<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:1093</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-12T00:03:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-10-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/02960</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2020:233" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:233</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1093">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1093</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-11T14:46:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:1093 Parket bij de Hoge Raad , 29-10-2019 / 18/02960</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:1093:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Inpandig (in trappenhuis en ontvangstruimte) plaatsen van noodaggregaat voor stroomvoorziening aan restaurant. 1. Is het verweer dat onder het begrip 'lucht' a.b.i. art. 173a en 173b Sr ‘buitenlucht’ moet worden verstaan door het hof op toereikende gronden verworpen? 2. Bewijs voor ‘te duchten levensgevaar’ toereikend? Ad 1. Vanwege de samenhang met milieubepalingen moet 'lucht' in de zin van die artikelen worden aangemerkt als de buitenlucht. Het hof heeft het verweer op ontoereikende gronden verworpen. Ad 2. Vereist is dat levensgevaar kan optreden; het hoeft niet daadwerkelijk te zijn ingetreden. Gelet op de gemeten relatief hoge CO-waarden – waarvan algemeen bekend is dat deze gevaarlijk kunnen zijn – kan de klacht niet slagen. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:1093:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>PROCUREUR-GENERAAL</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJ DE</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>18/02960</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>		29 oktober 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>CONCLUSIE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.C. Aben</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. De verdachte is bij arrest van 14 mei 2018 door het gerechtshof Den Haag wegens “<emphasis role="italic">opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor en ander te duchten is</emphasis>”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van zestig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door dertig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. </para>
    <para />
    <para>2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    <para />
    <para>3. Ter <emphasis role="underline">inleiding</emphasis> eerst het volgende. De verdachte was eigenaar van een afhaalrestaurant in Den Haag. Om thans niet ter zake doende redenen werd bij zijn restaurant de stroomvoorziening afgesloten. De verdachte heeft vervolgens voor zijn restaurant een aggregaat gehuurd. Een aggregaat wekt door middel van een verbrandingsmotor elektriciteit op. Bij de verbranding van fossiele brandstof komt onder meer koolmonoxide (CO)<footnote-ref linkend="_26e9b899-d998-4111-88dd-74fbc1bea3ce" /> vrij, een stof die in bepaalde concentraties toxisch is. Het gehuurde aggregaat is geplaatst in de ontvangstruimte van het restaurant en enige tijd in werking geweest. De verdachte heeft er niet op toegezien dat de ontvangstruimte (het trappenhuis) voldoende werd geventileerd. De gewaarschuwde inspecteurs van de gemeente en de brandweer hebben op diverse locaties in het gebouw waarin het restaurant was gevestigd relatief hoge concentraties koolmonoxide gemeten, te weten in het trappenhuis, in het restaurant zelf en in bovengelegen woningen. De kern van het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt – zoals <emphasis role="italic">ik</emphasis> het begrijp – is niet zozeer dat koolmonoxide in het milieu is terechtgekomen. Daarin onderscheidt de verdachte zich immers niet van hen die deelnemen aan het verkeer in een voertuig met een verbrandingsmotor.<footnote-ref linkend="_402ce4b6-51a6-49db-8784-dff09e45b167" /> Waar het om gaat is dat het aggregaat <emphasis role="italic">inpandig</emphasis> was gepositioneerd en in werking gesteld, en dit zonder goede ventilatie. Als gevolg daarvan werden verscheidene personen blootgesteld aan een relatief grote hoeveelheid uitlaatgassen en (dus) aan hogere concentraties koolmonoxide. Ter discussie staat allereerst of deze “<emphasis role="italic">onhandige actie</emphasis>”<footnote-ref linkend="_194fabc8-e26a-43fb-a820-161e24381d38" /> van de verdachte wordt bestreken door de delictsomschrijving van artikel 173a Sr. </para>
    <para />
    <para>4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:</para>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">“hij in de periode van 15 januari 2013 tot en met 17 januari 2013, in de gemeente 's-Gravenhage, opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten koolmonoxide, in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was, immers heeft hij in een (destijds gevestigd) restaurant gelegen op/aan de [a-straat 1] een aggregaat geplaatst of laten plaatsen en in werking gesteld of laten stellen, terwijl koolmonoxide uit dat aggregaat vrijkwam en vervolgens zich verspreidde in dat restaurant en naast of boven dat restaurant gelegen trappenhuis en woningen, waarbij personen in dat restaurant en/of dat trappenhuis en die woningen werden blootgesteld aan die vrijgekomen koolmonoxide.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Aan die bewezenverklaring zijn de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd: </para>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">“</emphasis>
