20 juni 1997, nr. 16365, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1998, 362). <emphasis role="underline">Er is geen reden daarover anders te oordelen bij de verpanding van auteursrechten op software, zoals hier aan de orde</emphasis>. Het Hof heeft dan ook terecht deze maatstaf toegepast<emphasis role="italic">.</emphasis>” <footnote-ref linkend="_24e189f3-dd43-4248-9f7f-8a820694d951" /></para>
        <para>	Het oordeel van het hof dat in dit geval de software voldoende is omschreven<footnote-ref linkend="_920cc95d-4534-4025-bc2a-15f4bcb8a00f" />, is volgens uw Raad voor het overige van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. </para>
        <para>Hieruit volgt dat de maatstaf zoals geformuleerd in <emphasis role="italic">Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. </emphasis>(en later regelmatig herhaald) ook geldt voor de verpanding van andere goederen (waaronder auteursrechten op software). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.22</nr>
      <parablock>
        <para>Een jaar later wees uw Raad het arrest <emphasis role="italic">De Liser de Morsain/Rabobank</emphasis><footnote-ref linkend="_b3acbf18-6148-4b68-b511-8e7db2302c8a" /><emphasis role="italic">, </emphasis>waarin door middel van een fusieakte tussen twee banken ‘<emphasis role="italic">overige activa</emphasis>’ en ‘<emphasis role="italic">overige debiteuren</emphasis>’ werden overgedragen. De voorliggende vraag was of met deze generieke omschrijving een bepaalde vordering rechtsgeldig was overgedragen. Het hof oordeelde dat de betreffende vordering onvoldoende duidelijk in de akte was omschreven. In cassatie werd tegen dit oordeel geklaagd.</para>
        <para>Uw Raad herhaalde wederom dat vaste rechtspraak is dat voor het overdragen of verpanden van vorderingen op naam vereist, maar ook voldoende, is dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld, om welke vordering(en) het gaat. Vervolgens oordeelde uw Raad (met mijn onderstreping:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“4.3 (…) Indien het Hof zou hebben geoordeeld dat de omschrijving in de fusieakte: ‘<emphasis role="underline">overige activa</emphasis>’ of ‘overige debiteuren’ niet voldoet aan het zo-even bedoelde vereiste van voldoende bepaalbaarheid, is het Hof uitgegaan van een andere - en derhalve onjuiste - maatstaf dan hiervoor is vermeld. Indien het Hof zou hebben geoordeeld dat de vordering van de Rabobank Rijswijk op De Liser de Morsain niet valt onder de genoemde omschrijving, is zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.”</para>
        <para>Hieruit kan worden afgeleid dat de omschrijving ‘<emphasis role="italic">overige activa</emphasis>’ aan het bepaaldheidsvereiste kan voldoen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.23</nr>
      <parablock>
        <para>In 2005 volgde het arrest <emphasis role="italic">[A] / [B]</emphasis>.<footnote-ref linkend="_7284aaca-2815-46cc-8420-fabcbefc4b26" /> Het ging in deze zaak om inbreng van een eenmanszaak in een besloten vennootschap. De akte van inbreng bepaalde dat ‘<emphasis role="italic">alle activa van gemelde onderneming</emphasis>’ werden ingebracht. Het hof diende onder meer te beslissen op het verweer van [B] dat de door [A] B.V. gestelde vorderingen onvoldoende in de akte van cessie (in dit geval: de akte van oprichting en inbreng) waren bepaald omdat ook achteraf aan de hand van die akte niet kon worden vastgesteld dat deze vorderingen aan [A] B.V. waren overgedragen. Het hof liet dit verweer slagen. </para>
        <para>Bij de beoordeling van de tegen het oordeel van het hof gerichte cassatieklacht stelt uw Raad voorop dat voor het overdragen of verpanden van vorderingen op naam vereist, maar ook voldoende is, dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat, en dat de vraag hoe specifiek die gegevens dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uw Raad vervolgt (met mijn onderstreping): </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“3.6 (…) In een geval als het onderhavige, waarin volgens de overgelegde akte van oprichting en inbreng, die te dezen als akte van cessie kan gelden, <emphasis role="underline">‘alle activa van gemelde onderneming’</emphasis>, een eenmanszaak, zijn ingebracht in een besloten vennootschap, behoeft het ook bij betwisting door de schuldenaar in beginsel geen nadere motivering dat een in de uitoefening van de eenmanszaak ontstane vordering tot de overgedragen activa behoort. Dit geldt ook indien de schuldenaar die overdracht betwist op de grond dat de vordering een dubieuze debiteur betrof. Indien het hof dit heeft miskend, heeft het van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven; indien het van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, is zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.”</para>
        <para>Ook in dit arrest vind ik steun voor de opvatting dat een generieke omschrijving als ‘<emphasis role="italic">alle activa</emphasis>’ kan voldoen aan het bepaaldheidsvereiste.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bepaaldheidsvereiste – naburige rechten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.24</nr>
      <parablock>
        <para>Dat niet alle omschrijvingen voldoen aan het bepaaldheidsvereiste kan worden afgeleid uit het arrest <emphasis role="italic">Norma/NLKabel</emphasis>.<footnote-ref linkend="_7c0ca963-5961-4d02-af3c-a8d8187a3c39" /></para>
        <para>In dit arrest oordeelde uw Raad dat de eis van voldoende bepaaldheid ook geldt in geval van overdracht van toekomstige goederen en dat zij mede de overdracht van naburige rechten betreft (rov. 4.4.2). Onder verwijzing naar <emphasis role="italic">ING Bank/Muller q.q.</emphasis> overwoog uw Raad (wederom) dat aan deze eis in het algemeen is voldaan als de akte van levering zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk goed het gaat (rov. 4.4.2). Het hof had in (rov. 5.5 van) het bestreden arrest overwogen dat voor een rechtsgeldige levering van alle bestaande en toekomstige naburige rechten tenminste is vereist dat, eventueel achteraf, alle naburige rechten die de desbetreffende naburig kunstenaar heeft verkregen, kunnen worden geïdentificeerd. Uw Raad oordeelde ten aanzien van deze overweging:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“4.4.2 (…) Door te oordelen dat alle over te dragen naburige rechten aan de hand van de leveringsakte (in dit geval de exploitatieovereenkomsten) moeten kunnen worden geïdentificeerd, heeft het hof geen aanvullend vereiste in de bepaalbaarheidstoets geïntroduceerd, doch slechts tot uitdrukking gebracht dat die eis betrekking heeft op elk van de over te dragen goederen. Dat oordeel is juist. Het onderdeel faalt.”</para>
        <para>In het bestreden arrest kwam het hof (in de opvolgende rov. 5.6) tot het oordeel dat de in deze casus gebezigde omschrijving (aan Norma werden - bij voorbaat -  overgedragen alle naburige rechten op het bestaande en toekomstige repertoire van de uitvoerend kunstenaars alsook (vrijwel) alle aan die naburige rechten verbonden bevoegdheden<footnote-ref linkend="_5bcb4197-f678-4ab7-8a4f-3564c06398b8" />) onvoldoende bepaald was. Het hof onderbouwde dit als volgt: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Naburige rechten komen van rechtswege te rusten op alle uitvoeringen die door een uitvoerend kunstenaar worden verricht. Van een uitvoering door een uitvoerend kunstenaar is bijvoorbeeld al sprake wanneer een uitvoerend kunstenaar een (voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komend) lied in de vrienden- of familiekring uitvoert. Reeds in dit licht kan niet worden volgehouden dat al het repertoire waarop een uitvoerende kunstenaar naburige rechten verkrijgt (achteraf) kan worden geïdentificeerd, zodat de in de exploitatie-overeenkomsten gebezigde omschrijving (zie de rovv. 5.2 en 5.4) onvoldoende bepaald is.”</para>
