<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2018:1024</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-01T00:01:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2018-09-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/04822</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2018:2221" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2221, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:1024">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:1024</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-09-26T10:10:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2018:1024 Parket bij de Hoge Raad , 07-09-2018 / 17/04822</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2018:1024:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vermogensrecht. Intellectuele eigendom, merkrecht, domeinnaam. Overdracht domeinnaam op grond van beslissing WIPO-geschillenbeslechter. Bescherming domeinnaamhouder. HR 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3554 (Artiestenverloningen/Prae Artiestenverloning). Onrechtmatige daad. Ongerechtvaardigde verrijking. Uitleg stellingen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2018:1024:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para>Zaaknr:	 17/04822</para>
    <para> mr. F.F. Langemeijer</para>
    <para>Zitting:	 7 september 2018</para>
    <para />
    <para>	Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <para>1. [eiser 1]</para>
    <para>2. ITT Holding B.V.</para>
    <para>3. ITT Controls B.V.</para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>Karl Dungs GmbH &amp; Co. KG</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De houder van de domeinnaam ‘dungs.nl’ is in een buitengerechtelijke procedure veroordeeld tot overdracht van zijn domeinnaam aan de houder van het Uniewoordmerk DUNGS. Om aan deze veroordeling te ontkomen, stelt de domeinnaamhouder een vordering uit onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking in tegen de merkhouder. In cassatie gaat het onder meer over de vraag of het hof die vordering mede op een merkenrechtelijke grondslag had moeten beoordelen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </conclusie.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Feiten en procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het hof heeft vastgesteld onder 1 (a tot en met j) van het bestreden arrest.<footnote-ref linkend="_6b538cbe-2da0-4484-985c-df2f44855d2c" /> Deze feiten houden, enigszins verkort weergegeven, het volgende in.</para>
      <paragroup>
        <nr>1.1.1.</nr>
        <para>Verweerster in cassatie (hierna: de merkhouder) is een in Duitsland gevestigde producent van brandersystemen en brander-managementsystemen. De verkoop in Nederland vindt plaats via Karl Dungs B.V. De merkhouder en Karl Dungs B.V. maken gebruik van de domeinnaam ‘dungs.com’. De merkhouder is houder van het Uniewoordmerk DUNGS.<footnote-ref linkend="_4cbaa6d1-8880-4d21-b54e-8c26e41deb8f" /></para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.1.2.</nr>
        <para>Eiser tot cassatie onder 1 (hierna: de domeinnaamhouder) heeft begin 2012 ten behoeve van zijn onderneming op het gebied van meet- en regelapparatuur de domeinnaam ‘dungs.nl’ van een derde gekocht. Hij is deze domeinnaam gaan gebruiken voor het internetadres ‘www.dungs.nl’, dat toegang bood tot een internetpagina van de website van zijn onderneming, waarop onder meer producten van het merk DUNGS werden aangeboden.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.1.3.</nr>
        <para>Bij brief van 5 november 2013 aan de domeinnaamhouder heeft de gemachtigde van de merkhouder bericht dat het gebruik van de domeinnaam ‘dungs.nl’ als inbreuk op het DUNGS-merk werd beschouwd. De domeinnaamhouder is gesommeerd om deze domeinnaam over te dragen aan de merkhouder.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.1.4.</nr>
        <para>Op 12 november 2013 heeft de advocaat van de domeinnaamhouder gereageerd en het standpunt verwoord dat de domeinnaamhouder zich gerechtigd achtte de domeinnaam te gebruiken, omdat hij daadwerkelijk DUNGS-producten verkocht.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.1.5.</nr>
        <para>Op 9 december 2013 heeft de merkhouder op grond van de ‘Geschillenregeling voor .nl-domeinnamen’ (hierna: de Geschillenregeling<footnote-ref linkend="_6ec0c4bf-5ce3-4740-b0f2-ec6be6d7fa33" />) van de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN<footnote-ref linkend="_28e39b58-79cc-4cb2-b8e9-4948efb1e3a8" />) een eis ingediend bij de World Intellectual Property Organization (WIPO<footnote-ref linkend="_cfb0ad6b-c47a-4667-8f54-4fb876537f91" />). Deze eis strekte tot indeplaatsstelling als houder van de domeinnaam ‘dungs.nl’.<footnote-ref linkend="_7ca1fc76-123f-48ef-b0fd-34f401de1d37" /> Op 16 januari 2014 heeft de domeinnaamhouder verweer gevoerd.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.1.6.</nr>
        <para>Op 6 mei 2014 heeft de WIPO-geschillenbeslechter overdracht van de domeinnaam aan de merkhouder bevolen, op de gronden dat de domeinnaam op verwarring wekkende wijze overeenstemt met het DUNGS-merk, de domeinnaamhouder geen recht of legitiem belang heeft bij de domeinnaam en de domeinnaam te kwader trouw is geregistreerd en gebruikt.<footnote-ref linkend="_4dbb2c07-0e11-47c9-8f6b-c37016ecc437" /></para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.1.7.</nr>
        <para>Binnen de in de Geschillenregeling genoemde termijn van tien werkdagen heeft SIDN een afschrift van de (op 20 mei 2014 betekende) inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure ontvangen.<footnote-ref linkend="_4a4b787f-7a6c-425d-93d1-75679743f5b5" /> Ingevolge de Geschillenregeling wordt hangende deze procedure geen uitvoering gegeven aan de beslissing van de WIPO-geschillenbeslechter.<footnote-ref linkend="_35c3a38c-c202-4a3e-8109-6a184bf7307e" /></para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.1.8.</nr>
        <para>In februari 2014 heeft de domeinnaamhouder eiseressen tot cassatie onder 2 en 3 opgericht en zijn voormalige eenmanszaak ingebracht in eiseres tot cassatie onder 3. Hij heeft daarbij de domeinnaam ‘dungs.nl’ verkocht aan eiseres tot cassatie onder 2, die deze heeft verhuurd aan eiseres tot cassatie onder 3, die het adres ‘www.dungs.nl’ op dezelfde wijze is gaan gebruiken als de domeinnaamhouder voorheen deed. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.1.9.</nr>
