<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:1138</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-14T00:01:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-09-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/02724</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2019:1947" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1947</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1138">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1138</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-05T14:26:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:1138 Parket bij de Hoge Raad , 30-09-2019 / 19/02724</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:1138:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WSNP. Verzet tegen griffierecht in cassatie. Art. 4 lid 2, onder j, Wgbz. Is griffierecht verschuldigd indien een persoon op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, in hoger beroep of cassatie opkomt tegen een beslissing op een verzoek tot wijziging van de termijn van de schuldsaneringsregeling (art. 349a Fw)? HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4020.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:1138:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Zaaknr:	 19/02724 mr. G.R.B. van Peursem</para>
  <para>Zitting:	 30 september 2019	Conclusie inzake het verzet van:</para>
  <parablock>
    <para>Mr. J. van Weerden (hierna: mr. Van Weerden), mede optredend namens [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), </para>
    <para />
    <para>opposant tegen een beslissing van de griffier van de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de griffier)</para>
    <para />
    <para />
  </parablock>
  <para>Deze zaak betreft een verzet op grond van art. 29 lid 1 van de Wet griffierechten in burgerlijke zaken (“Wgbz”) tegen de heffing van griffierecht voor het instellen van cassatieberoep tegen de afwijzing van een verzoek tot verkorting van de looptijd van een schuldsaneringsregeling. </para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">1.	Procesverloop</emphasis>
      <footnote-ref linkend="_eb7b03fb-22ed-42c5-91d1-9634a92a6dbe" />
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.1	[betrokkene 1] is op 14 oktober 2014 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is bij vonnis van 13 juni 2017 opgeheven, waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.2	In een verslag van 12 februari 2019 heeft de bewindvoerder aan de r-c voorgesteld om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verkorten. Dit verzoek is door de r- c afgewezen. [betrokkene 1] is in beroep gegaan. De rechtbank Limburg heeft het beroep bij beschikking van 25 april 2019 afgewezen. Hiertegen heeft [betrokkene 1] op 3 mei 2019 cassatie ingesteld (zaaknummer 19/02241). De aanbiedingsbrief vermeldt: </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>“Naar mijn mening is in deze zaak geen griffierecht verschuldigd. Hierom verzoek ik u dienovereenkomstig te beslissen. Ter toelichting wijs ik op het verzetschrift dat de advocaat van [betrokkene 1] in hoger beroep heeft ingediend naar aanleiding van de heffing van griffierecht door de griffier bij de rechtbank.”</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.3	De waarnemend griffier bij de Hoge Raad heeft het griffierecht vastgesteld op € 336. Bij brief van 9 mei 2019 is de hoogte van het griffierecht aan mr. Van Weerden medegedeeld. Deze brief vermeldt de mogelijkheid van verzet ex art. 29 lid 1 Wgbz. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.4	Mr. Van Weerden heeft op 17 mei 2019 voor zichzelf en voor [betrokkene 1] (tijdig<footnote-ref linkend="_af65f513-bdb9-4a2a-93ae-ac6c636a2771" />) verzet ingesteld tegen de vaststelling van het griffierecht. Op 27 augustus 2019 heeft de griffier een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot verwerping van het verzet.  </para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de verzetgronden</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In het verzetschrift wordt onder 1-7 – mijns inziens terecht<footnote-ref linkend="_449891d4-b4f2-4d5e-ad27-7b800653e848" /> – vooropgesteld dat zowel de advocaat als de cliënt verzet kunnen instellen tegen de heffing van het griffierecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Punten 8-18 van het verzetschrift bevatten het inhoudelijke bezwaar tegen de vaststelling van het griffierecht. Hierin wordt het volgende naar voren gebracht. Er is geen griffierecht verschuldigd voor de indiening van een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en voor zaken over de vraag of de schuldsaneringsregeling mag worden voortgezet. Hetzelfde behoort te gelden voor een verzoek tot verkorting van de looptijd van de schuldsaneringsregeling. De schuldenaar heeft namelijk ook dan het oog op de verkrijging van een schone lei. De schuldenaar, die om verkorting van de saneringslooptijd verzoekt omdat voorafgaand daaraan tijdens faillissement al ten behoeve van de schuldeisers is gespaard alsof er sprake was van een schuldsanering, heeft er daarom belang bij dat er geen financiële drempels bestaan wanneer hij wil opkomen tegen de beslissing om hem niet eerder dan voorzien een schone lei te geven. In dat verband wordt onder meer verwezen naar art. 6 EVRM en art. 315 lid 2 van de Faillissementswet (hierna: Fw). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Griffierecht en het recht op toegang tot de rechter </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Ik stel voorop dat art. 6 lid 1 EVRM – naast het recht op een eerlijke berechting in een aanhangige zaak – ook het recht garandeert om een zaak bij de rechter aanhangig te maken<footnote-ref linkend="_1136a8be-caa4-48e5-b193-08094757abaf" />. Er moet sprake zijn van een effectieve en praktische toegang tot de rechter<footnote-ref linkend="_4aa2d36e-5cca-490a-8341-1cd9aec9c3a9" />. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Art. 6 EVRM verzet zich niet tegen financiële beperkingen van het recht op toegang tot de rechter, mits die beperkingen dat recht niet in de kern aantasten, een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn ten opzichte van dat doel<footnote-ref linkend="_594b929f-1b9f-49e2-bd81-e704e49671bf" />. Het heffen van griffierecht is volgens rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens<footnote-ref linkend="_29cb37e8-e465-48f9-bee7-875d84c317e2" /> (hierna: EHRM) en Uw Raad<footnote-ref linkend="_b4b58491-fcf9-4bae-8605-b0fde0a0d1f1" /> op zichzelf niet in strijd met art. 6 EVRM. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het doel van de heffing van griffierecht is volgens Uw Raad onder meer dat de eiser of verzoeker wordt aangezet tot het maken van een afweging van de hoogte van dit griffierecht tegen zijn belang bij de zaak. Dat is naar het oordeel van Uw Raad, ook in het kader van art. 6 EVRM, een legitieme grond voor de heffing van griffierecht, ook bij de allerlaagste inkomens. Voor de beantwoording van de vraag of een verzet op de voet van art. 29  Wgbz desondanks gegrond is in verband met het recht op toegang tot de rechter, dient een afweging plaats te vinden waarin de hoogte van het griffierecht en de draagkracht van de rechtzoekende worden betrokken. Bij het algeheel ontbreken van financiële middelen komt de heffing van griffierecht neer op een ontoelaatbare belemmering van het recht op toegang tot de rechter. Uw Raad oordeelde in deze zin in een zaak waarin de rechtszoekenden uitgeprocedeerde asielzoekers waren, die niet over een inkomen of uitkering konden beschikken<footnote-ref linkend="_288b3a96-ceda-4742-b1fe-95835bdeef36" />.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Griffierecht in WSNP-zaken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Op grond van art. 4 lid 2 onder j Wgbz wordt geen griffierecht geheven voor indiening van een verzoekschrift tot het toepassen van de schuldsaneringsregeling en voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van dit verzoek. De ratio is, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, het bevorderen van de toegankelijkheid van de schuldsaneringsregeling door geen onnodige financiële drempels op te werpen<footnote-ref linkend="_940416ab-a647-431a-9d2d-44126b161cbc" />. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Uw Raad oordeelde op 11 november 2011<footnote-ref linkend="_b2067ec0-3452-49c6-bec2-9d38289a1061" /> dat ook geen griffierecht is verschuldigd wanneer de persoon op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, in hoger beroep of in cassatie opkomt tegen een beslissing van de rechter op een verzoek ingevolge art. 350 Fw tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De ratio is (ook hier) gelegen in de bevordering van de toegankelijkheid van de schuldsaneringsregeling en het bepaalde in art. 6 EVRM. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De heffing van griffierecht in onze zaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>In onze zaak zijn de toegankelijkheid van de schuldsaneringsregeling en de verlening van een schone lei naar ik meen niet rechtstreeks in het geding. Zonder het verzoek tot termijnverkorting verloopt de schuldsaneringsregeling immers op de wijze die in de wet is voorzien. Dan kan drie jaar na de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (art. 349a lid 1 Fw) de slotuitdelingslijst worden opgemaakt (art. 356 Fw) en een schone lei volgen (art. 358 lid 1 Fw). Een verzoek tot termijnverkorting is, anders dan in het verzetschrift wordt betoogd, zo bezien niet direct gericht op de verkrijging van een schone lei. Op grond van art. 358 lid 2 Fw is voor het verkrijgen van een schone lei een uitspraak van de rechter nodig die inhoudt dat de schuldenaar niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen (art. 354 lid 1 Fw) dan wel dat de uitzondering van art. 354 lid 2 Fw toepassing vindt (dit wil zeggen dat de toerekenbare tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing blijft)<footnote-ref linkend="_37211b6a-7059-488b-88fe-a62b33bd9c30" />. Dit geldt eveneens als termijnverkorting heeft plaatsgevonden<footnote-ref linkend="_b1446a72-8b04-493f-962e-d9eb9820540b" />.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Het heffen van griffierecht is in deze zaak naar mijn mening evenmin in strijd met art. 6 EVRM. De legitieme grond voor de heffing is volgens mij gelegen in het bevorderen van een afweging van de hoogte van het griffierecht tegen het belang van de zaak. [betrokkene 1] kan geen beroep doen op de uitzondering die geldt voor een rechtszoekende die in het geheel geen inkomen kan verwerven en geen recht heeft op een uitkering. In de schuldsaneringsregeling wordt van de inkomsten en uitkeringen van de schuldenaar een bedrag buiten de boedel gelaten dat gelijk is aan de beslagvrije voet, eventueel te verhogen met een door de rechter-commissaris (“r-c”) bij beschikking vast te stellen bedrag (“het vrij te laten bedrag”, zie art. 295 leden 2 en 3 Fw)<footnote-ref linkend="_27d80732-963d-4e34-9e65-3d1ba01b4ee9" />. Wel geldt voor [betrokkene 1] het tarief “griffierecht voor onvermogenden”<footnote-ref linkend="_deabe142-0c14-4cd8-aa7f-7c566517abf4" />. Het geheven bedrag van € 336 is het griffierecht voor onvermogenden voor zaken bij de Hoge Raad<footnote-ref linkend="_070bca7f-38e6-4c91-bfcf-90f90b4d205c" />. Dit brengt mij tot de slotsom dat het recht van [betrokkene 1] om op de voet van art. 315 lid 2 Fw op te komen tegen een beschikking van de r-c niet in de kern is aangetast, dat de financiële beperking door heffing van griffierecht een gerechtvaardigd doel dient en dat de heffing van het griffierecht van € 336 proportioneel is ten opzichte van het doel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <para>Bij die stand van zaken is de heffing van het griffierecht van € 336 naar mijn mening  in overeenstemming met de Wgbz, is het griffierecht niet in strijd met art. 6 EVRM en is de toegankelijkheid van de schuldsaneringsregeling niet in het geding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <para>Overigens lijkt mij denkbaar dat ook in zaken als de