<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2019:1039</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:31:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2019-10-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/04302</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2020:23" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gedeeltelijk contrair">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:23, Gedeeltelijk contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JONDR 2019/1448</rdf:li>
          <rdf:li>JBPr 2020/58 met annotatie van Lewin, G.C.C.</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1039">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:1039</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-09T16:03:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2019:1039 Parket bij de Hoge Raad , 11-10-2019 / 18/04302</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2019:1039:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Onrechtmatige daad. Handelen namens een ontbonden commanditaire vennootschap. Toerekening van kennis. Schijn van volmachtverlening? Art. 24 Rv. Heeft het hof de feitelijke grondslag van het verweer aangevuld?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2019:1039:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>18/04302</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting </emphasis>11 oktober 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>B.J. Drijber</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vennootschappen naar buitenlands recht</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">1. AO Trest Koksokhimmontazh,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. ZAO Trest Koksokhimmontazh,</emphasis>
      </para>
      <para>eiseressen tot cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr. J. den Hoed</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder]
        </emphasis>,</para>
      <para>verweerder in cassatie,</para>
      <para>niet verschenen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak betreft een geschil over de gevolgen van de niet-naleving van een koopovereenkomst van materiaal voor gaspijpleidingen. De Russische koper heeft vooruitbetaald, maar de Nederlands verkoper heeft niet geleverd. De koper heeft de voormalig bestuurder van de verkoper op grond van onrechtmatige daad aangesproken om vooruitbetaalde bedragen terug te betalen, onder andere omdat de koopovereenkomst was aangegaan namens een niet bestaande Nederlandse rechtspersoon. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen, het hof grotendeels afgewezen. In cassatie gaat het om de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat de bestuurder van de Nederlandse verkoper, op grond van door de Russische koper gewekte schijn van volmachtverlening aan haar opdrachtgever, er op mocht vertrouwen dat de koper wist dat een andere Nederlandse rechtspersoon partij bij de koopovereenkomst was en hij in zoverre niet onrechtmatig heeft gehandeld.</para>
    </parablock>
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.<footnote-ref linkend="_efe84118-7b83-4f05-9d0f-db22ce946b20" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Rosneft is een energieconcern. Vankorneft JSC (hierna: <emphasis role="bold">Vankorneft</emphasis>) is een dochter van Rosneft, die het Vankorskoye gasveld exploiteert.<footnote-ref linkend="_90dba236-4d4e-414d-b9b9-0f086d2f39a0" /> Zao Trest Koksokhimmontazh (hierna: <emphasis role="bold">Trest</emphasis>) is een Russische bouwonderneming, die is gespecialiseerd in het aanleggen van infrastructuur voor de olie- en gasindustrie. Trest is geen onderdeel van het Rosneft-concern. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>
        [A] is een Nederlands bedrijf dat zich bezig houdt met de productie van en handel in industriële appendages, waaronder afsluitingen voor gaspijpleidingen. Op 9 december 2010 is de commanditaire vennootschap [A] C.V. opgericht. Beherend vennoot werd een Engelse vennootschap waarvan verweerder in cassatie, [verweerder] (hierna: <emphasis role="bold">[verweerder]</emphasis>), bestuurder was.<footnote-ref linkend="_98292b7b-b6b9-48a2-bd9e-bb2b71099988" /> [verweerder] vertegenwoordigde [A] C.V. in het rechtsverkeer.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>
        [A] C.V. is op 3 mei 2013 ontbonden.<footnote-ref linkend="_f7941185-2fee-446d-85e1-5b5c15489bc7" /> De dag daarvoor, op 2 mei 2013, was [A] B.V. opgericht.<footnote-ref linkend="_b316795c-5f00-4a3f-979b-29067563afb4" /> Deze besloten vennootschap is gevestigd op hetzelfde adres en verricht dezelfde activiteiten als voordien [A] C.V. Enig aandeelhouder van [A] B.V. is [B] B.V. Alle aandelen in die vennootschap worden door [verweerder] gehouden. [verweerder] is tot 7 februari 2015 bestuurder van [A] B.V. geweest.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Op 17 mei 2013 heeft [A] B.V. een overeenkomst gesloten met Vankorneft voor de levering van 30 afsluiters.<footnote-ref linkend="_a0e49eba-b795-414f-92c7-6a2807d4d6e7" /> Namens [A] B.V. is deze overeenkomst door [verweerder] ondertekend. Bij de parafering van de afzonderlijke bladzijden van die overeenkomst is een stempel van [A] C.V. gebruikt. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Op 11 juli 2013 hebben [A] B.V. en Vankorneft een aanvullende overeenkomst gesloten, waarin is bepaald dat in hun overeenkomst de naam ‘ [A] BV’ dient te worden gelezen als ‘ [A] CV’. De aanleiding voor dit addendum was dat de Russische autoriteiten invoervergunningen hadden afgegeven op naam van [A] C.V. en de wijziging van die tenaamstelling in [A] B.V. door Vankorneft als ingewikkeld werd ingeschat.<footnote-ref linkend="_73835b9c-6c3b-4e19-ba62-cdbb3c571734" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>Kort daarna, op 26 juli 2013, is tussen [A] B.V. en Vankorneft een (tweede) wijzigingsovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan 11 van de 30 afsluiters, de zogenoemde DN-250 afsluiters, uit de overeenkomst zijn gehaald.<footnote-ref linkend="_8e50c022-a3b2-49f2-8927-3fc0aa257c32" /> In dit tweede addendum wordt [A] C.V. als ‘seller’ aangeduid. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8</nr>
      <para>Op 13 september 2013 is een overeenkomst tot stand gekomen tussen Trest (‘Buyer’) en ‘ [A] CV’ (‘Seller’) voor de levering van de 11 afsluiters die niet langer aan Vankorneft hoefden te worden geleverd (hierna: <emphasis role="bold">de Overeenkomst</emphasis>). Namens ‘Seller’ is de Overeenkomst ondertekend door [verweerder] , onder vermelding van ‘General Director’ van [A] C.V.<footnote-ref linkend="_551b0aa5-a5a5-4836-8aa8-fb87870fb6a5" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9</nr>
      <para>Trest heeft op 5 november 2013 50% van de opdrachtsom (€152.777,50) aanbetaald<footnote-ref linkend="_397b8176-fca0-4352-b4ae-293eecb930fc" /> en op 20 januari 2014 een tweede aanbetaling verricht van € 109.000. Op 27 februari 2014 heeft een vertegenwoordiger van Trest, [betrokkene 1] , bij [A] een inspectie uitgevoerd Op dat moment was de leveringstermijn al verstreken. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.10</nr>
      <parablock>
        <para>Op 28 februari 2014 heeft [verweerder] aan Trest de toezegging gedaan dat de 11 afsluiters op 29 maart 2014 worden geleverd. Namens [A] C.V. schrijft hij:<footnote-ref linkend="_1e937305-a971-48a3-b50a-b7c5c7c43ab8" /></para>
        <para>“As discussed with [betrokkene 1] we shall deliver the 11Pcs Valves on the 29th of March 2014.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.11</nr>
      <para>Omdat levering opnieuw uitbleef (geen enkele afsluiter is geleverd aan Trest) en [verweerder] niet reageerde op drie schriftelijke aanmaningen heeft Trest op 25 april 2014 de Overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en restitutie gevraagd van de aanbetalingen van in totaal €261.777,50.<footnote-ref linkend="_162013db-13f5-455a-b4cc-893ab96751b2" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.12</nr>
      <para>Trest heeft vervolgens op grond van de in de Overeenkomst opgenomen arbitrageclausule tegen [A] C.V. een arbitrage aanhangig gemaakt bij het Internationale Handels Arbitragegerecht bij de Kamer van Koophandel en Nijverheid van de Russische Federatie. [A] C.V. is niet verschenen. Het scheidsgerecht heeft bij arbitraal vonnis van 23 januari 2015 de vordering van Trest toegewezen en [A] C.V. veroordeeld aan Trest te betalen €261.777,50 in hoofdsom, €15.277,75 aan contractuele boete(s) en US$ 20.713,- aan arbitragekosten.<footnote-ref linkend="_025f0610-f798-4945-aeae-fdc9bf0bc828" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.13</nr>
      <para>In verband met de verkrijging van verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis in Nederland heeft Trest onderzoek laten doen naar [A] C.V. Uit het handelsregister is haar toen gebleken dat deze rechtspersoon per 3 mei 2013 was ontbonden en dat haar onderneming was overgedragen aan [A] B.V.<footnote-ref linkend="_12492dda-8754-44cd-ad68-fa8b26af2f40" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.14</nr>
      <para>
        [A] B.V. is op 10 februari 2015 failliet verklaard.<footnote-ref linkend="_9d1108d2-4114-42f7-bf65-4a1c9f5ddc59" /> Uit de verslagen van de curator blijkt dat het onduidelijk is of, en zo ja hoe, de in het handelsregister vermelde onderneming inderdaad is overgedragen aan [A] B.V.<footnote-ref linkend="_bd0b7381-3a6f-41d0-861e-2ce4158fc5bb" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.15</nr>
      <para>Trest heeft op 7 april 2015 ten laste van [verweerder] conservatoir beslag laten leggen op zijn aandelen in [B] B.V.<footnote-ref linkend="_54f20735-94ea-4251-8509-852c4c102fcc" /></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Procesverloop</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Na conservatoir beslag te hebben gelegd heeft Trest [verweerder] op 1 mei 2015 gedagvaard en gevorderd:</para>
        <para>(i) het arbitrale vonnis van 23 januari 2015 te erkennen;</para>
