<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2018:1003</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-09-25T13:21:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2018-06-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/06166</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2018:1682" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1682</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:1003">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:1003</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-09-18T10:36:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2018:1003 Parket bij de Hoge Raad , 19-06-2018 / 16/06166</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2018:1003:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wederrechtelijk binnendringen a.b.i. art. 138.1 Sr. Verbleef verdachte op uitnodiging van bewoner tijdens haar afwezigheid in haar woning? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1969:AB5039 m.b.t. betekenis van het bestanddeel “binnendringen”. Mede gelet op hetgeen door en namens verdachte ttz. in h.b. is aangevoerd is de bewezenverklaring van het tlgd., v.zv. inhoudende dat verdachte "wederrechtelijk is binnengedrongen" in de woning, niet naar de eis der wet met redenen omkleed. HR neemt daarbij mede in aanmerking dat het Hof de juistheid in het midden heeft gelaten van hetgeen door de verdediging is aangevoerd m.b.t. de omstandigheid dat verdachte in die woning was uitgenodigd en dat het Hof in zijn nadere bewijsoverweging niets heeft vastgesteld waaruit kan volgen dat verdachte zich ervan bewust was dat zijn binnentreden en verblijf in de woning geschiedde tegen de wil van de rechthebbende. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2018:1003:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 16/06166</para>
            <para>Zitting: 19 juni 2018</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. D.J.C. Aben</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para>1. De verdachte is bij arrest van 9 november 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en wegens 2 “<emphasis role="italic">in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen</emphasis>”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis.</para>
  <para />
  <para>2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.</para>
  <para />
  <para>3. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring, mede gelet op een ter terechtzitting gevoerd verweer, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. Daarbij gaat het in het bijzonder om het bestanddeel ‘wederrechtelijk is binnengedrongen’.</para>
  <para />
  <para>4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">“hij in de periode van 16 januari 2015 tot en met 9 februari 2015 te Zutphen, wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen aan de [a-straat 1] en in gebruik bij [betrokkene 1] .</emphasis>”</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>“<emphasis role="italic">1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (pagina 80 t/m 82) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - </emphasis><emphasis role="bold italic">als verklaring van [betrokkene 1] :</emphasis></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Ik doe aangifte van inbraak.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Ik ben woonachtig aan de [a-straat 1] te Zutphen. Op vrijdag 16 januari 2015 vertrok ik vanaf mijn woning. Ik sloot met mijn sleutel mij voordeur af. Tevens waren alle ramen gesloten en was mijn balkondeur op slot. Alle verlichting in mijn woning had ik uitgedaan.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Ik ben vervolgens voor drie weken van huis geweest.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Vandaag, maandag 9 februari 2015 kwam ik terug in Zutphen. Ik zag dat het slot van mijn voordeur geforceerd was. Ik zag een groot gat waar voorheen het cilinderslot zat. De deur zat dicht.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">In mijn woning zag ik de volgende veranderingen:</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- De verlichting in mijn woonkamer, keuken en slaapkamers was aan. Dit was niet het geval toe ik was vertrokken.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- In de hal lag een heel wit brood. Dit brood was niet van mij.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- In de keuken lag een verpakking met ronde plakjes kipfilet, ook niet van mij.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- In de keuken lag een half wit brood, wat was beschimmeld. Ook dit brood was niet van mij.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- In de keuken lag een zak met drie bruine broodjes die niet van mij zijn.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- Op het gasfornuis lag een pannendeksel die niet van mij is.