onderhavige de doorslag dient te geven dat zo min mogelijk financiële drempels opgeworpen moeten worden voor procederende schuldeisers op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is. Dan zou de in het verzetschrift bepleite visie, die in wezen de lijn uit de besproken uitspraken van 8 juli 2011 en 11 november 2011 <emphasis role="italic">verder</emphasis> wil doortrekken, kunnen worden gevolgd: de ratio achter art. 4 lid 2 onder j Wgbz dient ook op te gaan voor zaken als de onderhavige. Ik meen als besproken primair dat dit gelet op het opgetrokken stelsel te ver gaat (de toegang tot de schuldsaneringsregeling is niet in geding), maar daar kan geredelijk anders over worden gedacht.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voorbereiding en motivering van de beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12</nr>
      <para>In 19-24 van het verzetschrift wordt nog geklaagd dat de vaststelling van het griffierecht door de griffier onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ten onrechte niet is gemotiveerd. De griffier zou in dat licht niet de zorgvuldigheid hebben betracht die, gelet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, kan worden verlangd ten aanzien van het voorbereiden en motiveren van beslissingen, onder verwijzing naar de volgende overweging in een uitspraak van Uw Raad van 27 september 1996<footnote-ref linkend="_fba020ef-41d5-4745-9dd7-ec4e255f94b1" />:  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“3.4 Bij de beoordeling van een en ander moet uitgangspunt zijn dat de Griffier bij een beschikking als de onderhavige aan het stelsel van de voormelde wettelijke regels is gebonden en dat de wet geen bepaling bevat die hem toestaat daarvan af te wijken. Er bestaat evenwel, hoewel de Griffier blijkens art. 1:1 lid 2 onder g Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen bestuursorgaan in de zin van dat artikel is, aanleiding zijn beschikking te toetsen aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu zulks strookt met de maatstaven die in het algemeen ter zake van een redelijke rechtsbescherming tegen de overheid worden aanvaard en deze beginselen hier tevens kunnen worden gezien als een met de aard van de verbintenis jegens de Staat ter zake van het door deze geheven griffierecht samenhangend uitvloeisel van de voor verbintenissen in het algemeen geldende maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Bij de toetsing van deze algemene beginselen moet worden gelet op de omstandigheden van het geval (…)” </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13</nr>
      <para>Het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht kwalificeren beide als algemene beginselen van behoorlijk bestuur<footnote-ref linkend="_9bc42b83-0337-4dc4-8fd9-18594a54571e" />. De beginselen zijn vastgelegd in art. 3:2 en 3:46 Awb. Die beide bepalingen zien op besluiten, waarbij onder een besluit moet worden verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling (art. 1:3 Awb). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14</nr>
      <para>Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuursorgaan kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen moet vergaren en dat de beslissing hierop dient te berusten. In onze zaak staat volgens mij de interpretatie van de Wgbz in het licht van de rechtspraak van Uw Raad en het EVRM centraal. De relevante feiten en belangen zijn, als ik het goed zie, geen onderwerp van debat. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15</nr>
      <para>Over de gestelde motiveringsplicht merk ik het volgende op. Het is goed gebruik dat de griffier een mededeling over de vaststelling van het griffierecht verzendt<footnote-ref linkend="_fb94203f-7450-4d24-b9b3-6f2832740e93" />. De verschuldigdheid van het griffierecht is daarop echter niet gebaseerd. Art. 3 lid 4 Wgbz bepaalt dat de verzoeker het griffierecht is verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift<footnote-ref linkend="_75338e52-1991-44a2-bc8d-eb70074ad2f3" />. Ook de termijn voor het instellen van verzet vangt niet aan met de mededeling over de vaststelling van het griffierecht, maar bij de betaling van het griffierecht (art. 29 lid 1 Wgbz). De mededeling over de vaststelling van het griffierecht brengt dan ook als zodanig geen publiekrechtelijke rechtsgevolgen met zich<footnote-ref linkend="_3f6e2ea1-53e8-43ee-97e6-c91e56c72587" />. De motiveringsplicht is op die mededeling dus niet van (overeenkomstige) toepassing. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16</nr>