        <para>(ii) [verweerder] schuldig te verklaren aan een onrechtmatige daad jegens Trest door in naam van een reeds ontbonden rechtspersoon, [A] C.V., met Trest te contracteren;</para>
        <para>(iii) [verweerder] aansprakelijk te houden voor alle door Trest als gevolg van de onrechtmatige daad geleden schade;</para>
        <para>(iv) [verweerder] te veroordelen aan Trest te betalen €277.055,25 en $20.713,- met wettelijke rente vanaf 23 januari 2015 tot de dag van betaling; en</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(v) [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.<footnote-ref linkend="_92ac3704-efa5-45a3-8fc5-f7fd97939bc3" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>In reconventie heeft [verweerder] gevorderd:</para>
        <para>(i) voor recht te verklaren dat Trest ten onrechte conservatoir beslag heeft laten leggen op zijn aandelen in [B] B.V., op straffe van een dwangsom;</para>
        <para>(ii) het beslag op te heffen, op straffe van een dwangsom; en</para>
        <para>(iii) [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.<footnote-ref linkend="_12ac7cf3-3b8f-4c5f-977b-5812762e6b70" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Bij eindvonnis van 6 januari 2016<footnote-ref linkend="_44442951-bdf8-4e48-a255-fdc73a0769dc" /> heeft de rechtbank Rotterdam allereerst vastgesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, nu gedaagde woonplaats heeft in Nederland (rov. 4.1), en vervolgens vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat op grond van een rechtskeuze Nederlands recht van toepassing is op de over en weer ingestelde vorderingen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>In conventie heeft de rechtbank [verweerder] veroordeeld tot betaling van €261.777,50 en $20.713,- met wettelijke rente en in de proceskosten en zij heeft de vorderingen voor het overige afgewezen. De rechtbank oordeelt dat [verweerder] jegens Trest onrechtmatig heeft gehandeld door namens [A] C.V. te contracteren:</para>
        <para>“4.5. Het door [verweerder] gevoerde verweer kan hem niet baten. [verweerder] voert aan dat het door Trest Koksokhimmontazh overgelegde contract weliswaar [A] C.V. vermeldt als haar contractuele wederpartij, maar dat [A] B.V. de werkelijke contractuele wederpartij was van Trest Koksokhimmontazh. Uit de stellingen van [verweerder] kan echter niet worden afgeleid op grond waarvan dat duidelijk had moeten zijn voor Trest Koksokhimmontazh. Dat Trest Koksokhimmontazh (in de visie van [verweerder] ) een onjuiste voorstelling van zaken heeft gekregen, is te wijten aan onzorgvuldig handelen van [verweerder] . [verweerder] heeft er immers zonder meer zijn medewerking aan verleend dat aan Trest Koksokhimmontazh een overeenkomst ter ondertekening is voorgelegd waarin als contractuele wederpartij was opgevoerd de niet (meer) bestaande commanditaire vennootschap [A] C.V., vertegenwoordigd door [verweerder] . Dat het in de visie van [verweerder] 'slechts' de gezamenlijke intentie van Rosneft/Vankorneft JSC en [verweerder] was om de Russische autoriteiten te misleiden omtrent de werkelijke identiteit van de verkoper, namelijk [A] B.V. in plaats van [A] C.V., was voor Trest Koksokhimmontazh niet kenbaar.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Trest Koksokhimmontazh is geen dochteronderneming van Rosneft en/of Vankorneft JSC. Trest Koksokhimmontazh is een onderaannemer van Vankorneft JSC. Kennis die mogelijk aanwezig was bij Rosneft en/of Vankorneft JSC en eventuele gedragingen van die partijen kunnen niet aan Trest Koksokhimmontazh worden toegerekend. Dat was ook bij [verweerder] bekend. Dat Trest Koksokhimmontazh een andere partij was, vormde voor [verweerder] juist reden tot de door die partij aan ' [A] C.V.' te verrichten betalingen. Rosneft/Vankorneft JSC pleegde pas na levering te betalen om andere voorwaarden te eisen met betrekking.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Net als de Russische autoriteiten werd ook Trest Koksokhimmontazh misleid. Dat het idee om de naam van de niet meer bestaande commanditaire vennootschap te blijven gebruiken van Rosneft afkomstig was, disculpeert - wat daar ook van zij - uiteraard [verweerder] niet. [verweerder] heeft niet alleen passief, maar ook actief meegewerkt aan het jegens Trest Koksokhimmontazh in het leven roepen van de onjuiste voorstelling van zaken.”</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [verweerder] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.<footnote-ref linkend="_7cb25dab-edd1-4bfb-98ba-d986ae6b1798" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Bij exploot van 6 april 2016 is [verweerder] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis. Zijn grieven strekken ertoe het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.<footnote-ref linkend="_62187626-628e-4479-a2b8-df9dbd56df73" /> In hoger beroep heeft [verweerder] zijn reconventionele eis vermeerderd, in die zin dat hij tevens terugbetaling vordert van wat hij op grond van het bestreden vonnis aan Trest heeft voldaan en voorts vergoeding van schade als gevolg van de, naar hij stelt, onrechtmatige executie van zijn aandelen in [B] B.V. en van iedere (overige) daad van executie van het vonnis, op te maken bij staat.<footnote-ref linkend="_bbb602c0-cffe-4f0d-81c2-352bd1316b81" /> Bij tussenarrest van 21 maart 2017 heeft het hof het bezwaar van Trest tegen de eisvermeerdering ongegrond verklaard.<footnote-ref linkend="_ca40b173-27ac-45ce-90d5-67d35bc852ec" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <parablock>
        <para>Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest van 10 juli 2018<footnote-ref linkend="_1d6776de-c08d-4dfd-91bc-259f5a53ae95" /> heeft het hof het in conventie gewezen vonnis wat betreft de hoogte van het toegewezen bedrag vernietigd en opnieuw rechtdoende:</para>
        <para>- [verweerder] veroordeeld om aan Trest een bedrag van $20.713,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 23 januari 2015, tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
        <para>- Trest veroordeeld tot terugbetaling aan [verweerder] van hetgeen als gevolg van de executie van het vernietigde vonnis aan haar is voldaan, voor zover dit het bedrag van $20.713,- vermeerderd met de wettelijke rente, overschrijdt;<footnote-ref linkend="_bfc5e07f-df92-4163-90aa-1bbf3373baf5" /></para>
        <para>- Trest veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over het terug te betalen bedrag vanaf de datum van incassering tot aan de dag van terugbetaling;</para>
        <para>- het vonnis van de rechtbank voor het overige bekrachtigd, en;</para>
        <para>- Trest veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.<footnote-ref linkend="_fe47287e-2bd2-4b52-a50b-9fe33d7e2b37" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof heeft het verweer van [verweerder] dat sprake is geweest van contractovername en dat Trest in de contractuele relatie tussen [A] B.V. en Vankorneft in de plaats is getreden, verworpen (rov. 9). Ook in de stelling dat Trest (niettemin) een overeenkomst heeft gesloten met [A] B.V. wordt [verweerder] niet gevolgd (rov. 10). Wel heeft ( [verweerder] als bestuurder van) BV/CV op grond van aan Trest toe te rekenen omstandigheden erop mogen vertrouwen dat Vankorneft bevoegd was Trest te vertegenwoordigen en moet de wetenschap van Vankorneft dat, ondanks de vermelding van [A] C.V. als zodanig, [A] B.V. als contractspartij van Trest zou optreden, aan Trest worden toegerekend. In rov. 11 overweegt het hof het daartoe volgende (onderstreping toegevoegd; A-G): </para>
        <para>“11. In de stellingen van [verweerder] ligt besloten dat hij op grond van verklaringen en/of gedragingen van Vankor – dus niet van Trest zelf – heeft aangenomen dat Trest wist waarom [A] CV als contractspartij werd genoemd in plaats van [A] BV. De vraag rijst dan of sprake is geweest van aan Trest toe te rekenen omstandigheden op grond waarvan ( [verweerder] als bestuurder van) [A] BV/CV gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat Vankor bevoegd was Trest te vertegenwoordigen. [verweerder] heeft in dit verband aangevoerd dat tussen Trest en Vankor een nauwe relatie bestond. Vast staat dat Trest een onderaannemer was van Vankor. Trest heeft niet betwist dat zij door Vankor is geïntroduceerd als contractspartij. [verweerder] stelt verder dat [A] BV met Rosneft/Vankor heeft onderhandeld over (ook) de overeenkomst met Trest en dat Rosneft/Vankor de documenten voor deze overeenkomst heeft opgesteld, wat Trest niet, althans niet gemotiveerd heeft betwist. Namens Trest is ter comparitie in eerste aanleg wel verklaard dat Trest het contract van [A] heeft ontvangen en dat zij verschillende correcties heeft voorgesteld, maar tevens is verklaard dat het daarbij ging om leveringsdata, de betalingstermijn en adresgegevens en dat het contract een standaardvorm betref zoals deze gebruikt wordt door Vankor. <emphasis role="underline">Door de onderhandelingen over en het opstellen van de overeenkomst (grotendeels) over te laten aan Vankor, heeft Trest de schijn gewekt dat Vankor bevoegd was in dit opzicht namens haar op te treden.</emphasis> Het hof gaat er verder vanuit dat de toen al ontbonden vennootschap [A] CV in de overeenkomst als contractspartij is aangewezen omdat de benodigde vergunningen al op naam van [A] CV waren verkregen. In het licht van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de wetenschap van Vankor dat, ondanks de vermelding van [A] CV als zodanig, [A] BV als contractspartij van Trest zou optreden, aan Trest moet worden toegerekend. Het hof merkt hierbij op dat deze rechtsvraag, anders dan Trest betoogt, wordt beheerst door Nederlands recht, nu dit recht toepasselijk is op de rechtsverhouding tussen [verweerder] en Trest. Mede in aanmerking genomen dat [verweerder] als bestuurder van [A] BV bevoegd was deze vennootschap te vertegenwoordigen, heeft [verweerder] naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden niet onzorgvuldig jegens Trest gehandeld door [A] CV als (‘General Manager’ van) Seller te vertegenwoordigen en de overeenkomst te ondertekenen. Indien en voor zover [A] BV bij de uitvoering van de overeenkomst zich ook heeft gedragen als contractspartij van Trest, valt bovendien niet in te zien dat Trest door deze handelwijze is benadeeld.