<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2018:943</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-03T19:00:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2018-09-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/03685</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2018:2174" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2174, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JAR 2018/314 met annotatie van mr. dr. E.J.A. Franssen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:943">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:943</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-10T14:01:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2018:943 Parket bij de Hoge Raad , 07-09-2018 / 17/03685</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2018:943:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>IPR. Arbeidsovereenkomst bij internationaal wegvervoer. Uitleg van Detacheringsrichtlijn. Vrij verkeer van diensten (art. 56 VWEU). Prejudiciële vraagstelling aan het HvJEU.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2018:943:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para>Zaaknr:	 17/03685</para>
    <para> mr. B.J. Drijber</para>
    <para>Zitting:	 7 september 2018</para>
    <para />
    <para>	Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Federatie Nederlandse Vakbeweging</emphasis>,</para>
      <para>eiseres tot cassatie,</para>
      <para>verweerster in het voorwaardelijk</para>
      <para>incidenteel  cassatieberoep,</para>
      <para>advocaat: mr. S.F. Sagel</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">1. [verweerster 1]</emphasis>,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. [verweerster 2]</emphasis>,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">3. Silo-Tank KFT</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>verweersters in cassatie,</para>
      <para>eiseressen in het voorwaardelijk </para>
      <para>incidenteel cassatieberoep,</para>
      <para>advocaat: mr. R.A.A. Duk</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak en de parallelle zaak 17/03684 hebben betrekking op buitenlandse chauffeurs in het internationale wegtransport. FNV heeft de afgelopen jaren nogal wat procedures gevoerd tegen Nederlandse transportbedrijven die via Oost-Europese zustervennootschappen chauffeurs internationale ritten laten uitvoeren tegen een Oost-Europees loon. FNV wil afdwingen dat het Nederlandse cao-loon wordt betaald. Op die manier wordt de buitenlandse chauffeur beschermd tegen uitbuiting en de Nederlandse chauffeur tegen verdringing op de arbeidsmarkt. Het gaat FNV vooral om het laatste. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak is in geschil of de Europese Detacheringsrichtlijn<footnote-ref linkend="_88f86459-8f70-46ab-be42-cb31b4838d06" /> van toepassing is op internationale ritten. Deze richtlijn, een typische vrucht van Brusselse compromissen, doet tal van vragen rijzen. ‘<emphasis role="italic">Navigeren door het labyrint van grensoverschrijdende detachering’</emphasis> is de treffende titel van een van de talrijke wetenschappelijke bijdragen over dit complexe onderwerp. <footnote-ref linkend="_b0a43544-cab9-4b2a-87d5-e72e3a969d9c" /> Er is tot dusver geen rechtspraak van Uw Raad hierover. Er is ook nog geen Europese rechtspraak over de toepassing van de Detacheringsrichtlijn op het internationaal wegtransport. Het lijkt er daarom op dat het HvJEU moet worden verzocht de draad van Ariadne aan te reiken om de uitgang van het labyrint te vinden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Feiten </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.<footnote-ref linkend="_e0bac195-5c5e-443c-ab1f-ca022357c12b" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De besloten vennootschap [verweerster 1] (hierna: <emphasis role="bold">[verweerster 1]</emphasis>) oefent vanuit Erp  (Noord-Brabant) een transportonderneming uit. [verweerster 1] is lid van de Vereniging Goederenvervoer Nederland. Deze vereniging heeft met FNV de cao Goederenvervoer Nederland afgesloten (hierna: <emphasis role="bold">cao GN</emphasis>). Deze cao is niet algemeen verbindend verklaard. De cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de Verhuur van mobiele kranen van TLN (hierna: <emphasis role="bold">cao Beroepsgoederenvervoer</emphasis>), die materieel gezien veel overlap vertoont met de cao GN, was in de hier relevante periode wél algemeen verbindend verklaard.<footnote-ref linkend="_56048122-1f2f-462e-bc95-d5440be577d9" /> De grote meerderheid van de Nederlandse transportbedrijven is bij die laatste cao aangesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>In enkele EU-lidstaten heeft [verweerster 1] zusterondernemingen, waaronder de vennootschap naar Duits recht [verweerster 2] (hierna: <emphasis role="bold">[verweerster 2]</emphasis>) en de vennootschap naar Hongaars recht Silo-Tank KFT (hierna: <emphasis role="bold">Silo-Tank</emphasis>). Deze drie vennootschappen worden hierna gezamenlijk aangeduid als <emphasis role="bold">[verweersters]</emphasis><footnote-ref linkend="_22c80939-340f-43f4-a2dd-de510cc60e2c" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>
        [verweerster 1] , [verweerster 2] en Silo-Tank maken alle drie voor hun ICT en financiën gebruik van een gelieerde (in Nederland gevestigde) onderneming, te weten [A] B.V.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Binnen het [verweerster 1] concern zijn onder andere Hongaarse chauffeurs werkzaam. Zij zijn in Hongarije aangeworven en hebben een arbeidsovereenkomst met Silo-Tank. De Duitse chauffeurs die binnen het concern werkzaam zijn, hebben een arbeidsovereenkomst met [verweerster 2] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>
        [verweerster 1] schakelt regelmatig [verweerster 2] en Silo-Tank in voor het verzorgen van internationale transporten zogenoemde ‘charters’. Zij heeft met [verweerster 2] en Silo-Tank charterovereenkomsten afgesloten, feitelijk een vorm van onderaanneming. Het in dat kader verrichte vrachtvervoer vindt in meer dan overwegende mate buiten Nederland plaats en slechts voor een gering deel op Nederlands grondgebied.<footnote-ref linkend="_130006ed-4c68-4541-ad82-e66b07e91bef" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>Art. 44 van de cao GN heeft betrekking op charters. Het luidt:<footnote-ref linkend="_2c3f4b68-ee38-4688-a450-ebb43932e454" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Charterbepaling</para>
        <para>1. De werkgever is gehouden in overeenkomsten van onderaanneming, die in of vanuit de in Nederland gevestigde onderneming van werkgever worden uitgevoerd, met zelfstandige ondernemers, die als werkgever optreden, te bedingen dat aan diens werknemers de basisarbeidsvoorwaarden van deze CAO zullen worden toegekend, wanneer dat voortvloeit uit de detacheringsrichtlijn, ook indien gekozen is voor het recht van een ander land dan Nederland. </para>
        <para>2. De werkgever is gehouden de in lid 1 van dit artikel genoemde werknemers te informeren over de op hen van toepassing zijnde basisvoorwaarden.</para>
        <para>3. (…)”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het eerste lid volgt dat een transportonderneming die als werkgever is aangesloten bij deze cao, “<emphasis role="italic">wanneer dat voortvloeit uit de detacheringsrichtlijn</emphasis>” de basisarbeidsvoorwaarden uit de cao moet ‘doorcontracteren’ aan zijn onderaannemer,</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8</nr>
      <para>In aanvulling op het voorgaande wijs ik met betrekking tot de feitelijke uitgangspunten in cassatie nog op het volgende:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>- Een centrale stelling in het betoog van FNV is dat de Detacheringsrichtlijn in dit geval van toepassing is omdat Erp (Nederland) de plaats is <emphasis role="italic">van waaruit</emphasis> de internationale ritten doorgaans beginnen en eindigen. Het hof heeft dat als vaststaand aangemerkt, zij het niet onder de vaststaande feiten in rov. 3.1 maar enigszins terloops in rov. 3.15.2.2 van het bestreden arrest: “<emphasis role="italic">Enerzijds staat vast dat het chartervervoer in de betrokken periode doorgaans vanuit Erp plaatsvond en de ritten doorgaans weer telkens in Erp eindigden</emphasis>.” </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- [verweerster 1] heeft gesteld dat de meeste chauffeurs een cyclus van gemiddeld drie weken ‘op’ en één week ‘af’ hebben. In de arbeidsperiode voeren zij een hele reeks uit waarvan het beginpunt (laden) en het eindpunt (lossen) in de meeste gevallen buiten Nederland ligt.<footnote-ref linkend="_d6047c1b-000e-42a8-a196-7478b7e86ce8" /> FNV heeft dat niet (werkelijk) betwist.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- [verweerster 1] heeft in appel gesteld dat sinds 2015 om logistieke redenen Erp veel minder wordt gebruikt als opstapplaats waar een rittenreeks begint en als afstapplaats waar een rittenreeks eindigt.<footnote-ref linkend="_49736fd4-9c27-4cca-a988-b33eb2a8ba41" /> FNV heeft die stelling betwist.<footnote-ref linkend="_c3f12039-e291-4c52-a360-5e3d5ee3bdd3" /> Het hof heeft die stelling niet verworpen maar ook niet als vaststaand aangemerkt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Procesverloop </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De vorderingen van FNV zien niet op een duidelijk afgebakend tijdvak. In de kern vordert zij, uitvoerbaar bij voorraad en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag, dat [verweerster 1] , [verweerster 2] en Silo-Tank elk worden veroordeeld om de cao GN na te leven. De vorderingen van FNV staan volledig weergegeven in rov. 3.2.1 van het bestreden arrest. Petitum sub I luidt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>	“I. 	[verweerster 1] te veroordelen tot naleving van de cao GN, in het bijzonder de artikelen 44 en 48a, met name door ten behoeve van de chauffeurs die in dienst zijn bij buitenlandse ondernemingen, waaronder maar niet beperkt tot [verweerster 2] en Silo-Tank, aan wie [verweerster 1] een transportopdracht verstrekt, te bedingen dat aan die chauffeurs de basisarbeidsvoorwaarden van deze cao zullen worden toegekend, alsook de betreffende chauffeurs schriftelijk in te lichten over de op hun werkzaamheden van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden, behoudens het geval dat verklaard wordt dat niet de Detacheringsrichtlijn maar EVO en/of Rome I van toepassing is en (door [verweerster 2] en/of Silo-Tank) toegepast zal worden, beide binnen zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een aan FNV te betalen dwangsom van € 5.000,- per dag en per keer dat [verweerster 1] daaraan geen gevolg geeft;” </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De andere vorderingen zijn daar in wezen een variant op. Voor een deel zijn de vorderingen gericht tegen [verweerster 2] en/of Silo-Tank.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Aan deze vorderingen heeft FNV ten grondslag gelegd dat [verweerster 1] ten onrechte de charterbepalingen in art. 44 lid 1 en 2 en art. 48a van de cao GN niet nakomt.<footnote-ref linkend="_b16b8c98-d187-48ba-a460-7730fe896e19" /> [verweerster 1] laat de chauffeurs voor zich werken tegen ver onder de in Nederland geldende cao- en minimumafspraken, terwijl op grond van voornoemde artikelen van de cao [verweerster 1] ervoor dient te zorgen dat cao-loon aan de chauffeurs wordt betaald. Ook in de gevallen waarin Nederland het land is waar de Hongaarse en Duitse chauffeurs gewoonlijk werken, dient dat loon betaald te worden, aldus FNV. Silo-Tank en [verweerster 2] handelen onrechtmatig jegens FNV door het niet toepassen van de basisarbeidsvoorwaarden uit de cao GN, voor welk onrechtmatig handelen ook [verweerster 1] aansprakelijk moet worden gehouden. [verweerster 1] stuurt haar buitenlandse ondernemingen, waaronder [verweerster 2] en Silo-Tank, feitelijk en juridisch gezien aan en heeft derhalve (overwegende) invloed op de wijze waarop deze ondernemingen hun arbeidsrechtelijke verplichtingen nakomen.<footnote-ref linkend="_448c384f-8e37-4131-91a2-66727a95ba81" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>FNV heeft haar vordering tot schadevergoeding gebaseerd op art. 4 lid 13, onder c. van de cao GN, dat bepaalt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Indien de werkgever niet aantoont dat de cao getrouwelijk is nageleefd is de wekgever ten opzichte van de werknemersorganisatie schadeplichtig overeenkomstig art. 15 van de Wet cao.”<footnote-ref linkend="_b9763c47-07c0-4697-b04a-716c7b67e691" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>
        [verweersters] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Bij <emphasis role="underline">tussenvonnis van 22 mei 2014</emphasis> heeft de kantonrechter binnen de rechtbank Oost-Brabant (hierna: <emphasis role="bold">de kantonrechter</emphasis>) in een door [verweerster 2] en Silo-Tank opgeworpen bevoegdheidsincident geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van art. 5 sub 3 EEX-Verordening (hierna: <emphasis role="bold">Brussel I</emphasis>) bevoegd is om van de tegen die rechtspersonen ingestelde vorderingen kennis te nemen. Nadien is de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet meer betwist.<footnote-ref linkend="_82e97143-2500-4f1a-b5d3-8c904759556b" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Bij <emphasis role="underline">tussenvonnis van 8 januari 2015</emphasis><footnote-ref linkend="_33b7daf2-67d1-4896-a9fd-aea34b68997e" /> heeft de kantonrechter FNV in het gelijk gesteld. Zij heeft geoordeeld dat de door [verweerster 2] en Silo-Tank in onderaanneming uitgevoerde transporten vallen binnen de reikwijdte van de Detacheringsrichtlijn (rov. 4.5). Deze richtlijn is volgens de kantonrechter ook van toepassing wanneer de (transport)werkzaamheden worden verricht <emphasis role="italic">vanuit</emphasis> een andere lidstaat dan waar de werknemer gewoonlijk werkt, ook al vindt het transport maar voor een gering deel op het grondgebied van die andere lidstaat plaats:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“4.6. Evenmin kan [verweersters] worden gevolgd in haar betoog dat van toepasselijkheid van de Detacheringsrichtlijn eerst sprake is als een buitenlandse chauffeur een specifieke opdracht uitsluitend of in hoofdzaak op het grondgebied van Nederland heeft verricht. FNV heeft daartegen ingebracht dat het zinsdeel “op een grondgebied van een lidstaat” in art. 1 van de Detacheringsrichtlijn in het geval van internationaal transport gelezen moet worden als “van waaruit de werkzaamheden worden verricht”. Zij beroept zich daarbij op de uitleg die het Hof van Justitie in de zaak Mulox (HVJEU 13 juli 1993, C- 125/92) gegeven heeft aan art. 19 lid 2 sub a Brussel I, in welk geval het Hof had geoordeeld dat met de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt óók bedoeld wordt de plaats “van waaruit” wordt gewerkt, welke uitleg bevestigd is in de zaken Rutten (HVJEU 9 januari 1997, C-383/95) en Weber (HVJEU 25 februari 2002, C-37/00) en welke rechtspraak thans gecodificeerd is in art. 21 lid 1 sub b, I Brussel Ibis-verordening, op grond waarvan de werkgever nu ook opgeroepen kan worden voor het gerecht “van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de plaats waar of vanwaar hij gewoonlijk heeft gewerkt.” Voorts wijst FNV op de uitleg van het Hof van Justitie in de zaak Koelzsch van het EVO, waarin het Hof heeft geoordeeld dat met het land van “waar” de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht ook bedoeld wordt het land “van waaruit” de arbeid verricht wordt. Deze rechtspraak is eveneens gecodificeerd in de Rome I-verordening, waarbij de Commissie in het wetgevingsproces nog heeft opgemerkt dat de “van waaruit” regel beter toepasbaar zou zijn op transport. Nu in alle Europese regelingen de “waar”-regel uitgelegd wordt als een “van-waaruit’-regel, met name in transport, dient ook het bepaalde in de Detacheringsrichtlijn in dit licht gelezen te worden, aldus FNV. De kantonrechter volgt FNV in haar argumentatie. Zij ziet in hetgeen [verweerster 1] in dit kader heeft aangevoerd geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen daarover aan het Hof van Justitie. De conclusie is dus dat de Detacheringsrichtlijn óók van toepassing is wanneer de (transport)werkzaamheden <emphasis role="italic">vanuit </emphasis>een lidstaat worden verricht, ook al vindt het transport zelf maar voor een gering deel op het Nederlandse grondgebied plaats.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat in sommige gevallen ervan uit moet worden gegaan dat Nederland het land is van waaruit de chauffeurs <emphasis role="italic">gewoonlijk</emphasis> hun werk verrichten, waarmee niet voldaan is aan het tijdelijkheidsvereiste zodat de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing is (rov. 4.16). In dat laatste geval is op grond van art. 6 lid 2 EVO / art. 8 Rome I Nederlands recht van toepassing op de individuele arbeidsovereenkomst van de desbetreffende chauffeur (rov. 4.17). In andere gevallen is Nederland het land van waaruit <emphasis role="italic">tijdelijk</emphasis> gewerkt wordt, zodat de Detacheringsrichtlijn wèl van toepassing is. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de gereden ritten en zal daarom per chauffeur individueel moeten worden vastgesteld (rov. 4.18). De kantonrechter kwam tot de slotsom dat zowel in de gevallen dat Nederland het land is van waaruit tijdelijk gewerkt wordt als dat Nederland het land is van waaruit gewoonlijk gewerkt wordt, de basisvoorwaarden van de cao GN van toepassing zijn op de Hongaarse en Duitse chauffeurs (rov. 4.19).<footnote-ref linkend="_e30668f0-f688-408a-849c-639e423e136b" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Bij rolbeslissing van 22 januari 2015 heeft de kantonrechter tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis van 8 januari 2015 opengesteld.<footnote-ref linkend="_e987bf9a-a9ca-43a8-b070-331dfe50da93" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verweersters] zijn bij het hof ’s-Hertogenbosch (hierna: <emphasis role="bold">het hof</emphasis>) van voornoemd tussenvonnis in hoger beroep gekomen. [verweerster 1] heeft één grief aangevoerd die is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de Detacheringsrichtlijn in casu van toepassing is, althans kan zijn. Zij stelt dat:</para>
        <para>	a. zich geen detachering (als bedoeld in de Detacheringsrichtlijn) voordoet, aangezien van ‘ter beschikking stellen’ geen sprake is;</para>
        <para>	b. de chauffeurs in dienst van [verweerster 2] en Silo-Tank hun werkzaamheden niet op en ook niet vanuit het Nederlands grondgebied verrichten;</para>
        <para>	c. voor zover [verweerster 1] gehouden is om op haar opdrachten aan [verweerster 2] en Silo-Tank op grond van art. 44 van de cao GN toe te passen, die bepaling in strijd is met het vrij verkeer van diensten.<footnote-ref linkend="_7fbcf19a-fb55-4c27-b3ae-7caa34f82fab" /></para>
        <para>	[verweerster 2] en Silo-Tank hebben in hoger beroep (deels overlappende) grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van FNV.<footnote-ref linkend="_ee144f00-d51b-4160-8338-c9c62ea0396e" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>FNV heeft de grieven bestreden en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <para>Bij <emphasis role="underline">arrest van 2 mei 2017</emphasis><footnote-ref linkend="_e3122e56-5707-42f7-b414-e958d5f589fe" /> heeft het hof in het principaal appel en in het incidenteel appel het tussenvonnis waarvan beroep vernietigd en de zaak voor verdere behandeling verwezen naar de kantonrechter. Het heeft bepaald dat tegen het arrest tussentijds cassatie kon worden ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <para>Het hof gaat eerst in op het meest verstrekkende verweer van [verweerster 1] , dat de uitleg zoals door FNV verdedigd leidt tot een ongeoorloofde belemmering van de vrijheid van dienstverlening als bedoeld in art. 56 VWEU. Het hof deelt in beginsel de zienswijze van [verweerster 1] dat, indien een dergelijke verplichting uitsluitend is opgenomen in een niet algemeen verbindend verklaarde cao, dit kan worden gezien als een ongeoorloofde belemmering van de vrijheid van dienstverlening (rov. 3.14.1), waarbij het hof verwijst naar het arrest <emphasis role="italic">Rüffert</emphasis><footnote-ref linkend="_ebfb9ed5-9841-4acf-a38b-db31726059ba" /> (rov. 3.14.3). Uit het arrest <emphasis role="italic">RegioPost</emphasis><footnote-ref linkend="_ce75699e-4343-40c5-a821-9a60b14db6a2" /> volgt dat dit anders is als sprake is van een dwingendrechtelijke bepaling waaraan zowel nationale als uit een andere EU-lidstaat afkomstige dienstverleners in deze branche, zich hebben te houden (rov. 3.14.4). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12</nr>
      <para>Het hof past een en ander toe op de onderhavige situatie, waarin de cao waarop FNV zich beroept niet algemeen verbindend is verklaard, maar een andere cao voor dezelfde bedrijfstak dat wèl is. Het hof overweegt: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“3.14.5. In de onderhavige zaak is de toepasselijke cao inderdaad niet algemeen verbindend verklaard. Dat is echter enkel het gevolg van het feit dat voor die cao dispensatie is verleend terwijl de - ten aanzien van de charterbepaling exact gelijkluidende - en voor het overige qua inhoudelijke bepalingen vrijwel gelijkluidende cao Beroepsgoederenvervoer wel algemeen verbindend is verklaard.</para>
        <para>De wijze waarop in Nederland de algemeen verbindend verklaarde cao Beroepsgoederenvervoer en de cao GN, waarvan de deelnemers daaraan dispensatie hebben verkregen, in de relevante periode als het ware in elkaar klikken betekent dat in de bedrijfstak beroepsgoederenvervoer in Nederland één ‘level playing field’ is gecreëerd waarbij dezelfde dan wel nagenoeg dezelfde regels voortvloeiend uit de respectieve cao’s moeten worden nageleefd. Op die wijze wordt voldaan aan artikel 3 lid 8 eerste zin Detacheringsrichtlijn, zoals de bedoeling van die bepaling moet worden begrepen. In ieder geval is daarenboven sprake van dezelfde algemene rechtsgevolgen voor alle gelijksoortige ondernemingen in het betrokken geografische gebied (artikel 3 lid 8 twee alinea Detacheringsrichtlijn) en in de betrokken beroepsgroep ten gevolge van de samenhang tussen de genoemde cao’s, omdat er geen ruimte is voor de betreffende ondernemingen zich aan de werking van (één van) de cao’s te onttrekken. Aldus is een gelijke behandeling van alle ondernemingen, zowel die uit de EU-lidstaat Nederland als die uit andere EU-lidstaten (in dit geval Duitsland en Hongarije) die in Nederland hun diensten willen aanbieden in de betreffende branche als bedoeld in artikel 1 lid 1 Detacheringsrichtlijn gegarandeerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.14.6.</nr>
        <para>Kortom, de toepasselijke cao GN bewerkstelligt hetzelfde effect, in het bijzonder op het punt van de doorcontracteerverplichting, als de algemeen verbindend verklaarde cao Beroepsgoederenvervoer. Die cao heeft ook dezelfde looptijd als de toepasselijke cao GN. Deze situatie is aldus materieel, ook richting alle buitenlandse chartervervoerders als bedoeld in de cao, op één lijn te stellen met het geval dat de toepasselijke cao GN wel algemeen verbindend zou zijn verklaard. Aldus is materieel een situatie aan de orde van <emphasis role="italic">“overeenkomsten of uitspraken die moeten worden nageleefd door alle ondernemingen die tot de betrokken beroepsgroep of bedrijfstak behoren en onder het territoriale toepassingsgebied van die overeenkomsten of uitspraken vallen”</emphasis> als bedoeld in artikel 3 lid 8 van de Detacheringsrichtlijn. (…).”</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13</nr>
      <para>Het hof gaat vervolgens in (rov. 3.15) op het primaire verweer van [verweersters] dat de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing is omdat [verweerster 2] en Silo-Tank geen werknemers aan [verweerster 1] ter beschikking stellen maar voor deze slechts vervoersopdrachten uitvoeren.<footnote-ref linkend="_ca8888ae-0c5e-4fce-abfc-95268e703d86" />Het hof verwerpt dat betoog, omdat in de onderhavige situatie is voldaan aan de in art. 1 lid 3 aanhef en onder a Detacheringsrichtlijn voorziene situatie. In cassatie komt dit punt niet terug. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14</nr>
      <para>Indien al aan de voorwaarde van terbeschikkingstelling van werknemers is voldaan, gebeurt dat volgens [verweerster 1] niet “<emphasis role="italic">op het grondgebied van de lidstaat (Nederland)</emphasis>”. Het hof overweegt daaromtrent:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“3.15.2.2. (…) Art. 44 van de cao GN bepaalt dat de verplichting van [verweerster 1] om de basisarbeidsvoorwaarden van de cao door te contracteren geldt voor overeenkomsten van onderaanneming, die <emphasis role="italic">in of vanuit de in Nederland gevestigde onderneming van [verweerster 1] worden uitgevoerd</emphasis> (cursivering hof) met zelfstandige ondernemers, wanneer dat uit de Detacheringsrichtlijn voortvloeit.</para>
        <para>Enerzijds staat vast dat het chartervervoer in de betrokken periode doorgaans vanuit Erp plaatsvond en de ritten doorgaans weer telkens in Erp eindigden, dus vanuit en naar de vestigingsplaats van [verweerster 1] te Erp, gemeente Veghel, dus op Nederlands grondgebied. Los van het feit dat [verweerster 1] ook op Nederlands grondgebied enige werkzaamheden uitvoert, is [verweerster 1] evident gevestigd op Nederlands grondgebied. Aldus is aan de hiervoor cursief weergegeven eis uit artikel 44 van de cao GN voldaan.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15</nr>
      <para>De in art. 44 van de cao GN opgenomen verplichting te bedingen van de onderaannemer dat aan diens werknemers de basisvoorwaarden van deze cao worden toegekend, geldt volgens de tekst van die bepaling alleen wanneer dat voortvloeit uit de Detacheringsrichtlijn. Met betrekking tot de vraag of aan die voorwaarde is voldaan overweegt het hof om te beginnen: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“3.15.2.3. Daarnaast geldt echter evenzeer de eis dat - wil sprake zijn van een verplichting tot doorcontracteren - het moet gaan om overeenkomsten van onderaanneming waarvoor de Detacheringsrichtlijn geldt. Althans zoals deze bepaling naar het oordeel van het hof gegeven de tekst moet worden begrepen. Uitgangspunt is immers dat bij de uitleg van cao-bepalingen het aan komt op de tekst van de bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst en de eventuele toelichting daarbij, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen en de kennelijke strekking van de regeling waartoe de bepaling behoort (zie onder meer HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011 :BP6601 (Fondsen vs. Van der Tas) en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3634). Van bijzondere omstandigheden die tot een andere benadering nopen (vergelijk HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687) is niet gebleken.</para>