      <para>Dit alles brengt mij tot de slotsom dat het verzet ongegrond is, tenzij de in 2.11 bedoelde visie de doorslag zou dienen te geven. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik concludeer tot afwijzing van het verzet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_eb7b03fb-22ed-42c5-91d1-9634a92a6dbe" label="1">
    <para> 	Zie voor een uitvoeriger weergave van feiten en procesverloop mijn conclusie in de zaak ten gronde van 8 juli 2019, ECLI:NL:PHR:2019:810, onder 1.1-1.11.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_af65f513-bdb9-4a2a-93ae-ac6c636a2771" label="2">
    <para> 	De verzettermijn is één maand vanaf de betaling van het griffierecht (art. 29 lid 1 Wgbz). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_449891d4-b4f2-4d5e-ad27-7b800653e848" label="3">
    <para> 	Zie HR 27 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2154, NJ 1997/39 m.nt. C.J.H. Brunner (<emphasis role="italic">Van Meurs</emphasis>), Kamerstukken II, 1997-1998, 26109, nr. 3 p. 5 (mvt verruiming mogelijkheid indebetstelling griffierecht) en Kamerstukken II, 2008-2009, 31758, nr. 3, p. 16 (mvt invoering nieuw griffierechtenstelsel), waarop in het verzetschrift een beroep wordt gedaan. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1136a8be-caa4-48e5-b193-08094757abaf" label="4">
    <para> 	EHRM 5 april 2018, nr. 40160/12, ECLI:CE:ECHR:2018:0405JUD004016012, EHRC 2018/150 m.nt. F. Fernhout (<emphasis role="italic">Zubac/Kroatië</emphasis>), § 76, EHRM 29 november 2016, nr. 76943/11 ECLI:CE:ECHR:2016:1129JUD007694311, EHRC 2017/62 m.nt. A.J. Overbeeke  (<emphasis role="italic">Lupeni./Roemenië</emphasis>), § 84, EHRM 9 december 2010, nr. 35123/05, ECLI:CE:ECHR:2010:1209JUD003512305 (<emphasis role="italic">Urbanek/Oostenrijk</emphasis>), § 47, EHRM 23 maart 2010, nr. 15869/02, ECLI:CE:ECHR:2010:0323JUD001586902, (<emphasis role="italic">Cudak/Litouwen</emphasis>), § 54, EHRM 12 juli 2007, nr. 68490/01, ECLI:CE:ECHR:2007:0712JUD006849001, EHRC 2007/105 m.nt. F. Fernhout (<emphasis role="italic">Stankov/Bulgarijë</emphasis>), § 50, EHRM 19 oktober 2005, nr. 32555/96, ECLI:CE:ECHR:2005:1019JUD003255596 (<emphasis role="italic">Roche/UK</emphasis>), § 116, EHRM 10 mei 2001, nr. 29392/95, ECLI:CE:ECHR:2001:0510JUD002939295 (<emphasis role="italic">Z c.s./UK</emphasis>), § 91, EHRM 21 februari 1975, nr. 4451/70, ECLI:CE:ECHR:1975:0221JUD000445170, NJ 1975/462 m.nt. E.A. Alkema (<emphasis role="italic">Golder</emphasis>), § 35-36, Barkhuysen/Van Emmerik/Jansen/Fedorova, in: Van Dijk/Van Hoof/Van Rijn/Zwaak. (red.),  Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, 2018, p. 539-541 en P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, 2008, nr. 2.1.1. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4aa2d36e-5cca-490a-8341-1cd9aec9c3a9" label="5">
    <para> 	EHRM 5 april 2018, nr. 40160/12, ECLI:CE:ECHR:2018:0405JUD004016012, EHRC 2018/150 m.nt. F. Fernhout (<emphasis role="italic">Zubac/Kroatië</emphasis>), § 77, EHRM 12 juli 2007, nr. 68490/01, ECLI:CE:ECHR:2007:0712JUD006849001, EHRC 2007/105 m.nt. F. Fernhout (<emphasis role="italic">Stankov/Bulgarijë</emphasis>), § 54, EHRM 15 februari 2005, nr. 68416/01, ECLI:CE:ECHR:2005:0215JUD006841601, NJ 2006/39 m.nt. E.J. Dommering (<emphasis role="italic">Steel and Morris/UK</emphasis>), § 59, EHRM 10 juli 2003, nr. 58112/00, ECLI:CE:ECHR:2003:0710JUD005811200 (<emphasis role="italic">Multiplex/Kroatië</emphasis>), § 44, EHRM 19 juni 2001, nr. 28249/95, ECLI:CE:ECHR:2001:0619JUD002824995, EHRC 2001/54 m.nt. A.W. Heringa (<emphasis role="italic">Kreuz/Polen</emphasis>), § 53 en EHRM 9 oktober 1979, nr. 6289/73, ECLI:CE:ECHR:1979:1009JUD000628973, NJ 1980/376 m.nt. E.A. Alkema (<emphasis role="italic">Airey/Ierland</emphasis>), § 24 en Barkhuysen/Van Emmerik/Jansen/Fedorova, in: Van Dijk/Van Hoof/Van Rijn/Zwaak. (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, 2018, p. 542. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_594b929f-1b9f-49e2-bd81-e704e49671bf" label="6">