        <para>Als gevolg van de ‘bevriezing’ die door het starten van de WIPO-procedure is ingetreden<footnote-ref linkend="_bea53664-c0af-452b-95e0-a3e34753cb2c" /> is de overdracht van de domeinnaam ‘dungs.nl’ aan eiseres tot cassatie onder 2 tot nu toe door SIDN niet verwerkt. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De domeinnaamhouder<footnote-ref linkend="_09b00b36-374b-40e0-aca6-9792b844b3e3" /> vordert in dit geding een verklaring voor recht dat uitsluitend eiseres tot cassatie onder 2 althans hijzelf de rechthebbende en domeinnaamhouder van de domeinnaam ‘dungs.nl’ is, voor zover nodig onder vernietiging van de WIPO-beslissing.<footnote-ref linkend="_ef09c79d-efa4-4091-a280-bf757f023dc8" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Bij eindvonnis van 16 december 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:14357) heeft de rechtbank Den Haag de vordering afgewezen, met veroordeling van de domeinnaamhouder in de proceskosten op de voet van art. 1019h Rv. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Bij arrest van 11 juli 2017 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het de proceskostenveroordeling op de voet van art. 1019h Rv betrof, en voor het overige bekrachtigd, met veroordeling van de domeinnaamhouder in de proceskosten volgens het liquidatietarief. Het hof overwoog, kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt. In hoger beroep heeft de domeinnaamhouder geconcretiseerd dat de grondslag van zijn vordering primair is gelegen in de Geschillenregeling en subsidiair in onrechtmatige daad respectievelijk ongerechtvaardigde verrijking (rov. 3.1). Op de primaire grondslag is de vordering niet toewijsbaar (rov. 4.1 - 4.14).<footnote-ref linkend="_6867c9dd-0eeb-4569-aa32-bbbe070b51b8" /> De subsidiaire grondslag van zijn vordering heeft de domeinnaamhouder aldus toegelicht dat de merkhouder onrechtmatig handelt althans ongerechtvaardigd wordt verrijkt indien zij de domeinnaam aan zich laat overdragen (rov. 5.1). Dienaangaande overweegt het hof:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“5.2 Bij de beoordeling van die subsidiaire grondslagen is allereerst het volgende van belang. Blijkens het proces-verbaal van de comparitie in de eerste aanleg heeft [de domeinnaamhouder] bij die gelegenheid opgemerkt dat het niet gaat om een merkenrechtelijke discussie waarbij de Gemeenschapsmerkenverordening (thans: Uniemerkenverordening) moet worden toegepast (zie ook rov. 4.3 van het vonnis). [De domeinnaamhouder] heeft ondanks de kennelijk bij de rechtbank levende twijfel of hij misschien ‘toch’ bedoeld heeft aan zijn vordering ten grondslag te leggen dat hij geen merkinbreuk pleegt (zie rov. 5.11 van het vonnis) in hoger beroep niet aangegeven dat hij dit inderdaad bedoelde. Integendeel heeft [de domeinnaamhouder] in punt 65 MvG benadrukt dat die merkenrechtelijke beoordeling door de rechtbank ‘ongevraagd’ was en in punt 91 MvG opgemerkt dat de rechtbank in rov. 5.11 ‘niet gerechtvaardigd’ een IE-grondslag heeft ‘gecreëerd’ en dat het daarbij ‘overwegingen ten overvloede’ betrof over ‘iets’ waarover in de dagvaarding geen oordeel werd gevraagd. Grief V van [de domeinnaamhouder] keert zich, klaarblijkelijk zekerheidshalve, tegen deze ‘overwegingen ten overvloede’. Met zijn grief VI is [de domeinnaamhouder] opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat artikel 1019h Rv van toepassing is, er andermaal op wijzend dat het merkenrecht geen grondslag van zijn vordering is. Met deze gedragingen en uitlatingen heeft [de domeinnaamhouder] op niet mis te verstane wijze tot uitdrukking gebracht dat hij het merkenrecht bij de beoordeling van zijn vorderingen buiten beschouwing gelaten wil hebben.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3 [</nr>
      <para>De merkhouder] heeft gemotiveerd gesteld en de rechtbank heeft aangenomen (rov. 5.11-5.14) dat [de domeinnaamhouder] door het gebruik van de domeinnaam ‘<emphasis role="italic">dungs.nl</emphasis>’ inbreuk maakt op het DUNGS-merk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4 [</nr>
      <para>De domeinnaamhouder] wil zijn vorderingen uitsluitend op grond van onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking beoordeeld zien, zonder (in dat kader) een oordeel te krijgen over eventuele merkinbreuk (vgl. NJ 2002, 228, rov. 3.3). Derhalve kan niet worden vastgesteld dat van merkinbreuk door [de domeinnaamhouder] geen sprake is. Gelet hierop kan – zonder nadere stellingen van [de domeinnaamhouder], die ontbreken – niet worden vastgesteld dat [de merkhouder] onrechtmatig handelt door die domeinnaam aan zich te laten overdragen en ook niet dat zij door die overdracht ongerechtvaardigd wordt verrijkt. Dit betekent dat op de subsidiaire grondslag [de domeinnaamhouder]s vorderingen evenmin kunnen worden toegewezen.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>De domeinnaamhouder heeft – tijdig – cassatieberoep ingesteld. De merkhouder heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, gevolgd door re- en dupliek.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Bespreking van het cassatiemiddel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel valt uiteen in vijf onderdelen, genummerd 1.1 tot en met 1.5. Deze zijn gericht tegen de zo-even geciteerde rovv. 5.2 en 5.4, waar het hof kort samengevat oordeelt dat de vordering op de subsidiaire grondslag niet toewijsbaar is zonder een merkenrechtelijke beoordeling die de domeinnaamhouder niet wenst. De <emphasis role="underline">onderdelen 1.1 en 1.2</emphasis> richten zich tegen laatstgenoemd element, dus tegen het oordeel dat de domeinnaamhouder geen merkenrechtelijke beoordeling van zijn vordering wenst. De <emphasis role="underline">onderdelen 1.3 en 1.4</emphasis> richten zich tegen eerstgenoemd element, dus tegen het oordeel dat de vordering op de subsidiaire grondslag niet toewijsbaar is zonder merkenrechtelijke beoordeling. <emphasis role="underline">Onderdeel 1.5</emphasis> behelst een voortbouwende klacht die geen bespreking behoeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inleidende opmerkingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Alvorens het cassatiemiddel te bespreken, merk ik het volgende op over domeinnamen en domeinnaamgeschillen. Een domeinnaam verwijst naar een IP-adres dat een op het internet aangesloten computer identificeert. Praktisch gesproken dient een domeinnaam ter aanduiding van een locatie op het internet, bijvoorbeeld een website.<footnote-ref linkend="_ecd6bb45-a1c0-40c8-ba9f-4013f95881b9" /> De registratie van domeinnamen die eindigen op de extensie ‘.nl’ is in handen van SIDN.<footnote-ref linkend="_31e098ab-6fb1-4823-9c53-fbf64db73ed4" /> Omdat een domeinnaam slechts eenmaal kan worden geregistreerd, hanteert SIDN bij die registratie het beginsel ‘eerst komt, eerst maalt<emphasis role="italic">’</emphasis>: de eerste inschrijver verkrijgt de domeinnaam, ongeacht eventuele concurrerende aanspraken van derden.<footnote-ref linkend="_914215cf-c1c7-4d6f-abe5-d586dfa269c5" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Derden met concurrerende aanspraken kunnen een domeinnaamgeschil aanhangig maken tegen de domeinnaamhouder. Dat gebeurde vroeger meestal in rechte (met name in kort geding) en tegenwoordig vooral buiten rechte, op grond van de al genoemde Geschillenregeling voor ‘.nl’-domeinnamen. Door hun registratieovereenkomst met SIDN onderwerpen domeinnaamhouders zich aan de Geschillenregeling. Derden die op basis van de Geschillenregeling een eis indienen tegen een domeinnaamhouder, onderwerpen zich daardoor eveneens aan de Geschillenregeling.