        <para>Art. 44 beoogt in de kern nakoming van de bepalingen van de Detacheringsrichtlijn te bevorderen door, indien de Detacheringsrichtlijn geldt, de daaruitvoortvloeiende verplichting van - in dit geval - [verweerster 2] en Silo-Tank jegens de ingezette chauffeurs te versterken door - in dit geval - [verweerster 1] te verplichten bij [verweerster 2] en Silo-Tank te bedingen dat die verplichtingen worden nageleefd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3.15.2.4. Een andere uitleg zou er immers op neerkomen dat [verweerster 1] , gevestigd in Nederland, contractueel aan haar charterpartners altijd een verplichting zou moeten opleggen die overigens in de verhouding tussen genoemde charterpartners en haar - in het kader van de charters - ingezette (buitenlandse) werknemers in bepaalde situaties niet geldt, namelijk in die situatie dat de Detacheringsrichtlijn althans de WAGA toepassing mist. In laatstgenoemde gevallen is dan van versterking van de positie van de ingezette werknemers geen sprake maar veeleer van een eenzijdige extra verplichting richting de buitenlandse charteruitvoerders. Dat acht het hof niet aannemelijk en evenmin te rijmen met het vrij verkeer van diensten (artikel 56 VWEU) dat ook ten grondslag ligt aan de Detacheringsrichtlijn (zie de considerans daarvan, onderdelen 1 en 2) en de hiervoor geciteerde overwegingen van het HvJ in het Rüffert-arrest. De door het hof juist geachte uitleg leidt niet tot dit soort afwijkende situaties doch leidt tot een overzichtelijk eenduidig systeem waarbij beslissend is voor het aannemen van een doorcontracteerverplichting als voortvloeiend uit de cao of de Detacheringsrichtlijn in het specifieke geval geldt of niet.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16</nr>
      <para>Het hof behandelt vervolgens de vraag of <emphasis role="italic">“op het grondgebied van een lidstaat (ter beschikking stellen)”</emphasis> als bedoeld in art. 1 lid 1 en lid 3 Detacheringsrichtlijn ook omvat <emphasis role="italic">“op of vanaf het grondgebied van een lidstaat”</emphasis>, zoals door FNV bepleit (rov. 3.16.1). Dienaangaande sluit het hof zich aan bij de door [verweersters] bepleite (letterlijke) uitleg. Daartoe verwijst het Hof naar de conclusie van A-G Wahl in zaak C-396/13 (<emphasis role="italic">Sähköalojen ammattiliitto ry</emphasis>) en naar het arrest in de zaken C-307/09 tot en met 309/09 (<emphasis role="italic">Vicoplus)</emphasis>. Daaruit leidt het af:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“3.16.3. (…) dat een ruime uitleg van “op het grondgebied” naar (onder meer) “vanaf het grondgebied van één specifieke lidstaat voor diensten in alle overige lidstaten van de Unie”, want daar zou de door FNV bepleite ruime uitleg feitelijk op neer komen, geen recht doet aan de bedoeling van de Detacheringsrichtlijn om tegenover de vrijheid van diensten binnen de Europese Unie ook recht te doen aan de belangen van de binnenlandse arbeidsmarkt van de respectieve lidstaat van ontvangst van de aan de orde zijnde dienst. Welke arbeidsmarkt zou dat overigens in de beoogde ruime uitleg zijn? Die van de lidstaat van de (toevallige) opdrachtgever van de charter? Het land waar het meest wordt gereden in het kader van internationaal chartervervoer tijdens alle aan de orde zijnde ritten? Het land waar wordt geladen en/of gelost of het meest wordt geladen en/of gelost of aan het begin en aan het einde van de werkperiode van de respectief ter beschikking gestelde werknemer wordt geladen of gelost?</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.16.4.</nr>
        <para>Het hof kent in dit verband ook betekenis toe aan de uitleg door HvJ EU 18 juni 2015, C-586/13 inzake Martin Meat Kft, ECLI:EU:C:2015:405, weliswaar in het kader van artikel 1 lid 3 onder c van de Detacheringsrichtlijn, maar juist ter onderscheiding van de situatie als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder a van de Detacheringsrichtlijn, gegeven:</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“33 (..) Ten tweede moet de terbeschikkingstelling erdoor worden gekenmerkt </emphasis>
            <emphasis role="bold italic">dat de verplaatsing van de werknemer naar de lidstaat van ontvangst</emphasis>
            <emphasis role="italic"> [vet, hof ’s-Hertogenbosch] het doel op zich van de dienstverrichting door de dienstverlenende onderneming vormt. (...)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">38. Verder wijst de omstandigheid dat het de dienstverrichter vrijstaat om het aantal werknemers te bepalen wier </emphasis>
            <emphasis role="bold italic">terbeschikkingstelling in de lidstaat van ontvangst </emphasis>[vet, hof ’s-Hertogenbosch]<emphasis role="italic"> hij noodzakelijk acht - hetgeen in het hoofdgeding het geval lijkt te zijn blijkens de opmerkingen die verweerders in het hoofdgeding ter terechtzitting hebben gemaakt - erop dat de verplaatsing van werknemers </emphasis><emphasis role="bold italic">naar de lidstaat van ontvangst </emphasis>[vet, hof ’s-Hertogenbosch]<emphasis role="italic"> niet het doel van de aan de orde zijnde dienst is, maar ondergeschikt is ten opzichte van het verrichten van de in de overeenkomst vastgelegde dienst en dat daarmee sprake is van terbeschikkingstelling van werknemers in de zin van artikel 1, lid 3, onder a), van richtlijn 96/71.”</emphasis></para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17</nr>
      <para>Ook aan de totstandkomingsgeschiedenis van de Detacheringsrichtlijn ontleent het hof een grond om te oordelen dat deze richtlijn alleen van toepassing is op werkzaamheden die tijdelijk worden verricht <emphasis role="italic">op</emphasis> het grondgebied van de lidstaat waar werknemers ter beschikking worden gesteld. Op charters voor transportdiensten die op het grondgebied <emphasis role="italic">van verschillende lidstaten</emphasis> worden uitgevoerd, is de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing en art. 44 van de cao GN daarom evenmin:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“3.16.5. Ook het oorspronkelijke voorstel van de Commissie (1 augustus 1991, Com (91), 230 def. Syn. 346) rept in de toelichting voorafgaand aan het tekstvoorstel in onderdeel 12 van <emphasis role="italic">“lagere lonen (...) en andere arbeidsvoorwaarden (...) dan die welke gebruikelijk zijn in de plaats waar het werk tijdelijk wordt uitgevoerd”</emphasis>, en er wordt onder 14 (p.11) in het kader van niet tijdelijkheid van dienstverlening gerept van ‘werkzaamheden die geheel of voornamelijk op het grondgebied van deze lidstaat zijn gericht”. In onderdeel 19 (p. 13) wordt ook meermalen gerept van <emphasis role="italic">“het gastland”</emphasis> en in onderdeel 24 (p. 15) <emphasis role="italic">“van dwingende bepalingen”</emphasis> die <emphasis role="italic">“nageleefd moeten worden door een onderneming die werknemers detacheert om in dat land tijdelijk werk te verrichten”</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het is dan ook niet verrassend dat, nadat wordt weergeven in onderdeel 21 (p. 14) welke gevallen uit de rechtspraak van het Hof van Justitie EG men wenst te regelen, in onderdeel 23 (p.15) wordt opgemerkt dat <emphasis role="italic">“De combinatie en onderlinge samenhang van artikel 1 en 2 maken het onnodig een </emphasis><emphasis role="bold italic">lijst met uitzonderingen </emphasis>[vet, hof ’s-Hertogenbosch] <emphasis role="italic">op te stellen, zoals handelsreizigers, leden van het reizend personeel van een onderneming die </emphasis><emphasis role="bold italic">internationale transportdiensten van</emphasis><emphasis role="italic"> personen of </emphasis><emphasis role="bold italic">goederen verzorgt</emphasis> (..) <emphasis role="bold italic">over de weg</emphasis> [vet, hof 's-Hertogenbosch] <emphasis role="italic">(...)”.</emphasis> Kortom de Detacheringsrichtlijn ziet bewust niet op de charters als in deze zaak aan de orde, doch slechts op nationaal dat wil zeggen op het grondgebied van een andere lidstaat of in elk geval overwegend op het gebied van die andere lidstaat uitgevoerde charters.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.16.6.</nr>
        <parablock>
          <para>Ook de Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten e.d. (hierna de Handhavingsrichtlijn), als temporeel op de onderhavige situatie overigens niet van toepassing gezien artikel 23 Handhavingsrichtlijn, vermeldt in onderdeel 2 van de considerans:</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">“De vrijheid van dienstverrichting geeft ondernemingen onder meer het recht om in een andere lidstaat diensten te verrichten en daarheen tijdelijk eigen werknemers te detacheren voor </emphasis>
            <emphasis role="bold italic">het aldaar verrichten</emphasis> [vet, hof ’s-Hertogenbosch] <emphasis role="italic">van die diensten.”</emphasis>, vervolgens als terug te vinden in artikel 1 lid 1 van bedoelde richtlijn (“<emphasis role="bold">waar</emphasis> de diensten worden verricht”).”</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18</nr>
      <para>Het hof oordeelt dus dat de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing is op het internationaal wegvervoer wanneer daarbij in de regel verschillende landen worden aangedaan.<footnote-ref linkend="_87f3699c-7cd4-4dda-bf29-f215247fb283" /> In dat geval kan er namelijk niet één lidstaat worden geïdentificeerd op het grondgebied waarvan werknemers, die gewoonlijk in een andere lidstaat werken, tijdelijk werken. De reden waarom het hof de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing acht is niet dat de sector wegvervoer als zodanig van de werkingssfeer van die richtlijn zou zijn uitgesloten (alleen het zeevarend personeel van koopvaardijondernemingen is uitgesloten),<footnote-ref linkend="_969ee3aa-3e35-4661-92b9-42b8a4828d48" /> maar dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van die richtlijn in een situatie als hier aan de orde niet is voldaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19</nr>
      <para>Een en ander voert het hof tot de volgende bevindingen: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“3.16.7. Uit het hiervoor overwogene vloeit derhalve voort dat niet is voldaan aan de eis van terbeschikkingstelling van werknemers op het grondgebied van de staat Nederland. Nu de cao-bepaling, zoals hiervoor is overwogen, de uitleg van (de reikwijdte van) de Detacheringsrichtlijn volgt, is zij ook niet van toepassing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.16.8.</nr>
        <para>Gegeven hetgeen hierboven is overwogen en vastgesteld ziet het hof geen reden voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <para>Hetgeen overigens in dit verband is aangevoerd ten aanzien van mogelijke toepasselijkheid van de grond b en/of c van artikel 1 lid 3 van de Detacheringsrichtlijn behoeft geen behandeling meer, nu ook in dat kader sprake moet zijn van ‘op het grondgebied’.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>Het vorenstaande brengt mee dat de overweging van de kantonrechter dat op [verweerster 1] de verplichtingen rustten van art. 44 cao GN, voor onjuist wordt gehouden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21.</nr>
      <para>Op grond van het vorenstaande zal het hof het bestreden vonnis vernietigen voor zover is aangenomen dat de Detacheringsrichtlijn van toepassing kan zijn op aan [verweerster 1] in het kader van charters ter beschikking gestelde werknemers van Silo-Tank en [verweerster 2] , waarbij de kantonrechter de zaak verder zal dienen af te doen met inachtneming van hetgeen het hof heeft overwogen, ook op de punten waarin is aangegeven dat het beroep niet slaagt. (…)”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20</nr>
      <para>Bij procesinleiding van 1 augustus 2017 is FNV - tijdig - van voornoemd arrest in cassatie gekomen. [verweersters] hebben geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. FNV heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, FNV door haar advocaat, alsmede door mr. J.J. Kuipers en mr. M.R. van der Vos, en [verweersters] door hun advocaat, alsmede door mr. F.M. Dekker en mr. J.L. Luiten. Vervolgens is gere- en dupliceerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Kader: context, regelgeving en rechtspraak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Een overzicht van deze complexe materie is noodzakelijk om het cassatieberoep goed te kunnen beoordelen. Daarom schets ik hierna relatief uitvoerig het kader. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>A. <emphasis role="italic">Unierecht</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>1. <emphasis role="underline">Het vrij verkeer van diensten als vertrekpunt</emphasis><footnote-ref linkend="_9da501fc-e950-4fca-8a93-341029859cbb" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Het bevorderen van arbeidsmobiliteit was vanaf het begin één van de doelstellingen van de Europese economische integratie. Al in de jaren ’60 van de vorige eeuw gingen vooral Italiaanse onderdanen werken in andere lidstaten van de toenmalige EEG. Deze ‘gastarbeiders’ konden in het gastland beroep doen op het vrij verkeer van werknemers en in vergaande mate aanspraak maken op gelijke behandeling met nationale werknemers.<footnote-ref linkend="_0cbc7860-153a-45d7-b53d-06f52954a357" /> Het arbeidsrecht van het werkland of gastland (hierna ook aangeduid als <emphasis role="bold">de lidstaat van ontvangst</emphasis>) was op hen van toepassing. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Het zou eenvoudig zijn als ook gedetacheerde werknemers aan het vrij verkeer van werknemers (art. 45 VWEU) een recht op gelijke behandeling zouden kunnen ontlenen in de lidstaat waar zij zijn gedetacheerd. Dat is echter niet het geval. Het HvJEU heeft uitgemaakt dat  “<emphasis role="italic">werknemers die in dienst zijn van een in een lidstaat gevestigde onderneming en tijdelijk worden uitgezonden naar een andere lidstaat om daar diensten te verrichten, geenszins de bedoeling hebben zich op de arbeidsmarkt van laatstbedoelde lidstaat te begeven, aangezien zij, na hun taak te hebben volbracht, naar hun land van herkomst of woonplaats terugkeren</emphasis>.” Gedetacheerde werknemers kunnen daarom geen beroep doen op de bepalingen van het vrij werknemersverkeer voor het bepalen van het op hen toepasselijke arbeidsrecht.<footnote-ref linkend="_1a40404d-6e4e-41e5-ac81-f91998f20ed8" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Hieruit blijkt dat het verschil tussen migrerende en gedetacheerde werknemers zit in de werkgever.<footnote-ref linkend="_a0416ca4-1e79-4235-aab8-bed1cae85dbd" /> Door werknemers te detacheren oefent de werkgever het hem toegekende recht op het vrij verrichten van diensten uit (art. 56 VWEU). Hij mag met zijn eigen werknemers zijn diensten aanbieden in een andere lidstaat dan waar hij is gevestigd. De vraag welk arbeidsrecht van toepassing is wordt behandeld in het kader van het vrij verkeer van diensten.<footnote-ref linkend="_7f52028c-6ac8-4d78-929b-e2d9635256bb" /> De verplichting om (onderdelen van) het arbeidsrecht van de lidstaat van ontvangst toe te passen op de arbeidsverhouding van een gedetacheerd werknemer vormt vanuit dat perspectief een belemmering van de vrijheid van de werkgever, die moet worden gerechtvaardigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Al vroeg bestond er bezorgdheid hoe in dat kader voldoende sociale bescherming kon worden gewaarborgd. Begin jaren ’80 oordeelde het HvJEU dat van werkgevers mag worden geëist dat zij het minimumloon geldend in de lidstaat van ontvangst toepassen op door hen aldaar gedetacheerde werknemers.<footnote-ref linkend="_30b0bbaa-9f66-451c-853b-c47a1e6e63d7" /> Het HvJEU heeft dat begin jaren ’90 herhaald<footnote-ref linkend="_77ee927b-c606-4b78-9ab2-5df5de1d83dc" /> en nadien daar op voortgebouwd.<footnote-ref linkend="_f197a061-ddfe-40d8-ab79-ac18f1aa2d59" /> Toepassing van beschermende bepaling van het arbeidsrecht van de lidstaat van ontvangst mag echter niet leiden tot onevenredige lasten voor de werkgever.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Het is tegen deze achtergrond dat behoefte ontstond aan een wetgevend instrument dat een evenwicht moest aanbrengen tussen het vergemakkelijken van het vrij verrichten van diensten en het garanderen van voldoende sociale bescherming.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. <emphasis role="underline">Detacheringsrichtlijn</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>De Detacheringsrichtlijn is gebaseerd op de bepalingen uit het VWEU op grond waarvan maatregelen ter bevordering van de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst worden vastgesteld.<footnote-ref linkend="_dc15fd80-acb7-4d19-a502-e0ed137518ac" /> De dienst waar het hier om gaat is de dienst bestaande in het ter beschikking stellen van arbeidskrachten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Tegenover de vrijheid van dienstverlening staat de sociale bescherming van de gedetacheerde werknemer én de bescherming tegen oneerlijke concurrentie.<footnote-ref linkend="_7256bdd3-52d1-475b-8712-fe70d9b58d2b" /> Een belangrijke politieke overweging was dat de lidstaat van ontvangst de eigen arbeidsmarkt tot op zekere hoogte moet kunnen beschermen om te voorkomen dat de nationale of lokale werknemers worden verdrongen door goedkopere buitenlandse arbeid en er druk op het loonniveau kan komen te staan. Dit zijn eveneens de maatschappelijke belangen waar FNV zich sterk voor maakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>De Detacheringsrichtlijn wil het vrij verkeer van diensten vergemakkelijken (doel) door de nationale wetgevingen op het punt van de bescherming van gedetacheerde werknemers op elkaar af te stemmen (middel). Er vindt <emphasis role="italic">coördinatie</emphasis> plaats van de nationale wetgevingen.<footnote-ref linkend="_870597ae-9b02-47a0-b03a-ddce1e3182ee" /> De Detacheringsrichtlijn heeft niet delen van het materiële arbeidsrecht geharmoniseerd, zoals wat er onder het begrip ‘minimumloon’ valt.<footnote-ref linkend="_0c8bfe25-906b-42e1-833d-f63bba824d5f" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <para>Art. 1 lid 1 van de Detacheringsrichtlijn omschrijft haar toepassingsgebied:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“1. Deze richtlijn is van toepassing op in een lidstaat gevestigde ondernemingen die in het kader van transnationale dienstverrichtingen, overeenkomstig lid 3, werknemers ter beschikking stellen op het grondgebied van een lidstaat.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	Art. 1 lid 3 noemt drie vormen van detachering waarop deze richtlijn van toepassing is:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“3. Deze richtlijn is van toepassing voor zover de in lid 1 bedoelde ondernemingen een van de volgende transnationale maatregelen nemen:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>a) een werknemer voor hun rekening en onder hun leiding op het grondgebied van een lidstaat ter beschikking stellen, in het kader van een overeenkomst tussen de onderneming van herkomst en de ontvanger van de dienst die in deze lidstaat werkzaam is, voor zover er gedurende de periode van terbeschikkingstelling een dienstverband tussen de onderneming van herkomst en de werknemer bestaat, of</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>b) een werknemer op het grondgebied van een lidstaat ter beschikking stellen van een vestiging of een tot hetzelfde concern behorende onderneming, voor zover er gedurende de periode van terbeschikkingstelling een dienstverband tussen de onderneming van herkomst en de werknemer bestaat, of</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>c) als uitzendbedrijf of als onderneming van herkomst, een werknemer ter beschikking stellen van een ontvangende onderneming die op het grondgebied van een lidstaat gevestigd is of er werkzaamheden uitvoert, voor zover er gedurende de periode van terbeschikkingstelling een dienstverband tussen het uitzendbureau of de onderneming van herkomst en de werknemer bestaat.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Variant a) betreft het tijdelijk werken in een andere lidstaat onder leiding van de eigen werkgever (‘onderaanneming’).<footnote-ref linkend="_71bc439c-bb5c-4817-87a8-bd65b350abfc" /> Variant b) betreft grensoverschrijdende detachering in concernverband. Variant c) betreft detachering naar een andere lidstaat als uitzendkracht (‘inlening’).<footnote-ref linkend="_ba39cddc-a382-4718-a7af-f38e29fbfe72" /> Charters zijn een vorm van onderaanneming en vallen daarom normaliter onder a).<footnote-ref linkend="_b7ff35c6-77c8-4fa0-996a-ca4420051bc6" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>Art. 2 lid 1 geeft een definitie van een ‘ter beschikking gestelde werknemer’: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“iedere werknemer die gedurende een bepaalde periode werkt op het grondgebied van een lidstaat die niet de Staat is waar die werknemer gewoonlijk werkt.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	Detachering moet plaatsvinden op het grondgebied van een andere lidstaat dan het land waar de werknemer gewoonlijk werkt. Als niet een gewoonlijk werkland kan worden vastgesteld, is de Detacheringsrichtlijn strikt genomen niet van toepassing.<footnote-ref linkend="_a8ab6765-4c91-4b52-ae5d-07525be8efd3" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>Met de zinsnede “gedurende een bepaalde periode” wordt tot uitdrukking gebracht dat detachering een tijdelijk karakter moet hebben. De Detacheringsrichtlijn stelt geen tijdslimiet aan een detachering. Onzeker is daarom hoe lang ‘tijdelijk’ mag zijn. De Herzieningsrichtlijn (zie hierna) brengt op dit punt meer duidelijkheid.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13</nr>
      <para>Art. 3, met als opschrift “Arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden,” vormt het hart van de Detacheringsrichtlijn. Art. 3 lid 1, eerste alinea bepaalt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“1. De lidstaten zien erop toe dat de in artikel 1, lid 1, bedoelde ondernemingen - ongeacht het recht dat van toepassing is op het dienstverband - voor de op hun grondgebied ter beschikking gestelde werknemers wat de hierna genoemde aangelegenheden betreft, de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden garanderen die, in de lidstaten waar het werk wordt uitgevoerd, zijn vastgelegd:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en/of</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- in collectieve arbeidsovereenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die algemeen verbindend zijn verklaard in de zin van lid 8, voor zover deze betrekking hebben op de in de bijlage genoemde activiteiten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>a) maximale werk- en minimale rustperioden;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>b) minimumaantal betaalde vakantiedagen;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>c) minimumlonen, inclusief vergoedingen voor overwerk; dit punt is niet van toepassing op de aanvullende bedrijfspensioenregelingen;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>     […].”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	Deze limitatief opgesomde aangelegenheden vormen de ‘harde kern’ van de sociale bescherming, die in de lidstaat van ontvangst op gedetacheerde werknemers<emphasis role="italic"> moet</emphasis> worden toegepast.<footnote-ref linkend="_cbdfb6b7-3d95-4f3e-b772-1db02fc534be" /> 	Het HvJEU heeft overwogen dat art. 3, lid 1 een tweevoudig doel dient:<footnote-ref linkend="_7f727286-d554-48f3-b895-040a65040538" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Enerzijds beoogt deze bepaling eerlijke concurrentie te verzekeren tussen nationale ondernemingen en ondernemingen die grensoverschrijdende diensten verrichten, door aan laatstgenoemde ondernemingen de verplichting op te leggen om voor hun werknemers met betrekking tot een beperkte lijst aangelegenheden de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden te garanderen die in de lidstaat van ontvangst zijn vastgelegd. Anderzijds beoogt deze bepaling te verzekeren dat op ter beschikking gestelde werknemers, terwijl zij tijdelijk werkzaamheden verrichten op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst, de aldaar geldende bepalingen voor minimale bescherming worden toegepast wat betreft de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden ten aanzien van voornoemde aangelegenheden.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14</nr>
      <para>Voor gebondenheid aan de ‘harde kern’ van dwingende arbeidsrechtelijke bepalingen  stelt art. 3 lid 1, eerste en tweede streepje, de formele eis dat die bepalingen zijn vastgelegd in wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen of in cao’s die algemeen verbindend zijn verklaard in de zin van art. 3 lid 8. De <emphasis role="underline">eerste alinea</emphasis> van lid 8 bepaalt: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Onder collectieve arbeidsovereenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die algemeen verbindend zijn verklaard, worden verstaan de overeenkomsten of uitspraken die moeten worden nageleefd door alle ondernemingen die tot de betrokken beroepsgroep of bedrijfstak behoren en onder het territoriale toepassingsgebied van die overeenkomsten of uitspraken vallen.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	Art. 3 lid 8 <emphasis role="underline">tweede alinea</emphasis> voegt daaraan toe: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Ontbreekt een stelsel voor het algemeen verbindend verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken als bedoeld in de eerste alinea, dan kunnen de lidstaten besluiten zich te baseren op :</para>
        <para>— de collectieve arbeidsovereenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die algemene rechtsgevolgen hebben voor alle gelijksoortige ondernemingen in het</para>
        <para>betrokken geografische gebied en in de betrokken beroepsgroep of bedrijfstak</para>
        <para>en/of</para>
        <para>— de collectieve arbeidsovereenkomsten die gesloten zijn door de op nationaal niveau meest representatieve organisaties van de sociale partners, en die op het</para>
        <para>gehele nationale grondgebied worden toegepast, mits de toepassing daarvan op de in artikel 1, lid 1, bedoelde ondernemingen wat de onder lid 1, eerste alinea, van dit artikel vermelde aangelegenheden betreft een gelijke behandeling garandeert van die ondernemingen en de andere in deze alinea bedoelde ondernemingen</para>
        <para>die zich in een soortgelijke situatie bevinden.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	Art. 3 lid 8 <emphasis role="underline">derde alinea</emphasis> omschrijft wanneer sprake is van gelijke behandeling: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Er is sprake van gelijke behandeling in de zin van dit artikel, wanneer de nationale ondernemingen die zich in een soortgelijke situatie bevinden:</para>