        <emphasis role="bold italic">1. De verklaring van de verdachte.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 april 2018 verklaard -zakelijk weergegeven-: </emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik ben met mijn broer naar Bo-rent gegaan en ik heb daar een aggregaat gehuurd.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het aggregaat werd geplaatst bij de ingang van het restaurant. Bij het restaurant zit een schuifdeur die niet automatisch werkt en die je dus zelf open moet schuiven. Op 17 januari 2013 heb ik mijn personeel de opdracht gegeven om het aggregaat aan te zetten. De deur is daarbij echter niet open gezet, terwijl het mijn fout was dat ik op dat moment niet aanwezig was om te zorgen dat dit zou gebeuren.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold italic">2. Een proces-verbaal van bevindingen</emphasis>
        <emphasis role="italic"> d.d. 24 mei 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1512 2013012640- 9. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (blz. 12 en 13):</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 17 januari 2013 werd ik gestuurd naar de [a-straat 1] te 's-Gravenhage. Aldaar zit het restaurant [A] . De centrale meldkamer stuurde mij en mijn collega ter ondersteuning van de brandweer en de Dienst Stedelijke Ontwikkeling. Deze waren bezig met het betreden van woningen boven het restaurant na het waarnemen van zeer hoge C02 waarden </emphasis>[DA: hier en hieronder zal zijn bedoeld: CO-waarden]<emphasis role="italic">. In het centrale trappenhuis werd door de brandweer een C02 waarde van 270 PPM gemeten. Ik hoorde van de aanwezige brandweercommandant, genaamd [betrokkene 1] , dat je met deze waarden binnen 15 à 25 minuten sterft. Een Poolse bewoonster had hoofdpijn en was duizelig. In haar woning werd door de brandweer een CO2 waarde van 26 PPM gemeten.</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Aangezien de CO2 waarde in het centrale, trappenhuis het hoogst was, zijn we daar begonnen met een onderzoek om de bron van de C02 te traceren. Op de begane grond van dit centrale trappenhuis bevind zich de ontvangsthal van het restaurant. Ik zag dat in deze ontvangsthal een noodaggregaat in werking was. De uitlaatgassen konden vrij het restaurant in en konden ook gemakkelijk het trappenhuis in, naar de woningen boven het restaurant.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik hoorde een medewerkster van het restaurant, [betrokkene 2] verklaren dat de noodaggregaat, werkend op brandstof, op dinsdag 15 januari 2013 is geplaatst in het restaurant. [betrokkene 2] verklaarde dat het erg naar uitlaatgassen stonk vanaf dat moment.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik sprak vervolgens met een andere medewerkster van het restaurant, genaamd [betrokkene 3] . Ik hoorde [betrokkene 3] verklaren dat [verdachte] , de baas van het restaurant, de noodaggregaat geplaatst heeft om toch te kunnen werken. Ik hoorde [betrokkene 3] verklaren dat [verdachte] op de hoogte was dat de huisbaas dit niet wilde maar de noodaggregaat toch plaatste.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">3. Een proces-verbaal van bevindingen</emphasis>
        <emphasis role="italic"> d.d. 27 maart 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1512 2013012640-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (blz. 36):</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 27 maart 2013 heb ik een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik geef u toestemming om mij telefonisch re horen als getuige.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik ben werkzaam bij Bo-rent. Op 15 januari 2013 heb ik een noodaggregaat verhuurd aan [verdachte] . [verdachte] vertelde dat hij het noodaggregaat graag in een pand wilde plaatsen. Ik heb toen nadrukkelijk tegen hem gezegd dat hij het noodaggregaat niet binnen mocht plaatsen omdat er anders giftige stoffen vrij zouden komen. [verdachte] vertelde dat hij voor ventilatie zou zorgen door een deur open te zetten. Ik heb nog een gebruikershandleiding meegegeven waar nadrukkelijk in staat dat het apparaat niet binnen geplaatst mag worden zonder ventilatie.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold italic">4. Een inspectierapport van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling</emphasis>
        <emphasis role="italic"> nr. 201301141 d.d. 25 januari 2013 met bijlagen, opgemaakt door [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , senior inspecteur handhaving respectievelijk Adjunct teammanager. Dit rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (blz. 41 t/m 47):</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 17 januari 2013 ben ik, rapporteur [betrokkene 6] , samen met de mensen van de brandweer en de collega's van milieu afdeling naar binnen gegaan bij de horecagelegenheid gelegen aan de [a-straat 1] te Den Haag.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">Wij, rapporteurs, zagen bij het kijken door de ruit van de toegangsdeur van [b-straat 1] een aggregaat. Ik zag dat de toegangsdeur van de [b-straat 1] gesloten was. Het is algemeen bekend dat het extreem gevaarlijk is om een werkend benzineaggregaat inpandig te hebben zeker als het staat opgesteld in een ongeventileerde ruimte, omdat hierdoor grote hoeveelheden koolmonoxide vrij kunnen komen.