        <para>In cassatie werd geklaagd dat het hof met dit oordeel buiten de rechtsstrijd van partijen was getreden. Uw Raad overwoog daaromtrent (rov. 4.5.2):</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Het onderdeel faalt. NLKabel c.s. hebben in de feitelijke instanties betoogd dat art. 3:84 lid 2 BW in de weg staat aan overdracht van alle toekomstige rechten van de naburig rechthebbende. Door naar aanleiding van dit verweer te onderzoeken of de omschrijving in de exploitatieovereenkomsten van de over te dragen rechten voldoet aan de in art. 3:84 lid 2 BW gestelde eis van voldoende bepaaldheid, is het hof niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. Evenmin is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door te refereren aan een voorbeeld (uitvoeringen in familie- of vriendenkring) dat niet door partijen ter sprake was gebracht. Het stond het hof vrij zijn rechtsoordeel in rov. 5.6, dat naburige rechten van rechtswege komen te rusten op alle uitvoeringen die door uitvoerende kunstenaars worden verricht, met een voorbeeld te illustreren.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.25</nr>
      <para>Uw Raad heeft in dit arrest dus geen oordeel gegeven over het (overwegend feitelijke) oordeel van het hof dat de betreffende generieke omschrijving niet voldoet aan de eis van voldoende bepaaldheid, maar slechts bezien of het hof met dit oordeel buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.26</nr>
      <parablock>
        <para>Dat het hof tot het oordeel kwam dat (kort gezegd) de omschrijving ‘alle naburige rechten op het bestaande en toekomstige repertoire’ niet aan het bepaaldheidsvereiste voldoet, is daarin gelegen dat dergelijke rechten volgens het hof niet (allemaal) achteraf kunnen worden geïdentificeerd. </para>
        <para>Naburige rechten zijn rechten die verwant zijn aan het auteursrecht en die dienen ter bescherming van de prestaties van onder meer uitvoerende kunstenaars.<footnote-ref linkend="_16d17547-ecda-46ac-bd99-3499c57ab5ca" /> Een naburig recht ontstaat op het moment van de uitvoering door de uitvoerend kunstenaar.<footnote-ref linkend="_6934667d-389b-46e7-a97e-25b3258fa14a" /> Hierbij is voor te stellen dat het (achteraf) vaststellen welke uitvoeringen (in de privésfeer) hebben plaatsgevonden en welke naburige rechten daaruit zijn ontstaan, een lastige (zo niet onmogelijke) opgave is.</para>
        <para>Dat ligt mijns inziens eenvoudiger in de onderhavige cassatieprocedure, waarin het gaat om auteursrechten in plaats van naburige rechten. Auteursrechten ontstaan (automatisch) wanneer een maker een werk van letterkunde, wetenschap of kunst <emphasis role="italic">maakt</emphasis> (en niet telkens wanneer het werk wordt <emphasis role="italic">uitgevoerd</emphasis>). Dergelijke werken zijn in de regel eenvoudiger traceerbaar.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Opvattingen in de literatuur – generieke omschrijving andere goederen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.27</nr>
      <para>Ook in de literatuur wordt wel betoogd dat een generieke omschrijving zoals in deze casus aan de orde is (‘alle huidige en toekomstige bedrijfsactiva’) voldoet aan het bepaaldheidsvereiste. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.28</nr>
      <para>Zo menen Reehuis en Heisterkamp<footnote-ref linkend="_e8cde9ed-53c6-4f88-aefe-17d9a2b6dea1" /> dat omschrijvingen als ‘alle activa van de onderneming’, ‘overige activa’ en ‘overige debiteuren’, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, voldoende bepaaldheid kennen. Zij merken daarbij op dat niet elke generieke omschrijving voldoet om een individuele vordering te kunnen identificeren als geleverd. De akte moet nog steeds voldoende gegevens bevatten aan de hand waarvan een individuele vordering valt te identificeren. Een akte waarbij ‘de helft van alle vorderingen’ wordt gecedeerd, voldoet daar bijvoorbeeld niet aan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.29</nr>
      <para>Volgens Faber<footnote-ref linkend="_4ee3050c-f5e3-48b0-9844-392d452c387c" /> voldoen aanduidingen als ‘alle roerende zaken’ (of zo men wil ‘alle huidige en toekomstige roerende zaken’), ‘alle vorderingen op debiteuren’ of ‘alle (voor verpanding vatbare) goederen’ aan het bepaaldheidsvereiste, omdat eenvoudig – zo nodig achteraf – kan worden vastgesteld om welke zaken, vorderingen respectievelijk goederen het gaat. De aanduiding ‘alle’ brengt volgens Faber met zich dat in de regel geen verdere specificatie nodig is om de latere identificatie te kunnen uitvoeren. Deze identificatie kan, zo nodig achteraf, met behulp van alle daarvoor in aanmerking komende middelen geschieden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.30</nr>
      <para>Schuijling<footnote-ref linkend="_4e7a8ccf-657e-4f17-abec-da85a6b1888a" /> betoogt dat indien meerdere goederen tegelijkertijd worden geleverd, de eis van voldoende bepaaldheid met zich brengt dat aan de hand van de leveringshandeling al deze goederen geïndividualiseerd moeten kunnen worden. De eis van voldoende bepaaldheid belet volgens hem niet dat deze goederen bij de levering generiek kunnen worden aangeduid. Hij benoemt daarbij dat aanduidingen als ‘alle roerende zaken’ of ‘alle vorderingen’ in dat verband geschikte omschrijvingen van goederen zijn. Voor zover goederen door middel van een akte worden geleverd, is het volgens vaste rechtspraak in het algemeen voldoende dat de <emphasis role="italic">akte</emphasis> zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk goed het gaat. Schuijling stelt vast dat de Hoge Raad deze maatstaf heeft toegepast op de levering en verpanding van vorderingen en van intellectuele eigendomsrechten, zoals auteursrechten en naburige rechten. Er is volgens hem geen goede reden om dezelfde maatstaf niet tevens toe te passen ten aanzien van andere goederen die eveneens bij akte worden geleverd of bezwaard, zoals aandelen in een besloten of naamloze vennootschap.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.31</nr>
      <para>Specifiek ten aanzien van auteursrechten (op software) merken Struik, Hoorneman en Van Schelven<footnote-ref linkend="_64e92974-2038-431e-854d-879a6808b665" /> op dat een document waarin ‘alle goederen’ die tot een onderneming behoren aan een ander worden overgedragen, ook een akte is in de zin van art. 2 Aw. Een dergelijke overdracht omvat volgens hen mede de overdracht van het auteursrecht.<footnote-ref linkend="_6168c292-4eb9-4002-9821-22169cfd0379" /> Zij merken daarbij wel op dat partijen in hun onderlinge afspraken niet altijd duidelijk tot uiting brengen of de overdracht van het auteursrecht op software in hun transactie is meegenomen, en wijzen in dit verband op een uitspraak van de rechtbank Utrecht waarin een dergelijke overdracht in geval van een activa/passiva-transactie niet werd aangenomen.<footnote-ref linkend="_6b775741-05d8-4637-a0ab-aa8a7d3652bb" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.32</nr>