        <para>— op de plaats van de activiteit of in de betrokken bedrijfstak ten aanzien van de in lid 1, eerste alinea, vermelde aangelegenheden onderworpen zijn aan</para>
        <para>dezelfde verplichtingen als de ondernemingen die bij de terbeschikkingstellingen zijn betrokken en</para>
        <para>— met dezelfde gevolgen aan deze verplichtingen moeten voldoen.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15</nr>
      <para>Het doel van de bepalingen in art. 3 lid 8 is zeker te stellen dat ten aanzien van de ‘harde kern’-onderwerpen genoemd in art. 3 lid 1 ondernemingen die werknemers op het grondgebied van een andere lidstaat detacheren, <emphasis role="italic">niet slechter</emphasis> worden behandeld worden dan de ondernemingen die aldaar zijn gevestigd.<footnote-ref linkend="_0f6e4172-7be2-4c65-8a81-48f1ff3509c6" /> Daartoe moeten de in acht te nemen arbeidsvoorwaarden vastliggen in bindende bepalingen die algemeen gelden op het gehele grondgebied van die lidstaat (of in voorkomend geval een deel van de lidstaat). Het zou niet in overeenstemming zijn met het Unierecht om een buitenlandse dienstverrichter ertoe te verplichten bepaalde arbeidsvoorwaarden in acht te nemen die niet bindend zijn voor nationale ondernemingen.<footnote-ref linkend="_34a87526-07c0-4a94-86e3-c374e2a27ce7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16</nr>
      <para>Niet direct duidelijk is of enkel aan de hand van het toepasselijke nationaal recht moet worden bepaald of een cao algemeen verbindend is verklaard of dat het hier om een richtlijn-autonoom begrip gaat. Onder lid 1, tweede streepje wordt gesproken van cao’s die algemeen verbindend zijn verklaard “<emphasis role="italic">in de zin van lid 8</emphasis>”. Zoals we zagen bevat de eerste alinea van lid 8 een definitie van ‘algemeen verbindend verklaren’.<footnote-ref linkend="_96c38b13-94ea-4f30-8181-9674ce0bc77c" /> In het arrest <emphasis role="italic">Rüffert </emphasis>onderzocht het HvJEU, na te hebben vastgesteld dat de cao die in die zaak aan de orde was naar Duits recht niet algemeen verbindend was verklaard, vervolgens of die cao “<emphasis role="italic">als algemeen verbindend in de zin van art. 3, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, van richtlijn 96/71, juncto lid 8, van dit artikel zou kunnen worden beschouwd”</emphasis>, wat niet het geval was. Deze redenering in twee stappen kan een aanwijzing opleveren dat het hier (uiteindelijk) om een richtlijn-autonoom en dus een communautair begrip gaat. Ik kan mij evenwel moeilijk voorstellen dat een cao die niet overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat van ontvangst algemeen verbindend is verklaard, toch in Unierechtelijke zin als algemeen verbindend zou hebben te gelden. Dat zou tot grote rechtsonzekerheid kunnen leiden voor ondernemingen die werknemers ter beschikking stellen. De definitie van ‘algemeen verbindend verklaren’ in lid 8, eerste alinea, heeft m.i. een negatieve controlefunctie: een algemeen verbindend verklaring naar nationaal recht kan voor de toepassing van art. 3 lid 1 van de Detacheringsrichtlijn niet als zodanig gelden indien niet is voldaan aan de definitie genoemd in art. 3 lid 8. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17</nr>
      <para>Een tweede vraagpunt heeft betrekking op de tweede alinea van lid 8. Ik begrijp die alinea zo dat lidstaten waarvan de wetgeving niet de figuur van algemeen verbindendverklaring van cao’s kennen, toch kunnen eisen dat werkgevers die werknemers op hun grondgebied ter beschikking stellen zich wat betreft de in art. 3 lid 1 genoemde onderwerpen houden aan een cao, mits die cao algemene gelding heeft. Alsdan is een cao als gelijkwaardig aan een algemeen verbindend verklaarde cao aan te merken en wordt voldaan aan de fundamentele voorwaarde van gelijke behandeling. Dit zou alleen opgaan als er in de lidstaat van ontvangst geen stelsel van verbindendverklaring van cao’s bestaat. In die interpretatie is art. 3 lid 8, tweede alinea, voor Nederland een dode letter omdat wij wel een dergelijk stelsel kennen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18</nr>
      <para>Alsof het nog niet ingewikkeld genoeg is wijs ik erop dat de Detacheringsrichtlijn alleen voor de bouwsector de naleving van algemeen verbindend verklaarde cao’s verplicht stelt. De bijlage, waarnaar lid 1 verwijst, noemt namelijk alleen activiteiten in de bouw. Echter, op grond van art. 3 lid 10, tweede streepje, <emphasis role="italic">mogen </emphasis>lidstaten aan dienstverrichters in andere sectoren dan de bouw, “<emphasis role="italic">met inachtneming van het Verdrag</emphasis>”, de naleving van cao’s voorschrijven.<footnote-ref linkend="_f8ceff72-c927-4c2c-80ee-d367f4a0e7a0" /> Lidstaten hebben dus de mogelijkheid om cao’s in andere sectoren dan de bouw voor gedetacheerde werknemers verplicht te stellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat de verplichting voor een werkgever om aan door hem gedetacheerde werknemers een minimumloon te betalen, dat <emphasis role="italic">niet</emphasis> is vastgelegd in een wettelijk bepaling <emphasis role="italic">of</emphasis> in een algemeen verbindend verklaarde cao, niet door art. 3 lid 1 onder c) van de Detacheringsrichtlijn wordt gedekt. Een dergelijke verplichting moet dan aan art. 56 VWEU worden getoetst. De rechtspraak op dat punt  is strikt.<footnote-ref linkend="_fc5b8c1a-0b0f-4960-ad68-17cfe690e1d4" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20</nr>
      <para>Ook indien wèl voldaan is aan de formele eis van algemeen verbindendheid heeft een lidstaat van ontvangst slechts beperkt ruimte eenzijdig het niveau van sociale bescherming <emphasis role="italic">hoger</emphasis> te leggen dan het minimumniveau dat op grond van art. 3 lid 1 Detacheringsrichtlijn is voorgeschreven. <footnote-ref linkend="_78259b64-7b27-460e-92ef-65a9ddf9db0e" /> Houwerzijl schrijft:<footnote-ref linkend="_eea88b24-ee1c-497b-81c2-52c4a85bf37b" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Sinds de genoemde arresten <emphasis role="italic">Laval, Rüffert </emphasis>en <emphasis role="italic">Commissie/Luxemburg</emphasis> zijn gewezen, staat onmiskenbaar vast dat lidstaten maar weinig ruimte hebben hier extra bescherming aan te toe voegen [d.w.z: aan de ‘harde kern’; A-G], laat staan een volledig gelijke behandeling met de eigen werknemers, zoals bij werknemersmobiliteit op grond van artikel 39 EG [46 VWEU].”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	A-G Wahl heeft in 2014 opgemerkt dat het in art. 3 lid 1 opgenomen minimumloon ter beschikking gestelde werknemers voldoende middelen van bestaan biedt om voor de duur van hun tewerkstelling in de lidstaat van ontvangst te voorzien in hun levensonderhoud.<footnote-ref linkend="_88569f0b-23d9-4480-8b7e-76a4785f66e5" />Volgens hem is een minimumniveau bedoeld. Er bestaat echter niet een Europees minimum. Het voor een lidstaat aan te houden minimumniveau zal daarom moeten worden bepaald aan de hand van de regelgeving van die lidstaat.<footnote-ref linkend="_f65d1a77-d4a7-4f64-9bd0-67815c0263c5" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21</nr>
      <para>Het voorgaande betekent m.i. dat de verplichting om in de lidstaat van ontvangst de in een cao, ook een algemeen verbindend verklaarde cao, opgenomen kernarbeidsvoorwaarden (waaronder het periodeloon) toe te passen op gedetacheerde werknemers, niet zonder meer verenigbaar is met art. 56 VWEU. Ik kom daar op terug als ik inga op de Wet AVV (3.48 e.v.). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. <emphasis role="underline">Het internationaal privaatrecht: EVO en Rome I</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22</nr>
      <para>Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: <emphasis role="bold">Rome I</emphasis>) is, als onderdeel van de communautarisering van het IPR, in de plaats gekomen van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: <emphasis role="bold">EVO</emphasis>). De vraag welk recht van toepassing is op een individuele arbeidsovereenkomst met een grensoverschrijdend karakter, moet worden beantwoord aan de hand van het EVO, in geval van arbeidsovereenkomsten gesloten voor 17 december 2009, dan wel Rome I, in geval van arbeidsovereenkomsten gesloten op of na 17 december 2009.<footnote-ref linkend="_39f144f6-2fa9-43bd-9ab4-bbf76ca33f00" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23</nr>
      <para>Art. 6 EVO, met als opschrift “Individuele arbeidsovereenkomsten”, luidt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“1. Ongeacht artikel 3 kan de rechtskeuze van partijen in een arbeidsovereenkomst er niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge het tweede lid van het onderhavige artikel bij gebreke van een rechtskeuze op hem van toepassing zou zijn.</para>
        <para>2.   Ongeacht artikel 4 wordt de arbeidsovereenkomst, bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3, beheerst door:</para>
        <para>a) het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij tijdelijk in een ander land te werk is gesteld, of</para>
        <para>b) het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, wanneer deze niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht,</para>
        <para>tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat andere land toepasselijk is.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para> 	Deze bepaling is in licht gewijzigde vorm overgenomen in art. 8 Rome I (onderstreping toegevoegd; A-G):</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“1.   Een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen overeenkomstig artikel 3 hebben gekozen. Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze.</para>
        <para>2.   Voor zover het op een individuele arbeidsovereenkomst toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van <emphasis role="underline">het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit</emphasis> de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht.</para>
        <para>3.   Indien het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 2 kan worden vastgesteld, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen.</para>
        <para>4.   Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 2 of lid 3 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing.” </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24</nr>
      <para>Art. 8 Rome I bevat een getrapt systeem van collisieregels om het objectief toepasselijke recht op een individuele arbeidsovereenkomst te bepalen in gevallen waarin partijen niet een rechtskeuze als bedoeld in art. 3 Rome I hebben gedaan. Op grond van art. <emphasis role="underline">8 lid 2</emphasis> Rome I is in beginsel op de arbeidsovereenkomst van toepassing het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Indien er geen land is aan te wijzen <emphasis role="italic">waar</emphasis> de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht dan moet, “bij gebreke daarvan”, worden uitgegaan van het land <emphasis role="italic">van waaruit </emphasis>hij gewoonlijk zijn arbeid verricht. Ten opzichte van art. 6 lid 2 onder a) EVO zijn de woorden “van waaruit” toegevoegd. Met deze verruiming is aansluiting gezocht bij rechtspraak over het EEX-Verdrag en Brussel I,<footnote-ref linkend="_6f25848e-9149-4349-8538-e2ff359d742e" /> een voorbeeld dus van <emphasis role="italic">Gleichlauf </emphasis>tussen rechterlijke bevoegdheid en toepasselijk recht.<footnote-ref linkend="_6b2be7a5-79b2-4906-bac2-b133684f5cf3" /> Art. 8 lid 2, laatste zin, bepaalt dat het gewoonlijk werkland niet wijzigt wanneer de werknemer <emphasis role="italic">tijdelijk</emphasis> in een ander land werkt, zoals het geval is bij detachering. Indien het gewoonlijk werkland niet op grond van art. 8 lid 2 kan worden vastgesteld, is op grond van art. <emphasis role="underline">8 lid 3</emphasis> (voorheen art. 6 lid 2 onder b EVO) van toepassing het recht van het land waar de werknemer in dienst is genomen. Art. <emphasis role="underline">8 lid 4</emphasis> (voorheen art. 6 lid 2, slotzin, EVO) ten slotte bevat een ‘ontsnappingsclausule’: indien de arbeidsovereenkomst kennelijk een nauwere band heeft met een ander land dan het land dat op grond van het tweede of het derde lid wordt aangewezen, dan is het recht van dat andere land van toepassing en wordt het recht van het land waar gewoonlijk wordt gewerkt, opzij geschoven.<footnote-ref linkend="_6022aa17-4ab9-4773-8154-ea3bacbd061f" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.25</nr>
      <para>Het doel van deze collisieregels is de werknemer als de in sociaal-economisch opzicht zwakkere partij te beschermen. Er wordt zo veel mogelijk aangeknoopt bij de gewone werkplek van de werknemer. Art. 8 lid 2 Rome I (voorheen: art. 6 lid 2 onder a) EVO) moet daarom ruim worden uitgelegd. Die beschermingsgedachte geldt overigens algemeen voor Rome I, zoals blijkt uit overweging 23: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Wat overeenkomsten met als zwakker beschouwde partijen betreft, moeten deze partijen worden beschermd door collisieregels die gunstiger zijn voor hun belangen dan de algemene regels.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.26</nr>
      <para>In dat verband rijzen twee vragen.<footnote-ref linkend="_d6acfaf6-c033-46c3-b449-dd28434b903b" /> Ten eerste wat een relevante minimale periode is om te kunnen spreken van het land waar <emphasis role="italic">gewoonlijk </emphasis>wordt gewerkt. Over die vraag bestaat geen Europese rechtspraak.<footnote-ref linkend="_fe1fbed2-9dee-4f3e-ade6-40cf8f543706" /> Ten tweede de vraag hoe moet worden bepaald wat de plaats is <emphasis role="italic">waar</emphasis> gewoonlijk wordt gewerkt. Over die vraag is wèl rechtspraak voor handen, ook met betrekking tot ‘mobiele beroepen’ waarbij werkzaamheden op verschillende plaatsen worden verricht. Het internationale vervoer is daar een voorbeeld van. Het HvJEU heeft voor het wegvervoer,<footnote-ref linkend="_c1219c48-ef7c-4968-8d58-f94d8d2dc358" /> de scheepvaart<footnote-ref linkend="_462cb755-2575-4653-9a74-33ae1bfc3880" /> en voor de luchtvaart<footnote-ref linkend="_8deaca9f-b528-452a-8b88-1ca7ef928d59" /> concrete aanknopingspunten geformuleerd om te kunnen bepalen wat het land is waar de werknemer ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Deels zijn die aanknopingscriteria overlappend, deels zijn zij toegespitst op de betrokken vervoerssoort. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.27</nr>
      <para>Voor de onderhavige zaak is van bijzonder belang het arrest <emphasis role="italic">Koelzsch </emphasis>van de Grote kamer van het HvJEU. Koelzsch, een in Duitsland woonachtige Duitser, was als chauffeur in dienst bij een Luxemburgse vennootschap, die weer een dochter van een Deens bedrijf was. Hij reed vooral in Duitsland. Het HvJEU geeft een ruime uitleg van het ‘land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht’ in art. 6 lid 2 onder a) EVO. Het overweegt onder meer (onderstrepingen toegevoegd; A-G):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“42   <emphasis role="underline">Aangezien de doelstelling van artikel 6 van het verdrag van Rome van 1980 een passende bescherming van de werknemer is, volgt daaruit dat deze bepaling moet worden opgevat als een waarborg dat eerder het recht van de staat waarin hij zijn beroepswerkzaamheden verricht, van toepassing is dan dat van de staat van de zetel van de werkgever</emphasis>. <emphasis role="underline">De werknemer oefent zijn economische en sociale functie immers in eerstgenoemde staat uit en, zoals de advocaat-generaal in punt 50 van haar conclusie heeft beklemtoond, zijn arbeid ondergaat ook in die staat de invloed van het politieke en het bedrijfsklimaat</emphasis>. Bijgevolg moet de eerbiediging van de in het recht van dat land geldende voorschriften ter bescherming van de arbeid zo veel mogelijk worden gewaarborgd.</para>
        <para>     (…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>44      Uit het voorgaande vloeit voort dat het in artikel 6, lid 2, sub a, van het verdrag van Rome van 1980 vervatte criterium ook dient te worden toegepast in een geval, zoals dat aan de orde in het hoofdgeding, waarin de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, <emphasis role="underline">wanneer het voor de aangezochte rechter mogelijk is te bepalen met welke staat de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>45      (…) [H]et criterium van het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, wanneer de arbeid in meer dan één lidstaat wordt verricht, [moet] ruim worden uitgelegd en aldus worden opgevat dat <emphasis role="underline">het verwijst naar de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht, en bij gebreke van een centrum van de activiteiten, naar de plaats waar hij het grootste gedeelte van zijn werkzaamheden verricht</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>46      Deze uitlegging staat bovendien op één lijn met de bewoordingen van de nieuwe bepaling betreffende de collisieregels voor individuele arbeidsovereenkomsten, die is ingevoerd bij verordening nr. 593/2008, die ratione temporis in casu niet van toepassing is. Artikel 8 van deze verordening bepaalt immers dat voor zover het op een individuele arbeidsovereenkomst toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen, de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Dit recht blijft ook van toepassing wanneer de werknemer tijdelijk werkzaamheden in een andere staat verricht. Zoals voorts punt 23 van de considerans van deze verordening vermeldt, moet de uitlegging van deze bepaling worden ingegeven door de beginselen van favor laboratoris, want de zwakkere partijen moeten worden beschermd „door collisieregels die gunstiger zijn”.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>47      Blijkens het voorgaande moet de verwijzende rechter het aanknopingscriterium van artikel 6, lid 2, sub a, van het verdrag van Rome van 1980 ruim uitleggen om vast te stellen of verzoeker in het hoofdgeding gewoonlijk zijn arbeid in een van de verdragsluitende staten verricht en om te bepalen welke van die staten dat is.</para>
        <para>     (…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>49      <emphasis role="underline">Hij moet met name vaststellen in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden. Hij moet tevens nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>50      In die omstandigheden dient op de vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 2, sub a, van het verdrag van Rome van 1980 aldus moet worden uitgelegd dat in het geval waarin de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht in die zin van deze bepaling, dat is waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.” </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.28</nr>
      <para>In dit arrest is, in navolging van art. 8 lid 2 Rome I, het criterium ‘waar’ in art. 6 lid 2 onder a EVO verruimd naar ‘van waaruit’. Daarnaast noemt het arrest andere aanknopingspunten om uit te maken waar een werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht. Hoewel dit arrest een welkome verduidelijking bevat, is de toepassing van de daarin genoemde aanknopingspunten op de feiten van een concrete zaak vaak niet eenvoudig.<footnote-ref linkend="_1ca631e5-b9ca-4037-bf84-7f9d663da1e2" /> De rechter zal tussen feitelijke aanknopingspunten een normatieve afweging moeten maken om recht te doen aan het doel de werknemer te beschermen. Ook rijst de vraag of tussen genoemde elementen een bepaalde rangorde bestaat.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.29</nr>
      <para>Art. 8 lid 4 moet steeds worden meegenomen bij het onderzoek naar de vraag welk recht het objectief toepasselijke recht is. Toepassing van het vierde lid kan er toe leiden dat uiteindelijk toch het recht van het land van herkomst wordt toegepast als blijkt dat de arbeidsverhouding het nauwst met dat land is verbonden. Dat kan ertoe leiden dat een hoger niveau van sociale bescherming in het gewoonlijk werkland (toch) aan de werknemer voorbijgaat. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. <emphasis role="underline">De verhouding tussen Rome I en de Detacheringsrichtlijn </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.30</nr>
      <para>Er is uitzonderlijk veel geschreven over de verhouding tussen Rome I en de Detacheringsrichtlijn.<footnote-ref linkend="_5cd3668b-f2f6-4164-8f1b-2b5a1f4d9c41" /> De aandacht concentreert zich daarbij vooral op art. 9 lid 1 van Rome I (voorheen art. 7 EVO). Die bepaling luidt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“1. Bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moet worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening overigens van toepassing is op de overeenkomst”.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ worden bedoeld nationale bepalingen die ook als ‘voorrangsregels’ worden aangeduid. De rechter kan deze bepalingen van zijn nationaal recht, <emphasis role="italic">ongeacht het op een individuele overeenkomst toepasselijke recht</emphasis>, toepassen voor zover het gaat om een bepaling waarvan de handhaving noodzakelijk is voor openbare belangen, zoals de politieke, sociale of economische organisatie van het land.<footnote-ref linkend="_228de532-2def-40c8-aedb-938c21fa0588" /> Onder ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ kunnen ook regels met betrekking tot werknemersbescherming vallen.<footnote-ref linkend="_f623fd7b-ce75-4254-81c3-49c05b66a58a" /> Een bekend voorbeeld uit het Nederlandse arbeidsrecht was tot voor kort art. 6 BBA. Ook verbindend verklaarde cao-bepalingen gelden in Nederland als voorrangsregel.<footnote-ref linkend="_c447c037-db9d-4a4c-8b11-e3b08cd8b233" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.31</nr>
      <para>Art. 3 Detacheringsrichtlijn vormt dan een uitwerking of concretisering van art. 9 Rome I. Voor de praktijk belangrijker is echter de niet geheel onomstreden vraag of art. 3 lid 1 Detacheringsrichtlijn als zelfstandige conflictregel, naast Rome I, moet worden gezien. <footnote-ref linkend="_33b43120-9eda-4d89-84b3-419676d271e7" /> Dat laatste lijkt het geval.<footnote-ref linkend="_44d01dc8-fb39-4539-9f73-f2ba8fb11f6a" /> Ik wijs op overweging 34 van Rome I:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De bepaling inzake individuele arbeidsovereenkomsten [art. 8; A-G] mag geen afbreuk doen aan de toepassing van de bepalingen van bijzonder dwingend recht van het land van terbeschikkingstelling overeenkomstig Richtlijn 96/71/EG (…).”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en op art. 23:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	        “</emphasis>Verhouding tot andere bepalingen van Gemeenschapsrecht </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met uitzondering van artikel 7 laat deze verordening onverlet de toepassing van de in de bepalingen van het Gemeenschapsrecht vervatte en op bepaalde gebieden geldende regels inzake het toepasselijk recht op verbintenissen uit overeenkomst.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.32</nr>
      <para>Tot slot wijs ik erop dat art. 3 lid 7 Detacheringsrichtlijn toestaat dat, tijdens de detachering, beschermende bepalingen van het recht van het gewoonlijk werkland (zoals te bepalen op grond van Rome I) van toepassing zijn indien die voor de gedetacheerde werknemer gunstiger zijn dan de bepalingen van de lidstaat van ontvangst. Daarin komt het zogenoemde ‘gunstigheidsprincipe’ tot uitdrukking.<footnote-ref linkend="_c90e2912-41cf-4381-886c-7d9a7cdeba18" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. <emphasis role="underline">Aanvulling en herziening van de Detacheringsrichtlijn</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.33</nr>
      <para>Na de toetreding van de landen van Midden- en Oost-Europa tot de Europese Unie in 2004 en 2007 is de arbeidsmigratie sterk toegenomen. Dat heeft geleid tot druk op de arbeidsmarkt in bepaalde West-Europese lidstaten. Al in 2004-2005, in de aanloop naar de Europese Dienstenrichtlijn,<footnote-ref linkend="_cc4a6e3d-ca69-4b75-afeb-dd7cea63be33" /> werd onderzocht hoe de werking van de Detacheringsrichtlijn kon worden verbeterd,<footnote-ref linkend="_0f393ce1-d8b3-41b0-87ac-0f91862b4639" /> zo nodig door aanscherping van die richtlijn.<footnote-ref linkend="_25942f8d-f686-4c2d-9304-4cd213600377" />  Daarnaast klonk in West-Europese hoofdsteden steeds vaker de roep om het beginsel van ‘gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plaats’ in de richtlijn vast te leggen. Op die manier kon een einde gemaakt worden aan de situatie dat twee werknemers die, soms zij aan zij, hetzelfde werk doen sterk verschillend worden beloond. Dit een en ander heeft geleid tot wijzigingen in het regelgevend kader Eerst een aanscherping van de handhaving van de bestaande regels (zie onder (i)) en daarna de verbreding van de sociale bescherming in de lidstaat van ontvangst (zie onder (ii)). Het is nog niet gelukt specifieke regels tot stand te brengen voor de sector internationaal wegvervoer (zie onder (iii)).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(i) Handhavingsrichtlijn </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.34</nr>
      <para>Op 15 april 2014 is Richtlijn 2014/67/EU inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (hierna: <emphasis role="bold">Handhavingsrichtlijn</emphasis>) aangenomen.<footnote-ref linkend="_c6c0b88d-bab7-4152-b8b3-2fd234025c35" /> Deze richtlijn diende op 18 juni 2016 te zijn omgezet in nationale regelgeving.<footnote-ref linkend="_f79cc696-0627-41c7-95d7-fa506fb282ae" /> Zij bevat geen wijzigingen in de Detacheringsrichtlijn, maar komt daar bovenop. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.35</nr>