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik, rapporteur [betrokkene 6] heb, gezamenlijk met de brandweer, in de ruimte waar het aggregaat stond opgesteld een koolstofmonoxide (CO) gasmeting uitgevoerd. Ik zag dat het meetapparaat binnen 1 minuut een alarmerend hoge waarde van 191 PPM CO aangaf. Dat is een zeer hoge concentratie koolmonoxide, die noodzaak geeft om spoedeisend op te treden om de bron die deze situatie veroorzaakt uit te zetten. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Deze zeer hoog gemeten waarden koolstofmonoxide en de wetenschap dat de vorige dag, woensdag 16 januari 2013, het aggregaat waarschijnlijk lange tijd heeft staan draaien, gaf vervolgens aanleiding om in het trappenhuis en de daarmee in verbinding staande gangen naar de appartementen op de bovenste verdiepingen van het complex, metingen te verrichten. Ondanks diverse bouwkundige scheidingen werd in de gangen en trappenhuizen, van het appartementencomplex eveneens een aanzienlijke concentratie koolmonoxide gemeten. Hierdoor was er sprake van een noodsituatie.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit de metingen in de appartementen bleek dat er aanzienlijke concentraties koolmonoxide aanwezig waren variëren van enkele ppm's tot 64 ppm koolstofmonoxide, die echter geen acuut gevaar opleverden, maar wel gezondheidsklachten kunnen veroorzaken.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Het <emphasis role="underline">eerste middel</emphasis> klaagt (1) dat het hof het verweer dat onder ‘lucht’ als bedoeld in de artikelen 173a en 173b Sr uitsluitend ‘buitenlucht’ dient te worden verstaan, op ontoereikende gronden heeft verworpen, en (2) dat het (bewezenverklaarde) gevaar voor de <emphasis role="italic">openbare</emphasis> gezondheid niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. </para>
    <para />
    <para>7. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof, in strijd met de nadrukkelijke wil van de wetgever, de lucht die zich inpandig bevindt (‘binnenlucht’) heeft aangemerkt als ‘lucht’ in de zin van de artikelen 173a en 173b Sr. De bewezenverklaring kan niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid zonder aan het begrip ‘lucht’ een onjuiste betekenis toe te kennen, aldus versta ik de steller van het middel. Daarmee verband houdt dat in de delictsomschrijving van de artikelen 173a en 173b Sr het begrip ‘<emphasis role="italic">openbare</emphasis> gezondheid’ is opgenomen. Onder verwijzing naar de delictsomschrijvingen van artikelen 41 Sr, 239 lid 1 en 2 Sr en 426 Sr betoogt hij dat het begrip ‘openbaar’ verwijst naar een situatie buiten de deur, dat wil zeggen: in het publieke domein. </para>
    <para />
    <para>8. Mijn bespreking van het middel concentreert zich op de eerste deelklacht.</para>
    <para />
    <para>9. Blijkens de aan het proces‑verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 april 2018 gehechte pleitnota, luidt het aldaar gevoerde en in het middel bedoelde verweer – voor zover relevant – als volgt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“11. Dat cliënt na het afsluiten van zijn stroom onhandige actie heeft ondernomen door het aggregaat in het trapportaal te zetten, daar zijn we het met zijn allen denk ik wel over eens. Maar de vraag is of onder gegeven omstandigheden er überhaupt wel, los van alle eerdergenoemde punten, wel tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">12. Naar mening van de verdediging is dat niet het geval. In een soortgelijke zaak waarbij een verdachte ook artikelen 173a en b Sr ten laste was gelegd met betrekking tot het in de lucht brengen van asbest, heeft de rechtbank Limburg op 29 januari 2016 (ECLI:NL:RBLIM:2016:811) beslist dat de verdachte diende te worden vrijgesproken omdat onder lucht in artikel 173 a en b, buitenlucht dient te worden verstaan en dat niet kon worden bewezen dat door het brengen van asbest in de buitenlucht daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor anderen te duchten is geweest. Immers daarvoor zal vast moeten komen te staan dat dit gevaar zich naar objectieve maatstaven te duchten was op het moment van het brengen van de stof in het milieu en onder de omstandigheden waaronder dit werd gedaan. Nergens in het dossier is echter gebleken in welke concentratie en waar de asbestvezels in de buitenlucht zoal terecht zijn gekomen en of en welke concrete personen daaraan in welke mate blootgesteld zijn geweest.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">13. Deze genoemde casus laat zich nagenoeg kopiëren op de zaak van cliënt, dan wel dat het niet gaat om asbest maar om koolmonoxide in de lucht. Het verwijt dat cliënt in onderhavige zaak wordt gemaakt ziet op de uitstoot van giftige gassen in de binnenlucht en niet op de buitenlucht waar de artikelen 173 a en b zien. De metingen van DSO hebben ook enkel en alleen betrekking op binnenlucht van het pand (trapportaal, restaurant en woningen). Mede gelet hierop verzoek ik u cliënt vrij te spreken van beide varianten in de tenlastelegging.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Het hof heeft in het bestreden arrest aan de weerlegging van dat verweer de volgende overwegingen gewijd: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bij pleitnota aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. </emphasis>
      </para>
      <para> <emphasis role="italic">Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Er is geen bewijs voorhanden dat er concreet gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor een ander te duchten was. Verder dient onder 'lucht', in de zin van de artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht 'buitenlucht' te worden verstaan.</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is geweest van opzet, waardoor het primair ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard. </emphasis>
