<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2018:1520</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-26T10:43:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2018-12-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/04630</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2019:50" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:50</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:1520">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:1520</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-26T10:39:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2018:1520 Parket bij de Hoge Raad , 11-12-2018 / 18/04630</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2018:1520:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Herziening n.a.v. aanvraag AG bij HR. Rijden met ongeldig verklaard rijbewijs, art. 9.2 WVW 1994. Aangevoerd wordt dat sprake is geweest van persoonsverwisseling, nu namens CVOM is medegedeeld dat onherroepelijke veroordeling van aanvrager gevolg is van onjuiste registratie bij CVOM. Hetgeen door AG in aanvraag is vermeld, geeft steun aan stelling waarop aanvraag berust, te weten dat in zaak die heeft geleid tot uitspraak waarvan herziening is gevraagd, sprake is geweest van persoonsverwisseling. Een en ander levert ernstig vermoeden op dat Pr, ware deze hiermee bekend geweest, gewezen verdachte van hem tlgd. zou hebben vrijgesproken, zodat sprake is van gegeven a.b.i. in art. 457.1.c Sv. HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaak naar Hof.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2018:1520:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 18/04630 H</para>
            <para>Zitting: 11 december 2018</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. D.J.C. Aben </emphasis>
            </para>
            <para>Vordering tot herziening inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para />
  <para>1. Bij deze wend ik mij tot de Hoge Raad der Nederlanden met een vordering tot herziening van de onherroepelijke uitspraak van de politierechter in de rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 28 juli 2016, waarbij [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats], is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, waarvan een week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en dit wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, kort gezegd: rijden met een ongeldig (verklaard) rijbewijs, begaan op 8 december 2015 te Mierlo.<footnote-ref linkend="_839deee9-b4b1-40f9-85d5-f162412a98e0" /></para>
  <para />
  <para>2. Het ‘ZSM artikel 9 WVW proces-verbaal’ met een pv-nummer dat overeenkomt met het nummer waarnaar wordt verwezen in het uittreksel van de justitiële documentatie van [verdachte], te weten: PL2200 Politie Brabant Zuid-Oost – 081220151030081722, wijst uit dat dit proces-verbaal géén betrekking heeft op [verdachte]. Volgens dit proces-verbaal is op 8 december 2015 te Mierlo zijn tweelingbroer, [betrokkene 1], staande gehouden ter zake van rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs,<footnote-ref linkend="_59db0783-0575-4e48-a6e6-9369450b5f45" /> hetgeen door deze ook schriftelijk is erkend.<footnote-ref linkend="_07de263e-a59a-41fd-83c0-a5a66d6490d4" /> Bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 oktober 2018 heeft mr. A.I. Sarantoudis, plaatsvervangend officier van justitie bij het parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM), meegedeeld dat de onherroepelijke veroordeling van [verdachte] het gevolg is van een persoonsverwisseling die abusievelijk plaatsvond op het CVOM.<footnote-ref linkend="_0588fcbb-9972-4e74-9bdc-07d34c8d613d" /> “<emphasis role="italic">Aan de hand van achternaam en geboortedatum werd per abuis niet [betrokkene 1] geregistreerd, maar diens tweelingbroer [verdachte]. Laatstgenoemde werd gedagvaard te verschijnen voor de politierechter te ’s-Hertogenbosch op 28 juli 2016, …</emphasis>” aldus mr. Sarantoudis.</para>
  <para />
  <para>3. Met dit gegeven was de politierechter niet bekend, terwijl het ernstige vermoeden ontstaat dat het onderzoek van de zaak tegen [verdachte] bij bekendheid met dit gegeven zou zijn geëindigd in vrijspraak ter zake van overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, begaan op 8 december 2015 te Mierlo.  </para>
  <para />
  <para>4. De hoofdofficier van justitie van het CVOM, mr. R. Appels, heeft het initiatief genomen om in zaken als deze, waarin een dergelijk verzuim van de zijde van de overheid niet door een eenvoudige verbetering van de registratie kan worden hersteld, de procureur-generaal bij de Hoge Raad in overweging te geven om bij de Hoge Raad de herziening aan te vragen van de betreffende onherroepelijke veroordeling op naam van een veroordeelde die (door medewerkers van zijn parket) ter zake met een ander persoon is verwisseld. </para>
  <para />
  <para>5. Het CVOM heeft zorggedragen voor het informeren van de veroordeelde [verdachte] over deze gang van zaken, met inbegrip van het voorstel om herziening aan te vragen. Bij schriftelijke verklaring van 27 november 2018  heeft [verdachte] laten weten dat hij deze vordering tot herziening ondersteunt. </para>
  <para />
  <para>6. Hierbij vraag ik op de gronden als vermeld in het proces-verbaal van mr. Sarantoudis d.d. 8 oktober 2018 de herziening aan van de uitspraak van de politierechter te ’s-Hertogenbosch van 28 juli 2016, onder parketnummer 96-077954-16 gewezen ten laste van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats]. Tevens geef ik Uw Raad in overweging om – bij wijze van hoge uitzondering in herzieningszaken<footnote-ref linkend="_40959832-9eb7-4ce7-90a0-ea23a3752c95" /> – het bestreden vonnis te vernietigen en [verdachte] terstond vrij te spreken.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De procureur-generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_839deee9-b4b1-40f9-85d5-f162412a98e0" label="1">
    <para> Zie de aantekening van het mondelinge vonnis d.d. 26 juli 2016 in de zaak met parketnummer 96-077954-16. De dagvaarding voor deze terechtzitting is blijkens de akte van uitreiking (bijlage 3) op 30 mei 2016 in persoon betekend aan [verdachte]. Uit de justitiële documentatie, volgt dat deze veroordeling (parketnummer 96-077954-16) betrekking heeft op een overtreding van art 9, lid 2, WVW 1994, begaan op 8 december 2015 te Mierlo, met pv nummer PL2200 Politie Brabant Zuid-Oost – 081220151030081722, en dat deze veroordeling onherroepelijk is geworden op 12 augustus 2016, i.e. twee weken na de uitspraak.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_59db0783-0575-4e48-a6e6-9369450b5f45" label="2">
    <para> Zie ook het aanvullend proces-verbaal van 5 april 2016 van [verbalisant], met bijlage.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_07de263e-a59a-41fd-83c0-a5a66d6490d4" label="3">
    <para> In het dossier bevindt zich een handgeschreven verklaring van “<emphasis role="italic">[betrokkene 1]</emphasis>” die op 9 september 2016, dus ná vonniswijzing, bij het CVOM is ingekomen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0588fcbb-9972-4e74-9bdc-07d34c8d613d" label="4">
    <para> Hoe het mis heeft kunnen gaan, valt tot op zekere hoogte af te leiden uit de bescheiden die betrekking hebben op het opvragen van stukken door het CVOM bij het CBR.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_40959832-9eb7-4ce7-90a0-ea23a3752c95" label="5">
    <para> Ingeval de Hoge Raad het novum gegrond acht, opent artikel 472, tweede lid, Sv <emphasis role="italic">niet</emphasis> met zoveel woorden de mogelijkheid dat de Hoge Raad een verwijzing van de zaak achterwege laat en de zaak ten principale zelf afdoet. Niettemin heeft de Hoge Raad de strafzaak om redenen van doelmatigheid zelf afgedaan in die gevallen waarin de uitkomst van het geding <emphasis role="italic">in</emphasis> herziening op voorhand vaststond. Zie bijv. HR 3 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8325, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1987/865 m.nt. Corstens; HR 24 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0782; HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2432, en HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2296.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>