<footnote-ref linkend="_4a3683a6-6274-40d7-8652-de0f609b90c6" /> Het betreft een eenvoudige en snelle buitengerechtelijke procedure, waarmee derden – in het bijzonder houders van een met de domeinnaam overeenstemmende merknaam, handelsnaam of persoonsnaam – kunnen bewerkstelligen dat zij houder van die domeinnaam worden. Daartoe dienen zij gemotiveerd te stellen dat (a) sprake is van verwarringsgevaar, (b) de domeinnaamhouder geen recht heeft op of legitiem belang heeft bij de domeinnaam en (c) de domeinnaam te kwader trouw is geregistreerd of wordt gebruikt.<footnote-ref linkend="_ab25d63e-f2a5-42a2-945c-9f64eeb8e18f" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>De Geschillenregeling bepaalt dat de gang naar de overheidsrechter voor zowel de eiser als de verweerder – dus ook ná indiening van een eis onder de Geschillenregeling – openstaat.<footnote-ref linkend="_d8fe2212-d664-429c-b85d-03fedf6420cb" /> De verweerder heeft na een bevel tot overdracht van zijn domeinnaam tien dagen de tijd om een gerechtelijke procedure te beginnen met betrekking tot het houderschap van de domeinnaam, in welk geval SIDN geen uitvoering geeft aan de uitspraak van de Geschillenbeslechter totdat zij afdoende bewijs heeft ontvangen dat die gerechtelijke procedure is doorgehaald, is ingetrokken of is geëindigd met de afwijzing van de vordering dan wel de vaststelling dat de verweerder “geen recht heeft op de domeinnaam”.<footnote-ref linkend="_fddcf231-2c39-4cb7-a655-96495d4b100e" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Tegen deze achtergrond heeft het hof in rov. 4.8 van zijn arrest – onbestreden in cassatie – overwogen dat de uitspraak van de Geschillenbeslechter in de procedure voor de overheidsrechter geen gewicht in de schaal legt, maar wel bindend is “in het waarschijnlijk veel voorkomende geval dat de gang naar de overheidsrechter niet wordt gemaakt”. Het hof verwijst in dit verband naar de wettelijke regeling van buitengerechtelijke geschillenbeslechting in geschillen over auteurs- en naburige rechten. Volgens die regeling kunnen partijen hun geschil binnen drie maanden na de uitspraak van de geschillencommissie aanhangig maken bij de rechter. Doen zij dat niet, dan wordt hetgeen in de uitspraak is vastgesteld “geacht te zijn overeengekomen tussen partijen”.<footnote-ref linkend="_2cd92aa6-4089-4a24-bf28-f594141d2792" /> Blijkens de − ook door het hof genoemde – wetsgeschiedenis, sluit deze regeling aan bij art. 7:262 BW (betreffende uitspraken van de huurcommissie) en strekt zij ertoe dat de uitspraak na het verstrijken van de genoemde termijn als vaststellingsovereenkomst (in de zin van art. 7:900 e.v. BW) moet worden beschouwd.<footnote-ref linkend="_8dbace34-7e6e-4c26-a1c3-45c1de3d730c" /> Een en ander lijkt erop te duiden dat het hof de uitspraak van de Geschillenbeslechter heeft beschouwd als een bindend advies, doch onder de opschortende voorwaarde dat partijen zich daarbij neerleggen.<footnote-ref linkend="_45ba99de-f21f-4b6f-90cd-9e381c0c5f17" /> Ik teken hierbij aan dat een bindend advies in beginsel kan worden aangevochten aan de hand van art. 7:904 BW. Zolang de opschortende voorwaarde nog niet is vervuld, is de rechter niet gebonden aan de beperkte gronden waarop een bindend advies ingevolge laatstgenoemd artikel kan worden aangetast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Wordt een gerechtelijke procedure over een domeinnaamgeschil aanhangig gemaakt (al dan niet na afwikkeling van de buitengerechtelijke procedure), dan rijst de vraag wat daarin de rechtspositie is van de domeinnaamhouder, dus van degene die bij SIDN als houder van de domeinnaam staat geregistreerd. In het verleden is door sommige auteurs verdedigd dat de domeinnaamhouder een <emphasis role="italic">absoluut</emphasis> recht heeft op zijn domeinnaam en dat dit recht inroepbaar is jegens willekeurige derden.<footnote-ref linkend="_e52a2653-4a15-4766-8f28-7f7f5e811bc0" /> Tegenwoordig gaan de meeste auteurs ervan uit dat de domeinnaamhouder slechts een contractuele aanspraak oftewel een vorderingsrecht heeft jegens SIDN, namelijk een uit een overeenkomst voortvloeiend recht tot gebruik van de domeinnaam.<footnote-ref linkend="_2e20e8e8-985d-45f2-b6eb-324a14e5185f" /> Dat recht is weliswaar exclusief in <emphasis role="italic">feitelijke</emphasis> zin, omdat een domeinnaam naar zijn aard slechts éénmaal vergeven kan worden, maar niet in juridische zin, aldus dat een ‘inbreuk’ op dat recht per definitie onrechtmatig zou zijn.<footnote-ref linkend="_16880d92-33b4-40ed-a755-1c1bd0a1885c" /> In een arrest uit 2015 lijkt de Hoge Raad zich bij deze heersende leer te hebben aangesloten. Dit leid ik af uit de overweging:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“3.4.3 Het recht op een domeinnaam is niet wettelijk geregeld. De rechthebbende wordt tegen later gebruik door een ander van dezelfde of een overeenstemmende domeinnaam beschermd als dat gebruik jegens hem onrechtmatig is of als voor die bescherming een contractuele grond bestaat. Ook ten aanzien van het gebruik van een naam die overeenstemt met een domeinnaam kan van onrechtmatigheid sprake zijn als dat gebruik verwarring wekt.”<footnote-ref linkend="_e3338692-8b2b-4525-b66c-367ce94fb29a" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>In de lagere rechtspraak<footnote-ref linkend="_e3ebbf26-db0e-42f8-917c-4aa1868f59be" /> en in de vakliteratuur<footnote-ref linkend="_57b13de7-ac50-4d7b-abae-13b5af4f8847" /> wordt aangenomen dat de registratie en het gebruik van een domeinnaam (slechts) geoorloofd zijn voor zover daarmee geen inbreuk wordt gemaakt op intellectuele eigendomsrechten en ook niet anderszins onrechtmatig wordt gehandeld jegens derden. Omgekeerd brengt deze maatstaf mee dat een op grond van de Geschillenregeling bewerkstelligde overdracht van een domeinnaam aan een IE-rechthebbende onrechtmatig zal kunnen zijn jegens de gewezen domeinnaamhouder, indien (in rechte wordt vastgesteld dat) met de registratie en het gebruik van die domeinnaam géén inbreuk is gemaakt op intellectuele eigendomsrechten en ook niet anderszins onrechtmatig is gehandeld jegens de IE-rechthebbende.<footnote-ref linkend="_67243c8a-a440-4f8c-9808-0097d077dd4d" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onderdelen 1.1 - 1.2: merkenrechtelijke beoordeling niet gewenst?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Ik keer terug naar het middel. <emphasis role="underline">Onderdeel 1.1</emphasis> klaagt dat het hof in rov. 5.2 en 5.4 een onbegrijpelijke uitleg aan de gedingstukken heeft gegeven, door te oordelen dat de domeinnaamhouder geen merkenrechtelijke beoordeling van zijn vordering wenst. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat de domeinnaamhouder weliswaar heeft gesteld dat het merkenrecht niet aan zijn vordering <emphasis role="italic">ten grondslag ligt</emphasis>, maar dat wil niet zeggen dat hij zijn betwisting van een door de merkhouder beweerde merkinbreuk buiten beschouwing gelaten wilde hebben. Het middelonderdeel vervolgt met drie hierop voortbouwende klachten tegen de gronden die het hof in rov. 5.2 voor zijn uitleg heeft gegeven, te weten: dat de domeinnaamhouder de merkenrechtelijke beoordeling van de rechtbank “ongevraagd” heeft genoemd (<emphasis role="underline">onderdeel 1.1.1</emphasis>), dat grief VI opkomt tegen de toepassing door de rechtbank van art. 1019h Rv (<emphasis role="underline">onderdeel 1.1.2</emphasis>) en dat grief V zich “klaarblijkelijk zekerheidshalve” richt tegen de “overwegingen ten overvloede” van de rechtbank aangaande de merkinbreuk (<emphasis role="underline">onderdeel 1.1.3</emphasis>). <emphasis role="underline">Onderdeel 1.2</emphasis> is gericht tegen de conclusie die het hof in rov. 5.4 heeft bereikt, namelijk dat niet kan worden vastgesteld dat van merkinbreuk geen sprake is en dat, gelet hierop, ook niet kan worden vastgesteld dat de merkhouder onrechtmatig handelt of ongerechtvaardigd wordt verrijkt. Volgens het middelonderdeel hebben partijen uitvoerig gedebatteerd over de door de merkhouder gestelde merkinbreuk en had het hof, gezien het partijdebat, zeer wel kunnen en moeten beoordelen of al dan niet sprake was van merkinbreuk door de domeinnaamhouder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Vooropgesteld moet worden dat de vordering op de subsidiaire grondslag<footnote-ref linkend="_813a2ac1-d4b3-4cfb-accd-37d204ff9e82" /> atypisch is geformuleerd. Gelet op de in alinea 2.7 hiervoor genoemde rechtspraak en vakliteratuur, had het m.i. meer voor de hand gelegen, een verklaring voor recht te vorderen dat de domeinnaamhouder géén inbreuk maakt op het DUNGS-merk en ook niet anderszins onrechtmatig handelt jegens de merkhouder door de registratie en het gebruik van de domeinnaam ‘dungs.nl’.<footnote-ref linkend="_9c0b79f9-d05a-47c3-ba03-3bc6489524b9" /> Zo’n ‘negatief declaratoir’, al of niet in combinatie met een vordering tot het opleggen van een rechterlijk gebod of verbod, is bij uitstek geschikt ter verdediging van een rechtspositie die in haar voortbestaan wordt bedreigd (hier: het domeinnaamhouderschap).<footnote-ref linkend="_4815ccb7-3bfd-4c35-90c0-10a8b663eb94" /> Daarbij is het wel zaak, dat de eiser ter onderbouwing van zo’n ‘verdedigende vordering’ méér aanvoert dan de bestaande toestand (de ‘<emphasis role="italic">status quo’)</emphasis>. De domeinnaamhouder die een dergelijke verklaring voor recht verlangt zal moeten onderbouwen waarom de dreigende aantasting van die <emphasis role="italic">status quo </emphasis>(in dit geval: de dreigende overdracht van de domeinnaam aan de merkhouder op basis van de beslissing van de geschillenbeslechter) ongeoorloofd is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <para>In dit geval vorderde de domeinnaamhouder een verklaring voor recht dat hij rechthebbende en domeinnaamhouder is, op de grondslag dat de merkhouder onrechtmatig handelt, althans ongerechtvaardigd wordt verrijkt, door de dreigende overdracht. Problematisch aan deze formulering is dat de vordering en de subsidiaire grondslag daarvan op twee verschillende feitelijke scenario’s berusten. Waar de uiteindelijke vordering (het <emphasis role="italic">petitum</emphasis>) aanknoopt bij de ‘<emphasis role="italic">status quo</emphasis>’ van het domeinnaamhouderschap,<footnote-ref linkend="_b037dc8f-7ad9-4532-8271-580d18dec802" /> staat de subsidiaire grondslag van de vordering in het teken van de dreigende aantasting daarvan, namelijk de bevolen overdracht van de domeinnaam aan de merkhouder.<footnote-ref linkend="_47e89126-33f4-4d66-bec2-5957fd80418a" /> Achter deze feitelijke inconsistentie schuilt ook een juridische misvatting, namelijk de gedachte dat de domeinnaamhouder de rechthebbende zou (kunnen) zijn reeds <emphasis role="italic">omdat</emphasis> de eventuele ontneming van zijn domeinnaam een onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking oplevert. Hierboven bleek al, dat een domeinnaam geen absoluut recht is. De heersende leer gaat ervan uit dat een domeinnaamhouder slechts gerechtigd is tot de registratie en het gebruik van zijn domeinnaam <emphasis role="italic">voor zover </emphasis>hij daarmee niet onrechtmatig handelt jegens derden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <para>De vraag is nu, of het hof de vordering op de subsidiaire grondslag mocht afwijzen, wegens deze, enigszins atypische formulering van het petitum.<footnote-ref linkend="_2997e753-5c55-41ba-9817-d1e6af329616" /> Zolang nog geen gevolg was gegeven aan de beslissing van de Geschillenbeslechter, bleef de domeinnaamhouder als zodanig geregistreerd staan: overeenkomstig de Geschillenregeling was de bestaande tenaamstelling ‘bevroren’. Het hof heeft in rov. 4.5 – overeenkomstig het partijdebat<footnote-ref linkend="_fec14344-cef5-4b7e-81ab-d9ed00284e2e" /> – de vordering aldus uitgelegd dat deze ertoe strekte, te voorkomen dat de merkhouder zich de domeinnaam laat overdragen op grond van de beslissing van de WIPO-geschillenbeslechter.<footnote-ref linkend="_8d7f7873-dba9-4a99-ad34-3f5e142e1e14" /> Met deze uitleg was de zo-even bedoelde feitelijke inconsistentie tussen de uiteindelijke vordering (het <emphasis role="italic">petitum</emphasis>) en de daarvoor aangevoerde grondslag weggenomen. Verder is van belang dat − naar het hof zelf vaststelt − de merkhouder gemotiveerd heeft gesteld en de rechtbank heeft aangenomen dat de domeinnaamhouder door het gebruik van de domeinnaam ‘dungs.nl’ inbreuk maakt op het DUNGS-merk (rov. 5.3) én dat grief V van de domeinnaamhouder zich daartegen keert (rov. 5.2). Daarmee staat m.i. vast dat (ook) in de procedure in hoger beroep het merkenrecht als potentiële grondslag van de vordering voorlag: niet omdat de domeinnaamhouder enig merkenrecht op het woordmerk DUNGS pretendeerde, maar omdat de domeinnaamhouder betwistte dat de houder van dat woordmerk op grond van diens rechten op dat woordmerk het recht had zich deze domeinnaam te laten overdragen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12</nr>
      <para>Dat het niet-maken van merkinbreuk en ook anderszins niet onrechtmatig handelen zou <emphasis role="italic">kunnen </emphasis>leiden tot toewijzing van de vordering zoals door het hof uitgelegd, lijkt op zich tussen partijen niet of niet langer ter discussie te staan.<footnote-ref linkend="_114fab58-6876-4764-bcbb-fb7619cda1d7" /> Bij die stand van zaken had het hof die (indirecte) merkenrechtelijke grondslag, zo nodig met toepassing van art. 25 Rv, in zijn beoordeling moeten betrekken, tenzij moest worden aangenomen dat de domeinnaamhouder zijn vordering niet op die grondslag beoordeeld <emphasis role="italic">wilde</emphasis> zien. Dit laatste heeft het hof inderdaad aangenomen, hetgeen ik afleid uit zijn verwijzing in rov. 5.4 naar HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6625, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2002/228. Dat arrest maakt deel uit van een reeks arresten<footnote-ref linkend="_d7e78254-4b35-435d-915c-f00e27627610" /> waarin is geoordeeld dat de rechter zijn beslissing op andere rechtsgronden mag baseren dan partijen hebben aangevoerd, tenzij de eiser zijn vordering uitsluitend beoordeeld wenst te zien op basis van een specifieke grondslag.<footnote-ref linkend="_bb2e0011-5755-4c38-a547-1ded1df480f4" /> In de vakliteratuur wordt echter betoogd dat de rechter dit laatste – exclusiviteit van de door de eiser aangevoerde grondslag(en) – niet spoedig mag aannemen, gelet op de beschermende strekking van art. 25 Rv.<footnote-ref linkend="_ca7a11b9-53ce-4817-8f8c-cae1b3876906" /> In het arrest van 15 februari 2002 ging het om vorderingen van huurders tot nietigverklaring van servicekosten-bedingen in huurovereenkomsten. De Hoge Raad oordeelde dat het hof die vorderingen aan art. 12 Huurprijzenwet had moeten toetsen, in plaats van aan art. 6 Huurprijzenwet, waarop de huurders hun vorderingen hadden gebaseerd, “nu geen grond bestaat voor de veronderstelling dat zij hun vorderingen uitsluitend op de grondslag van deze bepaling beoordeeld wensten te zien” (rov. 3.3). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13</nr>