      </para>
      <para> <emphasis role="italic">Het hof stelt voorop dat het gevaar voor de openbare gezondheid een geobjectiveerd bestanddeel betreft en dat bovendien enkel vereist is dat het gevaar "te duchten" is. De gezondheid van de mens behoeft dus nog niet te zijn aangetast. De gevaren van blootstelling aan koolmonoxide en het inademen daarvan zijn naar het oordeel van het hof in het algemeen genoegzaam bekend. In welke mate het in deze zaak aanwezig was en welk risico daarbij was ontstaan blijkt overigens uit de door de brandweer en de DSO gemeten waarden. Deze rapporten bevinden zich in het dossier. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> <emphasis role="italic">Het hof stelt voorts vast dat in deze zaak enkel de commune milieuovertreding van art. 173a/173b Sr is tenlastegelegd. Er doet zich dan ook geen samenloop voor met een misdrijf in de Wet Economische Delicten. Derhalve dient - anders dan de raadsman stelt - geen aansluiting te worden gezocht met de definitie van 'lucht’ in de (sectorale) milieuwetten. De artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht beogen de bescherming van de volksgezondheid (tegen milieuverontreiniging) en niet de bestrijding van milieuverontreiniging op zichzelf. </emphasis></para>
      <para> <emphasis role="italic">Het hof overweegt m.b.t. de opzet als volgt. Het opzet in de zin van artikel 173a van het Wetboek van Strafrecht dient slechts gericht te zijn op de in de aanhef van dit artikel omschreven gedraging. Aldus dient de verdachte opzet te hebben op het in de lucht brengen van een levensgevaarlijke stof, en niet op het duchten van gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor anderen. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 april 2018 heeft de verdachte daartoe verklaard dat hij zijn personeel op 17 januari 2013 opdracht heeft gegeven om het aggregaat aan te zetten bij de ingang van het restaurant. Voorts heeft de verdachte verklaard dat de deur daarbij niet open is gezet, terwijl het zijn fout was hij op dat moment niet aanwezig was om te zorgen dat dit zou gebeuren. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte willens en wetens het aggregaat aan heeft laten zetten en daarmee de levensgevaarlijke stof koolmonoxide in de lucht heeft gebracht. Het verweer wordt derhalve in alle onderdelen verworpen.”</emphasis></para>
    </parablock>
    <para>11. Artikel 173a Sr luidt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengt, wordt gestraft:</emphasis>
      </para>
      <para> <emphasis role="italic">1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;</emphasis></para>
      <para> <emphasis role="italic">2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.” </emphasis></para>
    </parablock>
    <para>12. De tenlastelegging is toegesneden op de artikelen 173a Sr (een opzetdelict) en 173b Sr (een schulddelict). Om die reden moet worden aangenomen dat de termen die in de tenlastelegging zijn opgenomen aldaar zijn gebruikt in dezelfde betekenis als de betekenis die toekomt aan gelijkluidende termen in deze wetsartikelen. In cassatie wordt geklaagd dat het hof aan het in de bewezenverklaring opgenomen begrip ‘lucht’ een afwijkende, namelijk ruimere betekenis heeft toegekend dan aan het begrip ‘lucht’ in de tenlastelegging, die zoals gezegd overeenstemt met de betekenis van datzelfde begrip in de artikelen 173a en 173b Sr. </para>
    <para />
    <para>13. Voor wat betreft de betekenis van wettelijke bepalingen in het algemeen, moet naar mijn inzicht worden aangenomen dat de Nederlandse wetgever bij het redigeren van wetsteksten gebruik maakt van gangbare termen uit Standaardnederlands, dan wel van termen die met behulp van wettelijke definitiebepalingen (in gangbaar Standaardnederlands) zijn verduidelijkt, gepreciseerd of nader omschreven. Behoudens indien (i) aan de wetsgeschiedenis, (ii) aan de wetssystematiek en/of (iii) aan de functie die de regeling binnen de samenleving vervult duidelijke aanwijzingen van het tegendeel kunnen worden ontleend, moet er dan ook van worden uitgegaan dat een wettelijke delictsomschrijving is opgesteld in gangbaar Nederlands, eventueel met gebruik van in die wet uitdrukkelijk gedefinieerde begrippen. Uitzonderingen op die regel zijn niet uitzonderlijk. De Hoge Raad geeft bijvoorbeeld aan het in de wet niet nader gedefinieerde begrip ‘roekeloosheid’ in artikel 175 Wegenverkeerswet 1994 op wetshistorische en wetssystematische gronden een meer beperkte reikwijdte dan het dagelijks taalgebruik doet.<footnote-ref linkend="_4f17993c-7ba4-4e11-87be-222e2e691000" /> Het wettelijke begrip ‘opzet’ wordt in de strafrechtstoepassing daarentegen betrekkelijk ruim geïnterpreteerd. Overigens geldt dat een (substantiële) <emphasis role="italic">verruiming</emphasis> van het bereik van een wettelijke term door een interpretatie daarvan die afwijkt van gangbaar Nederlands op gespannen voet kan staan met het legaliteitsbeginsel van artikel 16 van de Grondwet, artikel 7 EVRM en artikel 1 Sr.</para>
    <para />