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- De balkondeur was van het slot gehaald. De sleutel zat nog in het slot. Ik weet zeker dat ik deze had afgesloten.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- In de woonkamer, in een stopcontact naast de bank, zat een Nokia telefoonoplader die niet van mij is.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- Op de salontafel in de woonkamer lag een lange vloei die niet van mij is.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- De spullen op de salontafel waren overhoop gehaald.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- Het rolgordijn in de woonkamer was gesloten.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- De wc was gebruikt. Dit kon ik zien omdat de wc-bril omhoog stond.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- In mijn bed had iemand geslapen.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- Lades van een dressoir waren geopend geweest.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Ik heb het vermoeden dat iemand geleefd heeft in mijn woning. Ik heb met niemand iets afgesproken over verblijf in mijn woning. Ik zou ook niet weten wie in mijn woning heeft verbleven.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">2. De </emphasis>
      <emphasis role="bold italic">verklaring van verdachte </emphasis>
      <emphasis role="italic">afgelegd ter terechtzitting van het hof op 26 oktober 2016, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Ik ben in de woning aan de [a-straat 1] te Zutphen geweest in de periode 16 januari 2015 tot en met 9 februari 2015.</emphasis>”</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>6. Voorts heeft het hof, naar aanleiding van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep  naar voren is gebracht, het volgende overwogen:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>“<emphasis role="bold italic">Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde</emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Aangeefster [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij niemand toestemming heeft gegeven om in de periode van 16 januari 2015 tot en met 9 februari 2015 haar woning binnen te gaan. Verdachte heeft verklaard dat hij in die periode wel in de woning van aangeefster [betrokkene 1] is geweest. </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Derhalve acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in voornoemde periode wederrechtelijk de woning van aangeefster [betrokkene 1] is binnengedrongen</emphasis>.”</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>7. De in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘wederrechtelijk binnendringen’ zijn daarin klaarblijkelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 138, eerste lid, Sr. Die bepaling luidt:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>‘’<emphasis role="italic">Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie</emphasis>.’’</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>8. Als ‘binnendringen’ in de zin van deze bepaling moet (voor zover relevant) worden beschouwd het betreden van een woning bij een ander in gebruik, indien degene die zich daarin begeeft zulks doet tegen de voor hem – hetzij door een verklaring van de rechthebbende, hetzij op grond van enige andere omstandigheid – onmiskenbare wil van de rechthebbende.<footnote-ref linkend="_b81f9a4b-91a8-481e-99e0-eeb50aadaf9e" /> Het binnentreden in een woning die bij een ander in gebruik is, kan dus alleen worden aangemerkt als ‘binnendringen’ indien voor degene die binnentreedt duidelijk (‘onmiskenbaar’) is dat hij dit doet tegen de wil van de rechthebbende. De ‘wil’ van de rechthebbende kan door woorden of door omstandigheden tot uitdrukking zijn gebracht.<footnote-ref linkend="_9a82c49b-e8fb-4ab2-bd42-0e413b7d9134" /> Het tweede lid van art. 138 Sr bepaalt als weerlegbaar bewijsvermoeden dat ‘geacht wordt te zijn binnengedrongen’ degene die zich de toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum, of die, zonder voorkennis van de rechthebbende en anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in de voor de nachtrust bestemde tijd. De wijze van binnentreden kan dus van betekenis zijn voor de vraag of dat binnentreden geschiedde tegen de onmiskenbare wil van de rechthebbende.<footnote-ref linkend="_1288291c-c6e2-48a3-88f1-6e16c18f9732" /> “<emphasis role="italic">De Hoge Raad acht het bovendien mogelijk dat ook uit de (zeer bijzondere) omstandigheden van het geval kan blijken dat het betreffende binnentreden tegen de onmiskenbare wil van de rechthebbende in gaat, ook al heeft deze zich niet uitdrukkelijk in woord of ‘daad’ tegen verklaard</emphasis>”, aldus Fokkens.<footnote-ref linkend="_096fb455-b8d7-4da9-b1c8-60e0ec2bc079" /></para>