      <para>Hoewel de uitleg van de gedingstukken in beginsel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en hoewel de uitleg die het hof aan de desbetreffende stellingen van de domeinnaamhouder heeft gegeven als zodanig wel te volgen is<footnote-ref linkend="_0f09047e-47eb-4367-b16d-a795d9f49307" />, meen ik toch dat de uitleg van de subsidiaire grondslag van de vordering onvoldoende begrijpelijk is in het licht van hetgeen in de gedingstukken is gesteld. Aangenomen dat het petitum berustte op een – voor de wederpartij kenbare – juridische misvatting omtrent het rechtskarakter van een domeinnaam (zie alinea 2.10 hiervoor), welke misvatting door het hof werd onderkend en met aanvulling van rechtsgronden kon worden rechtgezet (zie alinea 2.11 hiervoor), kan uit de stellingen van de domeinnaamhouder, zoals door het hof geparafraseerd in rov. 5.2, niet worden afgeleid dat de domeinnaamhouder, nadat hij door het hof op het spoor van de juiste rechtsopvatting was gezet, geen toewijzing van zijn vordering <emphasis role="italic">wenste</emphasis> op een (indirecte) merkenrechtelijke grondslag zoals hiervoor genoemd. Illustratief is, dat de domeinnaamhouder in hoger beroep de door hem bestreden merkenrechtelijke beoordeling van de rechtbank kwalificeerde als “ongevraagd” en “ten overvloede”: dat is iets anders dan ‘ongewenst’. Uit het feit dat de domeinnaamhouder, in antwoord op het merkenrechtelijke verweer van de merkhouder, de gestelde merkinbreuk uitvoerig gemotiveerd heeft betwist<footnote-ref linkend="_eac7c8c0-452d-4196-a63d-bd27bd269f34" /> leid ik veeleer af dat in zijn visie óók de door hem verfoeide ‘merkenrechtelijke beoordeling’ tot toewijzing van de vordering had moeten leiden. In zoverre slagen de onderdelen 1.1 en 1.2 en kan de bestreden beslissing niet in stand blijven. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onderdelen 1.3 - 1.4: vordering niet toewijsbaar zonder merkenrechtelijke beoordeling?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14</nr>
      <para>De <emphasis role="underline">onderdelen 1.3 en 1.4</emphasis> strekken ten betoge dat het hof – zelfs indien juist zou zijn dat de domeinnaamhouder geen merkenrechtelijke beoordeling had gewenst – de vordering niet heeft <emphasis role="italic">kunnen </emphasis>afwijzen zonder vast te stellen dat het gebruik van de domeinnaam inbreuk maakt op het DUNGS-merk.<footnote-ref linkend="_7879ceaa-e642-47ed-9025-c831e39e5d1d" /><emphasis role="underline">Onderdeel 1.3</emphasis> is gericht tegen de overweging van het hof dat de domeinnaamhouder ook overigens onvoldoende heeft gesteld om vast te kunnen stellen dat de merkhouder onrechtmatig handelt of ongerechtvaardigd wordt verrijkt door de bevolen overdracht. Het onderdeel klaagt dat een onvrijwillige overdracht van de geregistreerde domeinnaam aan de merkhouder in beginsel een onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking van de merkhouder ten koste van de domeinnaamhouder oplevert, behoudens een door de merkhouder te stellen en te bewijzen rechtvaardiging daarvoor, zoals merkinbreuk door de domeinnaamhouder. Hierop voortbouwend klaagt <emphasis role="underline">onderdeel 1.4</emphasis> dat degene die een domeinnaam houdt in beginsel gerechtigd is tot die domeinnaam, zodat een onvrijwillige ontneming van (het recht op) die domeinnaam in beginsel onrechtmatig is jegens de domeinnaamhouder, althans een ongerechtvaardigde verrijking ten koste van de domeinnaamhouder oplevert, behoudens een door de wederpartij te stellen en te bewijzen rechtvaardigingsgrond. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15</nr>
      <para>Deze middelonderdelen berusten kennelijk op de in alinea 2.10 hiervoor als onjuist aangemerkte rechtsopvatting.<footnote-ref linkend="_3f1049d8-22a7-4db6-aa93-c07fce0760b9" /> De gedachte dat een op grond van de Geschillenregeling bewerkstelligde overdracht van een domeinnaam aan de houder van een uitsluitend recht (zoals een merkrecht), behoudens een door deze laatste te stellen en te bewijzen rechtvaardigingsgrond onrechtmatig is jegens de gewezen domeinnaamhouder, respectievelijk een ongerechtvaardigde verrijking oplevert, is in strijd met de hierboven besproken heersende leer. Deze leer houdt in dat de domeinnaamhouder jegens SIDN een <emphasis role="italic">contractuele aanspraak </emphasis>heeft op zijn domeinnaam. In het algemeen kan niet worden aanvaard dat de aantasting van een contractuele aanspraak door een derde onrechtmatig is jegens de contractueel gerechtigde tenzij deze derde zich kan beroepen op een rechtvaardigingsgrond.<footnote-ref linkend="_e0e9ae0c-7790-4694-9af0-5403c7e00b42" /><emphasis role="italic">A fortiori</emphasis> kan in een geval als het onderhavige – waarin de aantasting van eisers recht op de domeinnaam berust op een in de overeenkomst tussen SIDN en de domeinnaamhouder voorziene vorm van buitengerechtelijke geschillenbeslechting – niet als uitgangspunt worden genomen dat de merkhouder onrechtmatig handelt of ongerechtvaardigd wordt verrijkt door de beslissing van de Geschillenbeslechter (strekkende tot overdracht van de domeinnaam aan de merkhouder) te laten uitvoeren. Dat zou ook in strijd zijn met het in de lagere rechtspraak en in de vakliteratuur aanvaarde uitgangspunt dat een domeinnaamhouder slechts met inachtneming van de rechten van derden (in dit geval: de merkrechten van de merkhouder) gerechtigd is tot het gebruik van zijn domeinnaam (zie alinea 2.7 hiervoor). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16</nr>
      <para>Overigens mist <emphasis role="underline">onderdeel 1.3</emphasis> feitelijke grondslag, voor zover het ervan uitgaat dat het hof de vordering heeft afgewezen omdat de domeinnaamhouder niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Zoals hierboven bleek in alinea 2.12, heeft het hof hetgeen de domeinnaamhouder heeft aangevoerd ter betwisting van de gestelde merkinbreuk buiten beschouwing gelaten op de grond dat de domeinnaamhouder geen merkenrechtelijke beoordeling <emphasis role="italic">wenste</emphasis>.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17</nr>