    <para>14. Aangezien de term ‘lucht’ in het Wetboek van Strafrecht niet is gedefinieerd, haak ik allereerst aan bij het meest gezaghebbende woordenboek van de Nederlandse taal. De ‘Dikke Van Dale’ geeft van het trefwoord ‘lucht’ de volgende beschrijving: “<emphasis role="italic">het in hoofdzaak uit zuurstof en stikstof bestaande gasmengsel dat de aarde tot op zekere hoogte overal omgeeft en voor het organische leven onmisbaar is</emphasis>”.<footnote-ref linkend="_3e2b1615-807d-4f79-b124-b793bb68b3db" /> Naar het mij voorkomt brengt deze beschrijving tot uitdrukking dat hierbij moet worden gedacht aan de onderste lagen van de aardatmosfeer. De lucht die zich <emphasis role="italic">in</emphasis> een gebouw bevindt is daarvan echter niet geïsoleerd. Inpandige lucht is dus onderdeel van het “<emphasis role="italic">gasmengsel dat de aarde tot op zekere hoogte overal omgeeft</emphasis>”. De vraag die het middel daarmee oproept is of aan het begrip ‘lucht’ in de artikelen 173a en 173b Sr op grond van duidelijke aanwijzingen die zijn ontleend aan de wetsgeschiedenis, aan de wetssystematiek of aan de functie die de regeling binnen de samenleving vervult een andere, meer beperkte betekenis moet worden toegekend dan de betekenis die het woordenboek daaraan geeft.</para>
    <para />
    <para>15. Het begrip ‘lucht’ komt als zelfstandig naamwoord op zes plaatsen in het Wetboek van Strafrecht voor.<footnote-ref linkend="_ef02a3ec-aeb8-4bc4-bd7a-26f58552f23f" /> De artikelen 173a en 173b Sr zijn opgenomen in Titel VII van het Tweede Boek, geheten: ‘misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht’, een titel die aanvangt met de strafbaarstelling van brandstichting (artikel 157 Sr). Aan een en ander valt m.i. geen dwingend argument te ontlenen.</para>
    <para />
    <para>16. Aandacht voor de wetsgeschiedenis. Artikel 173a Sr (en in zijn culpoze variant: artikel 173b Sr) is ingevoerd met ingang van 1 december 1970.<footnote-ref linkend="_746d0bd2-cfd5-4a3f-856f-d6ff747208a6" /> Het betrof een strafbepaling die onderdeel was van het wetsvoorstel waarmee de (inmiddels vervallen) Wet verontreiniging oppervlaktewateren werd ingevoerd.<footnote-ref linkend="_83fb95a7-e861-44b3-876e-26fcf4272110" /> Met ingang van 1 maart 1989 zijn deze strafbepalingen aangevuld met bestanddelen die betrekking hebben op twee andere componenten van het leefmilieu die – naast oppervlaktewateren – bescherming tegen verontreiniging verdienen, namelijk de bodem en de lucht. De desbetreffende wet strekte tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met enige bepalingen ter bescherming van de algemene veiligheid van personen tegen ernstige verontreinigingen van het milieu.<footnote-ref linkend="_7f002b9a-be80-46dd-8678-531da7982c77" />Voor zover relevant luidt de memorie van toelichting bij de wijziging van de artikel 173a en 173b als volgt: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Het lijkt thans wenselijk, los van een van de deelgebieden van de milieuwetgeving, overkoepelende bepalingen in te voeren die ernstige vormen van milieuverontreiniging strafbaar stellen. Deze bepalingen komen er op neer dat het opzettelijk of op nalatige wijze een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengen, wordt strafbaar gesteld, indien hierdoor gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten is. Indien bovendien hierdoor iemand sterft, kan een zwaardere straf worden opgelegd. Bij de formulering van de thans voorgelegde bepalingen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de eerdere, reeds genoemde bepalingen die tegelijk met bijzondere milieuwetten in het Wetboek van Strafrecht zijn ingevoerd. Slechts is getracht thans de bepalingen zodanig te formuleren dat elke vorm van verontreiniging van het milieu waardoor gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is, daaronder wordt gevat. Zo zullen onder meer gevallen van ernstige bodemverontreiniging waarbij mogelijk eerst op lange termijn het gevaar voor de openbare gezondheid zich verwezenlijkt, door de voorgestelde bepalingen worden bestreken. Voor zover schade aan het milieu wordt toegebracht, zonder dat de mens rechtstreeks als gevolg daarvan kan worden geschaad, blijven de bepalingen van de afzonderlijke milieuwetten van toepassing.</emphasis>”<footnote-ref linkend="_e97d18c1-ff3d-4464-bd4b-cef084994880" /></para>
    </parablock>
    <para>Ik heb tevergeefs gezocht naar meer toelichting hierover in andere onderdelen van de totstandkomingsgeschiedenis van deze wet. </para>
    <para />
    <para>17. De bedoeling van de wetgever bij de invoering van de thans geldende artikelen 173a en 173b Sr was dus om overkoepelende bepalingen in te voeren teneinde ernstige vormen van milieuverontreiniging binnen de actieradius van commune strafbepalingen te brengen indien rechtstreeks als gevolg van die milieuverontreiniging de gezondheid van de mens kan worden geschaad. Daarbij is getracht om zo veel mogelijk aansluiting te zoeken bij de formulering van reeds bestaande bepalingen en om deze vernieuwde bepalingen zodanig te formuleren dat elke vorm van verontreiniging van het milieu waardoor gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is, daaronder wordt gevat. Voor de gevallen waarin schade aan het milieu wordt toegebracht zonder dat de mens rechtstreeks als gevolg daarvan kan worden geschaad, blijven de bepalingen uit de afzonderlijke milieuwetten van toepassing, zo wijst de memorie van toelichting uit. </para>
    <para />
    <para>18. De bijzondere milieuwetten met betrekking tot luchtverontreiniging bevatten de volgende begripsbepalingen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Artikel 1.1 Wet milieubeheer:</para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">luchtverontreiniging: aanwezigheid in de buitenlucht van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in de Kernenergiewet, die op zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken”.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>- Artikel 1 Wet inzake de luchtverontreiniging:</para>