      <para>De Handhavingsrichtlijn bevat met name bepalingen over gegevensuitwisseling, grensoverschrijdende boete-inning, ketenaansprakelijkheid en dergelijke. Zij bevat ook een lijst van feitelijke elementen om te kunnen beoordelen of een specifieke situatie als een daadwerkelijke detachering kan worden aangemerkt en zo schijnconstructies te vermijden.<footnote-ref linkend="_5ef953cb-984b-475f-b340-5a185e9ee1be" /> Art. 4 lid 3 bevat criteria om uit te maken of een werknemer <emphasis role="italic">tijdelijk</emphasis> in een andere lidstaat werkzaamheden verricht dan in die waar hij of zij gewoonlijk werkt. Die bepaling luidt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“3. Om te beoordelen of een gedetacheerd werknemer tijdelijk zijn of haar werkzaamheden verricht in een andere lidstaat dan die waar hij of zij gewoonlijk werkt, moeten alle feitelijke elementen die voor dat werk kenmerkend zijn, alsmede de situatie van de werknemer worden onderzocht. Deze elementen kunnen met name omvatten: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>a) het werk wordt voor een bepaalde periode verricht in een andere lidstaat; </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>b) de datum waarop de detachering begint;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>c) de detachering vindt plaats in een andere lidstaat dan die waar of van waaruit de gedetacheerde werknemer gewoonlijk zijn of haar arbeid verricht in de zin van Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I) en/of het Verdrag van Rome;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>d) de gedetacheerde werknemer keert na de beëindiging van de werkzaamheden of de dienstverrichting waarvoor hij of zij was gedetacheerd, terug naar de lidstaat van waar hij of zij is gedetacheerd, of waar hij of zij wordt geacht weer te gaan werken; </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>e) de aard van de activiteiten;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>f) de werkgever die de werknemer detacheert, zorgt voor het vervoer, de kost en inwoon of accommodatie of dat deze door hem wordt terugbetaald en waar dit het geval is, op welke wijze hierin is voorzien of op welke manier dit wordt terugbetaald; </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>g) alle eerdere tijdvakken waarin dezelfde of een andere (gedetacheerde) werknemer de betrokken werkzaamheden heeft verricht.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het gaat hier om niet-limitatieve elementen om te kunnen vaststellen dàt een werknemer tijdelijk werkzaamheden in een andere lidstaat verricht. Zoals zo vaak moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(ii) Herzieningsrichtlijn</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.36</nr>
      <para>In maart 2016 publiceerde de Commissie het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 96/71 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten.<footnote-ref linkend="_e51d6a97-629e-4772-85ab-25f7999c09a3" /> Voorgesteld werd ‘gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde werkplek’ in te voeren.  Werknemers van onderaannemers moeten dan hetzelfde loon krijgen als de werknemers van de hoofdaannemer, ook als er geen algemeen verbindend verklaarde cao is. Verder werd voor detacheringen in de zin van de Detacheringsrichtlijn een maximumtermijn van 24 maanden voorgesteld. Dat moest een einde maken aan de discussie wanneer tijdelijk nog ‘tijdelijk’ is. In de onderhandelingen is, op initiatief van de Franse President Macron, die termijn teruggebracht tot twaalf maanden, waaraan een verlengingsmogelijkheid van zes maanden is toegevoegd. Na afloop van die termijn moet een uitgebreidere harde kern van arbeidsvoorwaarden worden toegepast.<footnote-ref linkend="_d5f09280-52e8-431f-9a77-eabbb61818dc" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.37</nr>
      <para>Richtlijn 2018/957 (hierna: <emphasis role="bold">Herzieningsrichtlijn</emphasis>) is op 28 juni 2018 aangenomen.<footnote-ref linkend="_b0882ec0-de61-4ca7-b342-46a43eaf4bfa" /> De lidstaten hebben tot 30 juli 2020 om de Herzieningsrichtlijn om te zetten in nationale regelgeving en vanaf die datum moeten de bepalingen van die richtlijn worden toegepast. Tot die datum blijft Richtlijn 96/71/EG van toepassing zoals die luidde vóór de bij deze richtlijn aangebrachte wijzigingen.<footnote-ref linkend="_02189595-0d55-4256-b35d-4778dcdea536" /> Voor de sector van het internationaal wegvervoer is evenwel specifiek bepaald dat deze richtlijn pas van toepassing wordt vanaf de datum waarop een sectorspecifieke richtlijn van toepassing wordt.<footnote-ref linkend="_5d322abb-83a7-4651-8106-eb214646e1d6" /> In overweging 15 van de Herzieningsrichtlijn staat het volgende:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Gezien de zeer mobiele aard van het werk in het internationaal wegvervoer doet de uitvoering van deze richtlijn in die sector bijzondere juridische vragen en moeilijkheden rijzen, die moeten worden aangepakt met specifieke regels voor het wegvervoer die tevens de strijd tegen fraude en misbruik in het kader van het mobiliteitspakket zullen versterken.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.38</nr>
      <para>Het is niet overdreven te zeggen dat de Europese wetgever is opgeschoven richting de zienswijze die de vakbeweging voorstaat.<footnote-ref linkend="_8bb17a29-f4ec-4694-8031-be53c3aa7f6d" /> Dat kan de vraag doen rijzen of de Herzieningsrichtlijn haar schaduw vooruit kan werpen in die zin dat nu aangenomen mag worden dat een op nationaal niveau vastgelegde verplichting dat aan gedetacheerde werknemers hetzelfde loon (inclusief toeslagen etc.) moet worden betaald als aan nationale werknemers verenigbaar moet worden geacht met art. 56 VWEU. In beginsel is dat niet zo. In de verticaal gestructureerde rechtsorde van de Europese Unie geldt on hoge mate het adagium <emphasis role="italic">Quod licet Iovi, non licet bovi</emphasis>, waarbij - zoals zich laat raden - de Uniewetgever Jupiter is en de individuele lidstaten het rund. Als in Unieverband een gezamenlijke regeling is overeenkomen, dan biedt dat geen ‘dekking’ aan een bestaande nationale regeling met een het zelfde doel en strekking.<footnote-ref linkend="_6707a709-3a33-4447-9561-f73e7c0c0261" /> Hooguit kan de Herzieningsregeling de toetsing van een dergelijke nationale maatregel aan art. 56 VWEU enigszins inkleuren.<footnote-ref linkend="_d3513991-bc6c-4e86-85ce-af8f38c1f4c7" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(iii) Mobiliteitsvoorstel</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.39</nr>
      <para>Specifiek voor het internationaal wegvervoer heeft de Commissie op 31 mei 2017 het Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor de terbeschikkingstelling van bestuurders in het wegvervoer gepubliceerd (hierna: <emphasis role="bold">Mobiliteitsvoorstel</emphasis>).<footnote-ref linkend="_24239b6e-f99c-4b15-8664-d77e47ea1935" /> De beoogde richtlijn wordt een <emphasis role="italic">lex specialis </emphasis>ten opzichte van de Detacheringsrichtlijn, zoals gewijzigd door de Herzieningsrichtlijn.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.40</nr>
      <para>Op dit moment staat niet vast of het Mobiliteitsvoorstel zal worden aangenomen. Het Europees Parlement blijkt sterk verdeeld. Een compromistekst van de commissie Transport is op 4 juli 2018 in de plenaire vergadering afgestemd; het dossier is teruggestuurd naar de parlementaire commissie. De meest recente beschikbare werktekst dateert van 30 mei 2018 en is opgesteld door het voorzitterschap van de Raad.<footnote-ref linkend="_f997d621-502d-4fa5-aca6-17645908b29e" /> In weerwil van het voorlopige karakter van deze tekst citeer ik daar enkele passages uit om een idee te geven waar het voorstel over gaat. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>	In de considerans van de voorgestelde richtlijn staat:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(11) 	In order to ensure the effective and proportionate implementation of Directive 96/71/EC in the road transport sector, it is necessary to establish sector-specific rules reflecting the particularity of the highly mobile workforce in the road transport sector and providing a balance between the social protection of drivers and the freedom to provide cross-border services for operators.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(12) 	Such balanced criteria should be based on a concept of a sufficient link of a driver with a territory of a host Member State. Therefore, a time threshold should be established, beyond which the minimum rate of pay and the minimum annual paid holidays of the host Member State shall apply in case of international transport operations [and cabotage]. There is a sufficient link with the territory of a host Member State when a driver is operating in its territory for a period of more than seven consecutive days in a calendar month.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Van de voorgestelde artikelen is met name art. 2 hier relevant: </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>“1. 	This Article establishes specific rules as regards certain aspects of Directive 96/71/EC relating the posting of drivers in the road transport sector and of Directive 2014/67/EU of the European Parliament and of the Council relating to administrative requirements and control measures for the posting of those drivers.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. 	Member States shall not apply points (b) and (c) of the first subparagraph of Article 3 (1) of Directive 96/71/EC to drivers in the road transport sector employed by undertakings referred to in Articles 1(3)(a) and (b) of that Directive, when performing international carriage operations [or cabotage operations] as defined by Regulations 1072/2009 and 1073/2009 where the period of posting to their territory to perform these operations is shorter than or equal to seven consecutive days in case of international carriage operations [and three consecutive days in case of cabotage operations] during a period of one calendar month. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>When the period of posting is longer than specified in the previous subparagraph Member States shall apply points (b) and (c) of the first subparagraph of Article 3 (1) of Directive 96/71/EC for the entire period of posting to their territory during the period of one calendar month referred to in the first paragraph.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2a. 	Notwithstanding Article 2(1) of Directive 96/71/EC, a driver shall not be considered to be posted to the territory of a Member State that the driver transits through without loading or unloading freight and without picking up or setting down passengers.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. 	For the purposes of the calculation of the periods of posting referred to in paragraph 2:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(a) 	a daily working period twelve hours spent in the territory of a host Member State shall be considered as half a day of posting;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(b) 	a daily working period between twelve hours and twenty-four hours spent in the territory of a host Member State shall be considered as a full day of posting;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(c) 	breaks, daily and reduced weekly rest periods, as well as periods of availability spent in the territory of a host Member State shall be considered as posting period.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>[…].”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.41</nr>
      <para>Wat staat hier nu? Men is op zoek naar een criterium om uit te maken of een chauffeur afkomstig uit lidstaat A voldoende band heeft met lidstaat B om te kunnen aannemen dat hij <emphasis role="italic">op het grondgebied</emphasis> van die lidstaat is gedetacheerd. Daartoe stelt art. 2 lid 2 de minimumeis dat de chauffeur per kalendermaand ten minste zeven, aaneengesloten (<emphasis role="italic">consecutive</emphasis>) dagen in lidstaat B werkt. <footnote-ref linkend="_0ea60d1a-24e4-4018-a57f-dd80fb0dbcfa" /> Voor cabotageritten (binnenlandse ritten door een buitenlandse transportonderneming) zouden drie aaneengesloten dagen per maand volstaan.<footnote-ref linkend="_f638379f-ce9d-4bf5-a1ad-b875a29a5502" /> Haalt een chauffeur het aantal van zeven dagen niet, dan mag de regelgeving van het gastland inzake het minimum aantal vakantiedagen en het minimumloon, als bedoeld in art. 3 lid 1 aanhef en onder b) en c) van Richtlijn 96/71, niet worden toegepast. Haalt een chauffeur die ondergrens wèl, dan moeten de bepalingen onder letters b) en c) op hem worden toegepast. De betrokken chauffeur heeft in dat geval voor de gehele kalendermaand, en niet slechts voor de dagen waarop hij op het grondgebied van die staat werkzaamheden verrichtte, recht op toepassing van de regeling van dat land. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.42</nr>
      <para>Tot slot een korte opmerking over het gemeenschappelijk vervoersbeleid van de Europese Unie. Op de vervoerssector zijn niet de algemene bepalingen inzake het vrij verrichten van diensten (art. 56 en 57 VWEU) van toepassing, maar de specifieke bepalingen uit de titel ‘vervoer’.<footnote-ref linkend="_1d0c2434-77be-4187-a335-ed5e85c8d0ff" /> In Europese regelgeving worden beperkingen gesteld aan het toegestane aantal cabotageritten;<footnote-ref linkend="_2609dba3-f773-43e5-99de-1c248b602c4d" /> dat zijn binnenlandse ritten door buitenlandse ondernemingen. De betrokken Europese regelgeving heeft geen betrekking op de arbeidsverhouding tussen transportondernemingen en hun chauffeurs, maar laat er geen twijfel over bestaan dat de Detacheringsrichtlijn van toepassing is op vervoersondernemingen die cabotagevervoer verrichten.<footnote-ref linkend="_77075e00-9565-4465-8059-973b5c7c5983" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>B. <emphasis role="italic">Nationaal recht </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.43</nr>
      <para>De Detacheringsrichtlijn is geïmplementeerd in de Wet Arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (hierna: <emphasis role="bold">WAGA</emphasis>)<footnote-ref linkend="_005690aa-fd51-473e-a4c4-edfe737d0334" /> en de Wet op het algemeen verbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna: <emphasis role="bold">Wet AVV</emphasis>). Met ingang van 18 juni 2016 is de WAGA komen te vervallen en vervangen door de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (hierna: <emphasis role="bold">WagwEU</emphasis>).<footnote-ref linkend="_e469ac96-308c-43b9-a65e-6922a60a7935" /> De WagwEU implementeert per 18 juni 2016 tevens de Handhavingsrichtlijn. Ook de Wet AVV is per die datum aangepast.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>1. <emphasis role="underline">WAGA en WagwEU</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.44</nr>
      <para>Artikel 1 WAGA luidde als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De artikelen 634 tot en met 642, 645, 646, 648, 658 en 670, lid 2 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op werknemers, die tijdelijk in Nederland arbeid verrichten en wier arbeidsovereenkomst wordt beheerst door ander recht dan het Nederlandse recht.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.45</nr>
      <para>Bij de omzetting heeft de wetgever ervoor gekozen om van de optionele bepalingen, zoals de ‘openbare orde exceptie’ in art. 3 lid 10, eerste streepje voor andere onderwerpen dan de ‘harde kern’-aangelegenheden, geen gebruik te maken. Een andere niet gebruikte optie betrof de toepasselijkheid van algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen op gedetacheerde werknemers buiten de bouwsector. Per 14 december 2005 werd de materiële werkingssfeer van de WAGA echter uitgebreid tot verbindend verklaarde cao-bepalingen in alle sectoren.<footnote-ref linkend="_1cd6ca0c-683a-4ffe-a4cb-d1b5054f15f8" /> De WAGA bevatte in zoverre een ruimere implementatie dan waar de Detacheringsrichtlijn toe verplichtte omdat zij van toepassing was op elke werknemer die tijdelijk arbeid in Nederland verrichte, ongeacht of er een land was waar hij of zij gewoonlijk werkte. <footnote-ref linkend="_1192eafb-8aaa-463f-a6c2-bbef5b0fc8c6" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.46</nr>
      <para>Met de WagwEU uit 2016 werd toegevoegd de voorwaarde dat de werknemers niet gewoonlijk in Nederland arbeid verrichten. Op die manier werd beter bij de Detacheringsrichtlijn aangesloten dan voorheen onder de WAGA. Recent is met de Verzamelwet SZW 2018<footnote-ref linkend="_c27131b6-0073-469c-acb1-e4610ae207de" /> het vereiste van het gewoonlijk werkland weer uit de definitie van ‘gedetacheerde werknemer’ geschrapt. De wetgever meent nu dat het voor de toepassing van de WagwEU met name van belang is dat kan worden vastgesteld dat Nederland <emphasis role="italic">niet</emphasis> het gewoonlijk werkland is waar of van waaruit de arbeid wordt verricht maar dat niet relevant is of <emphasis role="italic">een</emphasis> ander gewoonlijk werkland kan worden vastgesteld.<footnote-ref linkend="_c811e157-d153-4592-b417-c97f2861714f" /> Tegelijkertijd erkent de wetgever dat het noodzakelijk is om het gewoonlijk werkland van de gedetacheerde werknemer vast te kunnen stellen.<footnote-ref linkend="_9206dad5-aa38-4e4e-9e4d-c6821cdb74e1" /> Mogelijk is bedoeld dat eerst moet worden vastgesteld of er een gewoonlijk werkland is. Is dat er wel, dan kan dat land niet het land zijn op het grondgebied waarvan een werknemer is gedetacheerd. Indien geen gewoonlijk werkland kan worden aangewezen, dan is niet uitgesloten - zo luidt mogelijk de gedachte - dat er wel een land is aan te wijzen waar de betrokken werknemer tijdelijk werkt, in welk geval de Detacheringsrichtlijn (en nationaal: de WagwEU) wèl van toepassing zijn.<footnote-ref linkend="_af63396b-f638-4f17-8e64-01836f1a358e" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.47</nr>
      <para>Art. 1 WagwEU luidt thans, voor zover hier van belang:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Artikel 1</para>
        <para>	1	In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</para>
        <para>	(…)</para>
        <para>- 	<emphasis role="italic">gedetacheerde werknemer: </emphasis>de werknemer die in het kader van transnationale dienstverrichting op basis van een arbeidsovereenkomst tijdelijk arbeid verricht in Nederland en niet gewoonlijk in of vanuit Nederland arbeid verricht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. <emphasis role="underline">Wet AVV </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.48</nr>
      <para>Art. 2 lid 6 Wet AVV bepaalt dat verbindend verklaarde cao-bepalingen van toepassing zijn op gedetacheerde werknemers, voor zover het gaat om de ‘harde kern’-onderwerpen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>	Art. 2 lid 6 (oud) bepaalde onder meer:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Verbindend verklaarde bepalingen gelden ook ten aanzien van werknemers, die tijdelijk in Nederland arbeid verrichten en wier arbeidsovereenkomst wordt beheerst door een ander recht dan het Nederlandse recht, indien deze bepalingen betrekking hebben op: </para>
        <para>a. maximale werktijden en minimale rusttijden</para>
        <para>b. het minimum aantal vakantiedagen, gedurende welke de verplichting van de werkgever om loon te betalen bestaat;</para>
        <para>c. minimumloon, daaronder begrepen vergoedingen voor overwerk, en daaronder niet begrepen aanvullende bedrijfspensioenregelingen;(…)”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	Art. 2 lid 6 is per 18 juni 2016 aangepast. Het luidt:<footnote-ref linkend="_2d5a38f3-c80d-431a-8215-9b7c6f8dff81" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6 	Verbindend verklaarde bepalingen gelden ook ten aanzien van werknemers, die in het kader van transnationale dienstverrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet arbeidvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie, tijdelijk in Nederland arbeid verrichten en wier arbeidsovereenkomst wordt beheerst door een ander recht dan het Nederlandse recht, indien deze bepalingen betrekking hebben op:</para>
        <para>a. 	maximale werktijden en minimale rusttijden;</para>
        <para>b. 	het minimum aantal vakantiedagen, gedurende welke de verplichting van de werkgever om loon te betalen bestaat, en extra vergoedingen in verband met vakantie;</para>
        <para>c. 	minimumloon,</para>
        <para>waarbij tot dit minimumloon in ieder geval behoren:</para>
        <para>1. 	het geldende periodeloon in de schaal;</para>
        <para>2. 	de van toepassing zijnde arbeidsduurverkorting per week/maand/jaar/periode;</para>
        <para>3. 	toeslagen voor overwerk, verschoven uren, onregelmatigheid, waaronder feestdagentoeslag en ploegentoeslag;</para>
        <para>4. 	tussentijdse loonsverhoging;</para>
        <para>		(…).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.49</nr>
      <para>Het begrip ‘minimumloon’ is in 2016 dus ruimer ingevuld en omvat de toepasselijke loonschaal van de cao inclusief toeslagen etc. moet worden betaald. Het standpunt van de wetgever was dus kennelijk dat, al vóórdat de Herzieningsrichtlijn werd vastgesteld, aan gedetacheerde werknemers het (volledige) cao-loon moest worden betaald.<footnote-ref linkend="_516fb309-1cbf-4a1e-a873-9b28210bf2ef" /> De belangrijkste wijziging die de Herzieningsrichtlijn op dit punt zou hebben gebracht, zou dan zijn dat de verplichting om aan in Nederland gedetacheerde werknemers het cao-loon te betalen vanaf 30 juli 2020 ook zal gelden voor loonschalen die zijn vastgelegd in een cao die <emphasis role="italic">niet</emphasis> algemeen verbindend is verklaard. Dat zou relevant kunnen zijn voor de cao GN, zij het niet voor tijdvakken vóór 18 juni 2016.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. <emphasis role="underline">Cao GN</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.50</nr>
      <para>Art. 1 van de cao GN bepaalt dat die cao van toepassing is op de werkgevers en de werknemers van elke <emphasis role="italic">in Nederland gevestigde onderneming </emphasis>die is aangesloten bij Goederenvervoer Nederland en die vergunningplichtig wegvervoer verricht. Een Duitse of Hongaarse onderneming, ook als dat een zuster- of dochtervennootschap van een in Nederland gevestigde transportonderneming is, valt niet onder de cao GN. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.51</nr>
      <para>Vaststaat dat de cao GN niet algemeen verbindend is verklaard. Een buitenlandse onderaannemer kan daarom alleen langs contractuele weg eventueel worden gebonden aan die cao, althans aan de daarin opgenomen ‘basisarbeidsvoorwaarden’. Dat is wat met de charterbepaling is beoogd te bewerkstelligen. <footnote-ref linkend="_a8fe0b81-1089-4137-8fe6-d7afb2cb80d3" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.52</nr>
      <para>In art. 2 onder 15 van de cao GN (2014-2017) zijn de ‘basisarbeidsvoorwaarden’ van die cao als volgt gedefinieerd:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“loon en overige vergoedingen, arbeidstijden, daaronder begrepen overwerk, rusttijden, arbeid in nachtdienst, pauzes, de duur van vakantie en het werken op feestdagen.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.53</nr>
      <para>Het cao-loon is wezenlijk hoger dan het wettelijk minimumloon. Om de in 3.20 en 3.21 genoemde reden is twijfel mogelijk of het –  <emphasis role="italic">avant </emphasis>de Herzieningsrichtlijn –verenigbaar is met art. 56 VWEU om een dienstverrichter uit een andere lidstaat te verplichten aan in Nederland gedetacheerde werknemers het volledige cao-loon (dus met inbegrip van toeslagen etc.) te betalen.<footnote-ref linkend="_9a9bde0a-e0c5-47a4-b985-ac7e946bea62" /> Nederlandse werkgevers die aan een cao zijn gebonden moeten het daarin vastgelegde loon betalen en mogen daar niet onder gaan zitten. In zoverre kan worden verdedigd dat het gaat om een ‘minimumbeloning’ in de zin van art. 3 lid 1 Detacheringsrichtlijn (het wettelijke minimumloon zou dan de ondergrens zijn als de algemeen verbindend verklaring is afgelopen). Ik vermoed dat de FNV het ook zo ziet. Mij lijkt art. 3 lid 1 Detacheringsrichtlijn echter uit te gaan van het (nationale) minimum. Anders valt ook niet goed te begrijpen waarom de Herzieningsrichtlijn, waarin minimumlonen (‘<emphasis role="italic">minimum rates of pay’</emphasis>) is vervangen door ‘beloning’ (‘<emphasis role="italic">remuneration</emphasis>’), wordt gezien als stap naar <emphasis role="italic">betere</emphasis> sociale bescherming. Er moet toch iets zijn veranderd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.54</nr>
      <para>Kortom, bij de huidige stand van het recht kan er een tweevoudig probleem zijn om buitenlandse werkgevers van gedetacheerde werknemers de loonschalen uit de cao GN op te leggen: (a) deze cao is niet algemeen verbindend verklaard en (b) de cao-loonschalen zijn wezenlijk hoger dan het nationale minimum (wat even goed een aandachtspunt zou zijn bij een wèl ge-avv’de cao). Ik zeg niet dat dit niet kan, maar wel dat deze verplichting niet wordt afgedekt door art. 3 lid 1 Detacheringsrichtlijn en dus in voorkomend geval aan art. 56 VWEU moet worden getoetst. In de onderhavige zaken komt men aan die discussie mogelijk niet toe, omdat eerst moet worden uitgemaakt óf de Detacheringsrichtlijn überhaupt van toepassing is. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. <emphasis role="underline">Lagere rechtspraak over het toepasselijk recht op werknemers in het wegvervoer</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.55</nr>
      <para>Ik sluit dit overzicht af met het signaleren van enkele nationale procedures waarin, net als in de onderhavige zaken, FNV een procedure had aangespannen tegen een Nederlandse transportonderneming die via gelieerde vennootschappen in een Oost-Europese lidstaat vrachtwagenchauffeurs voor zich liet werken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(i) <emphasis role="italic">Mooy</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.56</nr>
      <para>Het Nederlandse transportbedrijf Mooy BV leende Poolse chauffeurs in bij een Poolse zustervennootschap, Mooy PL. Van beide vennootschappen was de heer Mooy aandeelhouder en bestuurder. De chauffeurs kregen een tijdelijk contract van twaalf maanden waarop Pools recht van toepassing was. Zij werden gedurende de gehele looptijd van die tijdelijke arbeidsovereenkomst uitgeleend aan Mooy BV. Mooy PL had geen andere opdrachtgevers en Mooy BV had geen eigen chauffeurs meer in dienst. Instructies voor internationale ritten kwamen vanuit de vestiging van Mooy BV. De vrachtauto’s hadden daar ook hun standplaats. FNV stelde zich op het standpunt dat Mooy PL de cao Beroepsgoederenvervoer moest toepassen. De Kantonrechter te Venlo wees de vorderingen van FNV toe.<footnote-ref linkend="_924ef815-a5df-41f9-aa01-236420b2b9e9" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.57</nr>
      <para>In hoger beroep stelde het Hof Den Bosch volgende voorop dat ook als Mooy PL is opgezet met als voornaamste doel niet (meer) de financiële arbeidsvoorwaarden in het Nederlandse arbeidsrecht van toepassing te doen zijn op haar chauffeurs maar die gebaseerd op de Poolse arbeidswetgeving is dat uit het oogpunt van vrije mededinging op de Europese markt geoorloofd. Het daarbij na te streven doel is uit het oogpunt van concurrentie ook niet onrechtmatig en vormt op zich ook geen misbruik van het identiteitsverschil tussen beide nauw gelieerde vennootschappen. Vervolgens leidde het Hof Den Bosch uit de arresten <emphasis role="italic">Koelzsch </emphasis>en <emphasis role="italic">Voosgeerd </emphasis>(zie hiervoor, 3.26 en 3.27) af dat Nederland het land was van waaruit gewoonlijk werd gewerkt. Derhalve zijn de dwingende bepalingen van Nederlands (arbeids)recht op de arbeidsovereenkomsten tussen Mooy PL en de aan Mooy BV uitgeleende chauffeurs van toepassing. Volgens Hof Den Bosch was de Waga wèl van toepassing. Het arrest gaat verder over de vraag <emphasis role="italic">welke</emphasis> cao van toepassing is, die voor uitzendbureaus of die voor transportondernemingen, wat hier niet ter zake doet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(ii) <emphasis role="italic">Farm Trans</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.58</nr>