      <para>Een formele opmerking tot slot. Indien de Hoge Raad na gegrondbevinding van een of meer middelonderdelen tot vernietiging van het bestreden arrest zou overgaan, lijkt terugwijzing naar het Gerechtshof Den Haag in de rede te liggen. Op grond van art. 124, aanhef en onder b, van de Uniemerkenverordening<footnote-ref linkend="_14c3e0d0-a420-4c58-8b24-d26cca2bd17b" /> heeft de “Rechtbank voor het Uniemerk” – in Nederland: de rechtbank Den Haag en in hoger beroep het gerechtshof Den Haag<footnote-ref linkend="_1f47f589-cccf-43b3-b815-8416e08eb43e" /> – een uitsluitende bevoegdheid ter zake van “rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk” op Uniemerken, zoals in dit geval het DUNGS-merk.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>plv.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_6b538cbe-2da0-4484-985c-df2f44855d2c" label="1">
    <para> 	Zie ook het eindvonnis van de rechtbank Den Haag van 16 december 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:14357), onder 3.1 - 3.13.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4cbaa6d1-8880-4d21-b54e-8c26e41deb8f" label="2">
    <para> 	In eerste aanleg ging het om een Gemeenschapswoordmerk (eindvonnis, onder 3.4). Per 23 maart 2016 is het Gemeenschapsmerk veranderd in een Uniemerk. Zie de Verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015, Pb EU L 341/21, inmiddels vervangen door Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk, Pb EU L 154/1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6ec0c4bf-5ce3-4740-b0f2-ec6be6d7fa33" label="3">
    <para> 	De Geschillenregeling is deels weergegeven onder 1 onder e van het bestreden arrest. Zij is te raadplegen via &lt;https://www.sidn.nl/downloads/procedures/Geschillenregeling+voor+nl-domeinnamen.pdf&gt; (versie 31 december 2013).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_28e39b58-79cc-4cb2-b8e9-4948efb1e3a8" label="4">
    <para> 	SIDN is de organisatie die het beheer en de registratie van domeinnamen met de extensie ‘.nl’ verzorgt. Zie &lt;https://www.sidn.nl/t/over-sidn&gt;.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cfb0ad6b-c47a-4667-8f54-4fb876537f91" label="5">
    <para> 	WIPO is een VN-organisatie die zich bezighoudt met de bescherming van intellectuele eigendom en in dat kader onder meer geschillenbeslechting ter zake van domeinnamen faciliteert. Zie &lt;http://www.wipo.int/about-wipo/en/&gt; en &lt;http://www.wipo.int/amc/en/domains/&gt;.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7ca1fc76-123f-48ef-b0fd-34f401de1d37" label="6">
    <para> 	Vgl. art. 1.1 van de Geschillenregeling: “De eiser kan op basis van de regeling alleen de volgende vordering instellen: Wijziging van de domeinnaamhouder zodat de eiser in plaats van de verweerder de domeinnaamhouder wordt.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4dbb2c07-0e11-47c9-8f6b-c37016ecc437" label="7">
    <para> 	Vgl. art. 2.1 van de Geschillenregeling: “Eisen kunnen worden ingediend door iedereen die gemotiveerd stelt dat: a. een domeinnaam identiek is aan of zodanig overeenstemt dat er verwarring kan ontstaan met een: I. naar Nederlands recht beschermd merk of handelsnaam waarvan eiser rechthebbende is; (…) b. de domeinnaamhouder geen recht heeft op of legitiem belang heeft bij de domeinnaam; en c. de domeinnaam te kwader trouw is geregistreerd of wordt gebruikt.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a4b787f-7a6c-425d-93d1-75679743f5b5" label="8">
    <para> 	De oorspronkelijke inleidende dagvaarding namens de domeinnaamhouder d.d. 20 mei 2014 (die alleen in het A-dossier te vinden is) bevatte nog niet de grondslagen van de eis. Op 9 juli 2014 is bij wege van herstelexploot een nieuwe dagvaarding namens de domeinnaamhouder uitgebracht (de eigenlijke inleidende dagvaarding in deze procedure). Op diezelfde datum is ook een gelijkluidende dagvaarding namens eiseressen tot cassatie onder 2 en 3 uitgebracht. Bij vonnis van 10 december 2014 zijn de desbetreffende zaken gevoegd. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_35c3a38c-c202-4a3e-8109-6a184bf7307e" label="9">
    <para> 	Vgl. art. 20.1 van de Geschillenregeling: “Indien de geschillenbeslechter oordeelt dat de domeinnaamhouder gewijzigd moet worden zodat de eiser de domeinnaamhouder wordt, zal SIDN na verloop van tien (10) werkdagen nadat het instituut SIDN van de uitspraak op de hoogte heeft gesteld meewerken aan een door een registrar namens de eiser ingevolge artikel 20.2 ingediend verzoek tot wijziging van de domeinnaamhouder en/of wijziging van de registrar. SIDN zal echter niet meewerken indien zij binnen die termijn van de verweerder bewijs heeft ontvangen (zoals een afschrift van de betekende dagvaarding) dat deze voor een Nederlandse rechter een gerechtelijke procedure tegen de eiser met betrekking tot het houderschap van de betreffende domeinnaam heeft ingeleid.</para>
    <para>Ook in dit laatste geval werkt SIDN niet mee aan opheffing van de domeinnaam of wijziging van de domeinnaamhouder of aantekening van verpanding van de betreffende domeinnaam totdat zij afdoende bewijs heeft ontvangen dat het geschil tussen partijen is opgelost, dat de gerechtelijke procedure is doorgehaald of ingetrokken, of dat de rechter de vordering van de verweerder heeft afgewezen of heeft vastgesteld dat de verweerder geen recht heeft op de domeinnaam.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bea53664-c0af-452b-95e0-a3e34753cb2c" label="10">
    <para> 	Vgl. art. 6 van de Geschillenregeling: “Vanaf het moment dat SIDN door het instituut op de hoogte is gesteld van de ontvangst van de eis, werkt zij niet mee aan opheffing of wijziging van de domeinnaamhouder of aantekening van verpanding van de betreffende domeinnaam tot de procedure is geëindigd en een eventuele daaruit voortvloeiende wijziging domeinnaamhouder is doorgevoerd.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_09b00b36-374b-40e0-aca6-9792b844b3e3" label="11">
    <para> 	Kortheidshalve wordt hierna in enkelvoud gesproken over de vordering van de domeinnaamhouder (waar nodig te lezen als: de vorderingen van de domeinnaamhouder c.s.).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef09c79d-efa4-4091-a280-bf757f023dc8" label="12">
    <para> 	Aldus de − in cassatie onbestreden − weergave van het petitum in het bestreden arrest onder 2.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6867c9dd-0eeb-4569-aa32-bbbe070b51b8" label="13">
    <para> 	Het hof behandelt in dit kader achtereenvolgens de uitleg van de primaire grondslag (rov. 4.1 - 4.6), de rol van de WIPO-beslissing (rov. 4.7 - 4.9) en de rol van de Geschillenregeling (rov. 4.10 - 4.14). Deze overwegingen en de daarop gebaseerde afwijzing van de vordering op de primaire grondslag staan in cassatie niet ter discussie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ecd6bb45-a1c0-40c8-ba9f-4013f95881b9" label="14">
    <para> 	Zie bijv. H.W. Wefers Bettink, ‘Domeinnamen’, in: A.P. Meijboom (red.), <emphasis role="italic">Intellectuele eigendom en ICT </emphasis>(Monografieën Recht en Informatietechnologie nr. 3), Den Haag: Sdu 2014, blz. 145.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31e098ab-6fb1-4823-9c53-fbf64db73ed4" label="15">
    <para> 	Zie voor de historische achtergrond hiervan: P.L. Reeskamp, ‘De .nl domeinnaam in het .nl vermogensrecht’, <emphasis role="italic">Computerrecht </emphasis>2000, blz. 275 - 276.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_914215cf-c1c7-4d6f-abe5-d586dfa269c5" label="16">