      <para>Volgens Verdaas<footnote-ref linkend="_77caf228-a8f9-4974-9b68-e935dbc9b574" /> zijn de te verpanden vorderingen in de akte (slechts) met voldoende bepaaldheid omschreven indien deze in de pandakte globaal zijn omschreven <emphasis role="italic">en</emphasis> met behulp van de administratie van de pandgever te individualiseren zijn. Als individualisering niet mogelijk is, bijvoorbeeld doordat de pandgever geen administratie van zijn vorderingen bijhoudt, zijn volgens hem de vorderingen door een globale omschrijving in de pandakte onvoldoende bepaald.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Opvattingen in de literatuur – omschrijving auteursrechten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.33</nr>
      <para>Aan de literatuur valt het volgende te ontlenen met betrekking tot de vraag in hoeverre auteursrechten in de akte moeten worden bepaald.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.34</nr>
      <parablock>
        <para>Schuijling<footnote-ref linkend="_a0bf535a-e1fd-48a9-be0c-1c7702e4750b" /> is van mening dat uit het arrest <emphasis role="italic">Norma/NLKabel</emphasis> niet mag worden afgeleid dat de levering van een ‘geheel repertoire’ onvoldoende bepaald zou zijn. Hij meent dat het vereiste van bepaaldheid geenszins de levering van een ‘geheel repertoire’ verhindert, nu deze eis niet belet dat bij de levering de goederen generiek kunnen worden aangeduid. Naast geaccepteerde aanduidingen als ‘alle roerende zaken’ of ‘alle vorderingen’ valt volgens Schuijling niet in te zien waarom in dit verband een omschrijving als ‘het gehele repertoire’ ongeschikt zou zijn ter identificatie van de geleverde goederen. </para>
        <para>Van Engelen<footnote-ref linkend="_d4bee414-118f-4d25-af5a-8f8d4410a782" /> is van mening dat – op grond van de algemene maatstaf dat de akte zodanige gegevens moet bevatten dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld welke goederen partijen op het oog hadden – voor verpanding van een toekomstig IE-recht niet de eis gesteld dient te worden dat bijvoorbeeld een auteursrechtelijk werk naar vorm en inhoud in grote lijnen vast staat en met de uitvoering een begin is gemaakt. Het bij voorbaat verpanden van alle werken van een bepaalde auteur lijkt volgens hem aan de eis van een voldoende mate van bepaaldheid te voldoen.</para>
        <para>Ook Belder<footnote-ref linkend="_a47d61d8-bc1b-4900-bb70-8719a7ccf9da" /> meent dat een algemene formulering als: ‘hierbij worden alle auteursrechten die vennootschap A heeft op haar werken verpand aan vennootschap B’ en, ten aanzien van toekomstige auteursrechten, ‘hierbij worden bij voorbaat alle auteursrechten die vennootschap A op haar werken zal verkrijgen verpand aan vennootschap B’, voor het bepaaldheidsvereiste afdoende zou moeten zijn. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.35</nr>
      <para>Kritischer zijn Spoor, Verkade en Visser.<footnote-ref linkend="_e0263abb-0127-4251-ac8b-ba454c41c8e0" /> Zij menen dat het oordeel van de Hoge Raad in <emphasis role="italic">Norma/NLKabel</emphasis> de weg heeft vrijgemaakt voor individuele gevallen van overdracht van auteursrecht op nog te maken werken, die ‘met voldoende bepaaldheid omschreven’ zijn. Aan deze eis achten zij te zijn voldaan bij een voldoende omschrijving naar inhoud en karakter, bijvoorbeeld een te schrijven boek over een bepaald onderwerp in een bepaalbaar genre met een enigszins bepaalde omvang, of een te maken verfilming van een bestaand boek. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tussenconclusie I</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.36</nr>
      <para>Mijns inziens kan uit het voorgaande worden geconcludeerd dat de door uw Raad geformuleerde maatstaf dat de akte zodanige gegevens moet bevatten dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld, om welk(e) goed(eren) het gaat, geldt voor alle soorten goederen, waaronder auteursrechten (op software). Ook meen ik dat een generieke omschrijving zoals in de onderhavige casus is gehanteerd, kan voldoen aan het bepaaldheidsvereiste. Niet valt in te zien waarom hier anders tegenaan zou moeten worden gekeken ten aanzien van andere goederen dan vorderingen, waarvoor een dergelijke generieke omschrijving door uw Raad uitdrukkelijk is gehonoreerd. Van belang is (slechts) dat – eventueel achteraf – aan de hand van de akte kan worden vastgesteld om welke goederen het gaat. Wat in een concreet geval nodig is voor de identificatie van de geleverde dan wel verpande goederen, hangt af van de omstandigheden van het geval.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Het bepaaldheidsvereiste – objectief of subjectief?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.37</nr>
      <para>Hiervoor heb ik geconcludeerd dat aan het bepaaldheidsvereiste in het algemeen is voldaan indien de akte van levering (dan wel verpanding) zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk(e) goed(eren) het gaat, en dat deze maatstaf (dus) ook geldt voor andere goederen dan vorderingen. Een vervolgvraag die dan rijst, is hoe de vraag naar voldoende bepaaldheid moet worden beantwoord: aan de hand van een objectieve of een subjectieve maatstaf?<footnote-ref linkend="_0154d89d-dee9-4c28-8fb9-f02ea66fe049" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.38</nr>
      <para>Ik stel hierbij voorop dat indien partijen van mening verschillen over de vraag <emphasis role="italic">of</emphasis> zij bepaalde goederen al of niet hebben willen verpanden, uitleg van de pandakte noodzakelijk is. Voor deze uitleg is – evenals voor de uitleg van de titel – de <emphasis role="italic">Haviltex</emphasis>-maatstaf aangewezen.<footnote-ref linkend="_3ff1b30c-b662-44db-a9d6-c59ef8afa00a" /> Dit is echter een andere vraag dan de vraag of de omschrijving van de te verpanden goederen in de akte voldoet aan het bepaaldheidsvereiste. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.39</nr>
      <para>In het arrest <emphasis role="italic">Wagemakers q.q/Rabo</emphasis> oordeelde uw Raad dat een onjuiste aanduiding van een verpande vordering in de pandakte of de pandlijst niet in de weg hoeft te staan aan een rechtsgeldige verpanding van die vordering, mits achteraf aan de hand van <emphasis role="italic">objectieve gegevens</emphasis> kan worden vastgesteld welke vordering de pandgever met deze aanduiding op het oog moet hebben gehad.<footnote-ref linkend="_a6230e81-0310-4787-900b-5327b450902f" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.40</nr>
      <para>Mede op grond van deze uitspraak wordt in de literatuur dikwijls aangenomen dat de vraag naar voldoende bepaaldheid aan de hand van een <emphasis role="italic">objectieve maatstaf</emphasis> dient te worden beoordeeld. De gedachte is dat de eis van goederenrechtelijke bepaaldheid betrekking heeft op de vaststelling van goederenrechtelijke verhoudingen die door derden moeten worden gerespecteerd.<footnote-ref linkend="_a76e5f16-4b27-4821-b20c-249a89a9a073" /> Van voldoende bepaaldheid is sprake indien aan de hand van de (globale) omschrijving in de akte naar <emphasis role="italic">objectieve</emphasis> maatstaven c.q. op grond van andere objectieve gegevens (buiten de akte) – eventueel achteraf – kan worden vastgesteld op welk goed de vestiging ziet.<footnote-ref linkend="_a7d86ad2-ed9b-43a6-a752-0bdeb9850095" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.41</nr>