      <para>FNV vorderde nakoming van de charterbepaling in de cao Beroepsgoederenvervoer door een bedrijf dat werk uitbesteedde aan een Poolse zustervennootschap.  FNV werd door het Hof Den Bosch in het gelijk gesteld.<footnote-ref linkend="_7a84382e-f5ec-4eac-b580-9df5d6a9e797" /> Daarbij moet worden aangetekend dat het transportbedrijf, wegens hier niet ter zake doende procedurele kwesties, niet of nauwelijks inhoudelijk verweer had gevoerd. Er wordt in deze uitspraak geen uitleg van de Detacheringsrichtlijn gegeven. Een feitelijk verschil met de onderhavige zaken is dat, naar FNV onweersproken had gesteld, de (Poolse) chauffeurs overwegend ritten binnen Nederland reden (cabotage). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(iii) <emphasis role="italic">Vos</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.59</nr>
      <para>In deze zaak waren twee Nederlandse ‘Vos-vennootschappen’ gedagvaard, waarvan de een partij was bij de cao Beroepsgoederenvervoer en de ander bij de cao GN. Net als in de onderhavige zaak vorderde FNV diverse geboden en verboden die erop neer kwamen dat Vos de charterbepaling in de beide cao’s moest naleven wanneer zij werkzaamheden onderbracht bij buitenlandse ondervervoerders. Dat waren gelieerde vennootschappen, de ene in Roemenië (‘Vosescu’) en de andere in Litouwen (‘Vosas’). Werknemers in dienst van die vennootschappen ontvingen minder dan het Nederlandse minimumloon. De kantonrechter wees in voorlopige voorziening de vorderingen van FNV op procedurele gronden af. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.60</nr>
      <para>In appel bekrachtigde het Hof Arnhem-Leeuwarden dat vonnis.<footnote-ref linkend="_51671e8c-b5cd-4d93-a1df-8b71e5d11050" /> Het verwierp de stelling van FNV dat het feit dat Vos het vervoer op een traject in Europa uitbesteedt aan een buitenlandse vennootschap, volstaat om aan te nemen dat sprake is van een in of vanuit Vos (Nederland) uitgevoerde overeenkomst van onderaanneming, die binnen de reikwijdte van de Detacheringsrichtlijn valt (rov. 5.18). Er waren te veel feitelijke aanwijzingen die pleitten tegen de stelling van FNV dat de charters in en vanuit Nederland werden uitgevoerd. De ondernemingen in Roemenië en Litouwen waren zelfstandig opererende vennootschappen, de chauffeurs waren daar in dienst, het laden en lossen vond veelal buiten Nederland plaats en de chauffeurs voerden ook opdrachten uit voor andere opdrachtgevers dan Vos (Nederland) (rov. 5.20).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(iv) <emphasis role="italic">Brinkman</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.61</nr>
      <para>Recent oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) in kort geding dat het transportbedrijf Brinkman, dat werknemers betrok via zustervennootschappen in Polen en Moldavië, zich had te houden aan de ‘bedingplicht’ in art. 73 lid 1 cao Beroepsgoederenvervoer.<footnote-ref linkend="_5cfc57e0-95a3-4618-a8e5-826076aa406b" /> Voor de vraag of de afgesloten charterovereenkomsten binnen het bereik van de Detacheringsrichtlijn vielen komt het erop aan “<emphasis role="italic">of sprake is van een zodanig nauwe band van het vervoer met het Nederlands grondgebied dat gezegd kan worden dat de buitenlandse chauffeurs door hun werkgevers (…) op het Nederlandse grondgebied aan Brinkman ter beschikking zijn gesteld</emphasis>.” (rov. 5.20). Die situatie doet zich hier voor. Het feit dat “<emphasis role="italic">alles wordt geregeld door en vanuit Brinkman in Nederland</emphasis>” (rov. 5.22) voert tot het oordeel dat er nauwe banden bestaan van het chartervervoer in kwestie met het Nederlandse grondgebied. Het gerechtshof voegt daar aan toe: “<emphasis role="italic">Dat het vervoer feitelijk grotendeels over buitenlandse wegen plaatsvond doet daar in de omstandigheden van dit geval niet, althans onvoldoende, aan af.</emphasis>” (rov. 5.23). In betrekkelijk grote stappen bereikte het gerechtshof aldus de conclusie dat de Detacheringsrichtlijn van toepassing was.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Bespreking van het cassatiemiddel </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Hierna maak ik eerst enkele inleidende opmerkingen. Vervolgens bespreek ik het middel van FNV en daarna het voorwaardelijk incidenteel middel. Beide partijen zijn van mening dat prejudiciële verwijzing naar het HvJEU voor de hand ligt.<footnote-ref linkend="_439a4035-ef1e-4985-bd19-bc576872ac7c" /> Mede gelet daarop doe ik suggesties voor mogelijke prejudiciële vragen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>A. <emphasis role="italic">Uitgangspunten  </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Eerst moeten relevante uitgangspunten helder zijn.<footnote-ref linkend="_6a0124ce-e740-452d-83cb-6af0a765f4b5" /> Voor zover dat niet met zoveel woorden blijkt uit de door het hof vastgestelde feiten (zie hiervoor hoofdstuk 1), heeft het hiernavolgende gelden. De door [verweerster 2] en Silo-Tank aan [verweerster 1] ter beschikking gestelde vrachtwagenchauffeurs worden hierna aangeduid als ‘<emphasis role="bold">de betrokken werknemers</emphasis>’.	</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>a) <emphasis role="underline">[verweerster 1] is niet de werkgever van de betrokken werknemers</emphasis>: in feitelijke aanleg was aanvankelijk de meest vergaande stelling van FNV dat de betrokken werknemers geacht moesten worden bij [verweerster 1] in dienst te zijn.<footnote-ref linkend="_a5e664ea-b6aa-494d-bc64-51fd84d6f4e1" /> De cao GN zou daarom rechtstreeks op hen van toepassing zijn. Het hof is daar niet van uitgegaan.<footnote-ref linkend="_a2d82826-1c4b-4530-8c09-ecd85020a471" /> Daarom moet het ervoor worden gehouden dat [verweerster 2] respectievelijk Silo-Tank de werkgever zijn. Zij vallen niet onder de cao GN.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>b) <emphasis role="underline">Er is geen bewijs van een schijnconstructie</emphasis>: FNV heeft in feitelijke aanleg gesteld dat er aan de zijde van [verweerster 1] sprake zou zijn van een schijnconstructie, omdat de Duitse en de Hongaarse vestiging slechts op papier zouden bestaan.<footnote-ref linkend="_f0e29655-3a5f-454f-9a6e-d54a20e9abd2" /> Door deze constructie zou heen gekeken moeten worden en daarom zou het Nederlands arbeidsrecht, waaronder de cao GN, rechtstreeks op de betrokken werknemers van toepassing zijn. Het hof is daar terecht niet van uitgegaan.<footnote-ref linkend="_c15a6836-a808-424d-a776-55f863b15458" />[verweersters] hebben gedocumenteerd dat zowel de Duitse als de Hongaarse vestiging ‘substantie’ heeft,<footnote-ref linkend="_b0d45588-ffd6-4dc3-8fb0-16e47c9b12ee" /> naar het voorkomt meer dan de Oost-Europese vestigingen in elk van de zaken genoemd aan het slot van hoofdstuk 3. [verweerster 2] is qua aantal vergunningen en werknemers niet zo heel veel kleiner dan de Nederlandse hoofdvestiging.<footnote-ref linkend="_4b092e8b-a91d-460c-952c-45afa123d8d3" /> Overigens stelt Europese rechtspraak hoge eisen aan het, per individueel geval, te leveren bewijs van misbruik van Unierecht met als enig oogmerk bepaalde nationale regelgeving te omzeilen.<footnote-ref linkend="_4892cccb-c260-471a-8700-47a0cbc292b7" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>c) <emphasis role="underline">Enkel vervoer verricht in onderaanneming is aan de orde</emphasis>: FNV heeft in feitelijke aanleg niet duidelijk aangegeven welke vorm van detachering aan de orde is.<footnote-ref linkend="_b0795d5f-4752-4918-9e42-7e631a31da29" /> [verweerster 1] heeft op haar beurt duidelijk gemaakt dat, indien al sprake is van het beschikbaar stellen van werknemers, het daarbij om onderaanneming gaat (variant a).<footnote-ref linkend="_784cb05b-272a-4dba-953e-006416953ff9" /> Ook het hof is daarvan uitgegaan.<footnote-ref linkend="_0286b784-e5f7-48db-a76e-b4780e4fab4b" /> De door FNV gekozen rechtsgrondslag van haar vorderingen, de charterbepaling in art. 44 van de cao GN, wijst daar eveneens op. Collegiale inleen, waar FNV zich aanvankelijk op beriep,<footnote-ref linkend="_9054ea4f-c6d8-4e57-9dff-6b73d13cdd00" /> komt volgens [verweerster 1] sinds begin 2012 niet meer voor.<footnote-ref linkend="_56ab0386-f1d9-48ee-ad99-ef5407482835" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>d) <emphasis role="underline">Onderscheid tussen arbeidsperiode en ritten</emphasis>: het vervoer van de betrokken chauffeurs van Hongarije naar Nederland is m.i. geen onderdeel van hun werkzaamheden.<footnote-ref linkend="_6f1fd22a-0d1a-4b50-92ac-4a6f91e8cb98" /> Een gewerkte periode van gemiddeld drie weken begint op een fysieke opstapplaats en eindigt op een fysieke afstapplaats, door [verweerster 1] aangeduid als wisselplaatsen. Het hof heeft vastgesteld, in rov. 3.15.2.2, dat “<emphasis role="italic">het chartervervoer in de betrokken periode doorgaans vanuit Erp plaatsvond en de ritten doorgaans in Erp eindigden</emphasis>.” Dat de feitelijke situatie volgens [verweerster 1] inmiddels is gewijzigd (zie hiervoor, 1.8, derde streepje) kan haar in cassatie niet baten. Relevant is daarentegen wel dat tijdens de arbeidsperiode van drie weken tal van internationale ritten worden uitgevoerd. Met betrekking tot die ritten heeft het hof vastgesteld, in rov. 3.1. onder e), dat die “<emphasis role="italic">in meer dan overwegende mate buiten Nederland [plaatsvinden] en slechts voor een gering deel op Nederlands grondgebied</emphasis>”. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>e) <emphasis role="underline">Risico op verdringing en verschillen in salaris zijn juridisch niet relevant</emphasis>: aanleiding voor FNV om procedures als de onderhavige te voeren is de vrees voor verdringing van Nederlandse internationale chauffeurs door goedkopere arbeid uit Oost-Europa. Daar valt van alles over te zeggen. Voor het slagen van het cassatieberoep van FNV is het evenwel niet noodzakelijk dat in het geval van [verweerster 1] sprake is (geweest van) verdringing van Nederlandse internationale chauffeurs. Dat FNV daarvan in feitelijke aanleg geen concreet bewijs heeft geleverd maakt daarom niet uit. Ook het exacte verschil tussen het Nederlandse cao-loon en het salaris van de Hongaarse werknemers doet niet ter zake.<footnote-ref linkend="_669f1160-e1c4-4eff-a3f3-b1c08041e84c" /> Ik merk op dat FNV zich in feitelijke aanleg niet uitgelaten over het Duitse salaris van de chauffeurs in dienst van [verweerster 2] , terwijl haar vorderingen wel op deze chauffeurs betrekking hebben.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>f) <emphasis role="underline">Enige grondslag voor de vorderingen is art. 44 cao GN</emphasis>: het geschil betreft niet de WAGA, de WagwEU of de Wet AVV. De vorderingen van FNV zijn, in deze zaak, niet gegrond op de ge-avv’de cao Beroepsgoederenvervoer - ook niet waar het de vorderingen tegen Silo-Tank betreft -, maar enkel op (art. 44 van de) cao GN. Daarmee heeft FNV het zich moeilijk gemaakt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>B. <emphasis role="italic">In het principaal cassatieberoep</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>1. <emphasis role="underline">Onderdeel 1, primaire rechtsklacht</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De primaire rechtsklacht <emphasis role="underline">onder 20</emphasis> van de procesinleiding betreft (i) de beslissing in rov. 3.16.3, dat <emphasis role="italic">“een ruime uitleg van ‘op het grondgebied’ naar (onder meer) ‘vanaf het grondgebied van één specifieke lidstaat voor diensten in alle overige lidstaten van de Unie </emphasis>(…)<emphasis role="italic"> geen recht doet aan de bedoeling van de Detacheringsrichtlijn”</emphasis>, (ii) de beslissing in rov. 3.16.5 dat de Detacheringsrichtlijn slechts ziet op nationaal, dat wil zeggen op het grondgebied van een andere lidstaat, of in elk geval overwegend op het grondgebied van een andere lidstaat uitgevoerde charters en (iii) de op basis daarvan in rov. 3.16.7 bereikte conclusie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>De klacht houdt in dat de beslissing van het hof getuigt van een onjuiste, want te beperkte rechtsopvatting omtrent het begrip <emphasis role="italic">“op het grondgebied van een lidstaat”</emphasis> in de zin van art. 1 lid 1 en lid 3 van de Detacheringsrichtlijn. Volgens FNV heeft het hof miskend dat <emphasis role="italic">“op het grondgebied van een lidstaat”</emphasis> in voornoemde bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de werkzaamheden die in het kader van de terbeschikkingstelling worden uitgevoerd ‘op of vanuit het grondgebied’ van een lidstaat moeten plaatsvinden, hetgeen betekent dat de Detacheringsrichtlijn niet alleen van toepassing is op terbeschikkingstelling ‘op het grondgebied’ van een andere lidstaat dan het gewoonlijk werkland  maar ook van toepassing is in het geval de terbeschikkingstelling inhoudt dat werkzaamheden worden verricht vanaf/vanuit het grondgebied van een andere lidstaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>In haar schriftelijke toelichting bestrijdt FNV allereerst dat de Detacheringsrichtlijn toepassing mist bij internationaal wegtransport. Aanleiding daarvoor is de overweging van het hof in rov. 3.16.5 dat “<emphasis role="italic">de Detacheringsrichtlijn (…) bewust niet [ziet] op de charters als in deze zaak aan de orde, doch slechts op nationaal dat wil zeggen op het grondgebied van een andere lidstaat of in elk geval overwegend op het gebied van die andere lidstaat uitgevoerde charters.</emphasis>” </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Ik lees die overweging niet zoals FNV haar kennelijk leest, namelijk dat het hof zou hebben geoordeeld dat internationale charters volledig buiten de werkingssfeer van de Detacheringsrichtlijn vallen. Het hof heeft m.i. bedoeld tot uitdrukking te brengen dat bij charters zoals hier aan de orde, waarbij een vrachtwagenchauffeur ritten uitvoert in verschillende landen, er niet één land is dat er als het ware uitspringt en waarmee de arbeidsovereenkomst van de chauffeur een voldoende nauwe band heeft om te kunnen concluderen dat hij op het grondgebied van dat land tijdelijk transportwerkzaamheden verricht. Om te kunnen vaststellen dat een chauffeur tijdelijk ter beschikking is gesteld op het grondgebied van een ander land, moet hij “<emphasis role="italic">in elk geval overwegend in dat land charters uitvoeren</emphasis>”.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>Onder verwijzing naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Detacheringsrichtlijn en tal van rechtsgeleerde schrijvers wijst FNV erop dat de Detacheringsrichtlijn een uitwerking geeft van de arbeidsrechtelijke voorrangsregels als bedoeld in art. 7 lid 2 EVO/art. 9 lid 2 Rome I.<footnote-ref linkend="_8bf67234-8c09-4452-9fe5-7321e97f541f" /> Bij de uitleg van de Detacheringsrichtlijn zou daarom aansluiting moeten worden gezocht bij de wijze waarop de voorrangsregels hun werking ontvouwen. <footnote-ref linkend="_640da425-29f5-4c4e-a595-83629c083e43" /> FNV verwijst daarbij naar vaste rechtspraak waaruit volgt dat de maatstaf voor het toepassen van een voorrangsregel gelegen is in de mate van betrokkenheid van de sociaal-economische verhoudingen in Nederland.<footnote-ref linkend="_0d56ecea-dcb7-430d-b9d8-bb8ff643dbcc" /> Het eigen publiek belang kan volgens FNV ook in voldoende mate bij de arbeidsovereenkomst betrokken zijn als de arbeid <emphasis role="italic">vanuit</emphasis> Nederland wordt verricht. Een gedetacheerde chauffeur concurreert met Nederlandse internationale vrachtwagenchauffeurs, wat kan leiden tot verlies aan werkgelegenheid op de Nederlandse arbeidsmarkt en tot misstanden op het Nederlands grondgebied.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>Deze benadering spreekt mij niet aan, omdat zij ertoe kan leiden dat de Detacheringsrichtlijn door de verschillende lidstaten op uiteenlopende wijze wordt toegepast. De toepassing wordt namelijk afhankelijk gesteld van de waardering van de betrokkenheid van het eigen publiek belang. De rechtsonzekerheid die de richtlijn beoogde weg te nemen waar het de voorrangsregels betreft, wordt zo via de achterdeur weer binnengelaten. Bovendien is het publieke belang waar het hier om gaat, op grond van (art. 3 lid 1 van) de Detacheringsrichtlijn op het niveau van de Europese Unie onder een gemeenschappelijke noemer gebracht. Daarmee hebben de lidstaten, waar het de grensoverschrijdende detachering van werknemers op hun grondgebied betreft, hun autonomie opgegeven om dienaangaande het publieke belang naar eigen inzicht in te vullen. Overigens pleit tegen de door FNV voorgestane benadering ook dat de Detacheringsrichtlijn een zelfstandige verwijzingsregel vormt (zie hiervoor, 3.31).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>Tot slot verdedigt FNV een ‘systematische en contextuele interpretatie’, door aan te knopen bij het IPR waarin de ‘waar-regel’ is verruimd tot een ‘van-waaruit-regel’.<footnote-ref linkend="_2f4b086a-db7f-4411-a16e-1c2db344ca97" /> Belangrijkste argument van FNV is opnieuw dat het EVO richtinggevend is voor de uitleg van de Detacheringsrichtlijn. Dat het HvJEU in verschillende arresten over de Detacheringsrichtlijn spreekt van “<emphasis role="italic">lidstaat van ontvangst”, binnenlandse arbeidsmarkt</emphasis>” of “<emphasis role="italic">het land waar het contract wordt uitgevoerd</emphasis>” (zie rov. 3.16.4 en 3.16.5), doet daar volgens FNV niet aan af. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>Hiertegen kan worden ingebracht dat de Detacheringsrichtlijn geen verfijning of nadere invulling vormt van de aanknopingscriteria van art. 6 EVO (thans art. 8 Rome I), maar van art. 7 EVO (thans art. 9 Rome I). De link tussen de Detacheringsrichtlijn en het EVO vormt dan ook geen argument om voor de uitleg van het zinsdeel <emphasis role="italic">“op het grondgebied van een lidstaat”</emphasis> aansluiting te zoeken bij de uitleg die het HvJEU heeft gegeven aan de woorden <emphasis role="italic">“het land waar de werknemer</emphasis> (…) <emphasis role="italic">gewoonlijk zijn arbeid verricht”</emphasis>.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <para>Na de argumenten van FNV te hebben besproken zal ik nu samenvatten wat m.i. de belangrijkste argumenten zijn vóór en tegen het ‘op of vanuit’-criterium. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <para>Eerst de argumenten vóór die uitleg:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>1. ‘Waarom niet?’ Niet valt niet in te zien waarom het niet mogelijk zou zijn aan te nemen dat een chauffeur tijdelijk <emphasis role="italic">op </emphasis>het grondgebied van een lidstaat werkt wanneer hij van daaruit werkt (zoals te onderscheiden van de situatie waarin hij voor zijn werkgever vanuit zijn gewoonlijk werkland internationale ritten uitvoert en steeds weer daarnaar terugkeert). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. Genoemde uitleg sluit aan bij art. 8 lid 2 Rome I. Het is logisch, doelmatig en wenselijk om op aangrenzende en zelfs deels overlappende onderdelen van het Unierecht uniforme begrippen te hanteren. Op die manier wordt ook aangesloten bij het arrest <emphasis role="italic">Koelzsch</emphasis>, dat over internationale vrachtautochauffeurs gaat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. De voorgestane ruime uitleg van het zinsdeel “<emphasis role="italic">op het grondgebied van een lidstaat</emphasis>” doet recht aan de doelstellingen van de Detacheringsrichtlijn. Er wordt mee voorkomen dat chauffeurs, die in verschillende landen ritten afleggen, de bescherming op grond van die richtlijn mislopen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. Het ‘op of vanuit’-criterium voorkomt onzekerheden wanneer een chauffeur in verschillende landen een vergelijkbaar aantal uren werkt. Er is immers maar één plaats van vertrek, terwijl er meerdere landen kunnen zijn waarin een chauffeur een vergelijkbaar aantal uren per maand werkt. De plaats van vertrek (bij de eerste rit) en terugkomst (na de laatste rit) biedt een stabiel en eenvoudig te hanteren aanknopingspunt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Het Mobiliteitsvoorstel van de Commissie biedt steun voor het ‘op of vanuit’-criterium. Door ervan uit te gaan dat een werknemer een minimum aantal van [zeven] achtereenvolgende dagen transportwerkzaamheden moet hebben verricht <emphasis role="italic">in</emphasis> een andere lidstaat om geacht te worden de gehele kalendermaand in dat land te hebben gewerkt, zijn er nog ca. 14 dagen in de maand waar de werknemer elders heeft gewerkt zodat hij geacht moet worden gedurende die andere dagen <emphasis role="italic">vanuit </emphasis>die lidstaat te hebben gewerkt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13</nr>
      <para>Hierop laat ik meteen de tegenargumenten volgen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>1. Zoals diverse auteurs hebben opgemerkt, strookt het niet met de opzet van de Detacheringsrichtlijn om een criterium dat wordt gebruikt om vast te stellen wat het <emphasis role="italic">gewoonlijk</emphasis> werkland van een werknemer is, eveneens te gebruiken voor het vaststellen van diens <emphasis role="italic">tijdelijk</emphasis> werkland.<footnote-ref linkend="_e153ebec-9e06-43a4-9c51-c8744aa9c97a" /> Beide landen zijn per definitie verschillend. Anders is een werknemer ook niet <emphasis role="italic">tijdelijk </emphasis>ter beschikking gesteld en mist de Detacheringsrichtlijn om die reden toepassing.<footnote-ref linkend="_1c15f62c-4b7b-40bc-aaa2-932b7d4c6458" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. In de richtlijn staat “<emphasis role="italic">op het grondgebied</emphasis>”. Een verruiming van ‘op’ naar ‘vanuit’ levert als zodanig niet de vereiste nauwe band op om dat land aan te wijzen als het tijdelijke werkland. Daarvoor zijn additionele criteria nodig. Tekst en opzet van art. 44 lid 1 cao GN bieden voor die lezing steun. De bedingplicht kent als voorwaarde dat onderaanneming “in of vanuit” de in Nederland gevestigde onderneming van de werkgever wordt uitgevoerd. <emphasis role="italic">Daarnaast</emphasis> moet de Detacheringsrichtlijn van toepassing zijn. Als het voor toepasselijkheid van de richtlijn volstond dat charters “in of vanuit” Nederland plaatsvinden, dan was het niet nodig om apart de eis te stellen dat genoemde richtlijn van toepassing is.   </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. Het criterium ‘vanuit’ is manipuleerbaar omdat een transportonderneming - in de mate van wat logistiek mogelijk is – wisselplaatsen kan verleggen, ook naar een ander land. Zij zouden ertoe kunnen worden aangezet wisselplaatsen te gebruiken in een lidstaat met de voor hen meest gunstige regelgeving. Juist dat kan leiden tot concurrentievervalsing en uitholling van sociale bescherming. Het criterium ‘op’ in enge zin kent dat nadeel niet. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De wens de Detacheringsrichtlijn effectief toe te passen laat onverlet dat eerst aan de toepassingsvoorwaarden van die richtlijn moet zijn voldaan. Voorts valt niet in te zien dat internationale chauffeurs vaker sociale bescherming zouden moeten ontberen als niet wordt gekozen voor het ‘op of vanuit’-criterium. Dat de richtlijn moeilijk is toe te passen op internationale chauffeurs is duidelijk, maar dat kan de Uniewetgever het beste oplossen. Met het Mobiliteitsvoorstel wordt daartoe een poging ondernomen.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Het Mobiliteitsvoorstel is gebaseerd op het criterium dat een minimum aantal dagen <emphasis role="italic">in</emphasis> een lidstaat moet worden gewerkt. Indien de Commissie had willen opteren voor het ‘op of vanuit’-criterium (c.q. het ‘waar of van waaruit’-criterium) uit het IPR  dan had zij dat ongetwijfeld in haar voorstel opgenomen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14</nr>
      <para>Alles afwegende meen ik dat er onvoldoende gronden zijn om, zoals het middel betoogt, het ‘op en vanuit’-criterium als hét juiste criterium te bestempelen dat <emphasis role="italic">moet</emphasis> worden toegepast om de lidstaat aan te wijzen waar werknemers zijn gedetacheerd. De tekst, de opzet en het doel van de Detacheringsrichtlijn nopen niet tot de door FNV voorgestane uitleg. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15</nr>
      <para>In elk geval kan niet worden gezegd dat het hof van een <emphasis role="italic">onjuiste</emphasis> rechtsopvatting is uitgegaan, waar het overweegt dat pas sprake is van “<emphasis role="italic">ter beschikbaar stellen [van werknemers] op het grondgebied van een lidstaat</emphasis>”, als een werknemer “<emphasis role="italic">op het grondgebied van een andere lidstaat of in elk geval overwegend op het gebied van die andere lidstaat charters uitvoert</emphasis>”. Het hof heeft aangesloten bij de tekst van de richtlijn. Dat lijkt mij niet onjuist. Het arrest kan daarom in zoverre in stand blijven.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>2. <emphasis role="underline">Onderdeel 1, subsidiaire rechtsklacht</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16</nr>
      <para>Voor zover het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting op de gronden als hiervoor weergegeven, formuleert FNV <emphasis role="underline">onder 21</emphasis> een subsidiaire rechtsklacht tegen de beslissing in rov. 3.17.7.  FNV leest deze overweging aldus, dat het oordeel dat niet is voldaan aan de eis van terbeschikkingstelling van de werknemers op het grondgebied van de lidstaat Nederland, klaarblijkelijk moet worden gelezen in samenhang met de feitelijke vaststelling dat [verweerster 1] met [verweerster 2] en Silo-Tank charterovereenkomsten voor internationale transporten sluit, waarbij het vervoer uit dien hoofde <emphasis role="italic">“in meer dan overwegende mate plaats vindt buiten Nederland en maar voor een gering deel op Nederlands grondgebied.”</emphasis> FNV stelt dat in cassatie als hypothetische feitelijke grondslag moet worden aangenomen dat de ritten die werknemers van [verweerster 2] en Silo-Tank voor [verweerster 1] uitvoeren wel deels <emphasis role="italic">geheel in Nederland</emphasis> plaatsvonden, nu dit is gesteld en de juistheid van die stelling door het hof in het midden is gelaten.<footnote-ref linkend="_134eecc3-9bef-4ae4-8363-23b270551e9e" /> Met het oordeel dat <emphasis role="italic">in het geheel niet</emphasis> is voldaan aan de eis van terbeschikkingstelling van werknemers op het grondgebied van de staat Nederland, heeft het hof volgens FNV miskend dat werknemers ook voor een <emphasis role="italic">deel </emphasis>van hun werkzaamheden rechten aan de Detacheringsrichtlijn kunnen ontlenen, indien dat deel van de werkzaamheden wel degelijk <emphasis role="italic">“op het grondgebied van”</emphasis> of binnen een lidstaat als bedoeld in de Detacheringsrichtlijn plaatsvindt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17</nr>