    <para> 	EHRM 5 april 2018, nr. 40160/12, ECLI:CE:ECHR:2018:0405JUD004016012, EHRC 2018/150 m.nt. F. Fernhout (<emphasis role="italic">Zubac/Kroatië</emphasis>), § 78, EHRM 29 november 2016, nr. 76943/11 ECLI:CE:ECHR:2016:1129JUD007694311, EHRC 2017/62 m.nt. A.J. Overbeeke   (<emphasis role="italic">Lupeni/Roemenië</emphasis>), § 89, EHRM 18 november 2014, nr. 50388/06, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD005038806 (<emphasis role="italic">Elinç/Turkije</emphasis>), § 70, EHRM 29 mei 2012, nr. 16563/08 e.a., ECLI:CE:ECHR:2012:0529JUD001656308, EHRC 2012/186 m.nt. F. Fernhout (<emphasis role="italic">Julin/Estland</emphasis>), § 158, EHRM 17 januari 2012, nr. 36760/06, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD003676006, EHRC 2012/83 m.nt. L. Arends (<emphasis role="italic">Stanev/Bulgarije</emphasis>), § 230, EHRM 9 december 2010, nr. 35123/05, ECLI:CE:ECHR:2010:1209JUD003512305 (<emphasis role="italic">Urbanek/Oostenrijk</emphasis>), § 49-50, EHRM 12 juni 2007, nr. 50939/99, ECLI:CE:ECHR:2007:0612JUD005093999 (<emphasis role="italic">Bakan/Turkije</emphasis>), § 66, EHRM 30 januari 2003, nr. 40877/98, ECLI:CE:ECHR:2003:0130JUD004087798 (<emphasis role="italic">Cordova/Italië</emphasis>), § 54, EHRM 19 december 1997, nr. 26737/95, ECLI:CE:ECHR:1997:1219JUD002673795 (<emphasis role="italic">Brualla Gomez de la Torre/Spanje</emphasis>), § 33, EHRM 13 juli 1995, nr. 18139/91, ECLI:CE:ECHR:1995:0713JUD001813991 (<emphasis role="italic">Tolstoy Miloslavsky/UK</emphasis>) § 59, Barkhuysen/Van Emmerik/Jansen/Fedorova, in: Van Dijk/Van Hoof/Van Rijn/Zwaak. (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, 2018, p. 553-558 en Vanlerberghe, in: Van Oevelen/Rozie/Rutten (red.), Recht op toegang tot de rechter, 2016, nr. 35 (p. 28-31). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_29cb37e8-e465-48f9-bee7-875d84c317e2" label="7">
    <para> 	EHRM 9 oktober 2014, nr. 30226/09, ECLI:CE:ECHR:2014:1009JUD003022609 (<emphasis role="italic">Xynos/Griekenland</emphasis>), § 46, EHRM 29 mei 2012, nr. 16563/08 e.a., ECLI:CE:ECHR:2012:0529JUD001656308, EHRC 2012/186 m.nt. F. Fernhout (<emphasis role="italic">Julin/Estland</emphasis>), § 159, EHRM 26 juli 2011, nr. 9718/03, ECLI:CE:ECHR:2011:0726JUD000971803 (<emphasis role="italic">Stoiescu/Roemenië</emphasis>), § 69, EHRM 12 juli 2007, nr. 68490/01, ECLI:CE:ECHR:2007:0712JUD006849001, EHRC 2007/105 m.nt. F. Fernhout (<emphasis role="italic">Stankov/Bulgarijë</emphasis>), § 52, EHRM 12 juni 2007, nr. 50939/99, ECLI:CE:ECHR:2007:0612JUD005093999 (<emphasis role="italic">Bakan/Turkije</emphasis>), § 67, EHRM 24 mei 2006, nr. 63945/00, ECLI:CE:ECHR:2006:0524JUD006394500, EHRC 2006/86 (<emphasis role="italic">Weissman/Roemenië</emphasis>), § 35, EHRM 19 juni 2001, nr. 28249/95, ECLI:CE:ECHR:2001:0619JUD002824995, EHRC 2001/54 m.nt. A.W. Heringa (<emphasis role="italic">Kreuz/Polen</emphasis>), § 59 besproken door: R.A. Lawson, ‘Rechtsmiddelen in en om Straatsburg’, Ars Aequi 2001, blz. 875-881 en EHRM 13 juli 1995, nr. 18139/91, ECLI:CE:ECHR:1995:0713JUD001813991 (<emphasis role="italic">Tolstoy Miloslavsky/UK</emphasis>) § 61-67. Zie hierover: F.J. Fernhout, Griffierechten en het recht op toegang tot de rechter, Ars Aequi 2019, blz. 67-74. Hij heeft kritiek op de verhoging van de griffierechten, maar concludeert dat de regeling wel voldoet aan art 6 EVRM. Zie verder: P. Smits, Aan ‘t werk kent gij den Kunstenaar, in: Van Boom e.a. (red.), Een kwart eeuw (Snijders-bundel), 2016, p. 