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Voortbouwend op deze overweging oordeelde het hof dat Trest niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat [verweerder] ook onrechtmatig heeft gehandeld door in weerwil van art. 4 lid 1 Handelsnaamwet een handelsnaam te hebben gevoerd die in strijd met de waarheid aanduidt dat de onderneming zou toebehoren aan een of meer personen handelende als een commanditaire vennootschap. In de gegeven omstandigheden is het handelen in strijd met de Handelsnaamwet volgens het hof niet onrechtmatig jegens Trest (rov. 12). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <para>Het hof vervolgt dat uit de gedragingen van Trest volgt dat zij daadwerkelijk ten onrechte heeft aangenomen dat [A] C.V. haar contractspartij was (rov. 14 en 15). Omdat [A] B.V. feitelijk haar contractspartij was, moet bij de beoordeling van de vraag of [verweerder] onrechtmatig jegens Trest heeft gehandeld, ervan worden uitgegaan dat hij heeft gehandeld als bestuurder van [A] B.V. (rov. 15). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <para>Het hof oordeelt vervolgens dat het welbewust nalaten door [verweerder] als bestuurder van [A] B.V., om te reageren op de door Trest aan [A] C.V. gerichte aanmaningen tot nakoming dan wel, na ontbinding, over te gaan tot restitutie van betaalde bedragen en voorts, nadat Trest rechtsmaatregelen tegen [A] C.V. had aangekondigd, het nalaten door [verweerder] Trest erop te wijzen dat [A] B.V. haar contractspartij was, zodanig onzorgvuldig is dat hem daar persoonlijk een ernstig verwijt van kan worden gemaakt (rov. 16). Als gevolg van deze onzorgvuldige handelwijze van [verweerder] heeft Trest nodeloos kosten gemaakt door een arbitrageprocedure te voeren tegen een niet bestaande partij. Het hof acht [verweerder] aansprakelijk voor de kosten van die procedure en oordeelt daarom dat het bedrag van $20.713,- terecht door de rechtbank is toegewezen (rov. 18). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12</nr>
      <para>De in eerste aanleg door [verweerder] gevorderde verklaring voor recht dat Trest ten onrechte conservatoir beslag heeft doen leggen op de aan hem in eigendom toebehorende aandelen in [B] B.V. is niet alsnog toewijsbaar, aldus het hof, nu ook in hoger beroep is geoordeeld dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Trest en aansprakelijk is voor de schade (rov. 23). Indien de in beslag genomen aandelen nog niet executoriaal zijn verkocht, bestaat er naar het oordeel van het hof ook geen grond voor opheffing van het beslag (rov. 24). Voor zover de executie al wel heeft plaatsgevonden, kan in deze procedure niet worden vastgesteld dat zij onrechtmatig was, nu daarover niets, althans onvoldoende is gesteld. De vordering van [verweerder] tot vergoeding van schade op te maken bij staat, heeft het hof om die reden niet toewijsbaar geacht (rov. 25).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13</nr>
      <para>Bij procesinleiding van 10 oktober 2018 heeft ZAO Trest Koksokhimmontazh – tijdig – cassatieberoep ingesteld. Ook AO Trest Koksokhimmontazh is in cassatie gekomen. Zij hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten. Tegen [verweerder] is verstek verleend.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Schijn van volmachtverlening en toerekening van externe kennis</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het cassatieberoep is hoofdzakelijk gericht tegen het in rov. 11 gegeven oordeel van het hof dat [verweerder] er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat Vankorneft bevoegd was Trest te vertegenwoordigen (stap 1) en, in het verlengde daarvan, dat de wetenschap van Vankorneft dat [A] B.V. als contractspartij van Trest zou optreden, aan Trest moet worden toegerekend (stap 2). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>In dit hoofdstuk schets ik het juridisch kader waarbinnen genoemde oordelen moeten worden geplaatst.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schijn van volmachtverlening voor het verrichten van een rechtshandeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>Schijn van volmachtverlening is geregeld in art. 3:61 lid 2 BW, dat luidt (onderstreping toegevoegd; A-G):</para>
        <para>“Is een <emphasis role="underline">rechtshandeling in naam van een ander verricht</emphasis>, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond <emphasis role="underline">van een verklaring of een gedraging van die ander</emphasis> heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.”</para>
        <para>Deze bepaling geeft toepassing aan de in art. 3:35 en 3:36 BW neergelegde beginselen van derdenbescherming: degene in wiens naam een rechtshandeling is verricht wordt beperkt in de mogelijkheid om een beroep te doen op de onbevoegdheid van de gevolmachtigde.<footnote-ref linkend="_c4f4d456-b214-4bed-8f46-5c53b12904a1" /> Voor vertrouwensbescherming op grond van art. 3:61 lid 2 BW is zowel een verklaring of gedraging van de ’achterman’ vereist als het daarop gebaseerde gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij. Het eerste vereiste wordt wel aangeduid als het <emphasis role="italic">toedoenvereiste</emphasis>.<footnote-ref linkend="_7cacad79-0af7-4209-a65b-9f06861625c4" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <parablock>
        <para>De Hoge Raad heeft, voor het eerst in het arrest <emphasis role="italic">ING/Bera</emphasis>, het toedoenvereiste aangevuld met het <emphasis role="italic">risicobeginsel</emphasis>: voor toerekening van schijn van volmachtverlening kan ook plaats zijn als de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de pseudo-gevolmachtigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.<footnote-ref linkend="_94df8fbb-b51d-4332-ba06-cb7d66c137fe" /> Anders gezegd, schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan niet alleen door een toedoen, maar ook door toerekening ontstaan. Het gewekte vertrouwen mag evenwel niet uitsluitend zijn gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de pseudo-gevolmachtigde. Er moeten feiten of omstandigheden aanwezig zijn die de pseudo-volmachtgever betreffen en die rechtvaardigen dat deze het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging draagt.<footnote-ref linkend="_e1e17506-10bf-4a46-b577-3ee4e8147628" /></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Toerekening van wetenschap aan (pseudo-)volmachtgever</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Dan de tweede stap, de toerekening van wetenschap. De enkele schijn van volmachtverlening impliceert niet zonder meer dat de kennis van de pseudo-gevolmachtigde aan de pseudo-volmachtgever mag worden toegerekend. Gekeken moet worden of er gedragingen zijn van de pseudo-gevolmachtigde die aan de pseudo-volmachtgever kunnen worden toegerekend. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <parablock>
        <para>Art. 3:66 lid 2 BW luidt (onderstreping toegevoegd; A-G):</para>
        <para>“<emphasis role="underline">Voor zover</emphasis> het al of niet aanwezig zijn van een wil of van wilsgebreken, alsmede <emphasis role="underline">bekendheid of onbekendheid met feiten</emphasis> van belang zijn voor de geldigheid of de <emphasis role="underline">gevolgen van een rechtshandeling</emphasis>, komen ter beoordeling daarvan de volmachtgever of de gevolmachtigde of beiden in aanmerking, al naar gelang het aandeel dat ieder van hen heeft gehad in de totstandkoming van de rechtshandeling en in de bepaling van haar inhoud.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Of het onderzoek naar de innerlijke feiten moet worden afgestemd op de juridische partij, de volmachtgever, of de feitelijk handelende persoon, de  gevolmachtigde, dan wel op beiden, wordt bepaald door het aandeel dat ieder van hen heeft gehad in de totstandkoming van de rechtshandeling en de bepaling van haar inhoud.<footnote-ref linkend="_cd4864df-b5a2-487e-a576-8789162e0cb5" /> In dit verband wordt wel gesproken van ‘de leer van het grootste aandeel’. Het aandeel moet worden beoordeeld vanuit het gerechtvaardigd perspectief van de wederpartij.<footnote-ref linkend="_cc1d56c7-4ae0-4b16-a7e7-762555730e05" /> Als vuistregel geldt dat naarmate de volmachtgever aan de gevolmachtigde meer vrijheid heeft gelaten, er eerder reden zal bestaan om (mede) op de persoon van de gevolmachtigde te letten.<footnote-ref linkend="_a071ba68-2ab6-42a8-b9a5-f270d5e036c2" /> Art. 3:66 lid 2 BW is ook van toepassing als sprake is van <emphasis role="italic">schijn</emphasis> van volmachtverlening.<footnote-ref linkend="_73be06f4-175a-4949-9dc0-8dfbf0884df7" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>In de gevallen waarin geen sprake is van vertegenwoordiging, maar waarin een overeenkomst is afgesloten door bemiddeling van een deskundige tussenpersoon, kan art. 3:66 lid 2 BW analoog worden toegepast.<footnote-ref linkend="_127819a8-bc65-4f96-8411-d3655edffd53" /> Uit het arrest <emphasis role="italic">Ontvanger/ […]</emphasis><footnote-ref linkend="_7a876110-e0f1-475e-8f79-f02777ad7517" /> volgt dat voor een overeenkomstige toepassing van art. 3:66 lid 2 BW is vereist dat de handeling plaatsvindt in een verhouding die soortgelijk is aan die welke bestaat tussen de volmachtgever en de gevolmachtigde die in zijn hoedanigheid handelt met een derde.<footnote-ref linkend="_6197cb89-c443-4e2c-b0f9-c2cb7d489e85" /> In datzelfde arrest wordt overwogen <emphasis role="italic">“dat toerekening van kennis, wetenschap of (reden tot) twijfel die iemand ten aanzien van de behoorlijke afwikkeling van een transactie heeft aan een ander die deze kennis, wetenschap of (reden tot) twijfel zelf niet had, weliswaar niet onder alle omstandigheden is uitgesloten, maar dat daarbij wel terughoudendheid moet worden betracht.”