      <para>Zo meent Rongen<footnote-ref linkend="_6c551e13-11c6-431c-8d68-7e3d723f9b3a" /> dat men in het oog moet houden dat voor een geldige cessie of verpanding niet voldoende is dat partijen van elkaar weten welke vordering wordt gecedeerd of verpand. Volgens hem brengen het aktevereiste en de daarmee nagestreefde rechtszekerheid mee dat de partijbedoeling <emphasis role="italic">aan de hand van de akte</emphasis>, eventueel in combinatie met buiten de akte gelegen <emphasis role="italic">objectieve</emphasis> gegevens, moet kunnen worden vastgesteld. Volgens Rongen verlangen het belang van de met de akte nagestreefde rechtszekerheid en de derdenwerking van het goederenrecht dat objectief kan worden vastgesteld of er een cessie of verpanding heeft plaatsgevonden. Dat heeft met uitleg van de (bewoordingen van de) akte niets van doen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.42</nr>
      <para>Sommige schrijvers menen echter dat de subjectieve uitleg van de pandakte aan de hand van de <emphasis role="italic">Haviltex</emphasis>-maatstaf doorwerkt althans zou moeten doorwerken in (de maatstaf voor) het bepaaldheidsvereiste.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.43</nr>
      <parablock>
        <para>Zo is volgens Verstijlen<footnote-ref linkend="_c52551fc-fd2a-4149-8757-dbf4dd0a9da2" /> met de uitleg van cessie- en pandakten aan de hand van de <emphasis role="italic">Haviltex</emphasis>-norm, ingevuld als in het arrest <emphasis role="italic">De Liser de Morsain/Rabo</emphasis>, “elk spoortje objectiviteit verdwenen”. Hij spreekt de vrees uit dat deze subjectieve uitleg doorwerkt in het bepaaldheidsvereiste. Uitleg van de akte gaat logischerwijs vooraf aan de vraag of met die akte aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan. Men moet immers eerst vaststellen wat de akte betekent, wat de akte bepaalt, voordat men toekomt aan de vraag of het verpande daarmee voldoende is bepaald. Het ligt niet in de lijn van verwachting dat een grote rol is weggelegd voor een vereiste van ‘objectieve gegevens’ indien eerst aan de hand van verklaringen, gedragingen en verwachtingen mag worden bepaald tot verpanding van welke vorderingen een pandakte strekt, aldus Verstijlen. </para>
        <para>Schuijling<footnote-ref linkend="_646dfac3-e393-4fb2-bf84-32678e75d805" /> meent dat uit het arrest <emphasis role="italic">Wagemakers q.q./Rabo</emphasis> niet mag worden afgeleid dat de vaststelling van de te verpanden vorderingen <emphasis role="italic">uitsluitend</emphasis> kan geschieden aan de hand van objectieve gegevens. Dat zou volgens hem een te strenge invulling van de eis van voldoende bepaaldheid opleveren, die onvoldoende steun vindt in de wet en de overige rechtspraak van de Hoge Raad op het punt van voldoende bepaaldheid. Gelet op de (loutere) identificatiefunctie van het bepaaldheidsvereiste volstaat volgens hem dat door uitleg in voldoende mate kan worden vastgesteld wat partijen hebben beoogd te leveren. Onder verwijzing naar het arrest <emphasis role="italic">De Liser de Morsain/Rabo</emphasis> stelt Schuijling dat bij de vaststelling van de partijbedoeling ten aanzien van het geleverde goed rekening mag worden gehouden met gegevens die buiten de vestigingshandeling zelf liggen. </para>
        <para>Kaptein<footnote-ref linkend="_81d51001-c16c-4341-ae84-76563385e2d0" /> bepleit een subjectieve maatstaf voor het bepaaldheidsvereiste. Hij stelt dat het hanteren van een objectief bepaaldheidsvereiste voor een pandakte het nut ontneemt van een subjectieve uitleg van diezelfde akte. Onder verwijzing naar het criterium voor het bepaaldheidsvereiste – t.w. dat de akte zodanige ‘gegevens’ bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat – betoogt hij dat men ook de subjectieve partijbedoeling als ‘<emphasis role="italic">gegevens’</emphasis> uit de akte kan aanmerken, ook als deze subjectieve partijbedoeling niet met zoveel woorden in de akte staat. Dit kan er aldus toe leiden dat bepaaldheid achteraf kan worden vastgesteld aan de hand van de subjectieve partijbedoeling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.44</nr>
      <para>Ik merkte hiervoor al op dat uitleg van de pandakte geschiedt aan de hand van de <emphasis role="italic">Haviltex</emphasis>-maatstaf. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zou de feitenrechter daarom tot de conclusie kunnen komen dat ondanks een generieke omschrijving in de akte, de pandhouder er niet op heeft mogen vertrouwen dat de pandgever daadwerkelijk heeft beoogd ‘alle’ vorderingen (dan wel andere goederen), ongeacht hun aard, te verpanden.<footnote-ref linkend="_21678756-db92-46f0-9da4-3c4e27770ac0" /> Voor de vraag of een vordering dan wel een ander goed door de akte wordt geleverd of verpand, moet men immers zowel nagaan of die vordering met de omschrijving in de leverings- of  pandakte is <emphasis role="italic">bedoeld</emphasis>, als ook of met betrekking tot die vordering wordt voldaan aan het vereiste dat deze voldoende <emphasis role="italic">bepaalbaar</emphasis> is.<footnote-ref linkend="_3b44ba6f-737c-49c8-99a8-2e1b799d736d" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tussenconclusie II</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.45</nr>
      <para>Mede gelet op het arrest <emphasis role="italic">De Liser de Morsain/Rabo, </emphasis>waarin uitdrukkelijk werd onderscheiden tussen uitleg van de akte aan de hand van de <emphasis role="italic">Haviltex</emphasis>-norm enerzijds (rov. 4.4) en het bepaaldheidsvereiste anderzijds (rov. 4.3), meen ik, in lijn met hetgeen als heersende leer lijkt te kunnen worden aangemerkt, dat de (zelfstandige) vraag naar voldoende bepaaldheid aan de hand van een <emphasis role="italic">objectieve</emphasis> maatstaf moet worden beantwoord. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling van de klachten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.46</nr>
      <para>Tegen de achtergrond van het voorgaande kom ik tot de behandeling van de klachten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.47</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 1</emphasis> faalt. De rechtbank heeft in haar mondelinge vonnis geoordeeld dat geen geldig pandrecht tot stand is gekomen op het auteursrecht van CompLions op de software, nu niet aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan. Hiervoor is reeds uiteengezet dat de (zelfstandige) vraag naar voldoende bepaaldheid aan de hand van een <emphasis role="italic">objectieve</emphasis> maatstaf moet worden beantwoord. Dat de rechtbank niet de <emphasis role="italic">Haviltex</emphasis>-maatstaf heeft gehanteerd en niet is ingegaan op de gestelde partijbedoeling, waarover met dit onderdeel wordt geklaagd, is in dit licht onjuist noch onbegrijpelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.48</nr>
      <para>Ik merk hierbij op dat de vraag of partijen de <emphasis role="italic">bedoeling</emphasis> hebben gehad om de auteursrechten van CompLions op de software te verpanden, een vraag van uitleg van de pandakte is die (wel) aan de hand van de <emphasis role="italic">Haviltex</emphasis>-maatstaf moet worden beantwoord. De rechtbank is aan deze vraag echter niet toegekomen, nu volgens de rechtbank (reeds) geen geldig pandrecht is gevestigd op de auteursrechten op de software omdat niet aan het bepaaldheidsvereiste ex art. 3:84 lid 2 BW is voldaan.<footnote-ref linkend="_ce5da5c2-b2aa-4556-b1fc-84afa3c7929d" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.49</nr>