363-365, Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/160, conclusie voor HR 8 juli 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ3883, NJ 2012/169 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2011/52 m.nt. P. Smits, punt 2.13 en voetnoten 21 en 22, annotatie T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik bij EHRM 16 november 2010, nr. 24768/06, ECLI:CE:ECHR:2010:1116JUD002476806 (<emphasis role="italic">Perdigao/Portugal</emphasis>), AB 2011/211, onder 8 en 9, Kamerstukken II, 2008-2009, 31758, nr. 3, p. 5 (mvt Invoering nieuw griffierechtenstelsel) en P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, 2008, nr. 2.6.3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b4b58491-fcf9-4bae-8605-b0fde0a0d1f1" label="8">
    <para>HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2020, NJ 2012/201, JBPr 2012/37 m.nt. P. Smits (<emphasis role="italic">Atrecht/Rabobank</emphasis>) en daarover Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/189. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_288b3a96-ceda-4742-b1fe-95835bdeef36" label="9">
    <para> 	HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:607, NJ 2016/220 met verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM genoemd in noot 27 van de conclusie A-G, te weten: EHRM 26 juli 2005, nr. 39199/98, ECLI:CE:ECHR:2005:0726JUD003919998 (<emphasis role="italic">Podbielski and PPU Polpure/Polen</emphasis>), EHRM 10 januari 2006, nr. 48140/99, ECLI:CE:ECHR:2006:0110JUD004814099, RvdW 2006/258 (<emphasis role="italic">Teltronic-CATV/Polen</emphasis>), § 61-63, EHRM 12 juli 2007, nr. 68490/01, ECLI:CE:ECHR:2007:0712JUD006849001, EHRC 2007/105 m.nt. F. Fernhout (<emphasis role="italic">Stankov/Bulgarije</emphasis>), § 59 en EHRM 31 juli 2007, nr. 38736/04, ECLI:CE:ECHR:2007:0731JUD003873604 (<emphasis role="italic">Mretebi/Georgië</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_940416ab-a647-431a-9d2d-44126b161cbc" label="10">
    <para> 	HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3883, NJ 2012/169 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2011/52 m.nt. P. Smits met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis genoemd onder 2.5 en 2.7 van de conclusie A-G, te weten Kamerstukken II, 1992-1993, 22 969, nr. 3, blz. 34 (mvt WSNP), Kamerstukken II, 1993-1994, 22 969, nr. 6, blz. 31 (mva WSNP) en Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr. 7, blz. 61 (Nota n.a.v. het verslag Herziening WSNP). Hierover: GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 284 Fw, aant. 4.4, Wessels, Insolventierecht IX (2017), nr. 9030, Polak/Pannevis, Insolventierecht, 2017, nr. 19.7 en B.J. Engberts, Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht, 2015, nr. 5.8.3. De regel is herhaald in: HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5578, NJ 2012/630. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b2067ec0-3452-49c6-bec2-9d38289a1061" label="11">
    <para> 	HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4020, NJ 2012/186. Hierover: Wessels, Insolventierecht IX (2017), nr. 9030 en Polak/Pannevis, Insolventierecht, 2017, nr. 19.7, De regel is ook herhaald in: HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5578, NJ 2012/630. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_37211b6a-7059-488b-88fe-a62b33bd9c30" label="12">
    <para> 	Vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7459, NJ 2013/339, JOR 2014/180, GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 358 Fw, aant. 5, Wessels, Insolventierecht IX (2017), nr. 9399 en Polak/Pannevis, Insolventierecht, 2017, nr. 24.5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b1446a72-8b04-493f-962e-d9eb9820540b" label="13">