    <para> 	Zie H.W. Wefers Bettink, ‘Domeinnamen’, reeds aangehaald, blz. 162. Zie ook &lt;https://www.sidn.nl/faq&gt;: “SIDN controleert aanvragen niet op inbreuken op merken- of andere rechten. Als de aangevraagde domeinnaam vrij is, dan wordt deze geregistreerd.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a3683a6-6274-40d7-8652-de0f609b90c6" label="17">
    <para> 	Vgl. onder “A. Inleiding” van de Geschillenregeling: “Deze Geschillenregeling voor .nl-domeinnamen is in werking getreden op 28 februari 2008 en laatstelijk gewijzigd op 31 december 2013. Vanaf deze eerste datum zijn alle domeinnaamhouders bij geschillen over het houderschap van elke .nl-domeinnaam onderworpen aan deze geschillenregeling als een derde op basis hiervan een eis tegen hen indient. Derden die een dergelijke eis tegen een domeinnaamhouder indienen onderwerpen zich door indiening van de eis aan deze geschillenregeling en zijn daaraan gebonden.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ab25d63e-f2a5-42a2-945c-9f64eeb8e18f" label="18">
    <para> 	Vgl. art. 2.1 van de Geschillenregeling (hierboven geciteerd in voetnoot 7). Zie voorts bijv. H.W. Wefers Bettink, ‘Domeinnamen’, reeds aangehaald, blz. 162 e.v., waar ook de vergelijkbare UDRP-regeling voor andere domeinen wordt besproken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d8fe2212-d664-429c-b85d-03fedf6420cb" label="19">
    <para> 	Vgl. art. 21 van de Geschillenregeling: “Deelname aan deze geschillenregeling (inclusief het mediation proces) weerhoudt noch de verweerder noch de eiser ervan om het geschil buiten deze regeling om voor te leggen aan een bevoegde, onafhankelijke rechter.”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fddcf231-2c39-4cb7-a655-96495d4b100e" label="20">
    <para> 	Vgl. art. 20.1 van de Geschillenregeling (hierboven geciteerd in voetnoot 9). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2cd92aa6-4089-4a24-bf28-f594141d2792" label="21">
    <para> 	Art. 23 lid 5 Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten (Wet van 6 maart 2003, <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2003/111, zoals gewijzigd bij wet van 7 maart 2013, <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2013/97, en bij wet van 14 november 2016, <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2016/435).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8dbace34-7e6e-4c26-a1c3-45c1de3d730c" label="22">
    <para> 	Zie MvT, <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2008/09, 31 766, nr. 3, blz. 37-38. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_45ba99de-f21f-4b6f-90cd-9e381c0c5f17" label="23">
    <para> 	Zie in de vakliteratuur hierover: A.P. Meijboom, ‘Ontwikkeling van domeinnaambescherming in Nederland’, <emphasis role="italic">Computerrecht </emphasis>2007/41, blz. 66, voetnoot 11 (die de vergelijkbare UDRP-procedure aanduidt als “een bindend advies, dat de gang naar de gewone rechter niet uitsluit”); H.W. Wefers Bettink, ‘Domeinnamen’, reeds aangehaald, blz. 165 (die de uitspraak van de geschillenbeslechter als “niet-bindend advies” aanduidt, maar opmerkt dat de domeinnaamhouder door aanvaarding van de Geschillenregeling wel heeft “ingestemd met tenuitvoerlegging” ervan). F.W.E. Eijsvogels, ‘Alternatieve geschillenbeslechting’, in: F.W. Grosheide (red.), <emphasis role="italic">Handhaving van intellectuele eigendom</emphasis>, Amsterdam: deLex 2016, blz. 373, betoogt dat de Geschillenregeling “meer weg [heeft] van bindend advies” dan van arbitrage, aangezien partijen zich tot de overheidsrechter kunnen wenden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e52a2653-4a15-4766-8f28-7f7f5e811bc0" label="24">
    <para> 	Zie K. Gilhuis, F. Falkena en W. Wefers Bettink, ‘De domeinnaam in het civiele recht’, <emphasis role="italic">NJB </emphasis>2001 (afl. 18), blz. 842-844. Terughoudender is W. Snijders, ‘Ongeregeldheden in het vermogensrecht (I)’, <emphasis role="italic">WPNR</emphasis> 2005/6607, blz. 84-85, die betoogt dat het “een recht sui generis zonder wettelijke basis” betreft, dat “zich [onttrekt] aan de tegenstelling relatief/absoluut”.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2e20e8e8-985d-45f2-b6eb-324a14e5185f" label="25">
    <para> 	Zie bijv. P.L. Reeskamp, <emphasis role="italic">Computerrecht </emphasis>2000, reeds aangehaald, blz. 278; R.D. Chavannes, Reactie ‘De domeinnaam in het civiele recht’, <emphasis role="italic">NJB </emphasis>2001 (afl. 25), blz. 1165-1166; H.J.M. Boukema en H.B. Krans, ‘Laat de wetgever met rust’, <emphasis role="italic">NJB </emphasis>2001 (afl. 33), blz. 1614-1615; L. Huisman, ‘Domeinnamen 2002-2003’, <emphasis role="italic">Mediaforum </emphasis>2004/2, blz. 36; F.P. van Koppen, ‘De vermogensrechtelijke status van het recht op de domeinnaam’, <emphasis role="italic">MvV </emphasis>2006 (afl. 6), blz. 112-113; A.P. Meijboom, <emphasis role="italic">Computerrecht </emphasis>2007/41, reeds aangehaald, blz. 69; J.W.A. Biemans, ‘Domeinnaamrechten en ‘overdracht’, ‘verpanding’, en ‘beslag’ – het is niet wat het lijkt’, <emphasis role="italic">NTBR </emphasis>2009/2, blz. 2-4; C.J.J.C. van Nispen, J.L.R.A. Huydecoper en T. Cohen Jehoram, <emphasis role="italic">Industriële eigendom. Deel 3. Vormen, namen en reclame</emphasis>, Deventer: Kluwer 2012, blz. 266-267 en 274; en H.W. Wefers Bettink, ‘Domeinnamen’, reeds aangehaald, blz. 165-166.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_16880d92-33b4-40ed-a755-1c1bd0a1885c" label="26">
    <para> 	Vgl. in die zin bijv. P.L. Reeskamp, <emphasis role="italic">Computerrecht </emphasis>2000, reeds aangehaald, blz. 277; F.P. van Koppen, <emphasis role="italic">MvV </emphasis>2006 (afl. 6), reeds aangehaald, blz. 111; en A.P. Meijboom, <emphasis role="italic">Computerrecht </emphasis>2007/41, reeds aangehaald, blz. 72. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e3338692-8b2b-4525-b66c-367ce94fb29a" label="27">
    <para> 	HR 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3554, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2016/79 m.nt. D.W.F. Verkade (<emphasis role="italic">Artiestenverloningen</emphasis>). Zie ook de conclusie van A-G Van Peursem, voetnoot 1 (slot), en de NJ-annotatie van D.W.F. Verkade, onder 3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e3ebbf26-db0e-42f8-917c-4aa1868f59be" label="28">
    <para> 	Zie bijv. Rb. Breda (vzr.) 23 juni 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BC0676, <emphasis role="italic">IER </emphasis>2007/101 m.nt. M. de Cock Buning, rov. 4.9.2; Rb. Haarlem (vzr.) 18 december 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BK6883, <emphasis role="italic">NJF </emphasis>2010/150, rov. 4.12; Hof Leeuwarden 5 juli 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BR0392, <emphasis role="italic">Prg. </emphasis>2011/203, rov. 5; Hof ’s-Gravenhage 22 november 2001, ECLI:NL:GHSGR:2011:AD6040, <emphasis role="italic">Computerrecht </emphasis>2002, blz. 41, rov. 11-12; Rb. Midden-Nederland 4 maart 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:1063, <emphasis role="italic">NJF </emphasis>2015/344, rov. 4.2 e.v.; en Hof ’s-Hertogenbosch 5 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2424, rov. 3.8.1 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_57b13de7-ac50-4d7b-abae-13b5af4f8847" label="29">