      <para>De <emphasis role="underline">onderdelen 2 en 3</emphasis> slagen. De rechtbank heeft haar oordeel dat de omschrijving ‘<emphasis role="italic">alle huidige en toekomstige bedrijfsactiva</emphasis>’ waaronder wordt verstaan ‘<emphasis role="italic">alle tot het bedrijf van de pandgever behorende goederen</emphasis>’ niet aan de vereiste bepaaldheid c.q. bepaalbaarheid voldoet, gebaseerd op de argumenten dat:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>1) onder deze omschrijving ook goederen vallen waarop geen pandrecht <emphasis role="italic">mogelijk</emphasis> is; en</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	zo deze omschrijving geacht moet worden alleen betrekking te hebben op goederen waarop een pandrecht mogelijk is:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2) het in <emphasis role="italic">Mulder q.q/Rabo</emphasis> gaat om een pandakte waarin niet een pandrecht is gevestigd op ‘alle goederen’, maar op een <emphasis role="italic">specifieke</emphasis> categorie goederen, te weten vorderingen op derden;</para>
        <para>3) niet voor ‘alle goederen’ geldt dat zij – zoals vorderingen – erdoor worden gekenmerkt dat hun bestaan en omvang uit de <emphasis role="italic">administratie </emphasis>kan worden afgeleid; </para>
        <para>hetgeen ook blijkt uit de in de pandakte genoemde voorbeelden: cliëntenbestanden plegen niet op de balans te worden vermeld en goodwill kan soms op de balans voorkomen, maar dit is niet altijd het geval;</para>
        <para>4) het ook in dit geval gaat om een auteursrecht dat niet op de <emphasis role="italic">balans</emphasis> is vermeld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met dit oordeel heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. </para>
        <para>De rechtbank heeft – zoals <emphasis role="underline">onderdeel 2</emphasis> terecht stelt – met dit oordeel miskend dat ook voor de verpanding van andere goederen dan vorderingsrechten op derden aan het vereiste van voldoende bepaaldheid is voldaan, indien de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke goederen het gaat. </para>
        <para>De rechtbank heeft hiermee eveneens miskend – waarover door ING wordt geklaagd in <emphasis role="underline">onderdeel 3</emphasis> – dat een generieke omschrijving van de goederen waarop het pandrecht rust niet slechts voldoende is indien, althans voor zover, het bestaan of de omvang van deze goederen uit de administratie blijkt en/of voor zover die goederen op de balans zijn vermeld. Voldoende is dat aan de hand van de akte naar objectieve maatstaven globaal kan worden bepaald welke goederen zijn verpand. Een nadere specificatie kan op alle daartoe geschikte wijzen plaatsvinden; deze is niet beperkt tot vermelding op de balans van de pandgever. </para>
        <para>In dit kader is relevant dat tussen partijen niet in geschil is dat het auteursrecht op de door CompLions ontwikkelde software een (voor verpanding vatbaar) goed is behorende tot het bedrijf van CompLions.<footnote-ref linkend="_fb011d40-1e54-4f33-aa6d-403fc46341b7" /> CompLions heeft deze auteursrechten immers verpand aan BDO<footnote-ref linkend="_2c736b8f-2e37-4269-869c-c4bda02d8106" /> en deze auteursrechten zijn ook door de curator verkocht en geleverd.<footnote-ref linkend="_fd54b1ac-5647-488a-a9b6-e51840b89cab" /> Verder bevinden de administratie van CompLions en meer in het bijzonder haar in de loop der jaren ontwikkelde software zich volgens de onweersproken stelling van de curator c.s. op een voor CompLions bereikbare computerserver.<footnote-ref linkend="_d00c1591-03e3-443c-8b8b-4137ef825f0f" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.50</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 4</emphasis> faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vraag of de omschrijving van de pandobjecten in de Pandakte voldoende bepaald (dan wel bepaalbaar) is, specifiek de auteursrechten op de software van CompLions op het oog gehad. Voor de verpanding van deze auteursrechten is de omschrijving in de pandakte naar het oordeel van de rechtbank te onbepaald. De rechtbank verklaart dan ook (onder meer) voor recht dat ING geen geldig pandrecht heeft op de auteursrechten ten aanzien van de door CompLions ontwikkelde software. De rechtbank heeft daarmee niet geoordeeld dat een omschrijving in de pandakte alleen dan voldoende bepaald is en tot een rechtsgeldige verpanding heeft geleid, indien vast komt te staan dat <emphasis role="italic">alle</emphasis> goederen die onder de omschrijving vallen kunnen worden geïdentificeerd.<footnote-ref linkend="_86f88105-d859-4df7-93d9-e905e45e0a17" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.51</nr>
      <para>Het slagen van de onderdelen 2 en 3 brengt mee dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Terugwijzing lijkt aangewezen opdat partijen bij een eventueel geschil over de vraag of zij bedoeld hebben het auteursrecht op de software te verpanden<footnote-ref linkend="_0c544a83-4247-4cc8-836d-2bab7326bb60" /> geen feitelijke instantie wordt ontnomen.<footnote-ref linkend="_dffba5c8-0d0a-4416-a915-562b9305561d" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Conclusie</title>
    <para>De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_cf8053ad-7ce5-4e35-ad81-813aa92a5dd8" label="1">
    <para> 	Zie inl. dgv., onder 7 en cva/cve rec., onder 2.1 en 4.19.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fcc9c671-f96b-4444-ba4b-5ab84c455dbe" label="2">
    <para> 	Zie inl. dgv., onder 4 en cva/cve rec., onder 2.2-2.3.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_831efff5-2938-4e97-bd7a-dffdd9fd95ca" label="3">
    <para> 	Prod. 1 bij inl. dgv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6738b638-3dc1-4ebc-a752-df545b63a016" label="4">
    <para> 	Prod. 1 bij inl. dgv. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_07dc45d6-4ffb-44fd-9283-117b24074795" label="5">
    <para> 	Prod. 2 bij inl. dgv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d5425bdd-80cb-4749-8dc3-5feeb5ad8661" label="6">
    <para> 	Zie procesinleiding, voetnoot 1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c3a90d14-6bbc-43a2-973f-ef16a1a8f654" label="7">
    <para> 	Zie art. 1.1 van de pandovereenkomst, inl. dgv., onder 10 en cva/cve rec., onder 2.7.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_308ca773-74fd-401c-bc45-a3b50ef9f2a9" label="8">
    <para>	Zie inl. dgv., onder 12 en cva/cve rec., onder 2.8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c345473b-0158-4ab1-b222-f643ac6007c3" label="9">
    <para> 	Zie inl. dgv., onder 13 en cva/cve rec., onder 2.11.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1064b56b-81fd-461c-b7b3-294057eee68f" label="10">
    <para> 	Zie inl. dgv., onder 15 en cva/cve rec., onder 2.9. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bab6fdc3-430d-45de-90a3-5bb1b3d969cc" label="11">
    <para> 	Inl. dgv., p. 6. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_aee3579e-a398-4e16-897d-97fcccdc027c" label="12">
    <para> 	Weergave in het bestreden vonnis, p. 2. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ede4eed7-1705-490b-9ab5-da721c3a73a0" label="13">