      <para>Deze klacht is terecht voorgesteld. In geval van cabotage <emphasis role="italic">kan </emphasis>sprake zijn van detachering in de zin van de Detacheringsrichtlijn. Het hof heeft dit ofwel miskend, ofwel - voorondersteld dat ook van cabotage sprake was - zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Uit het bestreden oordeel blijkt niet waarom ten aanzien van het deel van de werkzaamheden dat uitsluitend op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden niet kan worden gesproken van detachering in de zin van de Detacheringsrichtlijn. Deze constatering neemt niet weg dat op dit moment niet steeds duidelijk is wanneer bij cabotage sprake is van detachering. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. <emphasis role="underline">Onderdeel 1, voortbouwende rechts- en motiveringsklacht </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18</nr>
      <para>Daarnaast komt FNV met een voortbouwende rechts- en motiveringsklacht op tegen de door het hof in rov. 13.6.7 en rov. 3.18 aan art. 44 cao GN gegeven uitleg. <emphasis role="underline">Onder 22</emphasis> klaagt zij primair dat het hof de in die bepaling vervatte zinsnede <emphasis role="italic">“wanneer dat voortvloeit uit de Detacheringsrichtlijn”</emphasis> te beperkt heeft uitgelegd op de eerder weergegeven gronden. Voor zover op dit onderdeel niet met een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof kan worden opgekomen, omdat art. 44 cao GN niet is aan te merken als recht in de zin van art. 79 RO, klaagt FNV <emphasis role="underline">onder 23</emphasis> dat de door het hof gekozen uitleg onbegrijpelijk is, nu deze steunt op de hiervoor bestreden uitleg van de Detacheringsrichtlijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19</nr>
      <para>De rechtsklacht moet m.i. falen op de in het onderdeel genoemde grond dat art. 44 cao GN niet is aan te merken als recht in de zin van art. 79 RO. Dat wordt niet anders als deze cao, hoewel niet algemeen verbindend verklaard in de zin van de Wet AVV, wel als algemeen verbindend in de zin van de Detacheringsrichtlijn moet worden beschouwd (zie hiervoor, 3.16), waarover nader bij de bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. <emphasis role="underline">Onderdeel 2</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20</nr>
      <para>De opgeworpen klacht dat FNV ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld volgt het lot van de voorafgaande klachten. Nu die deels slagen is deze klacht gegrond. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>C. <emphasis role="italic">In het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21</nr>
      <para>Het incidenteel cassatieberoep behelst één uit twee subonderdelen opgebouwd onderdeel en is opgeworpen voor het geval de in het principale cassatiemiddel opgeworpen klachten (deels) slagen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22</nr>
      <para>Het onderdeel is gericht tegen rov. 3.14.5 tot en met 3.14.7 en in het bijzonder tegen de slotsom dat art. 44 van de cao GN niet is te beschouwen als een ongeoorloofde belemmering voor de vrijheid van dienstverrichting. Deze bepaling zou nietig zijn wegens strijd met art, 56 VWEU.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 1.1</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23</nr>
      <para>Onder 1.1 klagen [verweersters] dat het oordeel dat de charterbepaling uit art. 44 cao GN niet nietig is wegens strijd met de vrijheid van dienstverrichting, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Op grond van de Detacheringsrichtlijn mogen voor een buitenlandse dienstverrichter slechts arbeidsvoorwaarden verplicht worden gesteld die zijn vastgelegd in een cao die algemeen verbindend is verklaard (dan wel zijn neergelegd in wettelijke bepalingen).<footnote-ref linkend="_2281d556-c146-4af2-baba-928c8d745ee9" /> De cao GN is dat niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24</nr>
      <para>Het oordeel omtrent deze klacht hangt voor een belangrijk deel op de uitleg die aan art. 3 lid 8 van de Detacheringsrichtlijn moet worden gegeven. In haar schriftelijke toelichting onder 46 e.v. brengt FNV naar voren dat sprake is van een richtlijn-autonoom concept van ‘algemeen verbindend verklaarde cao’, waarbij zij zich beroept op het arrest <emphasis role="italic">Rüffert</emphasis>. <footnote-ref linkend="_4734773b-9829-45d9-ac64-907558c1b422" /> Ik volg FNV in die uitleg niet om de redenen die ik hiervoor in 3.16 heb genoemd. Het ontbreken van een algemeen verbindend verklaring van de cao GN heeft m.i. tot gevolg dat [verweerster 2] en Silo-Tank niet <emphasis role="italic">op grond van </emphasis>art. 3 lid 1 van de Detacheringsrichtlijn gebonden kunnen worden aan de bepalingen van de cao GN die betrekking hebben op de in die richtlijnbepaling opgenomen ‘harde kern’-onderwerpen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25</nr>
      <para>Feitelijk is niet onjuist, zoals het hof heeft overwogen, dat het samenstel van cao’s in de sector goederenvervoer over de weg er toe leidt dat aan de voorwaarde van gelijke behandeling is voldaan.<footnote-ref linkend="_bc50edef-f25e-424f-bf1b-26a1a9bfef08" /> Daar komt bij dat de reden waarom de cao GN niet algemeen verbindend is verklaard, is dat er binnen één en dezelfde bedrijfstak maar één cao algemeen verbindend verklaard kan worden. Het is logisch dat dit dan de cao is waarbij het grootste aantal partijen is aangesloten, cao Beroepsgoederenvervoer. Ik wijs er wel op dat FNV haar vorderingen tegen [verweerster 2] en Silo-Tank <emphasis role="italic"> niet </emphasis> mede heeft gebaseerd op art. 73 van de cao Beroepsgoederenvervoer.<footnote-ref linkend="_77fc19be-848a-462d-b897-ffa6629c39cf" /> Indien deze beide ondernemingen geacht moeten worden op het grondgebied van Nederland werknemers te hebben gedetacheerd (óf dat het geval is vormt het voornaamste geschilpunt in deze zaak), dan waren zij aan díe cao gebonden en was de ingewikkelde route via art. 44 cao GN niet nodig geweest. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26</nr>
      <para>De klacht is daarom terecht voorgesteld. Ik sta nog kort stil bij de gevolgen daarvan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.27</nr>
      <para>De omstandigheid dat [verweerster 2] en Silo-Tank niet <emphasis role="italic">op grond van </emphasis>art. 3 lid 1 van de Detacheringsrichtlijn gebonden kunnen worden aan de bepalingen van de cao GN betekent dat een toets aan art. 56 VWEU moet plaatsvinden als deze buitenlandse ondernemingen op een andere grond - bijvoorbeeld via doorcontractering – ertoe kunnen worden verplicht de basisvoorwaarden uit de cao GN na te leven. Óf zich strijd met art. 56 VWEU voordoet, zal dus nog moeten worden beoordeeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.28</nr>
      <para>Ik wijs er tot slot op dat, <emphasis role="italic">indien </emphasis>de uitkomst van die toetsing aan art. 56 VWEU zou zijn dat deze verdragsbepaling is geschonden, dat niet zonder meer tot gevolg heeft dat art. 44 cao GN nietig is. Deze bepaling zal dan in het individuele geval buiten toepassing moeten worden gelaten maar het Unierecht dwingt niet tot het aannemen van nietigheid.<footnote-ref linkend="_d45dceca-7293-4ea1-8b99-93e6d025c02d" /> Bij een onderaanneming zonder grensoverschrijdende effecten kan art. 44 cao GN overigens wèl worden toegepast. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 1.2</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.29</nr>
      <para>Onder 1.2 klagen [verweersters] dat, voor zover het verplicht stellen van arbeidsvoorwaarden uit een niet algemeen verbindend verklaarde cao al verenigbaar zou kunnen zijn met de vrijheid van dienstverrichting, het oordeel van het hof rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk (gemotiveerd) is. Zij menen dat voor het aannemen van een <emphasis role="italic">“level playing field”</emphasis>, dan wel van een situatie die <emphasis role="italic">“materieel</emphasis> (…) <emphasis role="italic">op één lijn te stellen </emphasis>[is] <emphasis role="italic">met het geval dat de toepasselijke cao GN wel algemeen verbindend zou zijn verklaard” </emphasis>niet voldoende is de enkele omstandigheid dat de charterbepaling uit de cao GN identiek is aan die in de wèl algemeen verbindend verklaarde cao Beroepsgoederenvervoer. Vereist is dat - breder - de harde kern van arbeidsvoorwaarden uit beide cao’s identiek zijn. Het zijn die voorwaarden die krachtens de charterbepaling door de buitenlandse dienstenverrichter moeten worden toegepast op hun werknemers en die aan de dienstenverrichter een bijkomende economische last opleggen. Hooguit wanneer de harde kern van arbeidsvoorwaarden uit beide cao’s volledig identiek zijn, zou sprake kunnen zijn van het door het hof bedoelde <emphasis role="italic">level playing field</emphasis> respectievelijk de door het hof bedoelde situatie die materieel op één lijn zou zijn te stellen met die waarin de cao GN algemeen verbindend was verklaard. Door het hof is evenwel niet onderzocht, laat staan vastgesteld, of en in hoeverre de harde kern van arbeidsvoorwaarden uit beide cao’s overeenstemmen. Tevens klagen [verweersters] dat het hof in rov. 2.14.5 enkel terloops heeft overwogen dat de beide cao’s <emphasis role="italic">“voor het overige </emphasis>[dat wil zeggen: behalve de charterbepaling]<emphasis role="italic"> qua inhoudelijke bepalingen”</emphasis> vrijwel gelijkluidend zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.30</nr>
      <para>Indien subonderdeel 1.1 slaagt doet het er m.i. weinig toe of het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Subonderdeel 1.2 behoeft dan geen behandeling. Indien dit subonderdeel wèl wordt behandeld, staat centraal de vraag of de overlap en samenhang tussen de twee cao’s zodanig groot is dat het ontbreken van een algemeen verbindend verklaring van de cao GN geen materieel effect heeft. Daartoe moeten beide cao’s met elkaar worden vergeleken. Het subonderdeel verwijt het hof dat niet te hebben gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.31</nr>
      <para>Het klopt dat uit het bestreden oordeel niet blijkt dat het hof heeft onderzocht óf de beide cao’s gelijkluidend zijn, terwijl het hof wel heeft geoordeeld dàt zij vrijwel gelijkluidend zijn. Of dit nu tot cassatie moet leiden zou ik echter willen betwijfelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.32</nr>
      <para>FNV heeft in feitelijke aanleg gesteld dat beide cao’s dezelfde bescherming aan werknemers bieden en gelijkluidend zijn.<footnote-ref linkend="_59aa968f-8288-4057-a277-605c1c1199d0" /> Uit de gedingstukken blijkt niet dat [verweersters] die stelling gemotiveerd hebben weersproken. Voorts is redelijkerwijs niet goed voorstelbaar dat er binnen één sector twee wezenlijk verschillende beloningsstructuren zouden gelden. Voor FNV lijkt niet aanvaardbaar als de schaallonen in een deel van de bedrijfstak aanzienlijk lager liggen dan in de rest van dezelfde bedrijfstak. Voor de werkgevers zouden dergelijk verschillen tot loonconcurrentie aanleiding kunnen geven die men door het afsluiten van cao’s juist wil voorkomen. Tot slot vormt het feit dat aan de partijen bij de cao GN dispensatie is verleend van de algemeen verbindend verklaarde cao Beroepsgoederenvervoer een  aanwijzing dat beide cao’s (wellicht niet gelijkluidend, maar wel) gelijkwaardig kunnen worden geacht. Om dat laatste gaat het.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.33</nr>
      <para>Indien Uw Raad de motivering ontoereikend acht en op dit punt vernietigt, zal het verwijzingshof vermoedelijk zonder veel moeite tot het oordeel komen dat de cao’s vrijwel gelijkluidend zijn. De beide cao’s bevatten in de hier relevante periode een identieke definitie van ‘basisarbeidsvoorwaarden’:<footnote-ref linkend="_bde2d0f4-543a-4cef-9625-5fb0074d04c4" />“<emphasis role="italic">loon en overige vergoedingen, arbeidstijden, daaronder begrepen overwerk, rusttijden, arbeid in nachtdienst, pauzes, de duur van vakantie en het werken op feestdagen</emphasis>.” Voorts leert een snelle vergelijking tussen de cao GN (versie 2012-2013, overgelegd als prod. 1 bij de dagvaarding) en de cao Beroepsgoederenvervoer (versie die op 25 januari 2013 verbindend is verklaard), dat beide uitgaan van een sterk vergelijkbare structuur, dat zij dezelfde loonschalen (A0-H9) hanteren en dat de bedragen nauwelijks verschillen (die in de cao GN zijn een fractie lager). De kans dat het verwijzingshof zal oordelen dat sprake is van sterk vergelijkbare cao’s lijkt zeer aanzienlijk. Vernietiging voegt dan weinig toe.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.34</nr>
      <para>Samengevat ben ik van mening dat in het principaal cassatieberoep de primaire  rechtsklacht faalt, de subsidiaire rechts- en motiveringsklacht slaagt en de voortbouwende klacht faalt. In het incidenteel cassatieberoep slaagt het eerste onderdeel en faalt het tweede onderdeel, als dat al zou moeten worden behandeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.35</nr>
      <para>Bij deze stand van zaken ligt het m.i. toch het meest voor de hand eerst prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Met name de primaire rechtsklacht in het principaal cassatieberoep nodigt daar toe uit. Dat die klacht faalt, zoals ik heb geconcludeerd, staat bepaald niet vast. Twijfels daarover is mogelijk. Duidelijk is dat over de toepasselijkheid dan wel toepassing van de Detacheringsrichtlijn op chauffeurs in het internationaal wegtransport onzekerheid bestaat, waaraan de Europese wetgever zoals het er nu naar uitziet niet op korte termijn een einde zal maken. Beide partijen hebben voorgesteld de zaak naar het HvJEU te verwijzen. Ik sluit mij daarbij aan. Mijn conclusie is daarom dat ik Uw Raad in overweging geef de zaak aan te houden en prejudiciële vragen te stellen. Mogelijk ten overvloede doe ik daarvoor suggesties. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Voorstel voor prejudiciële vragen </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Ik geef het hiernavolgende in overweging.<footnote-ref linkend="_54b34519-640c-4e57-9949-319e6304f76d" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(i) <emphasis role="underline">Toepasselijkheid Detacheringsrichtlijn op internationaal wegvervoer</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Een eerste vraag kan zijn of chauffeurs die werkzaam zijn in het internationale wegvervoer, binnen de werkingssfeer van de Detacheringsrichtlijn vallen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Het feit dat een aparte sectorspecifieke richtlijn noodzakelijk wordt geacht en de Herzieningsrichtlijn op deze sector pas van toepassing wordt als een dergelijke regeling in werking treedt (zie hiervoor, 3.37), vormen een mogelijke aanwijzing dat de Detacheringsrichtlijn in haar oorspronkelijke vorm <emphasis role="italic">niet </emphasis>op deze sector toepasselijk is.<footnote-ref linkend="_c67fd74f-f5a2-46d3-9315-3292cb300546" /> Het feit dat deze richtlijn, anders dan het Mobiliteitsvoorstel, niet (mede) is gebaseerd op art. 91 VWEU (transport) lijkt mij daarentegen niet relevant omdat de Detacheringsrichtlijn betrekking heeft op de dienst bestaande in het ter beschikking stellen van werknemers (zie hiervoor, 3.7), en niet op de diensten die deze werknemers tijdelijk verrichten. De reden dat het Mobiliteitsvoorstel (mede) is gebaseerd op art. 91 VWEU is dat daarin tevens wijzigingen worden aangebracht in Richtlijn 2006/22/EG, die is gebaseerd op art. 91 VWEU (zie hiervoor, 3.39). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Naar ik verwacht zal het HvJEU oordelen dat chauffeurs werkzaam in het internationale wegvervoer niet buiten het toepassingsgebied van de Detacheringsrichtlijn vallen. In zijn algemeenheid geeft het HvJEU een ruime uitleg van communautaire wetgeving, mede om de volle werking daarvan te bevorderen. Uitzonderingen en uitsluitingen worden daarentegen restrictief uitgelegd. In art. 1 lid 2 is enkel een uitzondering opgenomen voor zeevarend personeel van koopvaardijschepen. Thans is een prejudiciële verwijzing aanhangig waarin wordt gevraagd welke van de detacheringsvarianten genoemd in art. 1 lid 3 van toepassing is op de beschikbaarstelling van rijdend personeel op internationale treinen.<footnote-ref linkend="_828e89f7-8cea-4523-828d-f701bf73f115" /> De verwijzende Oostenrijkse rechter gaat er kennelijk van uit dat deze werknemers niet van de werkingssfeer van de richtlijn zijn uitgesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>Een prejudiciële vraag zou als volgt kunnen luiden:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Zijn chauffeurs, die werkzaam zijn in het internationale vrachtvervoer over de weg, gelet op het mobiele karakter van hun werkzaamheden uitgesloten van het toepassingsgebied van Richtlijn 96/71/EG van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, PB 1997, L 18, blz. 1)?</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(ii) <emphasis role="underline">Uitleg van de zinsnede “</emphasis><emphasis role="underline italic">op het grondgebied van een lidstaat</emphasis><emphasis role="underline">”</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <para>Een volgende vraag is hoe moet worden vastgesteld of de Detacheringsrichtlijn van toepassing is op chauffeurs in het internationaal wegvervoer – het centrale geschilpunt in deze zaak. Daarbij komt het aan op de uitleg van de woorden “<emphasis role="italic">op het grondgebied van een lidstaat”</emphasis> in art. 1 lid 1, dat het toepassingsgebied van de richtlijn afbakent, en in art. 2 lid 1, dat een definitie bevat van ‘ter beschikking gestelde werknemer’. De primaire rechtsklacht van FNV heeft daarop betrekking.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7</nr>
      <para>Aan het HvJEU zou kunnen worden gevraagd zich uit te laten over het in het bestreden arrest gehanteerde criterium (‘op of overwegend op het grondgebied’), het door FNV bepleite verruimde criterium (‘op of vanuit het grondgebied’) en mogelijk ook over een ander criterium. Bij dat laatste denk ik aan de plaats waar de partij die opdracht geeft tot de charter is gevestigd dan wel het centrum van haar commerciële belangen heeft. Dat aanknopingspunt zal doorgaans recht doen aan de economische realiteit. Een minimumdagengrens, zoals voorgesteld in het Mobiliteitsvoorstel, leidt vermoedelijk niet steeds tot eenduidige uitkomsten. Men denke bijvoorbeeld aan een chauffeur die een rittenreeks van drie weken in Nederland start, daarna acht aaneengesloten dagen in Duitsland doorbrengt en vervolgens zeven aaneengesloten dagen in Frankrijk. Wat is dan het land waar hij tijdelijk werkt? In dat verband kan worden gevraagd of het uitmaakt als bij een charterovereenkomst gelieerde ondernemingen zijn betrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8</nr>
      <para>Tevens zou moeten worden verduidelijkt welke minimale binding met een lidstaat moet bestaan om toepassing te geven aan de zogenaamde ‘harde kern’ van arbeidsvoorwaarden. Het HvJEU kan worden gevraagd of er naast een algemeen aanknopingscriterium nadere criteria of ‘elementen’ zijn waarmee rekening moet worden gehouden, zoals het ook in rov. 49 van het arrest <emphasis role="italic">Koelzsch </emphasis>heeft bepaald in verband met het vaststellen van het gewoonlijk werkland (zie hiervoor, 3.27). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9</nr>
      <para>Tot slot kan, naar aanleiding van de subsidiaire rechtsklacht in het principaal cassatieberoep, worden gevraagd of cabotagevervoer moet worden afgesplitst van het internationale vervoer, in die zin dat de dagen waarop een chauffeur cabotagevervoer verricht hij in elk geval geacht moet worden tijdelijk te werken op het grondgebied van de lidstaat waar dat vervoer plaatsvindt. Gevraagd kan tevens worden of daarbij een ondergrens geldt, bijvoorbeeld een minimum aantal dagen per maand of een minimumpercentage van het totaal van een in een maand uitgevoerde ritten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10</nr>
      <para>Een en ander kan aanleiding zijn voor de volgende serie vragen: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>a) Indien moet worden bepaald of een chauffeur werkzaam in het internationale wegvervoer tijdelijk werkt op het grondgebied van een andere lidstaat dan waar hij gewoonlijk werkt, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, van Richtlijn 96/71/EG, moet dan worden uitgegaan van </para>
        <para>- de lidstaat waar de chauffeur overwegend, althans een minimum aantal aaneengesloten dagen per maand werkt, of</para>
        <para>- de lidstaat van waaruit de chauffeur doorgaans zijn rittenserie begint, of</para>
        <para>- de lidstaat waar de onderneming waaraan de chauffeur ter beschikking is gesteld, is gevestigd dan wel het centrum van haar commerciële belangen heeft, of</para>
        <para>- een ander aanknopingscriterium,</para>
        <para>wanneer de uitgevoerde ritten in meer dan overwegende mate worden uitgevoerd buiten de lidstaat waar de rittenserie begint?</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>b) Maakt het voor het antwoord op de vraag onder a) uit of de onderneming die chauffeurs ter beschikking stelt is gelieerd aan de onderneming waaraan chauffeurs ter beschikking worden gesteld?</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>c)	Zijn er nadere criteria of elementen die in acht moeten worden genomen om vast te kunnen stellen dat de arbeidsverhouding van de chauffeur een voldoende nauwe band heeft met een lidstaat om aldaar toepassing te moeten geven aan de ‘harde kern’ van arbeidsvoorwaarden zoals opgesomd in artikel 3 lid 1 van Richtlijn 96/71, in het bijzonder de onderdelen b) en c)? Zo ja, welke zijn die nadere criteria of elementen?</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>d) Indien en voor zover de onder a) bedoelde chauffeur tevens cabotagevervoer verricht op het grondgebied van een andere lidstaat dan waar hij gewoonlijk werkt, moet hij dan voor dat gedeelte van zijn werkzaamheden worden geacht tijdelijk te werken op het grondgebied van de lidstaat waar dat vervoer plaatsvindt? Geldt er in dat verband een ondergrens, bijvoorbeeld een minimum aantal dagen per maand waarop cabotagevervoer wordt verricht? </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(iii) <emphasis role="underline">Toepassingsvoorwaarden art. 3 lid 1 Detacheringsrichtlijn – formele aspecten </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11</nr>
      <para>Naar aanleiding van het incidentele cassatieberoep zou het HvJEU kunnen worden gevraagd te verduidelijken of een buitenlandse werkgever zich op grond van art. 3 Detacheringsrichtlijn moet houden aan de kernbepalingen van een cao wanneer die cao <emphasis role="italic">niet</emphasis> algemeen verbindend is verklaard. Hier spelen de volgende vragen: a) of ‘algemeen verbindend verklaard’ een nationaal of een communautair begrip is en b) wat de rechtsgevolgen zijn als niet aan de eis van algemeen verbindend verklaring is voldaan (zie ook hiervoor, 3.16 en 4.24). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12</nr>
      <para>Een en ander kan leiden tot de volgende prejudiciële vragen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>a) Moet artikel 3, lid 8, eerste alinea, van Richtlijn 96/71/EG, mede gelet het arrest van 3 april 2008, C-346/06, <emphasis role="italic">Rüffert</emphasis>, punt 26, zo worden uitgelegd, dat een cao die <emphasis role="italic">niet</emphasis> overeenkomstig het nationale recht algemeen verbindend is verklaard, voor de toepassing van art. 3, lid 1, van Richtlijn 96/71 toch als algemeen verbindend in de zin van 3, lid 8, eerste alinea, van die richtlijn moet worden aangemerkt, wanneer is voldaan aan de in die bepaling genoemde voorwaarden?  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>b) Indien de vraag onder a) ontkennend moet worden beantwoord, verzet artikel 56 VWEU zich er dan tegen dat een in een andere lidstaat gevestigde onderneming die werknemers beschikbaar heeft gesteld op het grondgebied van een andere lidstaat, wordt verplicht bepalingen van een niet algemeen verbindend verklaarde cao na te leven? </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(iv)  <emphasis role="underline">Verenigbaarheid met art. 56 VWEU – materiële aspecten</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13</nr>
      <para>
        [verweersters] hebben niet aangevoerd dat de verplichting van de dienstverrichter om aan gedetacheerde werknemers het cao-loon te betalen leidt tot een verboden belemmering van het vrij verrichten van diensten omdat dat loon de door art. 3 lid 1 Detacheringsrichtlijn voorgeschreven minimumbescherming te boven gaat en op de buitenlandse werkgever een onevenredige financiële last legt. De cao-loonschalen liggen immers wezenlijk boven het in Nederland geldende wettelijk minimumloon (zie hiervoor, 3.20 en 3.53-3.54). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14</nr>
      <para>Eventueel zouden hieromtrent de volgende vragen kunnen worden gesteld: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>a) Valt loon waarvan de hoogte is vastgelegd in een cao in de lidstaat van ontvangst, onder het begrip ‘minimumlonen’ in de zin van artikel 3 lid 1 onder c) van Richtlijn 96/71/EG, wanneer vaststaat dat genoemd loon wezenlijk hoger ligt dan het wettelijk minimumloon dat algemeen van toepassing is in die lidstaat?</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>b) Indien de vraag onder a) ontkennend moet worden beantwoord, verzet artikel 56 VWEU zich er dan tegen dat een dienstverrichter wordt verplicht om op de arbeidsverhouding met door hem in de lidstaat van ontvangst gedetacheerde werknemers het loon te betalen dat is vastgelegd in een dergelijke cao?</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.15</nr>
      <para>Over de ontvankelijkheid van deze laatste vragen is discussie mogelijk, omdat zij in cassatie niet voorliggen. Om die reden kan worden betoogd dat een antwoord op deze vragen niet noodzakelijk is om het voorgelegde geschil te beslissen. M.i. kan een antwoord op deze vragen desalniettemin nuttig zijn voor de uniforme toepassing van het Unierecht en voor de rechtsontwikkeling in Nederland.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Conclusie in het principale en incidentele cassatieberoep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	   Ik geef in overweging het HvJEU om een prejudiciële beslissing te verzoeken en 	   iedere verdere beslissing aan te houden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_88f86459-8f70-46ab-be42-cb31b4838d06" label="1">