</emphasis> Daaruit volgt niet dat terughoudendheid eveneens is vereist als art. 3:66 lid 2 BW rechtstreeks van toepassing is.<footnote-ref linkend="_a0cde436-1bfe-4244-b925-7da20c244e81" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>Toerekening van kennis is ook aan de orde buiten gevallen van vertegenwoordiging. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen toerekening van interne kennis (kennis van een natuurlijk persoon aan de organisatie waarvan hij deel uitmaakt) en toerekening van externe kennis (kennis die niet berust bij een persoon binnen de organisatie, maar bij een derde). Voor toerekening van interne kennis geldt de in het arrest <emphasis role="italic">Kleuterschool Babbel</emphasis><footnote-ref linkend="_f54b57d3-e270-43e0-be34-be8d003f04c9" /> geformuleerde maatstaf. Het komt erop aan of de aanwezige kennis van de natuurlijke persoon in het maatschappelijk verkeer geldt als kennis van de organisatie waarvan hij deel uit maakt. <footnote-ref linkend="_f66d6e62-a38a-48bc-b4ca-932bb81d27d5" /> Ook hier is het gerechtvaardigd perspectief van de wederpartij maatgevend.<footnote-ref linkend="_35bac561-c972-4fa8-908a-d8797f27b8dd" /> Voor toerekening van externe kennis kan niet de in het arrest <emphasis role="italic">Kleuterschool Babbe</emphasis>l geformuleerde maatstaf worden gehanteerd, terwijl een analoge toepassing van art. 3:66 lid 2 BW in de meeste gevallen ook niet voor de hand ligt.<footnote-ref linkend="_148b0d3e-33ad-4c24-9288-5cc0479c8ec2" /> Of externe kennis kan worden toegerekend, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <para>Tot slot van dit overzicht sta ik stil bij het recente arrest <emphasis role="italic">Mandir</emphasis>. <footnote-ref linkend="_f87c75f6-33b6-4bec-aa38-abfa911291e0" /> In die zaak had een rechtspersoon, die een klein adviesbureau dreef, schenkingen gedaan aan een stichting ten behoeve van de bouw van een Hindoestaanse tempel. Met een beroep op dwaling wilde deze rechtspersoon later de schenkingshandelingen vernietigen op de grond dat niet de stichting maar een commissaris in privé de bouwgrond in eigendom had verkregen. In het daarop volgende geschil voerde de stichting aan dat het adviesbureau niet had gedwaald, omdat de betrokkene die optrad voor het adviesbureau uit hoofde van zijn (voormalige) functie van penningmeester van de stichting op de hoogte was van de juiste stand van zaken en deze wetenschap aan het adviesbureau (de rechtspersoon) moet worden toegerekend. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>Onder verwijzing naar art. 3:61 lid 2 BW overweegt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op stellingen van de stichting die erop neerkomen dat betrokkene heeft gehandeld als vertegenwoordiger van het adviesbureau en dat de stichting in de gegeven omstandigheden heeft mogen vertrouwen op zijn bevoegdheid daartoe nu deze stellingen, indien juist, kunnen meebrengen dat bij de beoordeling van het beroep op dwaling de kennis van de betrokken functionaris op grond van art. 3:66 lid 2 BW aan de rechtspersoon moet worden toegerekend. Met de overweging dat niet is gebleken dat de betrokken functionaris over enige bevoegdheid beschikte om de rechtspersoon te vertegenwoordigen heeft het hof onvoldoende op genoemde stellingen gerespondeerd (rov. 3.3.2). Voorts heeft de stichting in feitelijke instanties stellingen aangevoerd die kunnen rechtvaardigen dat de wetenschap van betrokkene in het maatschappelijk verkeer hebben te gelden als wetenschap van het adviesbureau.    </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>De feiten van de zaak <emphasis role="italic">Mandir </emphasis>waren nogal bijzonder, mede doordat de twistende partijen door zakelijke en familiebanden aan elkaar waren gerelateerd. Het arrest lijkt niettemin voor de onderhavige zaak in zoverre interessant dat daarin dezelfde twee stappen worden onderscheiden: eerst moet worden onderzocht of er schijn van volmachtverlening is waarop de wederpartij heeft mogen vertrouwen en zo dat het geval is moet in het verlengde daarvan worden onderzocht of kennis van de gevolmachtigde (in die zaak van interne kennis, hier van externe kennis)  kan worden toegerekend aan de volmachtgever. Zowel bij de eerste als de tweede stap komt het aan op de door de wederpartij gestelde feiten en op de omstandigheden van het geval. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Bespreking van het cassatiemiddel</title>
    <bridgehead role="italic">Vooraf: ontvankelijkheid beroep eiseres sub 1</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Het cassatieberoep is behalve door ZAO Trest Koksokhimmontazh ook ingesteld door AO Trest Koksokhimmontazh. Het bestreden arrest betreft alleen de eerstgenoemde partij, steeds verkort aangeduid als Trest. In de procesinleiding wordt ter toelichting gesteld dat met betrekking tot Russische aandelen-vennootschappen (AO) niet langer een onderscheid wordt gemaakt tussen open (OAO) en besloten (ZAO) vennootschappen, maar tussen openbare en niet-openbare vennootschappen. Trest zou op 20 februari 2017 (dus tijdens de appelprocedure) haar naam hebben aangepast, waarbij een wijziging van de statuten met betrekking tot haar naam (AO in plaats van ZAO) in het Handelsregister werd aangebracht. Van een reorganisatie of rechtsopvolging zou geen sprake zijn.<footnote-ref linkend="_b8473e0f-fd2a-4bc1-8cf5-967690688240" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>In cassatie zijn geen stukken overgelegd waarmee de stelling dat van een naamswijziging sprake is geweest, nader wordt onderbouwd. Op een andere plaats wordt gesteld dat de betekenis van de wetswijziging en de vervolgens doorgevoerde wijziging naar Russisch recht niet geheel vaststaat en dat ZAO Trest Koksokhimmontazh (Trest) nog altijd bestaat. Om die reden is ook op naam van Trest cassatieberoep ingesteld.<footnote-ref linkend="_68039716-ed43-44c0-b2b4-310c8cd4aad5" /> Tegen deze achtergrond ligt het m.i. in de rede AO Trest Koksokhimmontazh in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren en alleen Trest in haar beroep te ontvangen.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inleidende opmerkingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Trest komt met een uit vier onderdelen en een veegklacht opgebouwd cassatiemiddel op tegen het oordeel van het hof. De klachten betreffen voornamelijk de hiervoor geciteerde rov. 11. Het middel is in de kern gekant tegen het oordeel van het hof dat Trest de schijn heeft gewekt dat Vankorneft bevoegd was haar te vertegenwoordigen bij de onderhandelingen en het opstellen van de overeenkomst en dat daaruit moet worden afgeleid dat de kennis van Vankorneft over het onderscheid tussen [A] C.V. en [A] B.V. aan  Trest kon worden toegerekend. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Ik wil niet verhullen dat ik de uitkomst bij het hof niet heel bevredigend vind. Deze zaak vertoont m.i. ‘<emphasis role="italic">Beklamel</emphasis>-achtige’ elementen.<footnote-ref linkend="_df078fd7-9d51-4e18-87aa-227e47f923a4" /> Uit het dossier komt namelijk naar voren dat de bestuurder van de rechtspersoon die ‘eigenlijk’ partij was, [A] B.V., bij het aangaan van een contractuele verplichting (hier: tot levering) wist of behoorde te weten dat die rechtspersoon de aangegane verplichtingen niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden, gelet op haar zwakke financiële positie. Daar komt bij – en daar draait het geschil voornamelijk om – dat de Overeenkomst is aangegaan op naam van een andere rechtspersoon, [A] C.V., die niet (meer) bestond op het moment van contracteren en dat de bestuurder ( [verweerder] ) tegenover Trest de schijn dat [A] C.V. de Overeenkomst uitvoerde door uitingen en gedragingen in stand hield. Toch komt [verweerder] hier bij het hof grotendeels mee weg, omdat er volgens het hof juist aan Russische zijde sprake was van schijn, namelijk door Trest opgewekte schijn dat Vankorneft haar heeft vertegenwoordigd en [verweerder] op die schijn heeft mogen vertrouwen. Daaruit leidt het hof in één adem af dat kennis aanwezig bij Vankorneft over het onderscheid tussen [A] C.V. en [A] B.V. kan worden toegerekend aan Trest. Vankorneft had die kennis, omdat zij een oplossing wilde vinden voor een door [verweerder] veroorzaakt probleem: hij had [A] C.V., die stond vermeld in de Russische invoervergunningen, kort voor het definitief binnenhalen van deze grote order als rechtspersoon laten ontbinden.<footnote-ref linkend="_4bff41e5-a49f-4ff8-9a34-706557d400d9" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Tegen deze achtergrond is het noodzakelijk goed voor ogen te hebben wat het hof in rov. 11 nu precies heeft geoordeeld.<footnote-ref linkend="_6dbe1104-c350-4940-b8a2-0b3e231f19fc" /> In de eerste zin overweegt het hof: “<emphasis role="italic">In de stellingen van [verweerder] ligt besloten dat hij op grond van verklaringen en/of gedragingen van Vankor – dus niet van Trest zelf – heeft aangenomen dat Trest wist waarom [A] CV als contractspartij werd genoemd in plaats van [A] BV.</emphasis>” Het hof heeft hier kennelijk het oog op het betoog van [verweerder] dat Trest ‘wist’ van het onderscheid tussen [A] C.V. en [A] B.V. en van de reden waarom de Overeenkomst op naam van [A] C.V. moest staan. Deze eerste zin heeft zo bezien betrekking op stellingen van [verweerder] over de toerekening van wetenschap van Vankorneft aan Trest. Het hof noemt niet uit welke gedragingen van Vankorneft blijkt dat die wetenschap Trest kan worden toegerekend. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Vervolgens overweegt het hof, zonder te verwijzen naar stellingen van [verweerder] : “<emphasis role="italic">De vraag rijst dan of sprake is geweest van aan Trest toe te rekenen omstandigheden op grond waarvan ( [verweerder] als bestuurder van) [A] BV/CV gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat Vankorneft bevoegd was Trest te vertegenwoordigen.</emphasis>” Het hof zoekt hier naar een <emphasis role="italic">grondslag</emphasis> voor de toerekening van kennis en vindt die in de schijn van volmachtverlening door Trest aan Vankorneft. Daartoe neemt het hof de volgende stellingen van [verweerder] in aanmerking:  (i) er bestond een nauwe relatie tussen Trest en Vankorneft; (ii) Trest was een onderaannemer van Vankorneft;<footnote-ref linkend="_217daf90-c22a-48f9-a85f-8b8eb2e9d944" /> (iii) Trest is door Vankorneft als contractspartij geïntroduceerd; (iv) [A] B.V. heeft met Rosneft/Vankorneft onderhandeld over (ook) de overeenkomst met Trest; (v) en Rosneft/Vankorneft heeft de documenten voor deze overeenkomst opgesteld. Het hof gaat er vanuit dat die stellingen van [verweerder] niet door Trest zijn betwist. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <parablock>