    <para> 	Weergave in het bestreden vonnis, p. 2. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_682bb170-2c24-4180-98c2-82c2dea66e75" label="14">
    <para> 	Zie cva/cve rec., onder 5.3 en p. 19.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31d74b6b-42df-42df-9393-e243201b6538" label="15">
    <para> 	Rb Amsterdam 27 september 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6951, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2019/45, m.nt. N.E.D. Faber.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3adcfb9c-5473-4faa-b44f-0c7459ed331e" label="16">
    <para> 	Zie procesinleiding onder 1 en A.3 i.v.m. art. 398 aanhef en onder 2° Rv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c4f0078-0585-464e-96e6-4dafaf004e44" label="17">
    <para> 	Voor het instellen van sprongcassatie geldt de voor de desbetreffende zaak geldende cassatietermijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2eae16c6-7ba2-48f1-ac2f-6ce063e803f1" label="18">
    <para> 	Het middel verwijst naar inl. dgv., onder 10 en 16 en cva, onder 2.7, 2.10 en 4.7.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2a4125b8-b673-4182-87f3-ff23ea2e426a" label="19">
    <para> 	Onder verwijzing naar cva, onder 4.7, 4.14, 4.18-4.19 en 4.27.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_115c5d02-a06c-4130-8144-2ee091b04e15" label="20">
    <para> 	HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2002/610, m.nt. C.E. du Perron (<emphasis role="italic">ING Bank/Muller q.q.</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ae07653f-58a2-4d48-9d51-c7a7f4eb81d4" label="21">
    <para> 	HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:735, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2015/365, m.nt. P.B. Hugenholtz (<emphasis role="italic">Norma/NLKabel</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_45e884d6-fb5f-431d-b9d1-9d076ff5166c" label="22">
    <para> 	S.t. zijdens ING, onder 4.2.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7dd1569a-75d2-436e-87d6-869a86251b2f" label="23">
    <para> 	Het middel verwijst naar inl. dgv., onder 10 en 16 en cva, onder 2.7, 2.10 en 4.7.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a390f715-6c37-46d2-94e6-77e27b12a683" label="24">
    <para> 	Onder verwijzing naar cva, onder 4.7, 4.10-4.11, 4.14, 4.18-4.19 en 4.27.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7b38dcfa-5c77-4ffd-b202-b7a58e038979" label="25">
    <para> 	S.t. zijdens ING, onder 4.3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_78f15762-7e3d-4e5d-aabc-772cc538e2ad" label="26">
    <para> 	P.G.F.A. Geerts &amp; A.M.E. Verschuur (red.), <emphasis role="italic">Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht</emphasis> 2018/524.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2c3a54f9-584c-4779-9ee4-161b46b8478c" label="27">
    <para> 	Spoor/Verkade/Visser, <emphasis role="italic">Auteursrecht</emphasis> 2019/9.26. Zie ook: A.I. Keur<emphasis role="italic">, Intellectuele eigendomsrechten als verhaalsobject</emphasis> (diss. Utrecht), 2016, p. 123-124. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c6902574-581a-47fe-8202-e3c34f26fc30" label="28">
    <para> 	B.A. Schuijling, <emphasis role="italic">Levering en verpanding van toekomstige goederen</emphasis>, 2016, nr. 241.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e802f5d8-2268-451b-a0b9-96e345193031" label="29">
    <para> 	Zie over de vraag of tevens levering van stoffelijke gegevensdragers, broncodes en/of toekomstige versies vereist althans wenselijk is o.m. Spoor/Verkade/Visser, <emphasis role="italic">Auteursrecht</emphasis> 2019/9.26.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c4eba6da-9af5-46ba-9408-1fdcffb7edb4" label="30">
    <para> 	B.A. Schuijling, <emphasis role="italic">Levering en verpanding van toekomstige goederen</emphasis>, 2016, nr. 241. Zie ook: A.I. Keur, <emphasis role="italic">Intellectuele eigendomsrechten als verhaalsobject</emphasis> (diss. Utrecht), 2016, p. 124.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6eb69bc4-022c-414b-825b-0fb986a46ac1" label="31">
    <para> 	Dit juridisch kader is gedeeltelijk ontleend aan mijn conclusie van 30 augustus 2019 in de zaak 18/02917 (ECLI:NL:PHR:2019:845), onder 2.8-2.19.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e99afe41-253a-4b65-bf71-5a62c3dafbd4" label="32">
    <para> 	Zie o.m. HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1488, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1995/447 m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.</emphasis>), rov. 4.2; HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2002/610 m.nt. C.E. du Perron (<emphasis role="italic">ING/Muller q.q.</emphasis>), rov. 5.2.2; HR  20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/182 m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">Mulder q.q./Rabo</emphasis>), rov. 3.4, en HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:735, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2015/365 m.nt. P.B. Hugenholtz (Norma/NLKabel), rov. 4.4.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7e735c1b-d68f-4e62-99b2-a507266967a8" label="33">
    <para> 	Zie o.m. Reehuis &amp; Heisterkamp, <emphasis role="italic">Pitlo Goederenrecht</emphasis> 2019/259; M.H.E. Rongen, <emphasis role="italic">Cessie</emphasis>, 2012, nr. 782 (p. 980) en nr. 794 (p. 1001).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5e84aa94-26cb-4e61-bc4c-ab7ae27548e5" label="34">
    <para> 	Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6) 1990, p. 1248. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_944c7723-1c04-4ccf-b0d9-c8a0465c4da3" label="35">
    <para> 	Parl. Gesch. Boek 3 1981, p. 402.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0b0b9c9c-8a9c-4997-a380-9c00317a89e4" label="36">
    <para> 	Parl. Gesch. Boek 3 1981, p. 397.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3e37e99f-ce4a-4027-9f37-d666dfb84c5a" label="37">
    <para> 	Zie Parl. Gesch. Boek 3 1981, p. 402 en M.H.E. Rongen, <emphasis role="italic">Cessie</emphasis>, 2012, nr. 783 (p. 982).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_07c99462-859e-4c83-ab59-53193e4af0b1" label="38">
    <para> 	Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/230.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0231447d-7893-4cd7-ae5b-d3d7e61fa343" label="39">
    <para> 	Zie o.m. HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2903, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1999/733 m.nt. J. Hijma, rov. 5.3; HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4499, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2005/96 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (<emphasis role="italic">[…] / […]</emphasis>), rov. 5.2.2, en HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4830, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2011/263 (<emphasis role="italic">Stichting Via. Claim/Fortis en Euronext</emphasis>), rov. 3.6.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_85256c7d-6656-4beb-ad1d-676ed9157b42" label="40">
    <para> 	Zie voor cessie: HR 1 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8718, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2001/46 (<emphasis role="italic">[A] / [C]</emphasis>), rov. 5.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31eb1abf-6721-4148-8e11-f32088c35b1b" label="41">