    <para> 	Zie bijv. A. Tsoutsanis, <emphasis role="italic">Domeinnaamgeschillen: inbreuk, onrechtmatige daad of kwade trouw?</emphasis> (IT<emphasis role="italic">e</emphasis>R-reeks nr. 58), Den Haag: Sdu 2003, blz. 71; C.J.J.C. van Nispen e.a., <emphasis role="italic">Industriële eigendom. Deel 3</emphasis>, reeds aangehaald, blz. 273; H.W. Wefers Bettink, ‘Domeinnamen’, reeds aangehaald, blz. 146 e.v. en 156 e.v.; en R.C.K. van Oerle, ‘Handelsnaamrecht’, in: Ch. Gielen (red.), <emphasis role="italic">Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht</emphasis>, Deventer: Kluwer 2017, blz. 452.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_67243c8a-a440-4f8c-9808-0097d077dd4d" label="30">
    <para> 	Zie F.W.E. Eijsvogels in zijn annotatie bij het eindvonnis van de rechtbank in deze zaak (<emphasis role="italic">IER </emphasis>2016/33).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_813a2ac1-d4b3-4cfb-accd-37d204ff9e82" label="31">
    <para> 	Zie alinea 1.4 hiervoor.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9c0b79f9-d05a-47c3-ba03-3bc6489524b9" label="32">
    <para> 	Aldus ook F.W.E. Eijsvogels in zijn reeds aangehaalde annotatie (<emphasis role="italic">IER </emphasis>2016/33).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4815ccb7-3bfd-4c35-90c0-10a8b663eb94" label="33">
    <para> 	Vgl. C.J.J.C. van Nispen, <emphasis role="italic">Het rechterlijk verbod en bevel </emphasis>(diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1978, nr. 78. Zie voorts over het negatief declaratoir bijv. N.E. Groeneveld-Tijssens, <emphasis role="italic">De verklaring voor recht </emphasis>(diss. Tilburg), Deventer: Kluwer 2015, nr. 53 e.v. (hoofdstuk 5); en de conclusie van A-G Strikwerda voor HR 20 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0584, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1989/375 m.nt. L. Wichers Hoeth, onder 3.2.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b037dc8f-7ad9-4532-8271-580d18dec802" label="34">
    <para> 	Vgl. rov. 4.5 van het bestreden arrest, waar het hof bij het petitum de kanttekening maakt dat de domeinnaamhouder “op dit moment nog domeinnaamhouder” is (en in gelijke zin rov. 4.11).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_47e89126-33f4-4d66-bec2-5957fd80418a" label="35">
    <para> 	Vgl. de schriftelijke toelichting zijdens de merkhouder, par. 45, die spreekt over een “mismatch” tussen het petitum en de subsidiaire grondslag.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2997e753-5c55-41ba-9817-d1e6af329616" label="36">
    <para> 	Vgl. N.E. Groeneveld-Tijssens (diss.), reeds aangehaald, nr. 56, die betoogt dat niet de formulering maar het doel van de vordering bepalend is voor de kwalificatie als negatief declaratoir.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fec14344-cef5-4b7e-81ab-d9ed00284e2e" label="37">
    <para> 	Vgl. HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2006/443 m.nt. G. van Solinge, rov. 3.5: het petitum dient te worden uitgelegd in het licht van de daaraan ten grondslag gelegde stellingen en het processuele debat, zoals dit zich vervolgens heeft ontwikkeld.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8d7f7873-dba9-4a99-ad34-3f5e142e1e14" label="38">
    <para> 	Zie in gelijke zin rov. 5.3 van het eindvonnis van de rechtbank.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_114fab58-6876-4764-bcbb-fb7619cda1d7" label="39">
    <para> 	In feitelijke instanties stelde de merkhouder van meet af aan dat de zaak om een merkenrechtelijke beoordeling vraagt (zie bijv. memorie van antwoord, par. 81) en in cassatie onderschrijft de domeinnaamhouder dit standpunt (zie bijv. zijn schriftelijke toelichting, par. 1.11 en 4.12), zij het niet geheel consequent (idem, par. 1.12 en 4.3). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d7e78254-4b35-435d-915c-f00e27627610" label="40">
    <para> 	Zie eerder in gelijke zin HR 1 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0133, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1991/598, rov. 3.4; en HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2655, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1998/625, rov. 3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb2e0011-5755-4c38-a547-1ded1df480f4" label="41">
    <para> 	Zie bijv. <emphasis role="italic">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein en Wesseling-van Gent 4 </emphasis>2018/173.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ca7a11b9-53ce-4817-8f8c-cae1b3876906" label="42">
    <para> 	Zie bijv. A. Hammerstein / H.E. Ras, <emphasis role="italic">De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken</emphasis> (Serie Burgerlijk Proces &amp; Praktijk nr. 4), Deventer: Kluwer 2017, nrs. 48-49; en J. Ekelmans, <emphasis role="italic">In eerste aanleg </emphasis>(Serie Burgerlijk Proces &amp; Praktijk nr. 16), Deventer: Kluwer 2015, nr. 12.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0f09047e-47eb-4367-b16d-a795d9f49307" label="43">
    <para> 	Zelfs in cassatie houdt de domeinnaamhouder vol dat het niet-maken van merkinbreuk “geen grondslag” is voor toewijzing van het gevorderde declaratoir: s.t. namens de domeinnaamhouder, onder 4.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eac7c8c0-452d-4196-a63d-bd27bd269f34" label="44">
    <para> 	Zie (met name) grief V, waaraan het hof in rov. 5.2 ook refereert.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7879ceaa-e642-47ed-9025-c831e39e5d1d" label="45">
    <para> 	Zie de schriftelijke toelichting zijdens de domeinnaamhouder, par. 1.11.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3f1049d8-22a7-4db6-aa93-c07fce0760b9" label="46">
    <para> 	Overigens wijst de merkhouder er in par. 55 van zijn schriftelijke toelichting op dat deze rechtsopvatting ook niet eerder in de onderhavige procedure door de domeinnaamhouder is verdedigd.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e0e9ae0c-7790-4694-9af0-5403c7e00b42" label="47">
    <para> 	Vgl. HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2603, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1998/494, rov. 3.3: het enkele feit dat bij overeenkomst een exclusief recht is verleend tot het verrichten van stuwadoorswerkzaamheden binnen een bepaald gebied, brengt niet mee dat derden rechtens verplicht zijn dat recht te respecteren. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_14c3e0d0-a420-4c58-8b24-d26cca2bd17b" label="48">
    <para> 	Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (vgl. voorheen art. 96, aanhef en onder b, van Verordening (EG) 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1f47f589-cccf-43b3-b815-8416e08eb43e" label="49">
    <para> 	Vgl. art. 3 van de (na invoering van het Uniemerk ongewijzigd gehandhaafde) Uitvoeringswet E.G.-verordening inzake het Gemeenschapsmerk (<emphasis role="italic">Stb. </emphasis>1998/202).</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>