        <para>Uit het voorgaande leidt het hof af dat sprake is van schijn van vertegenwoordiging: “<emphasis role="italic">Door de onderhandelingen over en het opstellen van de overeenkomst (grotendeels) over te laten aan Vankor, heeft Trest de schijn gewekt dat Vankor bevoegd was in dit opzicht namens haar op te treden</emphasis>.” Na nog te hebben overwogen dat de C.V. vanwege de vergunningen als contractspartij is opgetreden komt het hof tot de volgende de conclusie: “<emphasis role="italic">In het licht van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de wetenschap van Vankor dat, ondanks de vermelding van [A] CV als zodanig, [A] BV als contractspartij van Trest zou optreden, aan Trest moet worden toegerekend</emphasis>.” Daarmee bevestigt het hof wat het reeds in de eerste zin overwoog en is de cirkel rond. </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onderdeel I</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>Onderdeel I keert zich tegen het oordeel van het hof dat in de stellingen van [verweerder] een beroep op toerekening van kennis in verband met door Trest gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden gelezen en dat, in het verlengde daarvan, de bij Vankorneft aanwezige kennis omtrent de juridische status van [A] aan Trest dient te worden toegerekend. Het onderdeel stelt dat [verweerder] zich ter afwering van zijn aansprakelijkheid niet heeft beroepen op de schijn van volmachtverlening en dat daarover ook geen debat is gevoerd. Trest klaagt verder dat het hof heeft miskend dat het niet ambtshalve mocht beoordelen of door Trest de schijn van volmachtverlening is gewekt, dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend en een verrassingsbeslissing heeft genomen. Volgens Trest heeft het hof bovendien miskend dat het zijn beslissing niet mocht baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar kunnen worden afgeleid uit de in het geding gebleken feiten, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar verweer ten grondslag zijn gelegd.<footnote-ref linkend="_22861d8b-dd27-4b14-bdc2-0a003c2510c9" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>Het onderdeel slaagt. Het hof heeft de toerekening van kennis aan Trest gegrond op de geconstrueerde schijn van volmachtverlening aan Vankorneft. Schijn van volmachtverlening  is evenwel geen voorwerp van debat geweest tussen partijen. Het door [verweerder] gevoerde verweer hield <emphasis role="italic">niet </emphasis>in dat Vankorneft voor Trest optrad. Hij heeft zich in het geheel niet op de schijn van vertegenwoordiging als bedoeld in art. 3:61 lid 2 BW beroepen. [verweerder] heeft betoogd dat Trest op instigatie van Vankorneft haar contract met [A] B.V. (gedeeltelijk) heeft overgenomen en daarbij gewezen op de economische verhoudingen (‘het machtige Rosneft’) en de ‘korte lijnen’ tussen Vankorneft en Trest, zonder daarvan overigens bewijs bij te brengen.<footnote-ref linkend="_96cd045e-d524-46b0-a9af-b584ed87b3eb" /> Volgens [verweerder] was Trest de handelende partij die deed wat Vankorneft haar vroeg te doen – in feite het omgekeerde van waar het hof is uitgegaan. De feitelijke grondslag waarop het hof de schijn van volmachtverlening baseert (<emphasis role="italic">“[d]oor de onderhandelingen over en het opstellen van de overeenkomst (grotendeels) over te laten aan Vankor</emphasis>”) wijkt daarmee af van wat [verweerder] als feitelijke grondslag heeft aangevoerd voor zijn stelling dat Trest wetenschap had van, kort gezegd, de ‘rechtspersonenkwestie’. Het hof heeft aldus de grenzen van de rechtsstrijd miskend.<footnote-ref linkend="_346f95d3-577e-4d28-9de3-ccef6a18fbbe" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>Art. 24 Rv vormt een toepassing van het verdedigingsbeginsel. Trest heeft zich niet kunnen uitlaten over schijn van volmachtverlening als grondslag voor het aan haar toerekenen van kennis aanwezig bij Vankorneft. In het licht van de gedingstukken kan het m.i. weinig twijfel lijden dat Trest, als zij van het hof de gelegenheid had gekregen zich hierover uit te laten, tegen toepassing van het concept van schijn van volmachtverlening gemotiveerd stelling zou hebben genomen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <para>M.i. kan niet staande worden gehouden dat het hof slechts heeft aangevuld welke rechtsregel van toepassing is op het door [verweerder] geschetste feitelijke kader en dus conform art. 25 Rv de rechtsgronden heeft aangevuld. Als gezegd wijken de overwegingen van het hof af van het door [verweerder] gevoerde verweer en de door hem daartoe gestelde feitelijke grondslag. De ‘feitelijke grondslag’ is overigens in veel gevallen een combinatie van feitelijke en juridische elementen.<footnote-ref linkend="_ef79d3a5-f402-44e6-8561-01039c8987d1" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande dient het bestreden arrets te worden vernietigd. De overige onderdelen van het cassatiemiddel behoeven daarom geen bespreking. Voor het geval uw Raad anders oordeelt over onderdeel I komt onderdeel II aan de orde. Ik ga voor de volledigheid op dat onderdeel in.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onderdeel II</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13</nr>
      <para>Trest klaagt dat het hof niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom uit de in rov. 11 genoemde feiten en omstandigheden naar verkeersopvattingen de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid  kan worden afgeleid (<emphasis role="underline">subonderdeel</emphasis> A) en waarom die omstandigheden voor haar risico komen (<emphasis role="underline">subonderdeel B</emphasis>). Verder klaagt Trest dat het oordeel van het hof dat zij de schijn heeft gewekt dat Vankorneft bevoegd was namens haar op te treden, zonder nadere motivering niet (voldoende) begrijpelijk is (<emphasis role="underline">subonderdeel C</emphasis>) en dat het hof in dat verband ten onrechte heeft overwogen dat “<emphasis role="italic">tussen Trest en Vankor een nauwe relatie bestond</emphasis>” (<emphasis role="underline">subonderdeel D</emphasis>). Tot slot klaagt Trest dat het hof ten onrechte heeft nagelaten posterieure feiten in aanmerking te nemen (<emphasis role="underline">subonderdeel E</emphasis>) en niet op alle omstandigheden van het geval acht heeft geslagen (<emphasis role="underline">subonderdeel F</emphasis>). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14</nr>
      <para>M.i. missen de <emphasis role="underline">subonderdelen A en B</emphasis> feitelijke grondslag. Het hof heeft de schijn van volmachtverlening door Trest aan Vankorneft niet gebaseerd op toerekening (het risicobeginsel, zie 3.4) maar enkel op gedragingen (toedoen). Daarom is niet relevant of bepaalde omstandigheden waarop [verweerder] volgens het hof heeft mogen afgaan naar verkeeropvattingen voor risico van Trest komen. Ik teken wel aan dat de omstandigheden waarop het hof zijn oordeel doet steunen (zie de omstandigheden (i)-(v) genoemd in 4.6) niet allemaal handelingen van Trest betreffen, terwijl ‘toedoen’ moet worden gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de pseudo-volmachtgever. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15</nr>
      <para>M.i. slagen de <emphasis role="underline">subonderdelen C en D</emphasis>. Trest wijst daar niet alleen op het feit dat [verweerder] zich niet op schijn van volmachtverlening heeft beroepen (vgl. reeds onderdeel I), maar er tevens op (a) dat Vankorneft niet namens Trest een rechtshandeling heeft gesteld, (b) dat de Overeenkomst niet door tussenkomst van Vankorneft is gesloten en (c) [verweerder] van Trest deels voorwaarden heeft bedongen die afweken van het contract tussen [A] B.V. en Vankorneft.<footnote-ref linkend="_e8a8feb4-5667-4a62-9958-dd0149d1ba8b" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16</nr>
      <parablock>
        <para>Ik ben het eens met Trest dat deze (vaststaande) omstandigheden niet wijzen op volmachtverlening door Trest aan Vankorneft en het hof daarom nader diende te motiveren waarom daar niettemin sprake van was. Ik licht dat toe:</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ad (a</emphasis>): hoewel titel 3 van Boek 3 een verruimd begrip ‘rechtshandeling’ hanteert,   voert Trest terecht aan dat Vankorneft niet namens Trest een rechtshandeling heeft verricht. Uit rov. 11 blijkt ook niet wat de betrokken rechtshandeling hier zou zijn. Vaststaat in elk geval dat Trest, vertegenwoordigd door haar bestuurder, de Overeenkomst is aangegaan en Vankorneft daar verder buiten stond. </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ad (b)</emphasis>: de overweging dat Trest de onderhandelingen over en het opstellen van de overeenkomst (grotendeels) heeft overgelaten aan Vankorneft is in het licht van de feitenconstellatie alleen al gezien de volgtijdelijkheid onbegrijpelijk. Immers, eerst was er het contract met Vankorneft, later wilde Vankorneft om haar moverende redenen een deel van dat contract (11 van de 30 bestelde afsluiters) elders onderbrengen, waartoe zij vervolgens Trest naar voren heeft geschoven. Het is dus niet zo dat Trest een koopovereenkomst met ‘ [A] ’ wilde afsluiten en het vervolgens aan Vankorneft overliet dat voor haar te regelen. </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ad (c)</emphasis>: hoewel [verweerder] aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich heeft moeten laten welgevallen dat Trest voor de 11 afsluiters zijn nieuwe contractspartij zou worden, heeft hij wel degelijk (met succes) met Trest onderhandeld en overeenstemming bereikt over andere voorwaarden dan in het contract tussen Vankorneft en [A] B.V. waren opgenomen. Anders dan het hof lijkt aan te nemen, ging het daarbij ging om voor [verweerder] wezenlijke onderwerpen zoals langere levertijden en de afspraak dat Trest aanbetalingen zou doen (zonder welke afspraak deze zaak zich niet zou hebben voorgedaan). Dat de Overeenkomst los gezien moet worden van (het contract met) Vankorneft is tussen partijen overigens duidelijk uitgesproken.<footnote-ref linkend="_14c380b0-2a9f-4d4e-aa11-c4cbbd235bec" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17</nr>