      <para />
      <para> “<emphasis role="italic">Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:</emphasis></para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">luchtverontreiniging: de aanwezigheid in de buitenlucht van verontreinigende stoffen;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">verontreinigende stoffen: vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radio-actieve stoffen in de zin van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82), die in de lucht, op zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen, hetzij nadeel voor de gezondheid van de mens of hinder voor de mens kunnen opleveren, hetzij schade kunnen toebrengen aan dieren, planten of goederen;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">verontreinigende handeling: gedraging waardoor één of meer verontreinigende stoffen in de buitenlucht kunnen geraken, die niet voortvloeit uit het normale gebruik van een toestel of brandstof en niet wordt verricht in een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is”.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>Wat betreft de betekenis van het begrip ‘luchtverontreiniging’ maken deze bepalingen onomwonden duidelijk dat het gaat om de aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de <emphasis role="italic">buiten</emphasis>lucht. Verontreiniging van inpandige lucht (‘binnenlucht’) wordt in de context van deze bepalingen dus niet beschouwd als luchtverontreiniging.</para>
    <para />
    <para>19. De Wet op de economische delicten (WED) stelt onder meer strafbaar het handelen in strijd met, of het overtreden van bepalingen vastgesteld bij de Wet inzake de luchtverontreiniging, met name de verbodsbepalingen van de artikelen 91 en 92 van die wet. Het kan voorkomen dat overtredingen van die bepalingen samenlopen met delicten die zijn omschreven in de artikelen 173a of 173b Sr.<footnote-ref linkend="_89e0d7db-ebfe-45c6-9c43-7375f4b7d512" /> Het zal dan met name gaan om ernstigere gevallen van luchtverontreiniging.<footnote-ref linkend="_2593c067-67c2-493a-8a23-e5aaa71e82d7" /> Er is volgens de juridische literatuur in die gevallen steeds sprake van <emphasis role="italic">meerdaadse</emphasis> samenloop, aangezien artikel 173a Sr de menselijke gezondheid en het leven beschermt, terwijl de bijzondere wetten primair milieuverontreiniging strafbaar stellen en daarnaast, in tegenstelling tot artikel 173a Sr, economische delicten betreffen.<footnote-ref linkend="_206bf4c7-c326-47e8-88b3-026ec4eac3b4" /> De bepalingen van artikel 173a en 173b Sr laten zich ten opzichte van die bijzondere wetten niet als <emphasis role="italic">leges speciales</emphasis> kenschetsen.<footnote-ref linkend="_8e2c42bc-a3fb-48c7-ac28-c95946d55609" /></para>
    <para />
    <para>20. Ik vat de voorgaande beschouwingen samen. De beschermde rechtsgoederen van (1) de hiervoor bedoelde milieubepalingen, en (2) de commune strafbepalingen van de artikelen 173a en 173b Sr zijn niet identiek. De eerstbedoelde bepalingen strekken ter bescherming van het milieu (hier: de lucht), dat wil zeggen: tegen de verontreiniging daarvan, terwijl de onder (2) genoemde bepalingen strekken ter bescherming van de gezondheid van mensen indien en voor zover die in het geding is rechtstreeks als gevolg van ernstige vormen van milieuverontreiniging. De strekkingen van de genoemde clusters van bepalingen komen niettemin in die zin overeen dat in beide gevallen is beoogd om milieuverontreiniging strafbaar te stellen. De wetgever stond daarmee een vrij hechte samenhang tussen de twee genoemde clusters van bepalingen voor ogen. </para>
    <para />
    <para>21. Die constatering brengt mijns inziens mee dat voor wat betreft de betekenis van het begrip ‘lucht’ in artikel 173a Sr moet worden aangesloten bij de kennelijke betekenis van het begrip ‘lucht’ in de bedoelde milieuwetgeving.<footnote-ref linkend="_893a82cd-b7fc-4ceb-9e0f-e128787c636d" /> De vervuiling van uitsluitend inpandige lucht betreft in dat geval geen vorm van milieuverontreiniging. Indien die rechtsopvatting juist is, heeft het hof in het bestreden arrest aan het begrip ‘lucht’ een te ruime betekenis toegekend en het desbetreffende verweer op ontoereikende gronden verworpen. Bovendien begrijp ik de overwegingen van het hof zo dat het de uitleg van het wettelijke begrip ‘lucht’ in artikel 173a Sr afhankelijk stelt van de vraag of zich in het voorkomende geval een samenloop met milieudelicten voordoet. Dat lijkt mij onwenselijk.</para>
    <para />
    <para>22. Het middel slaagt. Daardoor behoeft de tweede deelklacht van dit middel geen bespreking.</para>
    <para />
    <para>23. Het <emphasis role="underline">tweede middel</emphasis> klaagt over de bewezenverklaring, voor zover inhoudend dat levensgevaar te duchten was in het restaurant, het trappenhuis en/of de betrokken woningen.</para>
    <para />
    <para>24. Het ‘gevaar voor de openbare gezondheid’ en het ‘levensgevaar voor een ander’ vormen geobjectiveerde bestanddelen in de delictsomschrijving van artikel 173a Sr.<footnote-ref linkend="_c19a396f-5e1b-4500-acd9-e748522baf66" /> Voldoende is dat het gevaar naar objectieve maatstaven te duchten is. Bij de beoordeling daarvan mag worden aangesloten bij de (wetenschappelijke) kennis omtrent de desbetreffende stof, met inachtneming van de hoeveelheid en concentratie waarin deze in het milieu is gebracht, mits die kennis ten tijde van het plegen van het delict reeds bekend was.<footnote-ref linkend="_d0ce7bb8-b60b-4395-b2e8-8cff45fb6020" /> Niet vereist is dat het gevaar daadwerkelijk is ingetreden, het behoeft slechts te duchten te zijn geweest.<footnote-ref linkend="_a48e457d-c3bc-498c-abd1-788ff6bb102e" /></para>