    <para> Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, <emphasis role="italic">Pb </emphasis>1997, L 18, p. 1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b0a43544-cab9-4b2a-87d5-e72e3a969d9c" label="2">
    <para> F.A. Laagland, ‘Navigeren door het labyrint van grensoverschrijdende detachering – De fundamentele verkeersvrijheden, de Detacheringsrichtlijn en het internationaal privaatrecht’, <emphasis role="italic">ArA </emphasis>2016(10) 2, p. 3 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e0bac195-5c5e-443c-ab1f-ca022357c12b" label="3">
    <para> Ontleend aan rov. 3.1 van het bestreden arrest. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_56048122-1f2f-462e-bc95-d5440be577d9" label="4">
    <para> [verweerster 1] valt niet onder de cao Beroepsgoederenvervoer omdat dispensatie is verleend aan ondernemingen vallende onder de cao GN. Zie het Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 januari 2013 tot algemeen verbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen, <emphasis role="italic">Stcrt</emphasis> 2013/2496, Dictum IV.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_22c80939-340f-43f4-a2dd-de510cc60e2c" label="5">
    <para> Voorafgaand aan deze procedure hebben op verzoek van FNV voorlopig getuigenverhoren plaatsgevonden, onder andere om vast te stellen in hoeverre de Duitse en Hongaarse vestiging substantie hadden. In drie zittingen hebben werknemers van [verweerster 1] verklaringen afgelegd over de organisatie en de structuur van het bedrijf. Het proces-verbaal van deze getuigenverhoren bevindt zich als productie 4 bij de dagvaarding. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_130006ed-4c68-4541-ad82-e66b07e91bef" label="6">
    <para> Zie rov. 3.1, onder e).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2c3f4b68-ee38-4688-a450-ebb43932e454" label="7">
    <para> Art. 73 cao Beroepsgoederenvervoer is nagenoeg gelijkluidend aan art. 44 cao GN. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d6047c1b-000e-42a8-a196-7478b7e86ce8" label="8">
    <para> Vgl. de pleitnotities voor de gecombineerde zitting van 5 april 2016 onder 14.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_49736fd4-9c27-4cca-a988-b33eb2a8ba41" label="9">
    <para> Vgl. memorie van grieven onder 5, akte van 17 november 2015 onder 3, en schriftelijke toelichting onder 33. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c3f12039-e291-4c52-a360-5e3d5ee3bdd3" label="10">
    <para> Pleitnota voor de gecombineerde zitting van 5 april 2016 onder 13 e.v. en schriftelijke repliek onder 4(a). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b16b8c98-d187-48ba-a460-7730fe896e19" label="11">
    <para> Art. 48a cao GN, geciteerd in rov. 3.1 onder g, verplicht tot doorcontracteren in inleensituaties. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_448c384f-8e37-4131-91a2-66727a95ba81" label="12">
    <para> Vgl. de weergave van de grondslag van de vorderingen in rov. 3.2.2 van het bestreden arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b9763c47-07c0-4697-b04a-716c7b67e691" label="13">
    <para> Art. 15 Wet cao luidt: “<emphasis role="italic">Eene vereeniging, welke eene collectieve arbeidsovereenkomst heeft aangegaan, kan, indien eene der andere partijen bij die overeenkomst of een der leden van dezen handelt in strijd met eene harer of zijner verplichtingen, vergoeding vorderen niet alleen voor de schade, welke zij zelve dientengevolge lijdt, doch ook voor die, welke hare leden lijden</emphasis>.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_82e97143-2500-4f1a-b5d3-8c904759556b" label="14">
    <para> Zie rov. 3.5 van het bestreden arrest. Bevoegdheid volgde m.i. ook uit art. 6 lid 1 Brussel I (meerdere gedaagden, waarvan één gevestigd in Nederland).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_33b7daf2-67d1-4896-a9fd-aea34b68997e" label="15">
    <para> ECLI:NL:RBOBR:2015:19.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e30668f0-f688-408a-849c-639e423e136b" label="16">
    <para> Vgl. de weergave van het tussenvonnis van de kantonrechter in rov. 3.3.2 van het bestreden arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e987bf9a-a9ca-43a8-b070-331dfe50da93" label="17">
    <para> De reden waarom het hier een tussenvonnis betrof, was dat de kantonrechter partijen had verzocht informatie te verstrekken over  de opzegging van de cao GN; zie rov. 4.22 en het dictum. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7fbcf19a-fb55-4c27-b3ae-7caa34f82fab" label="18">
    <para> Vgl. de weergave van de grief van [verweerster 1] in rov. 3.4.1 van het bestreden arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ee144f00-d51b-4160-8338-c9c62ea0396e" label="19">
    <para> Vgl. rov. 3.4.2 van het bestreden arrest. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e3122e56-5707-42f7-b414-e958d5f589fe" label="20">
    <para> ECLI:NL:GHSHE:2017:1873, <emphasis role="italic">JAR</emphasis> 2017/151, m.nt. E.J.A. Franssen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ebfb9ed5-9841-4acf-a38b-db31726059ba" label="21">
    <para> HvJ EG 3 april 2008, C-346/06, ECLI:EU:C:2008:189 (<emphasis role="italic">Rüffert</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2008/351, m.nt. M.R. Mok, <emphasis role="italic">JAR</emphasis> 2008/115 en <emphasis role="italic">SR</emphasis> 2008/43, m.nt. A.G. Veldman.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ce75699e-4343-40c5-a821-9a60b14db6a2" label="22">
    <para> HvJ EU 17 november 2015, C-115/14, ECLI:EU:C:2015:760 (<emphasis role="italic">Regiopost</emphasis>), <emphasis role="italic">JAR</emphasis> 2015/318, m.nt. I. Lintsen, en  <emphasis role="italic">TRA</emphasis> 2016/19, m.nt. M. Kullmann.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ca8888ae-0c5e-4fce-abfc-95268e703d86" label="23">
    <para> Vgl. conclusie van antwoord onder 43 en memorie van grieven onder 6-8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_87f3699c-7cd4-4dda-bf29-f215247fb283" label="24">
    <para> De Detacheringsrichtlijn zou wèl van toepassing zijn als Hongaarse chauffeurs enige tijd binnen Nederland pendeldiensten zouden verrichten tussen bijvoorbeeld de Rotterdamse haven en Eindhoven. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_969ee3aa-3e35-4661-92b9-42b8a4828d48" label="25">
    <para> Art. 1 lid 2 Detacheringsrichtlijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9da501fc-e950-4fca-8a93-341029859cbb" label="26">
    <para> Over de achtergrond en de inhoud van de Detacheringsrichtlijn is veel geschreven. Drie titels beveel ik in het bijzonder aan: M.S. Houwerzijl, <emphasis role="italic">De Detacheringsrichtlijn – Over de achtergrond, inhoud en implementatie van Richtlijn 96/71/EG</emphasis> (diss. Tilburg), Deventer: Kluwer 2005, P. Davies, ‘Posted Workers: Single Market or Protection of National Labour Law Systems?,’ <emphasis role="italic">CMLRev.  </emphasis>1997, p. 572 e.v. en de bundel <emphasis role="italic">Toepasslijk arbeidsrecht over de grenzen heen</emphasis> (H. Verschueren en M.S. Houwerzijl, red.), <emphasis role="italic">Serie Onderneming en Recht</emphasis>, deel 48, Deventer: Kluwer 2009. Van recenter datum is de conclusie van A-G Wahl van 18 september 2014, C-396/13, ECLI:EU:C:2014:2236 (<emphasis role="italic">Sähköalojen ammattiliitto ry</emphasis>), punten 25-58. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0cbc7860-153a-45d7-b53d-06f52954a357" label="27">
    <para> Op grond van art. 48 EEG (thans art. 45 VWEU) en Verordening 1612/68 (thans Verordening 492/2011, <emphasis role="italic">Pb</emphasis> 2011, L 141/1). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1a40404d-6e4e-41e5-ac81-f91998f20ed8" label="28">
    <para> HvJEG 25 oktober 2001, C-49/98 e.a., ECLI:EU:C:2001:564 (<emphasis role="italic">Finalarte</emphasis>), punten 22-23. Het HvJEG verwijst naar twee belangrijke wegbereiders van de Detacheringsrichtlijn, te weten HvJEG 27 maart 1990, C-113/89, ECLI:EU:C:1990:142 (<emphasis role="italic">Rush Portuguesa</emphasis>), punt 15, en HvJEG 9 augustus 1994, C-43/93, ECLI:EU:C:1994:310 (<emphasis role="italic">Vander Elst</emphasis>), punt 21. Beide zaken lagen evenwel wat anders. De zaak <emphasis role="italic">Rush Portuguesa </emphasis> ging over Portugese werknemers die tijdens de overgangsperiode volgend op de toetreding van Portugal tot de EU voor een groot project in Frankrijk waren gedetacheerd. De zaak <emphasis role="italic">Van der Elst</emphasis> ging over derdelanders in dienst van een Belgisch sloopbedrijf dat een opdracht uitvoerde in Frankrijk. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a0416ca4-1e79-4235-aab8-bed1cae85dbd" label="29">
    <para> Vgl. G. Lodder, ‘Loon naar werken voor de EU arbeidsmigrant?’, <emphasis role="italic">NJB</emphasis> 2016/1883. Volgens deze auteur ligt aan de basis van de ongelijke behandeling tussen lokale en gedetacheerde werknemers de gekozen constructie waarbij gedetacheerde werknemers niet beschouwd worden als zelfstandige dragers van het recht op vrij werknemersverkeer, maar als ‘gereedschap’ van de dienstverlener die gebruik maakt van zijn recht op vrij dienstenverkeer. Verwezen wordt naar HvJEG 17 december 1981, C-279/80 ECLI:EU:C:1981:314 (<emphasis role="italic">Webb</emphasis>),  HvJEG 27 maart 1990, C-113/89,  ECLI:EU:C:1990:142 (<emphasis role="italic">Rush Portuguesa</emphasis>), en meer recent naar HvJEU 11 september 2014, C-91/13, ECLI:EU:C:2014:2206 (<emphasis role="italic">Essent</emphasis>), <emphasis role="italic">JAR</emphasis> 2014/262, m.nt. E.J.A. Franssen, <emphasis role="italic">JV</emphasis> 2014/346, m.nt. C.A. Groenendijk. HvJEU 10 februari 2011, C-307/09, ECLI:EU:C:2011:63 (<emphasis role="italic">Vicoplus</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2011/267, m.nt. M.R. Mok, <emphasis role="italic">TRA</emphasis> 2011/53, m.nt. K. Boonstra vormt geen doorbreking van dit uitgangspunt.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f52028c-6ac8-4d78-929b-e2d9635256bb" label="30">
    <para> Vgl. H. Verschueren, ‘Toepasselijk arbeidsrecht en grensoverschrijdende situaties: overzicht en knelpunten van Europese rechtsregels en rechtspraak’ in: <emphasis role="italic">Toepasslijk arbeidsrecht over de grenzen heen</emphasis> (H. Verschueren en M.S. Houwerzijl, red.), <emphasis role="italic">Serie Onderneming en Recht</emphasis>, deel 48, Deventer: Kluwer 2009, p. 1-51/8-10.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_30b0bbaa-9f66-451c-853b-c47a1e6e63d7" label="31">
    <para> HvJEG 3 februari 1982, zaken 62 en 63/81, ECLI:EU:C:1982:34 (<emphasis role="italic">Seco</emphasis>). Het Hof week op dat punt af van A-G VerLoren van Themaat, die de klassieke interne markt benadering voorstond. Volgens hem “<emphasis role="italic">behoort tot de wezenskenmerken van de onder meer door de vrijheid van dienstverlening nagestreefde gemeenschappelijke markt, dat iedere werkgever in beginsel van de in zijn land bestaande kostenvoordelen, waaronder lagere loonkosten, in de door het Verdrag eveneens nagestreefde onvervalste mededinging, bij het verrichten van diensten in andere lidstaten gebruik kan maken</emphasis>.” (ECLI:EU:C:1981:305, Jurispr. 1982, p. 244). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_77ee927b-c606-4b78-9ab2-5df5de1d83dc" label="32">
    <para> HvJEG 27 maart 1990, C-113/89, ECLI:EU:C:1990:142 (<emphasis role="italic">Rush Portuguesa</emphasis>), punt 18 en HvJEG 9 augustus 1994, C-43/93, ECLI:EU:C:1994:310 (<emphasis role="italic">Van  der Elst</emphasis>), punt 23.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f197a061-ddfe-40d8-ab79-ac18f1aa2d59" label="33">
    <para> Zie onder meer: HvJEG 23 november 1999, C-369/96 en 376/96, ECLI:EU:C:1999:575 (<emphasis role="italic">Arblade en Leloup</emphasis>) en HvJEG 24 januari 2002, C-164/99, ECLI:EU:C:2002:40 (<emphasis role="italic">Portugeia Construções</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dc15fd80-acb7-4d19-a502-e0ed137518ac" label="34">
    <para> Destijds art. 57, lid 2, en art. 66 EG, thans art. 53 lid 1 en 62 VWEU.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7256bdd3-52d1-475b-8712-fe70d9b58d2b" label="35">
    <para> Zie overweging 5 van de considerans. Deze doelstellingen zijn in de rechtspraak erkend: HvJEG 12 oktober 2004, C-60/03, ECLI:EU:C:2004:610 (<emphasis role="italic">Wollff &amp; Müller</emphasis>), punt 42; HvJEG 18 juli 2007, C-490/04, ECLI:EU:C:2007:430 (<emphasis role="italic">Commissie/Duitsland</emphasis>), punt 61; en HvJEG 18 december 2007, C-341/05, ECLI:EU:C:2007:809 (<emphasis role="italic">Laval</emphasis>), punten 74-75. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_870597ae-9b02-47a0-b03a-ddce1e3182ee" label="36">
    <para> Zie overwegingen 6 en 13 van de Detacheringsrichtlijn. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0c8bfe25-906b-42e1-833d-f63bba824d5f" label="37">
    <para> Vgl. HvJEG 18 juli 2007, C-490/04, ECLI:EU:C:2007:430 (<emphasis role="italic">Commissie/Duitsland</emphasis>), punt 19, HvJEG 18 december 2007, C-341/05, ECLI:EU:C:2007:809 (<emphasis role="italic">Laval</emphasis>), punten 60 en 68 en de conclusie van A-G Wahl in C-396/13, ECLI:EU:C:2014:2236 (<emphasis role="italic">Sähköalojen ammattiliitto ry</emphasis>), punten 36-39.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_71bc439c-bb5c-4817-87a8-bd65b350abfc" label="38">
    <para> Situatie als aan de orde in HvJEG 27 maart 1991, C-113/89, ECLI:EU:C:1990:142 (<emphasis role="italic">Rush Portuguesa</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ba39cddc-a382-4718-a7af-f38e29fbfe72" label="39">
    <para> Situatie als aan de orde in HvJEG 3 februari 1982, 62/81, ECLI:EU:C:1982:34 (<emphasis role="italic">Seco</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b7ff35c6-77c8-4fa0-996a-ca4420051bc6" label="40">
    <para> Zie E.J.A. Franssen, ‘Concurrerende arbeidsvoorwaarden in het internationale wegtransport.’ <emphasis role="italic">TV&amp;R </emphasis>2016-2, p. 37 e.v./41-42. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8ab6765-4c91-4b52-ae5d-07525be8efd3" label="41">
    <para> M.S. Houwerzijl, <emphasis role="italic">De Detacheringsrichtlijn. Over de achtergrond, inhoud en implementatie van Richtlijn 96/71/EG</emphasis> (diss. Tilburg), Deventer: Kluwer 2005, p. 126. Zie ook F.A. Laagland, ‘Navigeren door het labyrint van grensoverschrijdende detachering – De fundamentele verkeersvrijheden, de Detacheringsrichtlijn en het internationaal privaatrecht’, <emphasis role="italic">ArA </emphasis>2016(10) 2, p. 3 e.v./11: “<emphasis role="italic">De tijdelijkheid is aldus gerelateerd aan het bestaan van een gewoonlijk werkland</emphasis>”. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cbdfb6b7-3d95-4f3e-b772-1db02fc534be" label="42">
    <para> Het gaat om een verplichting, niet enkel een mogelijkheid. Vgl. M.S. Houwerzijl, <emphasis role="italic">De Detacheringsrichtlijn. Over de achtergrond, inhoud en implementatie van Richtlijn 96/71/EG</emphasis> (diss. Tilburg), Deventer: Kluwer 2005, p. 132. Zie ook HvJEG 18 juli 2007, C-490/04, <emphasis role="italic">Commissie/Duitsland</emphasis>, ECLI:EU:C:2007:430, punt 17 (zij het in de context van de ontvankelijkheid van de vorderingen van de Commissie). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f727286-d554-48f3-b895-040a65040538" label="43">
    <para> HvJEU 12 februari 2015, C-396/13, ECLI:EU:C:2015:86 (<emphasis role="italic">Sähköalojen ammattiliitto ry</emphasis>), punt 30.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0f6e4172-7be2-4c65-8a81-48f1ff3509c6" label="44">
    <para> Zie ook M. Kullmann, ‘Herziening van de Detacheringsrichtlijn: over (on)gelijke beloning en de ‘harde kern-plus’ bij langdurige detacheringen’, <emphasis role="italic">NtEr</emphasis> 2018/1/2, p. 37: <emphasis role="italic">“Van gelijke behandeling is sprake wanneer lokale ondernemingen zich in een soortgelijke situatie bevinden op de plaats van de activiteit of in de betrokken bedrijfstak en ten aanzien van ‘harde kern’ arbeidsvoorwaarden onderworpen zijn aan dezelfde verplichtingen als de buitenlandse dienstverleners en zij met dezelfde gevolgen aan deze verplichtingen moeten voldoen.”</emphasis></para>
  </footnote>
  <footnote id="_34a87526-07c0-4a94-86e3-c374e2a27ce7" label="45">
    <para> Aldus de Commissie in de toelichting op haar voorstel voor de Detacheringsrichtlijn, COM(91) 230 def. – SYN 346 van 1 augustus 1991, punt 25, tweede streepje.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_96c38b13-94ea-4f30-8181-9674ce0bc77c" label="46">
    <para> HvJEG 3 april 2008, C-346/06, ECLI:EU:C:2008:189 (<emphasis role="italic">Rüffert</emphasis>), rov. 26.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f8ceff72-c927-4c2c-80ee-d367f4a0e7a0" label="47">
    <para> Vgl. P. Davies, ‘Posted Workers: Single Market or Protection of National Labour Law Systems?, <emphasis role="italic">CMLRev, </emphasis>1997, p. 571 e.v../581-582.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc5b8c1a-0b0f-4960-ad68-17cfe690e1d4" label="48">
    <para> HvJEG 18 december 2007, C-341/05, ECLI:EU:C:2007:809 (<emphasis role="italic">Laval</emphasis>), punten 70 en 71 en HvJEG 3 april 2008, C-346/06, ECLI:EU:C:2008:189 (<emphasis role="italic">Rüffert</emphasis>), punt 31.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_78259b64-7b27-460e-92ef-65a9ddf9db0e" label="49">
    <para> Vgl. HvJEG 19 juni 2008, C-319/06, ECLI:EU:C:2008:350 (<emphasis role="italic">Commissie/Luxemburg</emphasis>), punten 30 en 50, HvJEG 3 april 2008, C-346/06, ECLI:EU:C:2008:189 (<emphasis role="italic">Rüffert</emphasis>), punten 33-37, en HvJEG 18 december 2007, C-341/05, ECLI:EU:C:2007:809, (<emphasis role="italic">Laval</emphasis>), punten 80-81, en HvJEG 11 december 2007, C-438/05, ECLI:EU:C:2007:772 (<emphasis role="italic">Viking</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_eea88b24-ee1c-497b-81c2-52c4a85bf37b" label="50">
    <para> M.S. Houwerzijl, ‘Verschillen in toepasselijk arbeidsrecht bij tijdelijke en structurele intracommunautaire arbeidsmigratie’ in:<emphasis role="italic"> Toepasslijk arbeidsrecht over de grenzen heen</emphasis> (H. Verschueren en M.S. Houwerzijl, red.), <emphasis role="italic">Serie Onderneming en Recht</emphasis>, deel 48, Deventer: Kluwer 2009, p. 159 e.v./160.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_88569f0b-23d9-4480-8b7e-76a4785f66e5" label="51">
    <para> Conclusie in C-396/13 ECLI:EU:C:2014:2236 (<emphasis role="italic">Sähköalojen ammattiliitto ry</emphasis>), punt 33.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f65d1a77-d4a7-4f64-9bd0-67815c0263c5" label="52">
    <para> In een <emphasis role="italic">Rechtsgutachten</emphasis> uit 2017 stelt P. Mankowski dat de arresten C-396/13, ECLI:EU:C:2015:86 (<emphasis role="italic">Sähköalojen ammattiliitto ry</emphasis>) en C-549/13, ECLI:EU:C:2014:2235, <emphasis role="italic">Bundesdruckerei/Stadt Dortmund</emphasis> zouden aantonen dat het HvJEU de “<emphasis role="italic">wirtschaftsliberale Linie</emphasis>” uit de arresten <emphasis role="italic">Laval</emphasis>, <emphasis role="italic">Viking </emphasis>en<emphasis role="italic"> Commissie</emphasis>/<emphasis role="italic">Luxemburg </emphasis>zou hebben bijgebogen. Naar mijn indruk leest de auteur meer in die arresten dan er staat. Zie Prof. Dr. Peter Mankowski, ‘Die Unionsrechtskonformität des Mindestlohngesetzes – unter besonderer Berücksichtigung des grenzüberschreitenden Straßenverkehrs’, 11. April 2017<emphasis role="italic">,</emphasis> te raadplegen op <emphasis role="underline">www.dgb.de</emphasis>. De opinie is opgesteld in opdracht van de Duitse sociale partners in het wegverkeer naar aanleiding van bezwaren van de Europese Commissie tegen de toepassing van de Mindestlohngesetz (MiLoG) op transitritten door Duitsland. De MiloG is op 1 januari 2015 ingevoerd en legt op federaal niveau een wettelijk minimumloon vast.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_39f144f6-2fa9-43bd-9ab4-bbf76ca33f00" label="53">
    <para> Zie over de eerste stappen op weg naar de Europeanisering van de arbeidsrechtelijke conflictregels M.V. Polak, ‘Brussel, Lugano, Rome, Den Haag of toch weer Brussel? De voortschrijdende Europeanisering van het internationaal privaatrecht met betrekking tot individuele arbeidsverhoudingen,’ <emphasis role="italic">SMA </emphasis>2000, p. 346 e.v..</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6f25848e-9149-4349-8538-e2ff359d742e" label="54">
    <para> In die zin o.a. het voorstel van de Commissie voor Rome I (COM(2005)650 def., p. 8). Zie HvEG 13 juli 1993, C-125/92, ECLI:EU:C:1993:306 (<emphasis role="italic">Mulox/Geels</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1997/61, HvJEG 9 januari 1997, C-383/95, ECLI:EU:C:1997:7 (<emphasis role="italic">Rutten/Cross Medical</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1997/717 en HvJEG 27 februari 2002, C-37/00, ECLI:EU:C:2002:122 (<emphasis role="italic">Weber/Universal Ogden Services</emphasis>). In de laatste zaak werd geoordeeld (rov. 58): “<emphasis role="italic">De plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht is de plaats is waar of van waaruit hij, rekening houdend met alle omstandigheden van het concrete geval, feitelijk het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult</emphasis>.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b2be7a5-79b2-4906-bac2-b133684f5cf3" label="55">
    <para> Deze rechtspraak over de rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van een geschil over een individuele arbeidsovereenkomst is gecodificeerd in (thans) art. 21 lid 1, letter b, sub i) van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, <emphasis role="italic">Pb</emphasis> 2012, L 351/1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6022aa17-4ab9-4773-8154-ea3bacbd061f" label="56">
    <para> Zie bijvoorbeeld HvJEU 12 september 2012, C-64/12, ECLI:EU:C:2013:551 (<emphasis role="italic">Schlecker</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2015/166, m.nt. Th. M. de Boer, <emphasis role="italic">JAR </emphasis>2013/250., m.nt. F.A. Laagland. De betrokken werkneemster had tien jaar in Nederland gewerkt (haar gewone werkland), maar alle andere aanknopingspunten verwezen naar Duitsland, waar zij was blijven wonen en waar zij belastingen en premies betaalde. Zie V. van den Eeckhout, ‘De ontsnappingsclausule van art. 6 lid 2 EVO. Hoe bijzonder is de zaak Schlecker?’, <emphasis role="italic">TRA </emphasis>2014/31.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d6acfaf6-c033-46c3-b449-dd28434b903b" label="57">
    <para> Zie R. Plender &amp; M. Wilderspin, ‘The European Private International law of Obligations’ Third Edition, Sweet &amp; Maxwell/Thomson Reuters, nr. 11-036.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fe1fbed2-9dee-4f3e-ade6-40cf8f543706" label="58">
    <para> R. Plender &amp; M. Wilderspin, ‘The European Private International law of Obligations’ Third Edition, Sweet &amp; Maxwell/Thomson Reuters (nrs. 11-047 – 11.052) noemen voorbeelden uit de nationale rechtspraak, die vooral gaan over werknemers die achtereenvolgens in verschillende landen hebben gewerkt. Het land waar het langst is gewerkt, weegt in de regel het zwaarst. Bij internationaal wegvervoer is het probleem dat een chauffeur binnen een zeer kort tijdsbestek in verschillende landen ritten voor zijn werkgever uitvoert. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c1219c48-ef7c-4968-8d58-f94d8d2dc358" label="59">
    <para> HvJEU 15 maart 2011, C-29/10, ECLI:EU:C:2011:151 (<emphasis role="italic">Koelzsch/Luxemburg</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2011/246, m.nt. M.V. Polak, <emphasis role="italic">JAR </emphasis> 2011/114, <emphasis role="italic">AAe </emphasis>2011, p. 650 e.v., m.nt. A.A.H. van Hoek. Zie ook Z. Even, ‘Het toepasselijk recht op arbeidsovereenkomsten. Artikel 6 EVO en 8 Rome I steeds verder ontrafeld’, <emphasis role="italic">NiPR </emphasis>2013, p. 13 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_462cb755-2575-4653-9a74-33ae1bfc3880" label="60">
    <para> HvJEU 15 december 2011, C-384/10, ECLI:EU:C:2011:842 (<emphasis role="italic">Voogsgeerd/Navimer</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2012/273, m.nt. M.V. Polak, <emphasis role="italic">JAR </emphasis>2012/75, en <emphasis role="italic">JIN </emphasis>2012/47, m.nt. E.K.W. van Kampen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8deaca9f-b528-452a-8b88-1ca7ef928d59" label="61">
    <para> HvJEU 14 september 2017, C-168/16 en C-169/16, ECLI:EU:C:2017:688 (<emphasis role="italic">Nogueira en Moreno/Ryanair</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1ca631e5-b9ca-4037-bf84-7f9d663da1e2" label="62">
    <para> Zie ook A.A.H. van Hoek,<emphasis role="italic"> AAe </emphasis>2011, p. 650/655-656, en R. Plender &amp; M. Wilderspin, ‘The European Private International Law of Obligations’, Third Edition, Sweet &amp; Maxwell/Thomson Reuters, nr. 11-044.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5cd3668b-f2f6-4164-8f1b-2b5a1f4d9c41" label="63">
    <para> Zie o.a. A.A.H. van Hoek, ‘Openbare orde, dwingende redenen van algemeen belang en bijzonder dwingend recht – De overeenkomsten en verschillen tussen internationaal privaatrecht en interne marktrecht<emphasis role="italic">’</emphasis> in: <emphasis role="italic">Toepasslijk arbeidsrecht over de grenzen heen</emphasis> (H. Verschueren en M.S. Houwerzijl, red.), <emphasis role="italic">Serie Onderneming en Recht, </emphasis>deel 48, Deventer: Kluwer 2009, p. 55 e.v.. Zie ook M. Kullmann, ‘Tijdelijke grensoverschrijdende detachering en gewoonlijk werkland: over de verhouding tussen de Rome I-Verordening en de Detacheringsrichtlijn en de rol van de Handhavingsrichtlijn’, <emphasis role="italic">NIPR</emphasis> 2015/2, p. 205 e.v., en F. van Overbeeke, ‘Het toepasselijk recht op gedetacheerde werknemers’, <emphasis role="italic">ArbeidsRecht</emphasis> 2014/44.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_228de532-2def-40c8-aedb-938c21fa0588" label="64">
    <para> FNV haalt in haar schriftelijke toelichting onder 22 een veelheid van bronnen aan, waaruit volgt dat de Detacheringsrichtlijn heeft te gelden als uitwerking van art. 7 EVO, respectievelijk art. 9 Rome I. Ik noem alleen het Voorstel voor een Richtlijn van de Raad betreffende de detachering van werknemers met het oog op het verlenen van diensten, COM (91) 230 def., onder 18 <emphasis role="italic">(“een voorstel (…) gericht op een verduidelijking van artikel 7 van het Verdrag van Rome”</emphasis>) en Kamerstukken II 2015-2016, 34 408, nr. 3, p. 7 (<emphasis role="italic">“Aangezien de detacheringsrichtlijn, en de implementatie hiervan in nationaal recht, een verdere uitwerking van bijzonder dwingend recht betreft (artikel 9 Rome I)”</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f623fd7b-ce75-4254-81c3-49c05b66a58a" label="65">