      <para>Het hof kon derhalve zonder nadere motivering niet tot het oordeel komen dat hier sprake was van schijn van volmachtverlening als bedoeld in art. 3:61 lid 2 BW. Daarmee valt tevens de gehanteerde grondslag weg waarop het hof de kennis van pseudo-gevolmachtigde (Vankorneft) op de voet van art. 3:66 lid 2 BW heeft toegerekend aan pseudo-volmachtgever (Trest). Ook indien ervan wordt uitgegaan dat Vankorneft het grootste aandeel in de totstandkoming van de Overeenkomst en de bepaling van haar inhoud heeft gehad, dan mag er nog nier van worden uitgegaan dat Trest ‘wist’ althans moest weten, dat ‘eigenlijk’ [A] B.V. haar contractspartij was. Men zou eerder het tegendeel verwachten: als Vankorneft werkelijk de lead had, bestond er voor haar geen aanleiding Trest ervan op de hoogte te stellen dat in werkelijkheid C.V. was vervangen door B.V. Het had m.i. veeleer op de weg van [verweerder] gelegen deze kwestie aan Trest toe te lichten, maar dat is kennelijk niet gebeurd. [verweerder] heeft ook niet niet gesteld daarover ooit met Trest te hebben gecommuniceerd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel D</emphasis> slaagt omdat het hof niet toereikend heeft gemotiveerd waar het oordeel dat tussen beide Russische ondernemingen een nauwe relatie bestond op is gebaseerd. Trest heeft erop gewezen slechts incidenteel met Vankorneft samen te werken<footnote-ref linkend="_49323b1e-c7df-4251-812d-6a0fbf3e133a" /> en 10 tot 15 opdrachtgevers te hebben,<footnote-ref linkend="_112a95d2-28c2-40c0-984a-b4debf96bdb0" /> welke stellingen door [verweerder] niet zijn betwist. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19</nr>
      <para>In <emphasis role="underline">subonderdeel E</emphasis> klaagt Trest dat het hof ofwel heeft miskend dat bij de beoordeling of sprake is van schijn van volmachtverlening ook posterieure feiten en omstandigheden betrokken moeten worden,<footnote-ref linkend="_3ed9f02a-58a9-48c4-b7ac-122dbbbb4cd7" /> ofwel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd nu verschillende posterieure feiten en omstandigheden niet in de beoordeling zijn betrokken. In het verlengde hiervan stelt Trest in <emphasis role="underline">subonderdeel F</emphasis> dat het hof heeft miskend dat het zijn oordeel over de schijn van volmachtverlening had moeten baseren op alle omstandigheden van het concrete geval,<footnote-ref linkend="_9b6e0d84-5f56-49a8-b4e9-492b13b6b20a" /> althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Trest somt in de beide subonderdelen een groot aantal omstandigheden op waaraan volgens haar het hof niet kenbaar aandacht heeft besteed terwijl dat wel had gemoeten. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20</nr>
      <para>M.i. moeten beide subonderdelen, als daar al aan wordt toegekomen, falen. Uit sommige van de door Trest genoemde omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat Trest een arbitrage tegen [A] C.V. was begonnen wat zij uit de aard der zaak niet had gedaan als zij had geweten dat die rechtspersoon niet bestond, kan inderdaad worden afgeleid dat Trest <emphasis role="italic">niet wist</emphasis> dat [A] C.V. niet bestond. Relevant is dat in cassatie echter niet, in zoverre het hof niet heeft geoordeeld dat Trest dat wél wist; dat Trest die feitelijk kennis niet bezat staat niet ter discussie.<footnote-ref linkend="_760135d4-13db-4eec-99de-8fad18899a19" /> Het gaat om het oordeel dat kennis van Vankorneft aan Trest is toe te rekenen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21</nr>
      <para>Uit de door Trest in <emphasis role="underline">subonderdeel F</emphasis> opgesomde verklaringen en gedragingen van [verweerder] blijkt dat, kort gezegd, hij het beeld dat [A] C.V. de contractpartij was, bewust in stand heeft gelaten. Deze handelwijze wordt door het hof in rov. 16 als onrechtmatig aangemerkt en vormt de grond waarop het hof de door de rechtbank uitgesproken veroordeling om de kosten van de arbitrageprocedure te vergoeden in stand laat (rov. 18). Genoemde omstandigheden brengen niet als zodanig mee dat [verweerder] niet op de – door het hof aangenomen – gewekte schijn van vertegenwoordiging mocht vertrouwen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22</nr>
      <para>Gezien het voorgaande slaagt onderdeel II in zoverre daarin wordt geklaagd over de ontoereikendheid van de motivering van het oordeel dat de schijn is gewekt dat Vankorneft bevoegd was Trest te vertegenwoordigen (<emphasis role="underline">subonderdelen C en D</emphasis>). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23</nr>
      <para>De overige onderdelen van het middel behoeven geen bespreking. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24</nr>
      <para>De slotsom is dat het bestreden arrest moet worden vernietigd voor zover het hof het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2016 heeft vernietigd.  </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Conclusie</title>
    <para>De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep voor zover dat is ingesteld door eiseres tot cassatie sub 1 en tot gedeeltelijke vernietiging en verwijzing voor zover het cassatieberoep is ingesteld door eiseres tot cassatie sub 2.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_efe84118-7b83-4f05-9d0f-db22ce946b20" label="1">
    <para> 	Vgl. rov. 2 en 7 van het bestreden arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_90dba236-4d4e-414d-b9b9-0f086d2f39a0" label="2">
    <para> 	Vgl. productie 3 bij de conclusie van antwoord, de bedrijfspresentatie van Vankorneft.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_98292b7b-b6b9-48a2-bd9e-bb2b71099988" label="3">
    <para> 	Zie het uittreksel uit het Britse handelsregister van Lamsherst Limited, productie 5 Trest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f7941185-2fee-446d-85e1-5b5c15489bc7" label="4">
    <para> 	Zie het uittreksel uit het handelsregister van [A] C.V., productie 3 Trest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b316795c-5f00-4a3f-979b-29067563afb4" label="5">
    <para> 	Zie het uittreksel uit het handelsregister van [A] B.V., productie 4 Trest. Een kopie van de oprichtingsakte van [A] B.V. is door Trest als productie 29 overgelegd. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a0e49eba-b795-414f-92c7-6a2807d4d6e7" label="6">
    <para> 	Zie conclusie van antwoord onder 4 (onbetwist). Zie voor de overeenkomst met Vankorneft productie 4 [verweerder] .</para>
  </footnote>
  <footnote id="_73835b9c-6c3b-4e19-ba62-cdbb3c571734" label="7">
    <para> 	De (eerste) aanvullende overeenkomst is overgelegd als productie 6 [verweerder] . Art. 1 luidt: “<emphasis role="italic">Name of the supplier shall be read as [A] CV throughout the whole of the text of Contract # 1710313/0909 dated 17.05.2013 and all its Appendixes.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e50c022-a3b2-49f2-8927-3fc0aa257c32" label="8">
    <para> 	Aangeduid als de <emphasis role="italic">Gate valve DN 250x25 MPA with electrical actuator</emphasis>. Zie conclusie van antwoord onder 17 (onbetwist) en de daarbij overgelegde productie 8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_551b0aa5-a5a5-4836-8aa8-fb87870fb6a5" label="9">
    <para> 	De Overeenkomst is overgelegd als productie 1 Trest. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_397b8176-fca0-4352-b4ae-293eecb930fc" label="10">
    <para> 	Zie productie 23 Trest. De factuur staat op naam van [A] CV. Desgevraagd is namens [verweerder] ter comparitie verklaard: “<emphasis role="italic">Waarom die factuur is uitgegaan onder vermelding van de naam van de CV daarop hebben wij geen pasklaar antwoord</emphasis>.” Het betreffende bankrekeningnummer stond op naam van de BV maar werd voorheen gebruikt door CV.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1e937305-a971-48a3-b50a-b7c5c7c43ab8" label="11">
    <para> 	Zie productie 12 Trest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_162013db-13f5-455a-b4cc-893ab96751b2" label="12">
    <para> 	Zie productie 13 Trest, de laatste brief.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_025f0610-f798-4945-aeae-fdc9bf0bc828" label="13">
    <para> 	Het arbitraal vonnis is door Trest overgelegd als productie 2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_12492dda-8754-44cd-ad68-fa8b26af2f40" label="14">
    <para> 	Zie het door Trest als productie 3 overgelegde uittreksel uit het Handelsregister.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9d1108d2-4114-42f7-bf65-4a1c9f5ddc59" label="15">
    <para> 	Zie de als productie 11 door [verweerder] overgelegde uitdraai uit het Centraal Insolventieregister. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bd0b7381-3a6f-41d0-861e-2ce4158fc5bb" label="16">
    <para> 	Zie het verslag van 12 februari 2015, p. 2 (productie 35 Trest). Uiteindelijk heeft de curator [verweerder] en [B] B.V. hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor schade veroorzaakt door onbehoorlijke taakuitoefening als bestuurder van [A] B.V. Als productie 1 bij haar schriftelijke toelichting heeft Trest een verstekvonnis overgelegd van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2019, waarbij [verweerder] en [B] BV hoofdelijk zijn veroordeeld om, afgerond, €440.000 aan de curator af te dragen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_54f20735-94ea-4251-8509-852c4c102fcc" label="17">