    <para> 	HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1488, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1995/447 m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.</emphasis>), rov. 4.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4016fbc2-e320-428f-8deb-f07675b66420" label="42">
    <para> 	Zie o.m. HR 20 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7248, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1998/362 m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">Wagemakers q.q./Rabo</emphasis>), rov. 3.3; HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/182 m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">Mulder q.q./Rabo</emphasis>), rov. 3.5; HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2002/610 m.nt. C.E. du Perron (<emphasis role="italic">ING/Muller q.q.</emphasis>), rov. 5.2.2, en HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/183 m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">De Liser de Morsain/Rabo</emphasis>), rov. 4.3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_35185793-6b25-4653-b126-0a5ee6efedae" label="43">
    <para> 	Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/231.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_33da54be-c3f1-42cd-9967-e97089458dbc" label="44">
    <para> 	HR 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6165, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2005/326 (<emphasis role="italic">[A] / [B]</emphasis>), rov. 3.6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f738e8c5-753c-49c4-826d-b805839fcf02" label="45">
    <para> 	Zie HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/182 m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">Mulder q.q./Rabo</emphasis>), rov. 3.6 jo. 3.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9d926ba0-f49c-4878-b742-6f81b721c5ad" label="46">
    <para> 	HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/182 m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">Mulder q.q./Rabo</emphasis>), rov. 3.5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aa9b1038-407d-44b4-afcc-fd9e52a25b63" label="47">
    <para> 	In de pandakte was het volgende bepaald (zie rov. 3.1 onder v. van het arrest): “De pandgever verklaart bij deze aan u te verpanden, (…) alle ten tijde van ondertekening van de pandlijst bestaande rechten/vorderingen van de pandgever en alle rechten/vorderingen van de pandgever en alle rechten/vorderingen die worden verkregen uit ten tijde van de ondertekening van de pandlijst bestaande rechtsverhoudingen tussen de pandgever en derden, zoals deze onder meer blijken uit de administratie, correspondentie of andere gegevens van de pandgever, daaronder begrepen intercompany-vorderingen en vorderingen in rekening-courant.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6f6fa52b-b490-42ed-a7eb-040d4e7500c8" label="48">
    <para> 	Arrest <emphasis role="italic">Mulder q.q./Rabo</emphasis>, rov. 3.6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f5da8ce0-58dc-49cb-896f-7fbf0bae4129" label="49">
    <para> 	HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2012/261 m.nt. F.M.J. Verstijlen (<emphasis role="italic">Dix q.q./ING</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_24e189f3-dd43-4248-9f7f-8a820694d951" label="50">
    <para> 	HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2002/610, m.nt. C.E. du Perron (<emphasis role="italic">ING Bank/Muller q.q.</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_920cc95d-4534-4025-bc2a-15f4bcb8a00f" label="51">
    <para> 	De initiële pandakte d.d. 8 april 1993 vermeldt dat is verpand (zie de conclusie van A-G Langemeijer vóór het arrest, onder 1.1.4): “alle auteursrechten en andere intellectuele eigendomsrechten, daaronder begrepen het recht om te exploiteren, openbaar te maken en te verveelvoudigen en wijzigingen aan te brengen met betrekking tot alle tot het bedrijf behorende software bestaande uit de programma's/softwarepakketten, alsmede alle voorbereidend ontwerpmateriaal, met inbegrip van algoritmes, flowcharts, broncodes, objectcodes, modificaties waaronder begrepen uitbreidingen, versies en releases, alsmede alle bijbehorende documentatie.” Een latere afzonderlijke offerte voor een nieuwe kredietovereenkomst vermeldt (zie de conclusie van A-G Langemeijer vóór het arrest, onder 1.1.5): “Tot meerdere zekerheid (…) zullen ons worden verstrekt: (…) Verpanding van de rechten op software 'Quest' en bijbehorende roerende zaken, blijkens akte d.d. 8 april 1993.”. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b3acbf18-6148-4b68-b511-8e7db2302c8a" label="52">
    <para> 	HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/183, m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">De Liser de Morsain/Rabobank</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7284aaca-2815-46cc-8420-fabcbefc4b26" label="53">
    <para> 	HR 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6165, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2005/326 (<emphasis role="italic">[A] / [B]</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7c0ca963-5961-4d02-af3c-a8d8187a3c39" label="54">
    <para> 	HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:735, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2015/365, m.nt. P.B. Hugenholtz (<emphasis role="italic">Norma/NLKabel</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5bcb4197-f678-4ab7-8a4f-3564c06398b8" label="55">
    <para> 	Zie rov. 5.2 en 5.4 van het bestreden arrest. Rov. 5.2 vermeldt: “In de exploitatie-overeenkomsten uit 2005, 2006 en 2010 - die zowel de titels als de in artikel 9 WNR bedoelde akten vormen - is, kort gezegd, bepaald dat de naburige rechten op het bestaande en toekomstige repertoire van de uitvoerend kunstenaars, alsook (vrijwel) alle aan die naburige rechten verbonden bevoegdheden, aan Norma worden overgedragen, waarbij de toekomstige naburige rechten en bevoegdheden bij voorbaat worden geleverd.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_16d17547-ecda-46ac-bd99-3499c57ab5ca" label="56">
    <para> 	P.G.F.A. Geerts &amp; A.M.E. Verschuur (red.), <emphasis role="italic">Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht</emphasis> 2018/664.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6934667d-389b-46e7-a97e-25b3258fa14a" label="57">
    <para> 	P.G.F.A. Geerts &amp; A.M.E. Verschuur (red.), <emphasis role="italic">Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht</emphasis> 2018/671.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e8cde9ed-53c6-4f88-aefe-17d9a2b6dea1" label="58">
    <para> 	Reehuis &amp; Heisterkamp<emphasis role="italic">, Pitlo Goederenrecht</emphasis> 2019/259a. Zie ook nr. 259.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4ee3050c-f5e3-48b0-9844-392d452c387c" label="59">
    <para> 	N.E.D. Faber, noot onder het bestreden vonnis in <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2019/45, p. 536.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e7a8ccf-657e-4f17-abec-da85a6b1888a" label="60">
    <para> 	B.A. Schuijling, <emphasis role="italic">Levering en verpanding van toekomstige goederen</emphasis>, 2016, nr. 140.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_64e92974-2038-431e-854d-879a6808b665" label="61">
    <para> 	H. Struik, W.A.J. Hoorneman &amp; P.C. van Schelven, <emphasis role="italic">Softwarerecht</emphasis> (Recht en Praktijk nr. ICT2) 2010/1.4.9, voetnoot 44 (p. 104).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6168c292-4eb9-4002-9821-22169cfd0379" label="62">