  <para>Door toevoeging van het woord ‘wederrechtelijk’ is buiten twijfel gesteld, dat het binnendringen – ook al geschiedt dit tegen de wil van de rechthebbende – niet strafbaar is indien dit uit anderen hoofde gerechtvaardigd is. </para>
  <para />
  <para>9. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de aangeefster in die periode geen gebruik maakte van haar woning en dat de verdachte in de tenlastegelegde periode in de woning van aangeefster verbleef, terwijl de aangeefster niemand toestemming had gegeven om haar woning te betreden. Verder gaan de vaststellingen van het hof niet. Omtrent de wijze waarop de verdachte de woning van de aangeefster is binnengetreden is uit de bewijsvoering niets af te leiden. Evenmin heeft het hof zich uitgesproken over de vraag of de verdachte zich ervan bewust was dat zijn binnentreden en verblijf in de woning geschiedde tegen de (verklaarde) wil van de rechthebbende. Naar de vaststelling van bijzondere omstandigheden van het geval zoekt men in de bewijsmotivering tevergeefs.</para>
  <para />
  <para>10. Wat betreft de (vermeende) toestemming om in de woning te verblijven heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op uitnodiging in de woning verbleef. Ik sluit niet uit dat het hof geen geloof heeft gehecht aan die – weinig gesubstantieerde – verklaring, maar daarover heeft het hof zich niet uitgelaten. Door de juistheid van deze verklaring van de verdachte in het midden te laten acht ik de bewezenverklaring, mede in het licht van hetgeen dienaangaande is aangevoerd, ontoereikend gemotiveerd.</para>
  <para />
  <para>11. Het middel slaagt.</para>
  <para />
  <para>12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.</para>
  <para />
  <para>13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, en tot terugwijzing van de zaak opdat die op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De procureur-generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_b81f9a4b-91a8-481e-99e0-eeb50aadaf9e" label="1">
    <para> HR 16 december 1969, ECLI:NL:HR:1969:AB5039, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1971/96; HR 17 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9733; HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8685, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2012/400. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9a82c49b-e8fb-4ab2-bd42-0e413b7d9134" label="2">
    <para> Zie J.W. Fokkens, in Noyon, Langemeijer &amp; Remmelink (red.), <emphasis role="italic">Het Wetboek van Strafrecht</emphasis> elektronische versie (bijgewerkt tot 20 september 2017), art. 138, aant. 11.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1288291c-c6e2-48a3-88f1-6e16c18f9732" label="3">
    <para> Vgl. J.M. ten Voorde, <emphasis role="italic">Tekst &amp; Commentaar strafrecht</emphasis>, elektronische versie (bijgewerkt tot 15 maart 2018), art. 138, aant. 9.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_096fb455-b8d7-4da9-b1c8-60e0ec2bc079" label="4">
    <para> Zie nogmaals: J.W. Fokkens, in Noyon, Langemeijer &amp; Remmelink (red.), <emphasis role="italic">Het Wetboek van Strafrecht</emphasis> elektronische versie (bijgewerkt tot 20 september 2017), art. 138, aant. 11. </para>
    <para>Niet onvermeld mag blijven een klassieke uitspraak uit de annalen van de NJ, te weten HR 4 januari 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB3692, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1972/121. In die zaak waren leden van ‘Aktiegroep ‘70’ een woning binnengegaan waarvan – naar zij wisten – de bewoonster (langdurig) in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen. Van de bewoonster hadden deze aktievoerders tevergeefs toestemming trachten te verkrijgen tot bewoning van de ‘leegstaande’ woning door anderen. De Hoge Raad overwoog: “<emphasis role="italic">dat in de toelichting op het eerste middel met juistheid wordt gesteld dat het betreden van een woning (…), bij een ander in gebruik, als binnendringen in de zin van evengenoemd artikel </emphasis>[art. 138 Sr, D.A.]<emphasis role="italic"> moet worden geschouwd indien degene die zich daarin (…) begeeft zulks doet tegen de voor hem – hetzij door een verklaring van de rechthebbende hetzij op grond van enige andere omstandigheid – onmiskenbare wil van de rechthebbende; (….); dat toch het binnengaan in een bij een ander in gebruik zijnde woning bij afwezigheid van de bewoner teneinde daarin zonder diens toestemming aan anderen huisvesting te verschaffen in de regel een dermate ernstige aantasting van het rechtmatig woongenot van de bewoner oplevert, dat – behoudens bijzondere omstandigheden waarvan ten deze niet is gebleken – aangenomen kan worden dat het voor de binnentreder onmiskenbaar moet zijn dat hij handelt tegen de wil van de rechthebbende;</emphasis>”</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>