    <para> 	Zie het als dossierstuk 1 overgelegde verzoekschrift conservatoir beslag en het als productie 6 door Trest overgelegde proces-verbaal van beslag. Na het in de onderhavige procedure gewezen vonnis in eerste aanleg heeft Trest de rechtbank Rotterdam toestemming gevraagd om deze aandelen executoriaal te verkopen. Dit verzoek is bij beschikking van 10 november 2016 toegewezen. Hof Den Haag 5 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1946 heeft die beslissing bekrachtigd.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_92ac3704-efa5-45a3-8fc5-f7fd97939bc3" label="18">
    <para> 	Vgl. de weergave van de vordering in conventie in rov. 3 van het bestreden arrest. Zie ook rov. 3.1 van het vonnis van de rechtbank.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_12ac7cf3-3b8f-4c5f-977b-5812762e6b70" label="19">
    <para> 	Vgl. de weergave van de vordering in reconventie in rov. 4 van het bestreden arrest. Zie ook rov. 3.4 van het vonnis van de rechtbank.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_44442951-bdf8-4e48-a255-fdc73a0769dc" label="20">
    <para> 	ECLI:NL:RBROT:2016:234.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7cb25dab-edd1-4bfb-98ba-d986ae6b1798" label="21">
    <para> 	Vgl. de verkorte weergave van de inhoud van het vonnis van 6 januari 2016 in rov. 5 van het bestreden arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_62187626-628e-4479-a2b8-df9dbd56df73" label="22">
    <para> 	Vgl. rov. 8 van het bestreden arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bbb602c0-cffe-4f0d-81c2-352bd1316b81" label="23">
    <para> 	Vgl. rov. 6 van het bestreden arrest. Zie ook rov. 2 van het tussenarrest van 21 maart 2017.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ca40b173-27ac-45ce-90d5-67d35bc852ec" label="24">
    <para> 	Eerder, bij arrest van 24 januari 2017, heeft het hof een incidentele vordering tot zekerheidsstelling van [verweerder] afgewezen. Dit arrest is in cassatie niet van belang.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1d6776de-c08d-4dfd-91bc-259f5a53ae95" label="25">
    <para> 	ECLI:NL:GHDHA:2018:3928, <emphasis role="italic">JONDR</emphasis> 2019/599.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bfc5e07f-df92-4163-90aa-1bbf3373baf5" label="26">
    <para> 	Uit het dossier blijkt niet met zekerheid of [verweerder] iets heeft betaald en zo ja hoeveel. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fe47287e-2bd2-4b52-a50b-9fe33d7e2b37" label="27">
    <para> 	Bij beslissing artikel 32 Rv van 9 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3929 heeft het hof het dictum verbeterd door alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – een veroordeling van [verweerder] in de kosten van het incident tot zekerheidsstelling op te nemen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c4f4d456-b214-4bed-8f46-5c53b12904a1" label="28">
    <para> 	Vgl. M.I.W.E. Hillen-Muns, in: GS Vermogensrecht, art. 3:61 BW, aant. 3.1. Zie ook Asser/Kortmann 3-III 2017/75 en Jac. Hijma e.a., <emphasis role="italic">Rechtshandeling en Overeenkomst</emphasis>, 2016/100. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7cacad79-0af7-4209-a65b-9f06861625c4" label="29">
    <para> 	Zie K.J.O. Jansen, <emphasis role="italic">Informatieplichten</emphasis> (diss.) 2012, p. 124 en 127, onder verwijzing naar verdere literatuur, en M.I.W.E. Hillen-Muns, in: GS Vermogensrecht, art. 3:61 BW, aant. 3.2 onder verwijzing naar HR 6 mei 1926, ECLI:NL:HR:1926:BG9432 (<emphasis role="italic">Vas Dias/Salters</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1926, p. 721. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_94df8fbb-b51d-4332-ba06-cb7d66c137fe" label="30">
    <para> 	HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671 (<emphasis role="italic">ING/Bera</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2010/115, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2010/178, m.nt. J.W.A. Biemans, nadien bevestigd in: HR 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9967 (<emphasis role="italic">[…] / […]</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2012/388, m.nt. L.C.A. Verstappen, HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7490 (<emphasis role="italic">Erven […] / […]</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2012/389, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, <emphasis role="italic">JIN</emphasis> 2012/13, m.nt. M.A.J.G. Jansen, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2012/100, m.nt. B.A. Schuijling , HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4909 (<emphasis role="italic">Fujitsu/Exel</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2012/390, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2012/101, m.nt. B.A. Schuijling, HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:277 (<emphasis role="italic">Aventura</emphasis>), <emphasis role="italic">JIN</emphasis> 2017/74, m.nt. N.R.M. van Hellenberg Hubar, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2017150, HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142 (<emphasis role="italic">Lahcen Tamacht/Hodenius</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2017/78, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2017/149, m.nt. S.C.J.J. Kortmann. Zie nadien HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1356 (<emphasis role="italic">[…] c.s./ […] c.s.</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2017/326, <emphasis role="italic">JIN</emphasis> 2017/161, m.nt. P.J.B. van Deurzen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1e17506-10bf-4a46-b577-3ee4e8147628" label="31">
    <para> 	Vgl. HR (Belastingkamer) 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1314, <emphasis role="italic">S&amp;S</emphasis> 2019/25, HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1356 (<emphasis role="italic">[…] c.s./ […] c.s</emphasis>.), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2017/326, <emphasis role="italic">JIN</emphasis> 2017/161, m.nt. P.J.B. van Deurzen, HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:277 (<emphasis role="italic">Aventura</emphasis>), <emphasis role="italic">JIN</emphasis> 2017/74, m.nt. N.R.M. van Hellenberg Hubar, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2017150 en HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142 (<emphasis role="italic">Lahcen Tamacht/Hodenius</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2017/78, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2017/149, m.nt. S.C.J.J. Kortmann. Zie ook P.A. Fruytier, ‘Schijn van vertegenwoordiging: naar een nadere invulling van het risicobeginsel’, <emphasis role="italic">MvV</emphasis> 2017/9, p. 271-277.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cd4864df-b5a2-487e-a576-8789162e0cb5" label="32">
    <para> 	Vgl. Asser/Kortmann 3-III 2017/80 en Jac. Hijma, in: Tekst &amp; Commentaar, art. 3:66 BW, aant. 4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cc1d56c7-4ae0-4b16-a7e7-762555730e05" label="33">
    <para> 	Vgl. J.J. Valk, ‘Toerekening van externe kennis: twee gezichtspunten’, <emphasis role="italic">WPNR</emphasis> 2012/6949. Zie ook V. van den Brink, ‘Vertegenwoordiging en de inhoud van de overeenkomst’, in: W.E. Haak (red.), <emphasis role="italic">WB der Nederlanden</emphasis>, 2003, p. 110, B.M. Katan, ‘Toerekening van kennis aan rechtspersonen’ (diss. 2017), <emphasis role="italic">O&amp;R</emphasis> nr. 98, onder 6.3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a071ba68-2ab6-42a8-b9a5-f270d5e036c2" label="34">
    <para> 	Vgl. o.a. Asser/Kortmann 3-III 2017/81 (<emphasis role="italic">“Indien de gevolmachtigde naar eigen inzicht rechtshandelingen vermag te verrichten en de inhoud daarvan te bepalen, zullen in het algemeen zijn wil en zijn wetenschap van belang zijn”</emphasis>), B.R.D. Hoebeke, in: Sdu Commentaar Vermogensrecht, art. 3:66 BW, aant. C, Jac. Hijma, in: Tekst &amp; Commentaar, art. 3:66 BW, aant. 4, Jac. Hijma e.a., <emphasis role="italic">Rechtshandeling en Overeenkomst</emphasis>, 2016/112.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_73be06f4-175a-4949-9dc0-8dfbf0884df7" label="35">
    <para> 	Vgl. HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:467 (<emphasis role="italic">Mandir</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2019/157, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2019/97, m.nt. B.M. Katan (kritisch) en S.M. Bartman, ‘Toerekening van kennis aan een rechtspersoon: mijmeringen bij een Hindoestaanse tempel’, <emphasis role="italic">AA</emphasis> juni 2019, p. 482-486.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_127819a8-bc65-4f96-8411-d3655edffd53" label="36">
    <para> 	Vgl. Asser/Kortmann 3-III 2017/82, A.G. Castermans, <emphasis role="italic">De mededelingsplicht in de onderhandelingsfase</emphasis>, 1992, p. 77-79, R.P.J.L. Tjittes, <emphasis role="italic">Toerekening van kennis</emphasis>, 2001, p. 14 en 17.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7a876110-e0f1-475e-8f79-f02777ad7517" label="37">
    <para> 	HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6018, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2007/231, m.nt. J.B.M. Vranken, <emphasis role="italic">Ondernemingsrecht</emphasis> 2006/85, m.nt. S-J. Spanjaard.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6197cb89-c443-4e2c-b0f9-c2cb7d489e85" label="38">
    <para> 	Zie ook B.M. Katan, Toerekening van kennis van een gevolmachtigde – een verkenning van artikel 3:66 lid 2 BW, Contracteren juni 2015/2, p. 34-41: “<emphasis role="italic">In de praktijk hoeft het aandeel in de totstandkoming van de overeenkomst van een functionaris zonder volmacht niet onder te doen voor dat van een functionaris met volmacht. Beiden kunnen dezelfde rol spelen in onderhandelingen. In een dergelijk geval kan naar mijn mening artikel 3:66 lid 2 BW analoog worden toegepast of geldt een aan artikel 3:66 lid 2 BW verwante regel</emphasis>.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a0cde436-1bfe-4244-b925-7da20c244e81" label="39">