    <para> Vgl. I.A. Haanappel-van der Burg, Arbeidsovereenkomst, commentaar op art. 9 Rome I, aant. 2, onder verwijzing naar A.A.H. van Hoek, ‘Beëindigingsvergoedingen voor handelsagenten en algemeen belang. De uitspraak van het HvJ EU in de zaak Unamar nader beschouwd’, <emphasis role="italic">AAe</emphasis> 2014, p. 466 e.v. en J.J. Kuipers &amp; J. Vlek, ‘Het Hof van Justitie en de bescherming van de handelsagent: over voorrangsregels, dwingende bepalingen en openbare orde’, <emphasis role="italic">NIPR</emphasis> 2014/2, p. 198 e.v..</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c447c037-db9d-4a4c-8b11-e3b08cd8b233" label="66">
    <para> Vgl. o.a. A.A.H. van Hoek, <emphasis role="italic">Internationale mobiliteit van werknemers – Een onderzoek naar de interactie tussen arbeidsrecht, EG-recht en IPR aan de hand van de Detacheringsrichtlijn</emphasis>, (diss. UvA), Den Haag: Sdu 2000, p. 547. Al geruime tijd geleden is uitgemaakt dat voorschriften inzake het door wet of collectieve arbeidsovereenkomst gegarandeerde minimumloon behoren tot de dwingende bepalingen van het objectief toepasselijk recht; zie M.V. Polak, <emphasis role="italic">Arbeidsverhoudingen in het Nederlandse internationaal privaatrecht</emphasis>, (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1988, p. 119 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_33b43120-9eda-4d89-84b3-419676d271e7" label="67">
    <para> Hierover lijkt verschil van inzicht te bestaan. Zie F.G. Laagland, ‘Navigeren door het labyrint van grensoverschrijdende detachering. De fundamentele vrijheden, de Detacheringsrichtlijn en het internationaal privaatrecht’, <emphasis role="italic">ArbA </emphasis>2016 (10) 2, p. 3 e.v., onder 2.2 met verdere verwijzingen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_44d01dc8-fb39-4539-9f73-f2ba8fb11f6a" label="68">
    <para> Zie ook: R. Plender en M. Wilderspin, The European Private International Law of Obligations, 2009, 11-081 (<emphasis role="italic">“On balance, it would therefore appear that the Directive lays down an entirely separate and supplementary conflict rule”</emphasis>), E. de Wind, E.K.W. van Kampen en E.C.A. Pronk, Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, commentaar art. 9 Rome I, aant. C.1 (<emphasis role="italic">“Het is maar de vraag of de bepalingen van de WagwEU en de Detacheringsrichtlijn door middel van artikel 9 Rome I/artikel 7 EVO dienen te worden toegepast, omdat deze al op grond van art. 23 Rome I/art. 20 EVO voorrang genieten”</emphasis>) en ook: F.A. Laagland, ‘Navigeren door het labyrint van grensoverschrijdende detachering – De fundamentele verkeersvrijheden, de Detacheringsrichtlijn en het internationaal privaatrecht’, <emphasis role="italic">ArA </emphasis>2016(10) 2, p. 3 e.v./8: “<emphasis role="italic">De Detacheringsrichtlijn bepaalt haar eigen internationale bereik en functioneert daarmee onafhankelijk van de verwijzingssystematiek uit de Rome I-Verordening</emphasis>.” </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c90e2912-41cf-4381-886c-7d9a7cdeba18" label="69">
    <para> Vgl. M.S. Houwerzijl, in Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, WagwEU, aant. A.1.4, dezelfde in: T&amp;C Arbeidsrecht, commentaar op art. 2 WagwEU, aant. 8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cc4a6e3d-ca69-4b75-afeb-dd7cea63be33" label="70">
    <para> Zie Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, <emphasis role="italic">Pb</emphasis> 2006, L 376/36. Op grond van art. 17 lid 2 van die richtlijn zijn “<emphasis role="italic">aangelegenheden die vallen onder Richtlijn 96/71/EG</emphasis>” uitgezonderd van de bepalingen over het vrij verkeer van diensten die zijn opgenomen in art. 16 van die richtlijn.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0f393ce1-d8b3-41b0-87ac-0f91862b4639" label="71">
    <para> De Commissie heeft in opeenvolgende beleidsdocumenten aandacht besteed aan de toepassing en de naleving van de Detacheringsrichtlijn. Vgl. Mededeling van de Commissie ‘De tenuitvoerlegging van Richtlijn 96/71 in de lidstaten’, COM(2003) 458, 25 juli 2003; Mededeling van de Commissie ‘Richtsnoeren betreffende de detachering van werknemers met het oog op het verrichten van diensten’, COM(2006) 159, 4 april 2006; en Mededeling van de Commissie ‘Detachering van werknemers met het oog op het verrichten van diensten – de voordelen en het potentieel maximaliseren en de bescherming van de werknemers garanderen’, COM(2007) 304, 13 juni 2007.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_25942f8d-f686-4c2d-9304-4cd213600377" label="72">
    <para> Bepaalde lidstaten (met name België en Frankrijk), alsook vakbonden zagen de liberaal ingestoken Dienstenrichtlijn als een aanval op ‘Europese sociale model’. Dit spanningsveld, gesymboliseerd in ‘de Poolse loodgieter’, speelde een rol bij het Franse referendum over de Europese Grondwettelijk Verdrag in 2005.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c6c0b88d-bab7-4152-b8b3-2fd234025c35" label="73">
    <para>
      <emphasis role="italic">Pb</emphasis> 2014, L 159/11. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f79cc696-0627-41c7-95d7-fa506fb282ae" label="74">
    <para> Art. 23 lid 1 van de Handhavingsrichtlijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5ef953cb-984b-475f-b340-5a185e9ee1be" label="75">
    <para> Zie over schijnconstructies J.H. Even en A. Zwanenburg, ‘Schijnconstructies. Constructies en de WagwEU’, <emphasis role="italic">TvA&amp;O</emphasis> 2017, p. 184 e.v.. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e51d6a97-629e-4772-85ab-25f7999c09a3" label="76">
    <para> COM(2016) 128 def. van 8 maart 2016. Zie over dit voorstel M.S. Houwerzijl, in Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, WagwEU, aant. A.1.5, I.S.H. Janssen, ‘Het voorstel ter herziening van de Detacheringsrichtlijn: een tussenstand’, <emphasis role="italic">TRA</emphasis> 2018/19.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d5f09280-52e8-431f-9a77-eabbb61818dc" label="77">
    <para> Vgl. M. Kullmann, ‘Herziening van de Detacheringsrichtlijn: over (on)gelijke beloning en de ‘harde kern-plus’ bij langdurige detacheringen’, <emphasis role="italic">NtEr</emphasis> 2018/1/2, p. 33 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b0882ec0-de61-4ca7-b342-46a43eaf4bfa" label="78">
    <para>
      <emphasis role="italic">Pb</emphasis>. 2018, L 173/16.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_02189595-0d55-4256-b35d-4778dcdea536" label="79">
    <para> Art. 3 lid 1 tweede alinea van de Herzieningsrichtlijn. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5d322abb-83a7-4651-8106-eb214646e1d6" label="80">
    <para> Art. 3 lid 3 van de Herzieningsrichtlijn. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8bb17a29-f4ec-4694-8031-be53c3aa7f6d" label="81">
    <para> Die ontwikkeling hangt ermee samen dat in het Verdrag van Lissabon (in werking getreden op 1 december 2009) sociale bescherming beter in de Europese Verdragen is verankerd; zie art. 3 VEU en art. 9 VWEU.   </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6707a709-3a33-4447-9561-f73e7c0c0261" label="82">
    <para> Vgl. bijvoorbeeld HvJ EG 14 oktober 2004, C-299/02, ECLI:EU:C:2004:620 (<emphasis role="italic">Commissie/Nederland</emphasis> – registratie van zeeschepen), punt 24: “<emphasis role="italic">Wat het argument betreft, dat de Gemeenschap dit vereiste zelf in haar afgeleide recht heeft opgenomen, dient te worden vastgesteld dat EG- of EER‑nationaliteitsvoorwaarden weliswaar in het kader van een geharmoniseerde gemeenschapsregeling kunnen worden vastgesteld, doch dat zij door de lidstaten niet eenzijdig in hun nationale regeling mogen worden ingevoerd.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d3513991-bc6c-4e86-85ce-af8f38c1f4c7" label="83">
    <para> Vgl. in een andere context HvJEU 22 oktober 2013, C-105-107/12, ECLI:EU:C:2013:677 (<emphasis role="italic">Essent e.a./Staat der Nederlanden</emphasis>), punt 65. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_24239b6e-f99c-4b15-8664-d77e47ea1935" label="84">
    <para> COM(2017) 278 final van 31 maart 2017.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f997d621-502d-4fa5-aca6-17645908b29e" label="85">
    <para> 9259/18 ADD 4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0ea60d1a-24e4-4018-a57f-dd80fb0dbcfa" label="86">
    <para> Bij de Herzieningsrichtlijn gaat het juist om een maximumtermijn, namelijk een tijdslimiet aan de detachering. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f638379f-ce9d-4bf5-a1ad-b875a29a5502" label="87">
    <para> E.J.A. Franssen, ‘De mobiele werknemer en het minimumloon’, <emphasis role="italic">ArbeidsRecht </emphasis>2018/26, voetnoot 6 wijst erop dat diverse lidstaten hun minimumloon toepassen op cabotageritten. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1d0c2434-77be-4187-a335-ed5e85c8d0ff" label="88">
    <para> Art. 58 lid 1 VWEU verwijst naar Titel VI (Vervoer) van het VWEU. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2609dba3-f773-43e5-99de-1c248b602c4d" label="89">
    <para> Op grond van art. 8 lid 2 van Verordening 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, <emphasis role="italic">Pb </emphasis>2009, L 300/72 mogen na een internationale rit binnen zeven dagen drie cabotageritten worden uitgevoerd. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_77075e00-9565-4465-8059-973b5c7c5983" label="90">
    <para> Vgl. overweging 17 van Verordening 1072/2009.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_005690aa-fd51-473e-a4c4-edfe737d0334" label="91">
    <para>
      <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>1999, 554.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e469ac96-308c-43b9-a65e-6922a60a7935" label="92">
    <para>
      <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2016, 219.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1cd6ca0c-683a-4ffe-a4cb-d1b5054f15f8" label="93">
    <para> Zie M.S. Houwerzijl, in Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, WagwEU, aant. A.2. Voor de bouw was dat al op grond van de Detacheringsrichtlijn verplicht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1192eafb-8aaa-463f-a6c2-bbef5b0fc8c6" label="94">
    <para> Vgl. E.J.A. Franssen, ‘Concurrerende arbeidsvoorwaarden in het internationale wegtransport’, <emphasis role="italic">TV&amp;R </emphasis>2016/2, p. 37/42, onder verwijzing naar <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis>, 1998-1999, 26 524, nr. 3, p. 4-6. Zie ook M.S. Houwerzijl, in Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, WagwEU, aant. C.1.1.1. n.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c27131b6-0073-469c-acb1-e4610ae207de" label="95">
    <para>
      <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2017/484.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c811e157-d153-4592-b417-c97f2861714f" label="96">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2017/18, 34 766, nr. 3, p. 8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9206dad5-aa38-4e4e-9e4d-c6821cdb74e1" label="97">
    <para> Houwerzijl acht de toelichting op dit punt enigszins tegenstrijdig. Zie T&amp;C Arbeidsrecht, commentaar op art. 1 WagwEU, aant. 1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_af63396b-f638-4f17-8e64-01836f1a358e" label="98">
    <para> In de oorspronkelijke versie van de WagwEU luidde de definitie van ‘gedetacheerde werknemer’: “<emphasis role="italic">de werknemer die in het kader van transnationale dienstverrichting op basis van een arbeidsovereenkomst tijdelijk arbeid verricht in een andere lidstaat dan de staat waar de werknemer gewoonlijk arbeid verricht</emphasis>;” Daar gold dus als voorwaarde dat de werknemer elders zijn of haar gewoonlijk werkland heeft. In de na de laatste wetswijziging geldende definitie wordt dat in het midden gelaten en is slechts bepaald dat Nederland niet het gewoonlijk werkland kan zijn. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2d5a38f3-c80d-431a-8215-9b7c6f8dff81" label="99">
    <para> Deze aanpassing is per 18 juni 2016 doorgevoerd met de implementatiewet Handhavingsrichtlijn, <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2016/219. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_516fb309-1cbf-4a1e-a873-9b28210bf2ef" label="100">
    <para>  Het is wat onnatuurlijk dan te spreken van een ‘minimumloon’. Met de aanpassing van art. 2 lid 6 AVV lijkt een voorschot te zijn genomen op de Herzieningsrichtlijn. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8fe0b81-1089-4137-8fe6-d7afb2cb80d3" label="101">
    <para> Buitenlandse ondernemingen kunnen wel vallen onder de algemeen verbindend verklaarde cao Beroepsgoederenvervoer. In dat geval hoeft geen beroep te worden gedaan op de charterbepaling in die cao (art. 73). Om onbekende reden heeft FNV deze zaak zich ten aanzien van Silo-Tank niet beroepen op de ge-avv’de cao Beroepsgoederenvervoer; in de parallelle zaak 17/03684 heeft zij dat wèl gedaan. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9a9bde0a-e0c5-47a4-b985-ac7e946bea62" label="102">
    <para> Vgl. ook F.A. Laagland in haar noot bij Hof Den Bosch 24 mei 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:211, <emphasis role="italic">JAR </emphasis>2016/163 (<emphasis role="italic">Farm Trans</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_924ef815-a5df-41f9-aa01-236420b2b9e9" label="103">
    <para> Ktr. Venlo 10 augustus 2011, ECLI:NL:RBROE:2011:BR4863, <emphasis role="italic">JAR </emphasis>2011/234, m. nt. E.J.A. Franssen en <emphasis role="italic">TRA</emphasis> 2011/95, m.nt. K. Boonstra. De eerste annotator opent met: <emphasis role="italic">“Dit is een merkwaardige uitspraak in meerdere opzichten</emphasis>”. De tweede annotator sluit af met: “<emphasis role="italic">De onderhavige casus leent zich voor een rechtsgang naar Luxemburg</emphasis>.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7a84382e-f5ec-4eac-b580-9df5d6a9e797" label="104">
    <para> Hof Den Bosch 24 mei 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2011, <emphasis role="italic">JAR </emphasis> 2016/163, m.nt. F.G. Laagland.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51671e8c-b5cd-4d93-a1df-8b71e5d11050" label="105">
    <para> Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 17 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3792, <emphasis role="italic">JAR </emphasis>2016/147, m.nt. E.J.A. Franssen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5cfc57e0-95a3-4618-a8e5-826076aa406b" label="106">
    <para>Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6962, rov. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_439a4035-ef1e-4985-bd19-bc576872ac7c" label="107">
    <para> FNV: akte uitlating d.d. 18 november 2014 onder 9 t/m 11, schriftelijke toelichting onder 35 en schriftelijke repliek onder 3. [verweerster 1] : memorie van grieven onder 10 en 31, pleitnota appel onder 14, schriftelijke toelichting onder 35, 60, 65, 70 en 110, en schriftelijke dupliek onder 9. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6a0124ce-e740-452d-83cb-6af0a765f4b5" label="108">
    <para> In die zin ook schriftelijk repliek FNV onder 4 (aanhef). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5e664ea-b6aa-494d-bc64-51fd84d6f4e1" label="109">
    <para> Zie onder andere het proces-verbaal van de zitting van 18 november 2014, p.3. Het betoog dat [verweerster 2] en Silo-Tank moeten worden weggedacht omdat alles vanuit Erp gebeurt diende ter onderbouwing van die stelling.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a2d82826-1c4b-4530-8c09-ecd85020a471" label="110">
    <para> In de parallelle zaak heeft de kantonrechter in de door tien eisers aangespannen procedure geoordeeld dat [verweerster 1] niet is aan te merken als hun werkgever; zie rov. 4.1 van het vonnis van 8 januari 2015. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0e29655-3a5f-454f-9a6e-d54a20e9abd2" label="111">
    <para> Zie dagvaarding onder 30, akte uitlating d.d. 18 november 2014 onder 20, memorie van antwoord onder 56.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c15a6836-a808-424d-a776-55f863b15458" label="112">
    <para> De Kantonrechter heeft die stelling verworpen; zie rov. 4.12 en 4.13 van het tussenvonnis. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b0d45588-ffd6-4dc3-8fb0-16e47c9b12ee" label="113">
    <para> Vgl. de door [verweerster 1] bij conclusie van antwoord producties B2 en B3 en, wat betreft de gang van zaken bij Silo-Tank sinds de verwerving in 2006, het relaas dat is overgelegd als productie C. Ook de processen-verbaal van de voorlopig getuigenverhoren (prod. 4 bij de dagvaarding) wijzen niet in de richting  dat we hier te maken zouden hebben met ‘postbusbedrijven’.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4b092e8b-a91d-460c-952c-45afa123d8d3" label="114">
    <para> In de zijdens [verweerster 1] genomen akte dd. 17 november 2015 onder 21 staan de kengetallen samengevat. [verweerster 2] heeft 67 transportvergunningen en 100 chauffeurs; Silo-Tank 40 vergunningen en 54 chauffeurs. In een op 21 juni 2012 afgelegde getuigenverklaring heeft de (toenmalige) financieel directeur van [verweerster 1] verklaard dat van de ca. 40 trucks van Silo-Tank er ca. 25 worden ingezet voor opdrachten van [verweerster 1] , zes voor nationale transporten en de overige voor eigen ritten en voor charters voor andere vervoerders. Tevens werd verklaard dat de Nederlandse vestiging op dat moment ongeveer 120 vergunningen en rond de 140 Nederlandse chauffeurs in dienst had (zie p. 12 van het proces-verbaal, productie 4 bij de dagvaarding). Deze cijfers, die in de tijd kunnen fluctueren, zijn door FNV niet gemotiveerd weersproken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4892cccb-c260-471a-8700-47a0cbc292b7" label="115">
    <para> Zie reeds HvJEG 3 december 1974, 33/74, ECLI:EU:C:1974:131 (<emphasis role="italic">Van Binsbergen</emphasis>), punt 13, en HvJEG 5 juni 1997, C-56/96, ECLI:EU:C:1997:284 (<emphasis role="italic">VT4</emphasis>), punt 22.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b0795d5f-4752-4918-9e42-7e631a31da29" label="116">
    <para> In de dagvaarding blijft dit in het midden, in de Akte Uitlating d.d. 18 november 2014 worden, onder 2, variant b) en variant c) genoemd. Het citeren (onder 37) van art. 48a cao GN wijst op variant c). In haar schriftelijke toelichting onder 12 verwijst FNV nu zelf ook naar variant a).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_784cb05b-272a-4dba-953e-006416953ff9" label="117">
    <para> Zie reeds conclusie van antwoord onder 7. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0286b784-e5f7-48db-a76e-b4780e4fab4b" label="118">
    <para> Rov. 3.15.1.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9054ea4f-c6d8-4e57-9dff-6b73d13cdd00" label="119">
    <para> Zie onder andere de dagvaarding onder 10.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_56ab0386-f1d9-48ee-ad99-ef5407482835" label="120">
    <para> Conclusie van antwoord onder 38 en onder 60 (ad petitum II sub a). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6f1fd22a-0d1a-4b50-92ac-4a6f91e8cb98" label="121">
    <para> Dat wordt niet anders als de betrokken werknemers hun reistijd krijgen betaald en de reiskosten voor rekening van hun werkgever dan wel van [verweerster 1] komen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_669f1160-e1c4-4eff-a3f3-b1c08041e84c" label="122">
    <para> FNV stelt dat “<emphasis role="italic">in veel gevallen</emphasis>” het basissalaris nog geen € 350 bruto per maand (dagvaarding onder 14). Van de kant van [verweerster 1] is verklaard dat de Hongaarse chauffeurs € 1400 tot € 1500,- netto bij een werkweek van 40 uur verdienen. Zie de verklaring van J. Eder bij het voorlopig getuigenverhoor  d.d. 21 juni 2012, (p. 3 onderaan) en de verklaring van H.N.G. Daandels van die zelfde dag (p. 13 slot).  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8bf67234-8c09-4452-9fe5-7321e97f541f" label="123">
    <para> Schriftelijke toelichting FNV onder 19-26.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_640da425-29f5-4c4e-a595-83629c083e43" label="124">
    <para> FNV verwijst in haar schriftelijke toelichting onder 23 naar het proefschrift van M.S. Houwerzijl, p. 162. Ik lees daar niet dat bij de uitleg van de Detacheringsrichtlijn aansluiting moet worden gezocht bij de wijze waarop de voorrangsregels hun werking ontvouwen. Deze auteur bespreekt op die plaats gevallen die buiten de werkingssfeer van de Detacheringsrichtlijn vallen en gevallen die weliswaar binnen die werkingssfeer vallen maar niet de zogenaamde ‘harde kern’ van de arbeidsvoorwaarden betreffen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0d56ecea-dcb7-430d-b9d8-bb8ff643dbcc" label="125">
    <para> Zie onder meer HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8512, <emphasis role="italic">JAR</emphasis> 2012/93, m.nt. M.P. Vogel, <emphasis role="italic">OR</emphasis> 2012/73, m.nt. F.B.J. Grapperhaus, <emphasis role="italic">AR Updates</emphasis> 2012-0169, m.nt. W.L. Roozendaal.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2f4b086a-db7f-4411-a16e-1c2db344ca97" label="126">
    <para> Zie schriftelijke toelichting FNV onder 27-33.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e153ebec-9e06-43a4-9c51-c8744aa9c97a" label="127">
    <para> In die zin E.J.A. Franssen in haar annotatie van het tussenvonnis van de kantonrechter, <emphasis role="italic">JIN</emphasis> 2015/29, in haar annotatie van het bestreden arrest in <emphasis role="italic">JAR </emphasis>2017/151 en in haar artikel ‘Concurrerende arbeidsvoorwaarden in het internationale wegtransport’<emphasis role="italic"> TV&amp;R </emphasis>2016-2, p. 37/ 45.  Zie ook M. Kullmann, ‘Tijdelijke grensoverschrijdende detachering en gewoonlijk werkland: de verhouding tussen de Rome I-Verordening en de Detacheringsrichtlijn en de Handhavingsrichtlijn’, <emphasis role="italic">NIPR </emphasis>2015, p. 205/207, l.k. Zie voorts de schriftelijke toelichting van [verweersters] onder 13 en 59.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1c15f62c-4b7b-40bc-aaa2-932b7d4c6458" label="128">
    <para> Illustratief is dat de tien Hongaarse eisers in de parallelle zaak het primaire standpunt innemen dat Nederland hun <emphasis role="italic">gewoonlijk</emphasis> werkland was.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_134eecc3-9bef-4ae4-8363-23b270551e9e" label="129">
    <para> FNV verwijst naar de akte uitlating van 18 november 2014 in eerste aanleg onder 14, de memorie van antwoord onder 6 en 63 en 64. Op de vindplaatsen wordt gesproken over ‘werkzaamheden <emphasis role="italic">in </emphasis>en vanuit Nederland’, ‘ritten van Groningen naar Amsterdam’, ‘een rit binnen Nederland’ en ‘transportopdrachten <emphasis role="italic">in </emphasis>en vanuit Nederland’. Het gestelde is weinig concreet en het voorbeeld ‘Groningen-Amsterdam’ lijkt meer hypothetisch dan feitelijk van aard. [verweersters] stellen zich op het standpunt dat cabotage hier niet aan de orde is. Vgl. de schriftelijke toelichting onder 47. Uit de schriftelijke toelichting onder 66-69 maak ik op dat zij evenwel erkennen dat in een enkel geval van cabotage sprake is geweest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2281d556-c146-4af2-baba-928c8d745ee9" label="130">
    <para> [verweersters] verwijzen naar HvJEU 17 november 2015, C-115/14, ECLI:EU:C:2015:760, (<emphasis role="italic">Regiopost</emphasis>), <emphasis role="italic">JAR</emphasis> 2015/318, HvJEG 3 april 2008, C-346/06, ECLI:EU:C:2008:189 (<emphasis role="italic">Rüffert</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2008/351 en HvJEG 18 december 2007, C-341/05, ECLI:EU:C:2007:809, (<emphasis role="italic">Laval</emphasis>), <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2008/150, m.nt. M.R. Mok.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4734773b-9829-45d9-ac64-907558c1b422" label="131">
    <para> HvJEG 3 april 2008, C-346/06 ECLI:EU:C:2008:189 (<emphasis role="italic">Rüffert</emphasis>), punt 26. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bc50edef-f25e-424f-bf1b-26a1a9bfef08" label="132">
    <para> Zie ook de schriftelijke toelichting van FNV onder 50. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_77fc19be-848a-462d-b897-ffa6629c39cf" label="133">
    <para> In de schriftelijke toelichting van FNV onder 1 staat dat deze zaak ook gaat over de uitleg van art. 73 cao Beroepsgoederenvervoer. Voor zover daarmee zou worden gesuggereerd dat die cao-bepaling aan de orde is, acht ik dat onjuist. De vorderingen zijn in <emphasis role="italic">deze zaak, </emphasis>anders dan in de parallelle zaak, niet mede op die grondslag gebaseerd. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d45dceca-7293-4ea1-8b99-93e6d025c02d" label="134">
    <para> Of sprake is van nietigheid in de zin van art. 3:40 BW is een andere vraag.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_59aa968f-8288-4057-a277-605c1c1199d0" label="135">
    <para> Zie memorie van antwoord onder 11 en de pleitaantekeningen ten behoeve van de gecombineerde zitting op 5 april 2016 onder 21. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bde2d0f4-543a-4cef-9625-5fb0074d04c4" label="136">
    <para> Art. 2 onder 15 van de cao GN (zie reeds hiervoor, 3.52) respectievelijk art. 2 onder 17 van de cao Beroepsgoederenvervoer (versie 2012-2013), die op 25 januari 2013 algemeen verbindend is verklaard (<emphasis role="italic">Stcrt </emphasis>2013 /2496) en versie 2014-2016, die op 6 februari 2015 algemeen verbindend verklaard (<emphasis role="italic">Stcrt </emphasis> 2015/961) hanteren alle dezelfde definitie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_54b34519-640c-4e57-9949-319e6304f76d" label="137">
    <para> Het kan nuttig zijn om voor zover mogelijk in de verwijzingsuitspraak beknopt te vermelden hoe de prejudiciële vragen volgens Uw Raad zouden moeten worden beantwoord (vgl. de Aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures, <emphasis role="italic">Pb </emphasis>2018, C 257/1, punt 17). Duitse gerechten doen dat regelmatig.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c67fd74f-f5a2-46d3-9315-3292cb300546" label="138">
    <para> In de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 oktober 2017, waarin het in Brussel bereikte compromis over de Herzieningsrichtlijn wordt toegelicht, staat: “<emphasis role="italic">Het is van groot belang dat nu duidelijk is dat het wegtransport binnen de reikwijdte van de detacheringsrichtlijn valt, aangezien dit door verschillende landen lange tijd in twijfel is getrokken.</emphasis>” Zie <emphasis role="italic">Kamerstukken I</emphasis>, 2017-2018, 34 439, C p. 3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_828e89f7-8cea-4523-828d-f701bf73f115" label="139">
    <para> C-16/18, <emphasis role="italic">Dobersberger/Magistrat der Stadt Wien</emphasis>, <emphasis role="italic">Pb </emphasis>2018, C 123/10. Een arrest in die zaak is normaal gesproken tweede kwartaal 2019 te verwachten.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>