    <para> 	Zij verwijzen in dit verband naar Rb Arnhem 21 mei 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BD2531, <emphasis role="italic">AMI </emphasis>2009-4 nr. 16 m.nt. A.A. Quadvlieg (<emphasis role="italic">Oasis/Sinfox</emphasis>).  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b775741-05d8-4637-a0ab-aa8a7d3652bb" label="63">
    <para> 	Rb Utrecht 12 mei 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM4292 (<emphasis role="italic">TIE Nederland/CMC e.a.</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_77caf228-a8f9-4974-9b68-e935dbc9b574" label="64">
    <para> 	A.J. Verdaas, <emphasis role="italic">Stil pandrecht op vorderingen op naam</emphasis> (diss.) 2008/166, onder verwijzing naar J.J. van Hees in zijn noot in JOR onder HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2903, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 1999/167, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1999/733, m.nt. J. Hijma (<emphasis role="italic">B./W.</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a0bf535a-e1fd-48a9-be0c-1c7702e4750b" label="65">
    <para> 	B.A. Schuijling, <emphasis role="italic">Levering en verpanding van toekomstige goederen</emphasis>, 2016, nr. 242.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d4bee414-118f-4d25-af5a-8f8d4410a782" label="66">
    <para> 	Th.C.J.A. van Engelen, Zekerheidsrechten op intellectuele-eigendomsrechten: een heikel avontuur, <emphasis role="italic">MvV</emphasis> 2008, nr. 7/8, p. 153-154.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a47d61d8-bc1b-4900-bb70-8719a7ccf9da" label="67">
    <para> 	J.C. Belder, Het verpanden van software en het bepaaldheidsvereiste, <emphasis role="italic">V&amp;O</emphasis> april 2003, nr. 4, p. 70.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e0263abb-0127-4251-ac8b-ba454c41c8e0" label="68">
    <para> 	Spoor/Verkade/Visser, <emphasis role="italic">Auteursrecht</emphasis> 2019/9.20.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0154d89d-dee9-4c28-8fb9-f02ea66fe049" label="69">
    <para> 	Deze vraag heb ik ook behandeld in mijn conclusie van 30 augustus 2019 in de zaak 18/02917 (ECLI:NL:PHR:2019:845), waaraan ik dit juridisch kader gedeeltelijk ontleen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ff1b30c-b662-44db-a9d6-c59ef8afa00a" label="70">
    <para> 	Zie Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/231 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/206. Zie ook HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/183 m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">De Liser de Morsain/Rabobank</emphasis>), rov. 4.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6230e81-0310-4787-900b-5327b450902f" label="71">
    <para> 	HR 20 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7248, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1998/362 m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">Wagemakers q.q./Rabo</emphasis>), rov. 3.3. Zie ook: HR 19 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2434, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1998/689 (<emphasis role="italic">Verhagen q.q./INB</emphasis>) (onjuiste vermelding debitor cessus).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a76e5f16-4b27-4821-b20c-249a89a9a073" label="72">
    <para> 	Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/230-231.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a7d86ad2-ed9b-43a6-a752-0bdeb9850095" label="73">
    <para> 	Zie Reehuis &amp; Heisterkamp, <emphasis role="italic">Pitlo Goederenrecht</emphasis> 2019/117, 259a, 259b en 314b. Zie ook A-G Keus, conclusie (onder 2.4) vóór HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/183 m.nt. W.M. Kleijn (<emphasis role="italic">De Liser de Morsain/Rabo</emphasis>); A.J. Verdaas, <emphasis role="italic">Stil pandrecht op vorderingen op naam</emphasis>, 2008, nr. 178, en A.J. Verdaas, ‘Moet een cessie- of pandakte toch meer objectief worden uitgelegd?’, <emphasis role="italic">TvI</emphasis> 2012/2, par. 4.3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c551e13-11c6-431c-8d68-7e3d723f9b3a" label="74">
    <para> 	M.H.E. Rongen, <emphasis role="italic">Cessie</emphasis>, 2012, nr. 811 (p. 1033).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c52551fc-fd2a-4149-8757-dbf4dd0a9da2" label="75">
    <para> 	F.M.J. Verstijlen, ‘Het pandrecht op de schop’, <emphasis role="italic">NTBR</emphasis> 2011/36. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_646dfac3-e393-4fb2-bf84-32678e75d805" label="76">
    <para> 	B.A. Schuijling, <emphasis role="italic">Levering en verpanding van toekomstige goederen,</emphasis> 2016, nr. 141. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_81d51001-c16c-4341-ae84-76563385e2d0" label="77">
    <para> 	Zie F.J.L. Kaptein, ‘Subjectieve uitleg van cessie- en pandakten: niet bepaald objectief?’, <emphasis role="italic">WPNR </emphasis>2013/6974, p. 358-366, par. 5.3 en F.J.L. Kaptein, <emphasis role="italic">Pandrecht</emphasis>, 2016, par. 4.4.4 en 4.5. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_21678756-db92-46f0-9da4-3c4e27770ac0" label="78">
    <para> 	Zie m.b.t. vorderingen: M.H.E. Rongen, <emphasis role="italic">Cessie</emphasis>, 2012, nr. 802 (p. 1019).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3b44ba6f-737c-49c8-99a8-2e1b799d736d" label="79">
    <para> 	A.J. Verdaas, ‘Moet een cessie- of pandakte toch meer objectief worden uitgelegd?’, <emphasis role="italic">TvI</emphasis> 2012/2, par. 4.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ce5da5c2-b2aa-4556-b1fc-84afa3c7929d" label="80">
    <para> 	In de stellingen van de curator c.s. lijkt tevens het standpunt te kunnen worden gelezen dat partijen niet bedoeld hebben de auteursrechten op de door CompLions ontwikkelde software te verpanden. Zie in dit verband o.a. inl. dgv. onder 17-18 en 20 jo. 6; cva rec., onder 11-14. Zie ook de reactie van ING in cva/cve rec., onder 3.2 en 4.16-4.20. Zie ook de s.t. zijdens de curator, onder 2.16. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fb011d40-1e54-4f33-aa6d-403fc46341b7" label="81">
    <para> 	Zie s.t. zijdens ING, onder 4.3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2c736b8f-2e37-4269-869c-c4bda02d8106" label="82">
    <para> 	Zie inl. dgv., onder 10 en cva/cve rec., onder 2.7.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fd54b1ac-5647-488a-a9b6-e51840b89cab" label="83">
    <para> 	Zie inl. dgv., onder 13 en cva/cve rec. onder 2.11. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d00c1591-03e3-443c-8b8b-4137ef825f0f" label="84">
    <para> 	Zie inl. dgv., onder 8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_86f88105-d859-4df7-93d9-e905e45e0a17" label="85">
    <para> 	Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:735, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2015/365  m.nt. P.B. Hugenholtz (<emphasis role="italic">Norma/NLKabel</emphasis>), rov. 4.4.2, aangehaald hiervoor onder 2.24.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0c544a83-4247-4cc8-836d-2bab7326bb60" label="86">
    <para> 	Zie voetnoot 80. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_dffba5c8-0d0a-4416-a915-562b9305561d" label="87">
    <para> 	Art. 422a en 423 Rv. </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>