<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2018:501</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-08T12:54:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2018-04-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/02679</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2018:781" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:781</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:501">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:501</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-29T09:52:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2018:501 Parket bij de Hoge Raad , 03-04-2018 / 17/02679</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2018:501:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verjaring wederspannigheid, art. 70.1.2 en 180 Sr. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte veroordeeld t.z.v. wederspannigheid, gepleegd op of omstreeks 27-3-2007. Dit feit is bij art. 180 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar is gesteld. Bij de stukken van het geding bevindt zich een verstekmededeling van 8-1-2009 betreffende de bestreden uitspraak. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gedurende zes jaren daarop volgend enige daad van vervolging is verricht. De in art. 70.1..2 Sr bepaalde termijn van verjaring is dus verstreken, zodat het recht tot strafvordering is vervallen. Volgt n-o verklaring OvJ in de vervolging. CAG: anders.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2018:501:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 17/02679</para>
            <para>Zitting: <emphasis role="bold underline">3 april 2018 (bij vervroeging)</emphasis></para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. D.J.M.W Paridaens</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <orderedlist numeration="arabic">
    <listitem>
      <para>Het gerechtshof Arnhem, locatie Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 28 oktober 2008, wegens “wederspannigheid”, veroordeeld tot een geldboete van           € 260,-, subsidiair vijf dagen hechtenis. </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Namens de verdachte heeft mr. M.C. Levy, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Het <emphasis role="underline">eerste middel</emphasis> behelst de klacht dat het bewezen verklaarde geweld niet uit de bewijsmiddelen volgt. </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:</para>
    </listitem>
  </orderedlist>
  <parablock>
    <para>“hij op 27 maart 2007 in de gemeente Lelystad toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie hem ter uitvoering van een onherroepelijk geworden vonnis, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste over te brengen naar het politiebureau te Lelystad, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig trappende bewegingen te maken in de richting van [verbalisant 2], waarbij hij de arm van [verbalisant 2] raakte, en zich te bewegen in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren hem trachtten te geleiden.”</para>
    <para>Het hof heeft aan deze bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende bewijsoverweging gewijd: </para>
    <para>“<emphasis role="bold underline">Overweging met betrekking tot het bewijs</emphasis></para>
    <para>Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid tegen twee agenten van politie Lelystad, toen deze hem wilden aanhouden. Verdachte heeft in zijn schriftuur als bedoeld in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering, inhoudende de redenen van het door hem ingestelde hoger beroep, aangegeven dat hij zich niet schuldig acht aan het ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de agenten hem mee naar het bureau wilden nemen zonder daarvoor een reden te hebben opgegeven. Blijkens de verklaringen van verdachte in het dossier erkent verdachte dat hij zich heeft verzet tegen zijn aanhouding.”</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>5. Art. 359, derde juncto achtste lid, Sv - dat ingevolge art. 415, eerste lid, Sv eveneens in hoger beroep toepasselijk is - schrijft op straffe van nietigheid voor dat een arrest de bewijsmiddelen bevat, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.</para>
  <para>6. Het aan de Hoge Raad toegezonden arrest bevat geen door het hof met betrekking tot de bewezenverklaring gebezigde bewijsmiddelen, noch – voor zover het hof is uitgegaan van een bekennende verdachte - een opgave van bewijsmiddelen. Voor zover het arrest is bedoeld als een verkort arrest, dat nadat een gewoon rechtsmiddel is ingediend nog dient te worden aangevuld met de bewijsmiddelen of een opgave van de bewijsmiddelen, ontbreekt een aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, terwijl, gelet op art. 415, eerste lid, Sv, voor de appelrechter geldt dat aanvulling ook dient plaats te vinden indien het cassatieberoep meer dan drie maanden na de dag van de uitspraak is ingesteld. Daarmee is de bewezenverklaring niet met redenen omkleed. </para>