    <para>Het aflopen van de termijn van art. 349a Fw laat de toepasselijkheid van art. 352-356 Fw onverlet. Zie: HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470 m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2015/54 m.nt. A.J. Noordam, HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5760, RvdW 2011/180 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226 m.nt. H.J. Snijders en daarover Wessels, Insolventierecht IX (2017), nr. 9363eb en A.J. Noordam (red.) Schuldsanering (ex-)ondernemers, 2013, nr. 6.3.1. Het einde van de looptijd brengt overigens wel mee dat latere verkrijgingen niet meer tot de boedel gaan behoren (HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0890, NJ 2012/636 m.nt. F.M.J. Verstijlen) en dat de saniet niet meer gebonden is aan de verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiden (HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1411, NJ 2013/305 m.nt. F.M.J. Verstijlen). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_27d80732-963d-4e34-9e65-3d1ba01b4ee9" label="14">
    <para> 	Zie art. 3.7 Recofa-richtlijnen voor schuldsanering (2018). Deze richtlijnen zijn te vinden op www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/recofa-richtlijnen-schuldsaneringsregelingen-2018.pdf. Verwezen wordt naar het rapport van de werkgroep rekenmethode vtlb van Recofa. Deze berekening wordt uitgevoerd door middel van de zogeheten vtlb-calculator. De meest actuele versie van dit rapport en van deze calculator zijn op de site www.bureauwsnp.nl beschikbaar. Zie hierover ook: GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 295 Fw, aant. 5 en 6, Wessels, Insolventierecht IX (2017), nrs. 9087-9088, Polak/Pannevis, Insolventierecht, 2017, nr. 20.1 en A.J. Noordam (red.) Schuldsanering (ex-)ondernemers, 2013, nr. 1.8.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_deabe142-0c14-4cd8-aa7f-7c566517abf4" label="15">
    <para> 	Op grond van art. 16 lid 1 Wgbz geldt het griffierecht voor onvermogenden bij tijdige overlegging van een afschrift van het besluit tot toevoeging of een inkomensverklaring waaruit blijkt dat het inkomen niet meer bedraagt dan bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet  (zijnde het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_070bca7f-38e6-4c91-bfcf-90f90b4d205c" label="16">
    <para> 	https://www.rechtspraak.nl/Uw-Situatie/Kosten-rechtszaak/Griffierecht/Paginas/Griffierecht-Hoge-Raad.aspx. Overigens bedraagt het griffierecht voor natuurlijke personen in zaken bij de Hoge Raad met betrekking tot een vordering of verzoek van onbepaalde waarde of een vordering of verzoek met een beloop van niet meer dan € 12.500,- eveneens € 336,-. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fba020ef-41d5-4745-9dd7-ec4e255f94b1" label="17">
    <para> 	HR 27 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2154, NJ 1997/39 m.nt. C.J.H. Brunner (<emphasis role="italic">Van Meurs</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9bc42b83-0337-4dc4-8fd9-18594a54571e" label="18">
    <para> 	Zie hierover (veel) meer: T. Barkhuysen e.a. (red.), Bestuursrecht in het Awb-tijdperk, 2018, nrs. 7.3.3 en 7.3.7 met verdere verwijzingen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fb94203f-7450-4d24-b9b3-6f2832740e93" label="19">
    <para> 	Vgl conclusie A-G voor HR 27 september 1996, ECLI:NL:PHR:1996:ZC2154, NJ 1997/39 m.nt. C.J.H. Brunner (<emphasis role="italic">Van Meurs</emphasis>), onder 2.3.2 </para>
  </footnote>
  <footnote id="_75338e52-1991-44a2-bc8d-eb70074ad2f3" label="20">
    <para> 	Dit geldt zelfs als geen nota is gestuurd: HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5603, NJ 2012/228 en HR 16 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7361, NJ 2012/275 (<emphasis role="italic">[.../...]</emphasis>) en daarover Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen, Cassatie, 2015, nr. 231. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3f6e2ea1-53e8-43ee-97e6-c91e56c72587" label="21">
    <para> 	Dit ligt volgens mij mogelijk anders bij de afwijzing van een verzoek tot aanpassing van het griffierecht, zoals aan de orde was in HR 27 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2154, NJ 1997/39 m.nt. C.J.H. Brunner (<emphasis role="italic">Van Meurs</emphasis>). Vergelijk in dat verband ook art. 1:3 lid 2 Awb. </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>