    <para> 	Vgl. Asser Kortmann 3-III 2017/82.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f54b57d3-e270-43e0-be34-be8d003f04c9" label="40">
    <para> 	HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1980/34, m.nt. C.J.H. Brunner.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f66d6e62-a38a-48bc-b4ca-932bb81d27d5" label="41">
    <para> 	Ik ga hier niet in op de vraag of die maatstaf aan ‘herijking’ toe in die zin dat toerekening wellicht beter kan geschieden op grond van de redelijkheid en billijkheid. Vgl. daarover onder andere B.F. Assink/W.J. Slagter, <emphasis role="italic">Compendium Ondernemingsrecht</emphasis> (2013), p. 382-392 en Asser/Maeijer &amp; Kroeze <emphasis role="italic">2-I</emphasis>* 2015/94. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_35bac561-c972-4fa8-908a-d8797f27b8dd" label="42">
    <para> 	Vgl. J.J. Valk, ‘Toerekening van externe kennis: twee gezichtspunten’, <emphasis role="italic">WPNR</emphasis> 2012/6949, die onder andere verwijst naar C.J.M. Klaassen, ‘Vertegenwoordiging en aansprakelijkheid: toerekening van kennis’, in S.C.J.J. Kortmann e.a. <emphasis role="italic">Vertegenwoordiging en tussenpersonen</emphasis>, 1999, p. 95-98 en daarnaast naar K.J.O. Jansen, <emphasis role="italic">Informatieplichten</emphasis> (diss.), 2012, p. 544.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_148b0d3e-33ad-4c24-9288-5cc0479c8ec2" label="43">
    <para> 	Vgl. J.J. Valk, Toerekening van externe kennis: twee gezichtspunten, <emphasis role="italic">WPNR</emphasis> 2012/6949 onder verwijzing naar HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6018 (<emphasis role="italic">Ontvanger/ […]</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f87c75f6-33b6-4bec-aa38-abfa911291e0" label="44">
    <para> 	Vgl. HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:467 (<emphasis role="italic">Mandir</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2019/157, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2019/97, m.nt. B.M. Katan (kritisch) en S.M. Bartman, ‘Toerekening van kennis aan een rechtspersoon: mijmeringen bij een Hindoestaanse tempel’, <emphasis role="italic">AA</emphasis> juni 2019, p. 482-486.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b8473e0f-fd2a-4bc1-8cf5-967690688240" label="45">
    <para> 	Vgl. voetnoot 1 in de procesinleiding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_68039716-ed43-44c0-b2b4-310c8cd4aad5" label="46">
    <para> 	Vgl. voetnoot 2 in de procesinleiding.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df078fd7-9d51-4e18-87aa-227e47f923a4" label="47">
    <para>HR 6 oktober 1989, NJ 1990/286.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4bff41e5-a49f-4ff8-9a34-706557d400d9" label="48">
    <para> 	De keuze de C.V. op te heffen en de B.V. op te richten was ingegeven door fiscale en praktische motieven. Niets wijst erop dat Vankorneft daar enige vorm van betrokkenheid bij laat staan invloed op heeft gehad.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6dbe1104-c350-4940-b8a2-0b3e231f19fc" label="49">
    <para> 	Het slot van rov. 11 over het toepasselijk recht (waartegen Trest geen klacht heeft gericht).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_217daf90-c22a-48f9-a85f-8b8eb2e9d944" label="50">
    <para> 	Niet helemaal duidelijk is of het hof overweegt dat Trest in algemene zin onderaannemer was of het oog heeft op deze zaak. M.i. was Trest niet onderaannemer maar aannemer. Vankorneft was opdrachtgever en [A] onderaannemer. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_22861d8b-dd27-4b14-bdc2-0a003c2510c9" label="51">
    <para> 	Trest verwijst in een inleiding op de klachten naar HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:210 (<emphasis role="italic">[…] -Dexia</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2017/101, <emphasis role="italic">JBPR</emphasis> 2017/24, m.nt. F.J.P. Lock, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2017/149, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (rov. 3.3.2: <emphasis role="italic">“Het staat de rechter immers niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer zijn ten grondslag gelegd.”</emphasis>), HR 17 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0358 (<emphasis role="italic">[…] / […]</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/39 (rov. 3.3: <emphasis role="italic">“dat</emphasis> (…) <emphasis role="italic">de appelrechter de grenzen van de rechtsstrijd in acht moet nemen en dat de rechter niet in strijd mag handelen met het beginsel dat partijen over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan de rechterlijke beslissing voldoende moeten zijn gehoord en niet mogen worden verrast met een beslissing van de rechter waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat geen rekening behoefden te houden.”</emphasis>), HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9414 (<emphasis role="italic">Regiopolitie Gelderland Zuid/Hovax</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/460, m.nt. J.B.M. Vranken, <emphasis role="italic">JBPR</emphasis> 2004/15, m.nt. K. Teuben (rov. 5.2 en 5.3: <emphasis role="italic">“Het is op zichzelf juist dat de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding niet ambtshalve mag verminderen op de grond dat naar zijn oordeel – kort gezegd – sprake is van ‘eigen schuld’ van de benadeelde aan zijn schade </emphasis>(…)<emphasis role="italic">. De vraag wanneer het de rechter vrijstaat deze kwestie ambtshalve aan de orde te stellen, kan niet in haar algemeenheid worden beantwoord.”</emphasis>). In de schriftelijke toelichting op het onderdeel wordt onder 1.21 nog verwezen naar HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9900 (<emphasis role="italic">[…] / […]</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2005/92 en HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5663 (<emphasis role="italic">Spector/Fotoshop</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2006/158. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_96cd045e-d524-46b0-a9af-b584ed87b3eb" label="52">
    <para> 	Memorie van grieven onder 44.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_346f95d3-577e-4d28-9de3-ccef6a18fbbe" label="53">
    <para> 	Indien uw Raad op deze grond casseert zal het zeker niet de eerste keer zijn dat een in cassatie bestreden arrest sneuvelt op grond van art. 24 Rv. Ik verwijs naar de noot van F.J.P. Lock bij HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:21 (<emphasis role="italic">eisers/Dexia)</emphasis> in <emphasis role="italic">JBPR</emphasis> 2017/24. Lock constateert (onder 1.) dat hij binnen anderhalf jaar tijd minstens acht arresten heeft geteld “<emphasis role="italic">waarin de feitenrechter door de Hoge Raad op de vingers is getikt omdat hij de door art. 24 Rv bedoelde omvang van de rechtsstrijd heeft miskend</emphasis>”. Een voorbeeld is HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:140 (<emphasis role="italic">Kobra/X</emphasis>), <emphasis role="italic">JPBR</emphasis> 2017/23, m.nt. F.J.P. Lock. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef79d3a5-f402-44e6-8561-01039c8987d1" label="54">
    <para> 	Zie T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Rv, aant. 1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e8a8feb4-5667-4a62-9958-dd0149d1ba8b" label="55">
    <para> 	Onder verwijzing naar het proces-verbaal van de zitting van 10 november 2015 (p. 2, voorlaatste alinea) en randnummer 12, 49 en 110 van de memorie van grieven. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_14c380b0-2a9f-4d4e-aa11-c4cbbd235bec" label="56">
    <para> 	Op 12 februari 2014 schreef Trest aan [verweerder] : “<emphasis role="italic">As I tried to explain to you in my previous e-mail, your contract for delivery of 11x10” gate valves is not with Vankor, it is with JSC Trust Koksokhimmontazh</emphasis>.” (productie 11 Trest). Op 28 februari 2014 schreef [verweerder] aan Trest:  “<emphasis role="italic">We agreed that the contract BHP-01/405-1216-AV is a contract under the name of Koksokhimmontazh and not related to Vankorne</emphasis>ft.” (productie 12 Trest). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_49323b1e-c7df-4251-812d-6a0fbf3e133a" label="57">
    <para> 	Zie bijvoorbeeld memorie van antwoord onder 109.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_112a95d2-28c2-40c0-984a-b4debf96bdb0" label="58">
    <para> 	Vgl. de opmerkingen zijdens Trest opgetekend in het proces-verbaal van de zitting van 10 november 2015. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ed9f02a-58a9-48c4-b7ac-122dbbbb4cd7" label="59">
    <para> 	Trest verwijst in dit verband naar HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1119 (<emphasis role="italic">[…] /Gemeente Dronten</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2015/221, <emphasis role="italic">BR</emphasis> 2015/75, m.nt. K. Meijering en S.A.L. van de Sande, <emphasis role="italic">JIN</emphasis> 2015/105, m.nt. N.R.M. Huijben, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2015/190, m.nt. S.C.J.J. Kortmann.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9b6e0d84-5f56-49a8-b4e9-492b13b6b20a" label="60">
    <para> 	Trest verwijst naar de conclusie van A-G Wuisman voor HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7490 (<emphasis role="italic">Erven […] / […]</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2012/389 en de conclusie van A-G Rank-Berenschot voor HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1119 (<emphasis role="italic">[…] /Gemeente Dronten</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2015/221.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_760135d4-13db-4eec-99de-8fad18899a19" label="61">
    <para> 	Vgl. rov. 14 en 15 van het bestreden arrest.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>