<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2018:909</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-03T08:36:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2018-10-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/01257</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:909">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:909</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-01T09:29:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2018:909 Parket bij de Hoge Raad , 02-10-2018 / 17/01257</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2018:909:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Concl. plv. AG. Middel klaagt dat 's hofs verwerping van het verweer dat het tot het bewijs gebezigde forensisch DNA rapport ondeugdelijk is onbegrijpelijk is, dan wel dat hof het voorwaardelijk verzoek om een deskundige te horen onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen. Verdachte heeft onvoldoende belang bij vernietiging, nu de gestelde gebreken in het arrest geen wezenlijke afbreuk kunnen doen aan de toereikendheid van de motivering van de bewezenverklaring. Strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van het beroep op grond van art. 80a RO.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2018:909:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 17/01257</para>
            <para>Zitting: 2 oktober 2018</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. D.J.M.W. Paridaens</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <orderedlist numeration="arabic">
    <listitem>
      <para>De verdachte is bij arrest van 23 februari 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 3 onder a van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest.</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Er bestaat samenhang met de zaak 17/03532. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het middel </emphasis>
      </para>
    </listitem>
  </orderedlist>
  <parablock>
    <para>4.1. Het middel klaagt allereerst dat het hof niet inhoudelijk heeft gereageerd op het verweer dat het door Verilabs opgestelde rapport DNA onderzoek niet volgens de regelen der kunst heeft plaatsgevonden dan wel ondeugdelijk is, waardoor de verwerping van het verweer en/of het arrest en/of de bewezenverklaring onbegrijpelijk althans onvoldoende met redenen is/zijn omkleed. Het middel klaagt voorts dat de verwerping van het voorwaardelijk verzoek om, indien het hof het rapport toch tot het bewijs wenst te gebruiken, een deskundige te horen omtrent de mogelijkheid dat de door Verilabs getrokken conclusies onbegrijpelijk is. </para>
    <para>4.2. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>“hij op 5 april 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een revolver van het merk Nagant, model 1895, kaliber 7.62 Nagant, voorhanden heeft gehad.”</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.3. Blijkens de aanvulling op het arrest heeft het hof het gewraakte door Verilabs opgestelde forensisch DNA rapport tot het bewijs gebezigd. In zijn nadere bewijsoverweging heeft het hof overwogen dat uit dit rapport blijkt “dat het veel waarschijnlijker is dat het DNA-mengprofiel op de revolver afkomstig is van de verdachte en twee toevallig gekozen personen dan dat het DNA-mengprofiel op de revolver afkomstig is van drie onbekende niet verwante toevallig gekozen personen”. Blijkens deze bewijsoverweging heeft het hof zijn oordeel “dat de verdachte wetenschap heeft gehad van het vuurwapen in de auto en dat de verdachte en de medeverdachte dat wapen op 5 april 2015 in Rotterdam samen voorhanden hebben gehad” mede op het rapport van Verilabs gebaseerd. </para>
    <para>4.4. Ook als zou moeten worden aangenomen dat het hof onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft gerespondeerd op het verweer dat het door Verilabs opgestelde rapport ondeugdelijk is, dan wel dat het hof het voorwaardelijk verzoek om een deskundige te horen onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen, dan nog kan het middel niet tot cassatie leiden. Dat er vingerafdrukken van de verdachte op het in beslag genomen vuurwapen te vinden zijn, blijkt namelijk reeds uit de verklaring van de medeverdachte, welke verklaring het hof (eveneens) tot het bewijs heeft gebezigd en kennelijk geloofwaardig heeft geacht.<footnote-ref linkend="_6a9381df-cb43-4192-b226-49612aa36d23" /> Daarnaast is het oordeel van het hof dat de verdachte het vuurwapen samen met de medeverdachte voorhanden had, blijkens de nadere bewijsoverweging tevens gebaseerd op de vaststelling dat het vuurwapen is aangetroffen in de holte in het dashboard van de auto waarin de verdachte en medeverdachte zaten, nadat het navigatiesysteem, waarvan het frame miste, door de politie uit het dashboard was getrokken, terwijl op de stoel in de auto waarop de verdachte zat een frame lag van een navigatiesysteem. De gestelde gebreken in het bestreden arrest kunnen derhalve geen wezenlijke afbreuk doen aan de toereikendheid van de motivering van de bewezenverklaring, waardoor de verdachte onvoldoende in rechte te respecteren belang heeft bij vernietiging en terugwijzing op die grond.<footnote-ref linkend="_fc2a0d31-2f19-4d97-98b9-9fe6ed8d99e1" /></para>
  </parablock>
  <para>5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaart. </para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>plv. AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_6a9381df-cb43-4192-b226-49612aa36d23" label="1">
    <para> Het hof heeft als bewijsmiddel 5 gebezigd de verklaring van de medeverdachte, voor zover inhoudende: <emphasis role="italic">“Die Marokkaanse jongen die ook is aangehouden heeft het vuurwapen opgepakt. Ik heb toen het vuurwapen van hem onder mij gehouden. Jullie zullen van hem en mij vingerafdrukken op het wapen vinden”. </emphasis></para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc2a0d31-2f19-4d97-98b9-9fe6ed8d99e1" label="2">
    <para> Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7004, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2013/243, rov. 2.2.5. (overzichtsarrest art. 80a RO).</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>