    <para />
    <para>25. Voor zover geklaagd wordt dat het bewijs voor het te duchten levensgevaar in de woningen ontoereikend zou zijn, kan ik kort zijn. Het is, zoals de steller van het middel terecht opmerkt, een feit van algemene bekendheid dat blootstelling aan een relatief grote hoeveelheid koolmonoxide levensgevaar <emphasis role="italic">kan</emphasis> opleveren. De in de woningen gemeten waarden – blijkens het inspectierapport van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling tot 64 ppm<footnote-ref linkend="_b974b498-d0e7-4031-b639-c3520089a9f3" /> – liggen reeds ver boven de advieswaarden die door verscheidene gezondheidsorganisaties worden gehanteerd.<footnote-ref linkend="_f0baddd9-dc35-4ede-96de-b049578c1006" /></para>
    <para />
    <para>26. Het middel kan evenmin slagen voor zover wordt geklaagd dat ten aanzien van het te duchten levensgevaar in het naast of boven dat restaurant gelegen trappenhuis niet kan volgen dat zich in het trappenhuis mensen langer dan 15 à 25 minuten – zijnde de fatale tijdslimiet – hebben opgehouden. Ook op dat punt geldt dat slechts vereist is dat het levensgevaar te <emphasis role="italic">duchten</emphasis> is geweest. Het behoeft geen betoog dat er een vrij grote kans was dat bewoners of restaurantbezoekers zich zouden ophouden in het trappenhuis (met ontvangsthal) en op die manier blootgesteld konden worden aan de genoemde concentraties van deze stof. </para>
    <para />
    <para>27. Het middel faalt in al zijn onderdelen. </para>
    <para />
    <para>28. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt. </para>
    <para />
    <para>29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
    <para />
    <para>30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <bridgehead>AG</bridgehead>
  <footnote id="_26e9b899-d998-4111-88dd-74fbc1bea3ce" label="1">
    <para> Her en der in het dossier wordt kennelijk abusievelijk ook wel gesproken over (zeer hoge) waarden van “<emphasis role="italic">CO2</emphasis>”. ‘CO2’ betreft de brutoformule van een (broeikas)gas dat bekend staat als koolstofdioxide, kooldioxide en koolzuurgas. Dit is een stof die wijzelf uitademen en die aanzienlijk minder toxisch is dan koolstofmonoxide/koolmonoxide (CO). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_402ce4b6-51a6-49db-8784-dff09e45b167" label="2">
    <para> Zie hierover informatie van de Rijksoverheid: Compendium voor de leefomgeving; koolmonoxide in de lucht, <emphasis role="underline">https://www.clo.nl/indicatoren/nl0465-koolmonoxide</emphasis>. In de (buiten)lucht vormt wegverkeer de belangrijkste bron van koolmonoxide (althans in 2012).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_194fabc8-e26a-43fb-a820-161e24381d38" label="3">
    <para> Deze kwalificatie is niet van mij, maar van de raadsman in hoger beroep. Zie de pleitnota voor de terechtzitting van 30 april 2018, p. 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4f17993c-7ba4-4e11-87be-222e2e691000" label="4">
    <para> Zie HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2016, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2012/488.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3e2b1615-807d-4f79-b124-b793bb68b3db" label="5">
    <para> Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, Utrecht: Van Dale Lexicografie 2015 (online).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef02a3ec-aeb8-4bc4-bd7a-26f58552f23f" label="6">
    <para> Dat zijn, naast de artikelen 173a en 173b: artikel 161quater (“<emphasis role="italic">Hij die opzettelijk mensen, dieren, planten of goederen aan ioniserende stralen blootstelt, dan wel mensen, dieren, planten, goederen, bodem, water of </emphasis><emphasis role="underline italic">lucht</emphasis><emphasis role="italic"> met radioactieve stoffen besmet (….)</emphasis>”), artikel 161quinquies (de schuldvariant van het voorgaande), en artikel 429 (tweemaal), dat als overtreding strafbaar stelt: “<emphasis role="italic">hij die een vlieger oplaat of in de </emphasis><emphasis role="underline italic">lucht</emphasis><emphasis role="italic"> heeft aan een lijn die zich geheel of ten dele bevindt binnen een afstand van vijfhonderd meter van een bovengrondse elektrische hoogspanningsleiding; (…) hij die zich zodanig gedraagt dat gevaar voor het luchtverkeer wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer in de </emphasis><emphasis role="underline italic">lucht</emphasis><emphasis role="italic"> wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</emphasis>” </para>
  </footnote>
  <footnote id="_746d0bd2-cfd5-4a3f-856f-d6ff747208a6" label="7">
    <para> De Wet van 13 november 1969 houdende regelen omtrent de verontreiniging van oppervlaktewateren, <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 1969, 536.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_83fb95a7-e861-44b3-876e-26fcf4272110" label="8">