  <para>7. Het eerste middel slaagt<footnote-ref linkend="_b221ef6e-fec4-4340-9f29-b6dd77c189ad" /> en daarmee kan het tweede middel onbesproken blijven.</para>
  <para>8. Ten overvloede merk ik nog het volgende op. In cassatie bevindt zich een brief van de strafgriffie van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 16 juni 2017, gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden. Deze brief houdt in: </para>
  <para>“De bewijsmiddelen, noch het proces-verbaal van de zitting van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, d.d. 14 oktober 2008, zijn uitgewerkt.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Reden:</para>
    <para>Het griffiersmapje, inclusief de griffiersaantekeningen, dat in het Centrale Archief werd bewaard, is reeds vernietigd (zie aangehecht e-mailbericht van het Archief, locatie Leeuwarden, d.d. 30 mei 2017, gericht aan ondergetekende).</para>
    <para>Het bijgevoegde verkorte proces-verbaal van genoemde zitting is dan ook opgemaakt naar aanleiding van de gegevens vermeld in het bijgevoegde verkorte arrest.”<footnote-ref linkend="_3203014f-f56a-4e32-a0bd-2141d2e1602e" /></para>
  </parablock>
  <para>9. Ingevolge deze brief doemt de vraag op of – vanwege een vernietiging van stukken – het hof na vernietiging en terugwijzing van de zaak nog tot een ander oordeel kan komen dan dat de inleidende dagvaarding nietig is of dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezenverklaard. In beide gevallen kan de Hoge Raad immers de zaak, mede gelet op de ouderdom daarvan, om doelmatigheidsredenen zelf afdoen en de inleidende dagvaarding nietig verklaren c.q. de verdachte vrijspreken.<footnote-ref linkend="_08a1846b-cb8d-4550-95f1-4482678503f8" /> Een blik over de papieren muur laat echter zien dat de stukken van het geding in eerste aanleg, waaronder de inleidende dagvaarding en de processen-verbaal van politie, nog beschikbaar zijn, zodat ervan mag worden uitgegaan dat het hof na terugwijzing niet slechts tot het oordeel zal kunnen komen dat de inleidende dagvaarding nietig is of dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezenverklaard. </para>
  <parablock>
    <para>10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
    <para>11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem, locatie Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. </para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>plv. AG </para>
  </parablock>
  <footnote id="_b221ef6e-fec4-4340-9f29-b6dd77c189ad" label="1">
    <para> Art. 4.8.2. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden (Stcrt. 2017, 5928) vereist weliswaar dat de raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, tijdig en schriftelijk een verzoek om aanvulling indient, hetgeen voor zover ik heb kunnen nagaan in deze zaak niet is gebeurd, maar nu het hof het arrest niet heeft aangeduid als een verkort arrest en gelet op de inhoud van de brief zoals hierna onder 8. zal worden weergegeven, kan dit de raadsman moeilijk worden tegengeworpen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3203014f-f56a-4e32-a0bd-2141d2e1602e" label="2">
    <para> Het e-mailbericht van het Archief van 30 mei 2017 houdt in: “Het griffier mapje 580-08 [verdachte] is vernietigd.”.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_08a1846b-cb8d-4550-95f1-4482678503f8" label="3">
    <para> Vgl. HR 8 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD6067, waarin de Hoge Raad tot vrijspraak kwam. Mijn ambtgenoot Bleichrodt heeft in zijn conclusie van 17 mei 2016 (ECLI:NL:PHR:2016:547) voorts gewezen op zaken waarin meerdere stukken van het geding in het ongerede zijn geraakt, waarna de Hoge Raad de inleidende dagvaarding nietig heeft verklaard: HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6675, HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4412, HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4965, HR 22 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7703, HR 12 februari 2002, NJ 2002/302. In laatstgenoemde zaken was, anders dan in onderhavige zaak, onder meer de inleidende dagvaarding niet meer beschikbaar. In verband met de toenemende digitalisering in de strafrechtspraak zullen dergelijke situaties overigens zeldzaam worden.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>