    <para> Artikel 173a Sr (oud) luidde aanvankelijk als volgt: “<emphasis role="italic">Hij die zonder vergunning van het ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bevoegde gezag in een water enige stof aanbrengt, wetende dat door deze toevoeging voor anderen nadeel ontstaat in verband met het gebruik dat gewoonlijk van dat water of van een daarmede in verbinding staand water wordt gemaakt, wordt gestraft (….).</emphasis>” Het begrip ‘water’ was niet gedefinieerd, zodat daaronder in beginsel, behalve oppervlaktewater, ook grondwater, water dat zich bevindt in leidingen, in containers of in flessen, en tot ijs gestold water kon worden begrepen. In andere bepalingen van de Wet van 13 november 1969, bijvoorbeeld de verbodsbepaling van artikel 1, lid 1, werd dan weer wél uitdrukkelijk gebruik gemaakt van de term ‘oppervlaktewateren’. Die bepaling luidde: “<emphasis role="italic">Het is verboden zonder vergunning met behulp van een daarvoor bestemd werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren.</emphasis>” Ik wil daarmee zeggen dat niet uitgesloten is dat een verbodsbepaling in het Wetboek van Strafrecht een enigszins ruimer bereik heeft dan een rechtstreeks daarmee samenhangende verbodsbepaling in een milieuwet. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f002b9a-be80-46dd-8678-531da7982c77" label="9">
    <para> Wet van 19 januari 1989 ter aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met enige bepalingen ter bescherming van de algemene veiligheid van personen tegen ernstige verontreinigingen van het milieu, <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 1989, 7. Kamerstuknummer 19020.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e97d18c1-ff3d-4464-bd4b-cef084994880" label="10">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 1984/85, 19020, nr. 3, p. 8. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_89e0d7db-ebfe-45c6-9c43-7375f4b7d512" label="11">
    <para> A. de Lange in <emphasis role="italic">Tekst &amp; Commentaar Strafrecht</emphasis>, Deventer: Kluwer (online, bijgewerkt tot 1 februari 2019), commentaar op art. 173a Sr, aant. 11, onder verwijzing naar HR 20 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9365, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1987/990, en Hof Den Haag 28 februari 2002, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2003/292.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2593c067-67c2-493a-8a23-e5aaa71e82d7" label="12">
    <para> J.W. Fokkens in: J.W. Fokkens, E.J. Hofstee &amp; A.J.M. Machielse (red.), <emphasis role="italic">Wetboek van Strafrecht - Noyon, Langemeijer, Remmelink</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer (online, bijgewerkt tot 1 maart 2006), commentaar bij art. 173a Sr, aant. 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_206bf4c7-c326-47e8-88b3-026ec4eac3b4" label="13">
    <para> A. de Lange in <emphasis role="italic">Tekst &amp; Commentaar Strafrecht</emphasis>, Deventer: Kluwer (online, bijgewerkt tot 1 februari 2019), commentaar op art. 173a Sr, aant. 11, onder verwijzing naar HR 20 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9365, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1987/990, en Hof Den Haag 28 februari 2002, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2003/292.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e2c42bc-a3fb-48c7-ac28-c95946d55609" label="14">
    <para> J.W. Fokkens in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, commentaar bij art. 173a Sr, aant. 6, onder verwijzing naar HR 20 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9365, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1987/990. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_893a82cd-b7fc-4ceb-9e0f-e128787c636d" label="15">
    <para> Zie ook de overwegingen van de rechtbank Limburg bij vonnis van 29 januari 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:811. Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voorafgaand aan HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:951, onder 5.3, ten aanzien van het begrip ‘bodem’. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c19a396f-5e1b-4500-acd9-e748522baf66" label="16">
    <para> A. de Lange in <emphasis role="italic">Tekst &amp; Commentaar Strafrecht</emphasis>, Deventer: Kluwer (online, bijgewerkt tot 1 februari 2019), commentaar op art. 173a Sr, aant. 10 onder 5. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d0ce7bb8-b60b-4395-b2e8-8cff45fb6020" label="17">
    <para> L.E.M. Hendriks, <emphasis role="italic">Milieustrafrecht</emphasis>, Deventer: Kluwer 2010, p. 47. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a48e457d-c3bc-498c-abd1-788ff6bb102e" label="18">
    <para> Idem, onder verwijzing naar HR 2 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB9449, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1980/300.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b974b498-d0e7-4031-b639-c3520089a9f3" label="19">
    <para> ‘ppm’ betreft een eenheid voor de concentratie van een bepaalde stof. De afkorting staat voor <emphasis role="italic">parts per million</emphasis>, oftewel een promille van een promille van de totale massa van het voor de meting getrokken monster.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0baddd9-dc35-4ede-96de-b049578c1006" label="20">
    <para> Zie bijvoorbeeld M. Mooij, <emphasis role="italic">Chronische blootstelling aan koolmonoxide. Is er sprake van een probleem in Nederland?</emphasis>, RIVM-rapport 609300005/2008, p. 13, <emphasis role="underline">https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/609300005.pdf</emphasis>. En zie M. Kobes &amp; T. Vogel, <emphasis role="italic">Onderzoek naar geadviseerde locatie voor CO-melders</emphasis>, in opdracht van en uitgegeven door Brandweer Nederland, p. 56, <emphasis role="underline">https://www.brandweer.nl/media/2976/geadviseerde-locaties-co-melders.pdf</emphasis>. </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>